Ontwerp-verordening Jeugdhulp gemeente Delft 2024
Tekst van het document
Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024 Intitulé Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Delft houdende regels omtrent jeugdhulp (Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024) De raad van de gemeente Delft; gelezen het voorstel van het college van 6 juni 2023; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 27 januari 2023; overwegende dat:
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: - de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; - de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; - de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; - de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; - de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; - de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024
1
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet; - budgethouder: jeugdige die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet, dit budget wordt beheert namens de jeugdige door de budgetbeheerder; - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; - financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; - gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg die ouders en/of andere verzorgers of opvoeders geacht worden hun kinderen te bieden. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel, gebruikelijke hulp bij kinderen kan activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. - gekwalificeerde jeugdhulpaanbieder: een hulpverlener die: i. is ingeschreven in het handelsregister als zijnde hulpverlener, en; ii. personeel in dienst heeft dat beschikt over de juiste kwalificaties voor het verlenen van jeugdhulp, en; iii. die aanzienlijke overheadkosten maakt, bijvoorbeeld in de vorm van huur van een kantoorruimte en personeelskosten.
- hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; - individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. - melding: het kenbaar maken van een hulpvraag aan het college; - nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld; - ondersteuningsplan: plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de beoogde resultaten en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren.
Waar ondersteuningsplan staat kan ook een veiligheidsplan, veranderplan, herstelplan of een evaluatieplan worden bedoeld; - overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s); - persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele jeugdhulpvoorziening behoort van derden te betrekken; - wet: Jeugdwet; - zelfstandig werkende gekwalificeerde jeugdhulpaanbieder: is een hulpverlener die: i. niet in loondienst is bij een gekwalificeerde zorgaanbieder; ii. door de Belastingdienst is aangemerkt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden), en; iii. beschikt over de juiste kwalificaties voor het verlenen van jeugdhulp, waaronder in ieder geval een registratie in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Overige voorzieningen 1. De volgende overige voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar: a. Individuele informatievoorziening en opvoedadvies; b. groepsbijeenkomsten, voorlichting, trainingen, cursussen en andere kortdurende voorzieningen gericht op laagdrempelige vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning; c. basiszorg waaronder Jeugdgezondheidszorg, ondersteuning bij ouderschap, vrijwilligers- en andere informele ondersteuning; d. ondersteuning bij het tegengaan van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; e. jeugd- en jongerentrajecten, waaronder talentontwikkeling; f. professionele ondersteuning van team jeugd; 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel 1.3 Individuele voorzieningen 1. In aanvulling op de overige voorzieningen draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van individuele voorzieningen. 2. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. crisisopvang; b. basis en (hoog-)specialistische jeugd-ggz; c. diagnostisch onderzoek en behandeling van ernstige dyslexie; d. begeleiding; e. behandeling; f. pleegzorg; g. (semi-)residentiële hulp; h.
ambulante opvoedhulp; i. persoonlijke verzorging; j. gesloten jeugdzorg; k. forensische hulp; l. preventieve jeugdbescherming; m. vervoer. 3. Het college maakt via Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden op www.sbjh.nl bekend welke aanbieders welke individuele voorzieningen uitvoeren. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het tweede lid beschikbaar zijn. Artikel 1.4 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en ouders een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de jeugdigen en ouders het uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon, waarbij het belang van de jeugdigen, ouders en pleegouders het uitgangspunt is. HOOFDSTUK 2
TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE
Artikel 2.1 Melding (hulpvraag) 1. Een hulpvraag kan, met toestemming, door of namens de jeugdige of de ouder(s) bij het college worden gemeld. 2. Het college registreert de melding en bevestigt de ontvangst van een melding. 3. Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in artikel 1.4. 3
4. Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid om een familiegroepsplan bij het college in te dienen. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b, van de wet: a. treft het college zo spoedig mogelijk na de melding een passende tijdelijke maatregel; of b. vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 6. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks, zonder een melding te doen bij het college, wenden tot een overige voorziening zoals benoemd in artikel 1.2. Artikel 2.2 Onderzoek 1. Het college verzamelt, naar aanleiding van de melding, alle voor het onderzoek, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Ten behoeve van het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouder(s) aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouder(s) verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) en externe deskundigen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a.
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; b. wat op basis van de aard en omvang van de problematiek zoals die in kaart is gebracht met de informatie onder a volgens het college de meest effectieve en efficiënte oplossing voor de hulpvraag is; c. in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen; ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; e. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouder(s); f. indien van toepassing, de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; en, g.
indien een individuele voorziening voorziet in de nodige ondersteuning, hulp en zorg, de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 5. Het college kan na overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) afzien van een onderzoek en/of gesprek als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. Artikel 2.3 Deskundig oordeel en advies Het college wint een specifiek deskundig en onafhankelijk oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Artikel 2.4 Ondersteuningsplan 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.2, in een ondersteuningsplan.
4
2. Binnen tien werkdagen na het laatste gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan aan de jeugdige en/of zijn ouder(s), tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. De jeugdige en/of zijn ouder(s) tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen uiterlijk tien werkdagen wordt geretourneerd. 4. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) tekent voor gezien, kan hij daarbij aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 5. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Artikel 2.5 Aanvraag 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college, middels een familiegroepsplan. 2. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat op het ondersteuningsplan hebben aangegeven. HOOFDSTUK 3
TOEGANG JEUGDHULP VIA HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Het college kan afspraken maken met de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in het eerste lid over de inzet van aangewezen specialistische jeugdhulp. 3. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. 4. Wanneer de huisarts, jeugdarts of medisch specialist verwezen heeft naar jeugdhulp, kan er door het college regie worden gevoerd wanneer de cliënt hier toestemming voor geeft. 5. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 4.3. Artikel 3.2 Doorverwijzing naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder 1.
Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder onder wie begrepen een aanbieder die weliswaar is gecontracteerd maar niet voor de individuele voorziening waarvoor verwijzing plaatsvindt, is deze jeugdhulpaanbieder gehouden om onverwijld, in ieder geval voor de start van de zorginzet contact te leggen met het college middels een verzoek tot toewijzing. 2. Een toewijzing aan een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder zoals genoemd in het eerste lid zal door het college worden gedaan indien het college van oordeel is dat: a. het zorgaanbod van de niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder in het individuele geval passender is dan het reeds bestaande gecontracteerde aanbod; én b. alsnog overeenstemming wordt bereikt over een te sluiten overeenkomst zorg in natura en aan alle kwaliteitseisen is voldaan die gelden voor de gekwalificeerde jeugdhulpaanbieders. 3. Indien geen contractering plaatsvindt, als bedoeld in het tweede lid, komt geen opdracht tot het verlenen van zorg tot stand en accepteert het college geen declaratie van de betreffende aanbieder. HOOFDSTUK 4
BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK OP INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
Artikel 4.1 Criteria voor een individuele voorziening 1. Jeugdigen en ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening voor zover door het college in het ondersteuningsplan wordt vastgesteld dat de jeugdige: 5
2. 3. 4.
5. 6.
7.
8.
a. op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk. ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. b. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening, of c. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening; Er bestaat slechts aanspraak op een individuele voorziening voor zover deze als de best passende en meest adequate individuele voorziening is aan te merken door het college. Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de gevallen als bedoeld in artikel 2.1, vijfde lid. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouders voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een individuele voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak, passendheid van de individuele voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
De individuele voorziening als bedoeld in het vierde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, draagt het college zorg voor de ondersteuning van de jeugdige of zijn ouders bij de aanvraag bij het Centraal Indicatieorgaan Zorg. Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit als bedoeld in het zesde lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening te verstrekken. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en derde lid.
Artikel 4.2 Criteria vervoer 1. De jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening in de vorm van vervoer voor het noodzakelijk vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. 2. Het vervoer als bedoeld in het eerste lid is noodzakelijk als naar het oordeel van het college: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) ontoereikend is; b. de jeugdige niet met hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers veilig kan reizen of op een andere manier door hen naar de locatie kan worden begeleid. 3. Er wordt geen individuele voorziening in de vorm van vervoer toegekend voor: a. ouders; b. vervoer in de weekenden; c. vervoer naar respijtzorg; d. ander vervoer dan naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 4. Onverminderd de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders, kan het college aan ouders of personen uit het sociaal netwerk een tegemoetkoming in de kosten van het vervoer verstrekken. 5. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het vervoer verbonden voorwaarden en verplichtingen.
6
Artikel 4.3 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van monitoring en verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 4.4 Heroverweging besluit individuele voorziening 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in dit hoofdstuk te heroverwegen. 2. Artikel 2.2 van deze verordening is niet van toepassing op de voorbereiding van het besluit als bedoeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 5
PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Artikel 5.1 Regels pgb 1. Een pgb kan worden aangevraagd door middel van een aanvraag zoals beschreven in artikel 2.5, aangevuld met een door de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondertekend budgetplan. 2. Het college verstrekt een pgb, in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet, indien de jeugdige naar het oordeel van het college voldoet aan de criteria voor een individuele voorziening zoals genoemd in artikel 4.1 van deze verordening. 3. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e. kosten voor de functie vervoer, tenzij de jeugdige geen gebruik kan maken van collectief vervoer; f. kosten gemaakt in het buitenland, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent; g. kosten die gemaakt zijn voor de melding van de hulpvraag; h. kosten die gemaakt zijn na de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend; i. kosten voor crisisopvang, pleegzorg en gesloten jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 1.3, tweede lid van deze verordening. 4.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk onder de hiernavolgende voorwaarden: a. dat het inhuren van personen uit het sociaal netwerk naar oordeel van het college leidt tot effectievere en doelmatigere hulp dan de inzet van gekwalificeerde jeugdhulp; b. dat deze persoon veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte zorg verleent;
7
c.
5.
6.
7.
8.
dat deze persoon geen voorbehouden handelingen of handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerd professional is voorbehouden; d. dat deze persoon niet meer dan 36 uur per week deze jeugdhulp levert; e. dat deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de jeugdige en zijn ouder(s) voor hem niet tot overbelasting leidt, en f. dat deze persoon enkel jeugdhulp in de vorm van begeleiding of verzorging biedt. De kwaliteitseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zijn ook van toepassing op de jeugdhulpaanbieders die hulp leveren op basis van een pgb. Voor jeugdhulpverleners en gekwalificeerde jeugdhulpaanbieders die worden ingezet middels een pgb gelden de volgende criteria: a. De jeugdhulpverlener beschikt over de juiste kwalificaties voor het verlenen van jeugdhulp, waaronder in ieder geval een registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd wordt verstaan; b. De jeugdhulpverlener is in het bezit van een geldige Verklaring Omtrent gedrag; c. De jeugdhulpverlener is aangesloten bij een beroepsvereniging en volgt beroepsmatige bijscholing; d. De jeugdhulpverlener is aangesloten bij een intervisie- of supervisiegroep.
De kwaliteitseisen als bedoeld in het vijfde lid en de criteria als bedoeld in het zesde lid zijn niet van toepassing op personen uit het sociaal netwerk, tenzij het een Verklaring Omtrent Gedrag betreft als bedoeld in artikel 4.1.6 van de wet. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Artikel 5.2 Hoogte pgb 1. De hoogte van een pgb: a. is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan inclusief begroting over hoe zij het pgb gaan besteden; b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede zorg in te kopen; c. indien de kosten hoger zijn dan het gestelde pgb tarief is er de mogelijkheid dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het verschil tussen de kosten en het gestelde pgb tarief naar het oordeel van het college zelf bekostigen; d. bedraagt ten hoogste het tarief van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met dien verstande dat: i. door een gekwalificeerde jeugdhulpaanbieder, bedraagt het 90% van het tarief waarvoor het college jeugdhulpaanbieders heeft gecontracteerd. ii. door een zelfstandig werkende gekwalificeerde jeugdhulpaanbieder, bedraagt het 80% van het tarief waarvoor het college jeugdhulpaanbieders heeft gecontracteerd. iii. door een persoon die behoort tot het sociale netwerk of aan een persoon die als niet-gekwalificeerde zorgaanbieder wordt aangemerkt, bedraagt het tarief per uur het wettelijk minimumloon per uur (inclusief vakantiegeld) bij een werkweek van 36 uur. 2. De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen, reiskosten en overhead. 3.
Het college stelt de pgb tarieven als bedoeld in het eerste lid, vast in het financieel besluit. HOOFDSTUK 6
AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 6.1 Overgang naar volwassenheid 1. Het college draagt zorg voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en na hun 18e jaar een ondersteuningsvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt over welke andere voorzieningen benodigd zijn. 8
2. In het geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats. 3. Het college draagt zorg dat de lokale toegangsorganisatie (en de gecertificeerde instellingen) in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders vroegtijdig wijst op de eventuele veranderingen, vanaf de 18e verjaardag of na afloop van verlengde jeugdhulp met verblijf, voor de woonsituatie, inkomen, zorgverzekering enzovoort. 4. Het college draagt zorg dat de lokale toegangsorganisatie in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 6.2 Afstemming met onderwijs en leerplicht 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon hebben bij de lokale toegangsorganisatie. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders.
Artikel 6.3 Afstemming met Wmo‐voorzieningen Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 6.4 Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college draagt zorg dat de lokale toegangsorganisatie, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, reintegratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. HOOFDSTUK 7
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 7.1 Kwaliteit 1. Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zorgen voor een goede kwaliteit van jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In aanvulling op hoofdstuk 4 van de wet, gelden de volgende kwaliteitseisen voor jeugdhulp: a. de jeugdhulp die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de jeugdige, zijn ouder(s) en/of zijn vertegenwoordiger besproken; b. de jeugdhulp is veilig: de relatie tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c. de jeugdhulp garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere jeugdhulpverleners dan wel andere professionals en onderhoudt contacten met de personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige; d. de leefomgeving (wonen en verblijf) past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig na overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp.
9
Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. b. c. d.
de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 7.3 Nieuwe feiten en omstandigheden 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doet een jeugdige en/of zijn ouder(s) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk is dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 3. Als het recht op een voorziening is ingetrokken of herzien, kan op basis daarvan een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken of ter hoogte van het bedrag waarmee het pgb verlaagd is. Artikel 7.4 Onderzoek rechtmatigheid gebruik voorzieningen 1.
Het college onderzoekt al dan niet periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van voorzieningen in natura en de besteding van pgb’s met het oog op de beoordeling van de rechtmatigheid. 2. Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet gebruik van de wet. Artikel 7.5 Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel 7.6 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. HOOFDSTUK 8
SLOTBEPALINGEN
Artikel 8.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8.2 Intrekking oude verordening 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2015 wordt ingetrokken per 1 januari 2024.
10
2. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een eerdere verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen op basis van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024, tenzij deze verordening nadeliger uitpakt. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2015, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 8.3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024.
11