CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

NOVEX ZR Ontwikkelperspectief versie 24 okt 2024

Raadsvergadering 6 november 2025, gemeente DelftBij agendapunt: Collegebrief NOVEX ontwikkelperspectief Zuidelijke Randstad (2519220)17.855 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

ontwikkelstrategie opgesteld. Eerdere en huidige studies (onder meer de hink-stapsprong OV-projecten) worden daarbij op maakbaarheid en doelbereik beschouwd. Daarbij hebben we ook aandacht voor goede verbindingen tussen de OV-knoop­ punten en het buitengebied, zodat deze OV-knooppunten onderdeel worden van het recreatief netwerk dat stad en land verbindt. We stimuleren fietsgebruik en lopen De fiets is een vervoersmiddel dat zeer efficiënt is: het gebruikt weinig ruimte (zowel tijdens de reis als het parkeren), is naast de auto het enige vervoermiddel waarmee diffuus gelegen bestemmingen makkelijk bereikbaar zijn en stimuleert gezond gedrag. Het doel is om veel meer korte verplaatsingen per fiets te laten plaats­ vinden. Om dat te bereiken moet het fietsnetwerk verbeterd worden, zowel binnen de stad als tussen de steden onderling en in het buitengebied. Het gaat daarbij om het verbeteren van de capaciteit, kwaliteit en veiligheid. Denk hierbij aan het aansluiten van lokale en regionale hoofdverbindingen en de capaciteit en kwaliteit van deze verbindingen vergroten, voldoende en efficiënte stallingsmogelijk­ heden (bij woningen, bedrijven, kantoren en andere bestemmingen) door dit op te nemen in parkeernormering en voorwaarden

36

voor vastgoedontwikkelingen, verbeteren kwaliteit routes door barrières weg te halen en OV-voorzieningen en fiets maximaal te verknopen om ketenverplaatsingen te stimuleren. We zorgen daarbij ook voor een goede aansluiting van het fietsnetwerk op de groen-blauwe verbindingen in de stad en het buitengebied, zodat er ook een attractief, recreatief, fietsnetwerk ontstaat. Naast fietsen is lopen ook één van de vervoersmanieren die nog onderbelicht is en helpt bij het bereikbaar houden van de (binnen)stad. Lopen verbetert niet alleen onze gezondheid, maar vraagt ook mini­ male fysieke ruimte. Je hebt immers geen ‘vervoersmiddel’ dat ergens geparkeerd hoeft te worden. Het vraagt wel iets van de inrichting van onze fysieke leefomgeving. Om lopen meer te stimuleren geven we de voetganger een prominentere plek bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen in de (binnen)stad. Ook zorgen we ervoor dat looproutes veilig en aantrekkelijk zijn en ruimte bieden voor ontmoeten, sport en spel. Rondom de Oude Lijn en regionale OV-corridors wordt al aan maatregelen­ pakketten gewerkt die de aansluiting van lopen, fietsen en aanvullend OV in het stedelijk gebied verbeteren.

We investeren in het hoofdwegennet en zetten in op minder autobewegingen in de (binnen)stad Het maatschappelijk en economisch belang van de auto is groot. Voor veel mensen en logistieke verplaatsingen is het de beste, en soms de enige reële manier om van deur tot deur te reizen. Daarom blijven we investeren in het hoofdwegen­ ­net. De opgave is twee­ledig: (1) in veel (hoog)stedelijke gebieden is stedelijke verdichting met behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving alleen mogelijk door in die gebieden de rol van de auto te verkleinen en (2) tegelijkertijd zal een groot aandeel van het aantal verplaatsingen per auto worden gemaakt. Dat geldt zeker voor het hoofdwegennet. Daarvan ligt in de ­Zuidelijke Randstad circa 60 procent in stedelijk gebied, wat betekent dat fysieke uitbreiding zeer complex is. Ook verkleinen aanvullende kosten voor beheer en onderhoud van het wegennet andere investeringsmogelijkheden. Daarom is ook hier een gecombineerde aanpak van verstedelijking en infrastructuurnetwerk nodig. Dat houdt in: (1) verknoping van vervoerswijzen op en bij het hoofdwegennet (denk aan een hub-netwerk), (2) verknoping van autoverplaatsingen in het buitengebied met de mobiliteit in de (hoog)stedelijke gebieden en (3) herontwerp op het hoofd­weggennet

ter plaatse van delen met vooral stedelijk verkeer en/of liggend in (hoog)stedelijk gebied. Voor (hoog)stedelijk gebied zetten we ook actief in op het beperken van het aantal autobewegingen in de (binnen)stad. Dit is noodzakelijk om onze steden bereikbaar te houden voor bewoners én bezoekers ondanks de toename van het aantal woningen en werkplekken. Door bijvoor­ beeld parkeerplaatsen te verminderen wordt, juist in de stad, het gebruik van andere vervoerssoorten gestimuleerd. Daarnaast neemt de auto in de (binnen) stad veel fysieke ruimte in. We gaan dan ook kijken naar snelheids­verminderingen op binnenstedelijke wegen. Daar waar de snelheid naar 30 kilometer per uur kan, doen we dat en in (hoog)stedelijke gebieden gaan we soms nog verder omlaag. Hier­ door neemt zowel de leefbaarheid als de veiligheid toe en ontstaat er meer ruimte voor lopen, fietsen en groen en water in de straatprofielen. We vergroten de kansen voor mensen en verkleinen vervoersongelijkheid Bij de ontwikkeling van mobiliteit en verstedelijking zetten we in op nabijheid. Door sluiting en concentratie van voorzieningen als gevolg van schaal­ vergroting zijn veel zorg-, winkel-, en

37

recreatievoorzieningen voor steeds grotere groepen mensen letterlijk te ver van huis komen te liggen. Deze verplaatsingen worden daardoor nu hoofdzakelijk per auto gemaakt, waardoor autoafhankelijkheid (en de verplichting om over een auto te beschikken) is ontstaan. Ook stijgen de lage inkomens de laatste jaren minder hard dan de OV-tarieven en prijzen aan de pomp, waardoor de bereikbaarheid van deze groep afneemt. We zien mede daardoor een steeds grotere vervoersongelijkheid in de Zuidelijke Randstad. Voor het mobiliteits­ systeem betekent dit dat we ervoor willen zorgen dat verschillende groepen in staat zijn om voor hen relevante activiteiten te bereiken binnen redelijke reistijd en tegen redelijke moeite en kosten. Nabijheid van voorzieningen kan hierin een belangrijke bijdrage leveren, naast de fysieke en digitale toegankelijkheid en de betaal­ baarheid van mobiliteit. Gerichte schaal­ verkleining kan verdwenen voorzieningen terugbrengen in de wijk, dit wordt ook wel de 15-minuten-stad genoemd. Niet alleen de toegang tot voorzieningen wordt daardoor makkelijker, ook het aandeel van de auto in de verplaatsingen naar deze voorzieningen toe kan worden verkleind wanneer deze voor meer mensen binnen fiets- en loopafstand liggen. In nieuwbouw­ locaties is dit bij de bouw al te realiseren door direct te zorgen voor een goed

NOVEX Zuidelijke Randstad

voorzieningenniveau in de wijken zelf. Stedelijke verdichting kan het terugbrengen van die voorzieningen vergemakkelijken omdat door hogere dichtheden de efficiëntie van die voorzieningen groter wordt. We verbeteren de verkeersveiligheid De verkeersveiligheid verslechtert. De daling van het aantal verkeerslachtoffers is gestopt en omgeslagen in een stijging. Dit heeft ook gevolgen voor de kansen voor mensen omdat mensen de openbare ruimte mijden als ze deze gevaarlijk vinden (bijvoorbeeld ouderen, mensen met een beperking en kinderen). We blijven samenwerken om de verkeersveiligheid te verbeteren. Hierbij gaat speciale aandacht uit naar de toename van (elektrische) fietsongelukken, met name onder ouderen. Er is een stevige inzet nodig op het scheiden van verkeersstromen, verlaging van de snelheid van auto’s en een ruimere dimensionering van fietspaden. Dit doen we door maatregelen te stellen die zich richten op infrastructuur, gedrag in het verkeer en door beter te handhaven. We maken een transitie naar duurzame mobiliteit Mobiliteit verandert en verduurzaamt. Dat leidt tot aanpassingen in de infrastructuur en het gebruik ervan. Steeds vaker is voor (vracht)autogebruik elektriciteit nodig in

plaats van fossiele brandstof. Deze transitie vraagt ook ruimte. Denk bijvoorbeeld aan laadpalen bij woningen, in de openbare ruimte en een fijnmazig netwerk van elektrische laadstations, in ieder geval langs het hoofdwegennet. Bij de ruimtelijke inrichting moet daarom rekening worden gehouden met de transitie naar steeds meer duurzame mobiliteit. Verduurzaming van mobiliteit is niet alleen de transitie van fossiel naar elektrische brandstoffen. Het gaat ook om het verminderen (niet reizen als het niet hoeft), veranderen (lopen, fietsen, OV en deel­ mobiliteit) en verschonen (zero emissie). De sturing op nabijheid, investeringen in OV en fiets, gemeentelijk parkeerbeleid, gedragsaanpak (bijvoorbeeld ‘ZuidHolland bereikbaar’) en betalen naar gebruik zijn onmisbaar voor verduurzaming van de mobiliteit We zien logistiek vervoer als cruciaal voor agglomeratiekracht en duurzame bereikbaarheid Logistiek, en het duurzaam functioneren van de logistieke sector, is onmisbaar. Maar door de verstedelijking neemt de druk op het logistieke systeem in de Zuidelijke Randstad toe. De logistieke sector, met name de haven-, bouw- en stadslogistiek, blijft groeien. Het goederenvervoer maakt

38

gebruik van alle wegen in de Zuidelijke Randstad (en gaat ook voor een deel over water). Dit vraagt ruimte, zowel fysiek als voor klimaat en leefomgeving. Deze vraag om ruimte kan op gespannen voet komen te staan met andere gebruikers van het wegennet, maar ook ambities op het gebied van verstedelijking. Voor de logistiek is met name betrouwbaarheid van de bereikbaar­ heid belangrijk. Het doel is om innovatieve oplossingen voor logistiek in (hoog)stedelijk gebieden te ontwikkelen door bv. stedelijke bevoorrading d.m.v. overslag op strategische locaties aan de randen van deze gebieden te laten plaatsvinden en door mogelijk­ heden te creëren om te sturen op het type verkeer, snelheden en tijdstippen van verplaatsingen. Naast bevoorrading van winkels, kantoren, bedrijven en consumenten gaat het ook om de afval- en bouwstromen. Met name bouwlogistiek heeft een groot aandeel in de stadslogistiek (30%) en met de extra woningbouw zal het aandeel bouwlogistiek alleen maar toenemen. Daarnaast zijn de komende jaren in onze regio de wegen, bruggen, tunnels en sporen toe aan groot onderhoud om ook in de toekomst veilig en bereikbaar te blijven. Al deze ontwikke­ lingen zorgen voor druk op de logistiek en de beschikbare ruimte, en vragen aandacht en inzet om deze transitie te faciliteren,

ontwikkelingen te stimuleren en de negatieve effecten te mitigeren. We stimuleren ketenmobiliteit van goederen- en personenvervoer Om de bereikbaarheid van de (hoog) stedelijke gebieden te verbeteren moeten we inzetten op ketenmobiliteit voor goederen- en personenvervoer. Door een goede onderlinge aansluiting en snelle overstap- en overslagmogelijkheden (hubs) binnen het mobiliteitsnetwerk kunnen we lopen, fietsen, OV en (vracht)autorijden op elkaar afstemmen. Hierbij geldt dat we het (vracht)autogebruik in de (binnen)stad willen beperken en verschonen. Hubs dragen bij aan het stimuleren van (keten) reizen (met een deel) zonder auto, houden stedelijke gebieden bereikbaar en leefbaar en beperken de groei van automobiliteit op het hoofdwegennet. Daarom is het belangrijk om een uitgebreider net van hubs te realiseren, zodat stedelijke gebieden goed bereikbaar en leefbaar blijven.

39

NOVEX Zuidelijke Randstad

40

Legenda Occupatie Groenblauwe verbindingen Metropolitane parken Duinen Nieuwe groen(blauwe) verbindingen Stadsparken Getijdenlandschap Waterwingebied Zoekgebied drinkwater

41

3.3 Gezonde en klimaatadaptieve delta

Om de Zuidelijke Randstad op toekomst­ bestendige wijze te verstedelijken is het toevoegen van meer groen, water, natuur en recreatiemogelijkheden noodzakelijk. Robuuste, hoogwaardige ecologische en recreatieve structuren zijn nodig om de leefbaarheid en kwaliteit van onze metropool te waarborgen. Het is belangrijk dat stad en land gelijktijdig worden ontwikkeld. Zo versterken we bovendien gelijktijdig de identiteit van onze metropool. Daarbij verandert het klimaat. In de zomer is er niet genoeg water van de juiste kwaliteit, maar in andere seizoenen hebben we juist te maken met grote hoeveelheid neerslag in korte tijd en komt onze waterveiligheid in het geding. De gevolgen daarvan ervaren we nu al. Denk bijvoorbeeld aan overstromingen door hevige regenval of natuurbranden door langdurige warmte en droogte. Ook de toekomstbestendigheid van bouwen op slappe en laaggelegen bodems behoeft aandacht. Eeuwenlang hebben we het water- en bodemsysteem naar onze hand gezet om gewenste ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Door klimaatverandering is het einde van de maakbaarheid van ons laaggelegen land in zicht. We kunnen niet alles meer overal realiseren. Vanuit water en bodem sturend

NOVEX Zuidelijke Randstad

zullen er keuzes gemaakt moeten worden over de randvoorwaardelijke kaders voor een toekomstbestendige Zuidelijke Randstad. Tegelijkertijd blijft er nog steeds veel mogelijk, mits de juiste maatregelen getroffen worden. Uitgangspunt is dat we de leefomgeving van mens, plant en dier, zowel binnen als buiten de steden, klimaatrobuust en natuurinclusief inrichten, waarbij we toewerken naar een minimale basiskwaliteit natuur (BKN) en rekening houden met de eisen die de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR) stellen. 3.3.1 Water en bodem zijn randvoorwaardelijk We zetten in de Zuidelijke Randstad de stap naar een toekomstbestendige metropool die klimaatrobuust is. We kiezen voor een andere aanpak, waarbij water en bodem meer sturend worden voor de ontwikkeling van onze metropool. Naast dat we extra ruimte reserveren om adaptief mee te kunnen bewegen met de klimaatverandering, ontzien we plekken die op basis van ‘water en bodem sturend’ niet geschikt zijn voor nieuwe woon- en werklocaties of gaan we op andere manier bouwen daar waar ‘water en bodem’ dat vraagt. Per bouwlocatie zal gekeken moeten worden naar de risico’s van het water- en bodemsysteem en zullen passende maatregelen genomen moeten worden. Water en bodem sturend betekent ook dat we bijvoorbeeld kiezen om locaties

met meer draagkracht juist te gebruiken voor maatschappelijke functies. Ook betekent het dat we keuzes voor het gebruik van het landschap en het functioneren van het ecologische systeem, mee laten bepalen op welke plekken we kiezen voor water, groen, natuur en recreatie, en waar juist voor agrarisch gebruik. Om een integrale afweging te kunnen maken vanuit water en bodem sturend maken we gebruik van (o.a.) de klimaat­ onderlegger van de provincie Zuid-Holland; de maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de handreiking Groen in en om de Stad van het Rijk; en het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Uitgangspunten die van belang zijn voor een water en bodem sturende aanpak in de Zuidelijke Randstad zijn: niet afwentelen, in samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en bodemgesteldheid, meerlaagse veiligheid, rekenen houden met weers­extremen, minder afdekken, vergraven en niet verontreinigen, versterken van de biodiversiteit en tot slot kiezen voor een integrale aanpak van klimaatadaptatie in de leefomgeving. Daarnaast is de beschikbaarheid van zoetwater een harde randvoorwaarde voor drinkwater­voorziening, industriewater en hoogwaardige landbouw.

42

3.3.2 Klimaatverandering vraagt om aanpassingen

We zetten waterveiligheid voorop Zuid-Holland wordt beschermd tegen overstromingen door een stelsel van duinen en dijken (primaire en regionale keringen). De primaire keringen die ons beschermen tegen hoge zee- en rivierwaterstanden voldoen tot 2070. Wel is de verwachting dat in de Zuidelijke Randstad ook na 2070 dijken en dijkversterkingen nog een belangrijk onderdeel van de strategie zullen zijn. 5 Door zeespiegelstijging neemt het overstromingsrisico van binnen- en buitendijkse gebieden toe. Niet alleen de autonome gevolgen van hogere zee- en rivierwaterstanden hebben invloed op Zuid-Holland. Met name ook de oplossingsrichtingen voor het adresseren van zeespiegelstijging kunnen veel impact hebben op het watersysteem en de leefomgeving. Momenteel zijn er vier conceptuele denkrichtingen geformuleerd als oplossingsrichtingen voor zeespiegel­ stijging van 2 en 5 meter: beschermen open, beschermen gesloten, zeewaarts en meebewegen. Deze oplossingsrichtingen worden nu verder verkend als onderdeel van het Deltaprogramma. Tot er meer inzicht is in de gewenste oplossingsrichting 5 Zie rapport Ruimte voor zeespiegelstijging, maart 2024

wordt ingezet op het zoveel mogelijk openhouden van deze vier oplossings­ richtingen. In 2026 moet er een beeld ontstaan van wat we nu moeten doen of laten om deze oplossingsrichtingen naar de toekomst toe mogelijk te houden. Op termijn zijn landelijke keuzes noodzakelijk over de afvoerverdeling van de Rijn, het al dan niet zeewaarts afsluiten van de Rijnmond, het al dan niet inzetten van deltawateren voor de berging van rivierwater en het al dan niet aanleggen van een kustmeer zeewaarts van de zuidwestelijke delta. Provincie en waterschappen onderzoeken ook waar en hoe nieuwe zoekgebieden voor piekberging bij extreme neerslag eruit moeten zien. Blijven voldoen aan de normen voor overstroming door extreme neerslag is een grote uitdaging. Bovendien is het belangrijk goed voorbereid te zijn op extreme situaties die verder gaan dan de norm, om ook in die situaties maat­ schappelijke ontwrichting te voorkomen en schade te beperken. Ruimte voor piekwaterberging vormt dan ook een belangrijke randvoorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen. Een voorbeeld is de polder van Bolnes tussen Beverwaard en Ridderkerk. Dit is de enige polder in de wijde omgeving die ingericht kan worden als piekbergingsgebied om het stedelijke

gebied van Rotterdam-Zuid droog te houden tijdens en na hevige regenval, ook in de toekomst. Op hoge, droge plekken (zoals voormalige havengebieden) zetten we bebouwing juist in als kans om veilige schuillocaties te creëren bij overstromingen. We maken onszelf weerbaar tegen hitte, droogte en extreme neerslag Als gevolg van klimaatverandering neemt de kans op stortregens toe en wordt het steeds warmer, met grotere kans op hittegolven, langdurige droogte en verdergaande bodemdaling. Hittestress zorgt met name in steden voor steeds meer oversterfte en andere gezondheidseffecten. Gebouwen, wegen en versteende openbare ruimtes houden namelijk veel warmte vast. Op zomerse dagen ontstaan zo hitteeilanden en kan het verschil tussen stad en het buitengebied oplopen tot wel 7 of 8 graden Celsius. Daarom zetten we in op natuurontwikkeling en waterberging in de openbare ruimte (zowel boven- als ondergronds), met name in en rond het (hoog)stedelijk gebied. Groenvoorzieningen, natuur en waterpartijen zorgen voor een verkoelend effect. Dit heeft een positieve effecten op de gezondheid van mensen en op de economie, aangezien arbeids­ productiviteit tijdens hittegolven minder afneemt wanneer het koeler blijft.

43

Meer groen en natuur in de stad betekent echter ook dat er meer water nodig is in droge perioden. Door toedoen van het veranderende klimaat is dit echter niet meer gegarandeerd. Daarom zetten we bij het uitbreiden van groen en natuur in en om de stad in op soorten die goed tegen droogte en hoge zoutgehaltes kunnen. Ook zetten we in op het vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren van (regen)water, vooral in bodem en ondergrond. Zo proberen we nieuwe problemen van verdroging, (drink)watertekort en bodem­ daling zoveel mogelijk te voorkomen. Doordat het warmer wordt verdwijnen bovendien planten- en dierensoorten en komen andere soorten juist naar de regio toe. Dit is niet altijd goed voor de biodiversiteit, aangezien uitheemse soorten bestaande, inheemse, soorten kunnen verdringen. Ook mensen kunnen hier last van hebben, denk bijvoorbeeld aan exotische muggen zoals de tijgermug die gevaarlijke ziektes kunnen overbrengen. Bij het (her-)inrichten van groen, natuur en waterpartijen binnen en buiten de stad houden we dan ook rekening met deze risico’s en proberen we ze waar mogelijk te verkleinen.

NOVEX Zuidelijke Randstad

3.3.3 Naar een gezonde en klimaatadaptieve metropool

We zien het Landschapspark Zuidvleugel als ruggengraat van de Zuidelijke Randstad Op regionale schaal verbindt Landschaps­ park Zuidvleugel stad en ommeland, (versnipperde) landschappelijke elementen en herstelt het de landschap­pelijke structuur van de Zuidelijke Randstad als geheel. Landschapspark Zuidvleugel vormt de basis voor een stevige landschappelijke (groene en blauwe) structuur van de Zuidelijke Randstad, met de verdeling in de grote buitenlandschappen (Veen, Delta en de Kust, waaronder Nationaal Park Hollandse Duinen), daarin gelegen binnenlandschappen – zoals MiddenDelfland – en de grote groenblauwe hoofdstructuur langs de grote waterwegen. Een versterking van het Landschapspark draagt bij aan de robuustheid van de ecologische en recreatieve structuur op provinciaal, regionaal en lokaal niveau. Bovendien verhoogt het de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners, werknemers en bezoekers. Het is wel belangrijk te beseffen dat deze landschappen in de toekomst gaan veranderen. Om de Zuidelijke Randstad klimaatrobuust te maken zijn aanpassingen in het landschap noodzakelijk.

Om Landschapspark Zuidvleugel te versterken zetten we in op klimaatadaptieve en natuurherstellende maatregelen om de veerkracht van de metropool te borgen. Daarbij optimaliseren we meervoudig ruimtegebruik. We werken zoneringen uit waarbij verschillende gebieden, verschil­ lende kwaliteit krijgen. Zo kunnen alle functies in het landschap (natuur, water, landbouw, recreatie, energie, etc.) goed tot hun recht komen. Ook nemen we maat­ regelen om recreatieve voorzieningen en verbindingen van kwaliteit te verbeteren of toe te voegen, en benutting we cultuur­ historische waarden, rust en ruimte om de landschappelijke kwaliteit te versterken. Om het Landschapspark Zuidvleugel te realiseren is het ook van belang om verbindingen van en naar het Landschaps­ park te optimaliseren en waar nodig toe te voegen. Denk aan bruggen, wegen en andere vormen van toegankelijkheid en het opheffen van (infrastructurele)blokkades binnen de (beoogde) landschapsstructuur. Het accent ligt hier op het toegankelijk maken van het landschapspark middels wandel-, fiets- en OV-verbindingen.

44

We zetten in op klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen bij nieuwe ontwikkelingen Begin 2018 is het Convenant Toekomst­ bestendig Bouwen in Zuid-Holland opgezet. Dit convenant bestaat uit een groep van publieke en private partijen die de urgentie van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen herkenden. Samen hebben deze partijen afspraken gemaakt over klimaat­adaptief en natuurinclusief bouwen. Deze afspraken zijn de afgelopen jaren breed toegepast en gaandeweg verbeterd. Zij vormen inmiddels de basis voor de landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve en natuurinclusieve gebouwde omgeving. Deze heeft niet alleen betrekking op het bouwen van (o.a.) woningen en bedrijven, maar ook op de inrichting van de openbare ruimte. Nu is het nodig om deze manier van ontwikkelen zoveel mogelijk toe te gaan passen in projecten, ondersteund door bestuurlijk commitment. In de Zuidelijke Randstad willen we dat klimaatadaptief en natuur­ inclusief de standaard wordt, daarom spreken we af om bij alle nieuwe ontwik­ kelingen het Convenant Toekomst­bestendig Bouwen toe te passen.

We zorgen voor meer, kwalitatiever, en beter verbonden groen, water en natuur in de stad Het toevoegen van groen, water en natuur bij verstedelijking is noodzakelijk voor de klimaatadaptatie van de bestaande stad en het versterken van de ecologische structuren en biodiversiteit, maar ook voor de leefbaarheid en kwaliteit van wonen, werken en recreëren en de gezondheid van onze inwoners. De omvangrijke verstedelijkingsopgave kunnen we niet realiseren zonder het gelijktijdig realiseren van een kwalitatief hoogwaardige, groenblauwe, openbare ruimte. Dit nodigt mensen uit om te ontspannen, ontmoeten en bewegen en biedt kansen voor langzaam verkeer en gezonde bewegingen. Daarnaast draagt het bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en het leefbaar houden van onze steden, ook in de toekomst. Wanneer we investeren in groen en blauw (zowel binnen als buiten de stad) doen we dat op een ecologisch verant­ woorde manier zodat mens, plant en dier allemaal profiteren. We realiseren ontbrekende (ecologische) schakels, zetten in op een natuurvriendelijke inrichting en houden bij natuurontwikkeling rekening met het realiseren van stille en donkere gebieden voor dieren. Het is wel van belang dat deze groen-blauwe inrichting anticipeert op het veranderde klimaat en

bestand is tegen toenemende droogte en verzilting. In de stad is het vooral belangrijk om het bestaande groen beter te benutten. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door groenstructuren beter in te richten én te verbinden voor recreatie, natuur en wateropvang. Ook kan er gekeken worden of versteende openbare ruimtes groen-blauw ingericht kunnen worden. Denk hierbij aan het vergroenen van pleinen en middenbermen of het weghalen van parkeerplaatsen ten behoeve van bomen en groen. De verstedelijkingsopgave biedt daar kansen voor. Daar waar al ruimtelijke ingrepen nodig zijn (denk aan het aanpassen van de riolering, het opnieuw inrichten van de openbare ruimte of een sloop-nieuwbouwontwikkeling), zorgen we ervoor dat we de openbare ruimte klimaatadaptiever, natuurinclusiever en biodiverser inrichten. Water in de stad proberen we (tijdelijk) te bergen en geleidelijk af te voeren en aanpassingen aan het rioleringssysteem doen we op een dus­­ danige manier dat het beter kan omgaan met intensievere neerslag. Naast een groen-blauwe inrichting van de openbare ruimte zetten we ook in op klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen en herontwikkelen. Denk hierbij aan groene daken en gevels. Daarbij is het noodzakelijk om van deze groen-blauwe plekken één netwerk te

45

maken dat alle delen van de stad met elkaar, en met het buitengebied, verbindt. Om dit te realiseren gaan we barrières slechten en nieuwe groen-blauwe verbindingen aanleggen. Hier liggen mogelijkheden gelijktijdig erfgoedwaarden te versterken, bijvoorbeeld door het benutten van historische waterlopen, vaarten en grachten. We verbeteren de kwaliteit het landschap en creëren betere verbindingen We hebben niet alleen meer groen en blauw in de steden nodig, maar ook meer groen en blauw in het buitengebied (10% extra groene-blauwe dooradering in 2050). We zetten dan ook in op meer (ruimte voor) groen, natuur en water in het buitengebied en gaan de kwaliteiten van onze diverse landschappen versterken. Omdat de ruimte ook in ons buitengebied schaars is zullen we functies zoveel als mogelijk moeten mengen en onze landschappen effectiever in moeten zetten voor klimaat-, milieu-, natuur-, voedsel-, recreatie- en energie­ opgaven. We zoeken hierbij naar een balans tussen het toegankelijk maken van natuur- en recreatiegebieden enerzijds en het beschermen van kwetsbare gebieden en natuur anderzijds. In ons buitengebied is het tegelijkertijd de uitdaging om bestaande open landschappen zoveel mogelijk te behouden, nieuwe open landschappen te

NOVEX Zuidelijke Randstad

realiseren (denk aan het opruimen van verrommeling) en de kwaliteit van de bestaande en nieuwe landschappen te verbeteren. Denk aan het vervangen van weilanden met raaigras voor een ander type gras dat de biodiversiteit verhoogd. De verbinding tussen onze landschappen en de daarin gelegen steden vraagt ook om verbindingen op de tussenschaal: de stad-landovergangen. Juist ter plaatse van deze overgangen en verbindingen tussen stad en land kan de potentie van het regionale landschap worden benut om de hele metropool – stad én land - toekomst­ bestendig te maken. We zetten hier dan ook in op het verstevigen van de groen-blauwe inrichting ten behoeve van klimaatadaptatie, recreatie en natuurherstel. Waar mogelijk proberen we erfgoedwaarden te benutten door bijvoorbeeld oude polderkaden of dijken in te zetten voor deze stad-land verbindingen. Ook proberen we nieuwe doorsnijdingen van het landschap en het groen-blauwe netwerk zoveel als mogelijk te voorkomen, of dragen we zorg voor een goede inpassing en continuïteit van de verbinding. Daarnaast versterken we de recreatieve functie van onze landschappen en de overgangen en verbindingen tussen stad en land door deze te beschermen en

ontwikkelen. In de Zuidelijke Randstad komen meer mensen wonen en werken, maar het is ook belangrijk dat deze mensen kunnen recreëren binnen en buiten de stad. We hebben tijdens de coronaperiode gemerkt dat meerdere natuurgebieden de recreatieve drukte niet aan konden. Daarom streven we ernaar de recreatieve waarde in bestaande recreatiegebieden te versterken, maar ook recreatieve waarde toe te voegen aan gebieden waar mensen nog niet naartoe komen voor recreatie. Door aanvullende recreatiemogelijkheden te ontwikkelen ontlasten we de natuur op plekken waar deze onder druk staat of we een natuurherstelopgave hebben. We verbeteren de waterkwaliteit Bij het verbeteren van de waterkwaliteit staat de bronaanpak voorop. Vanuit het algemene uitgangspunt ‘niet afwentelen’ zullen nieuwe gebiedsontwikkelingen dan ook getoetst worden, waarbij aangetoond moet worden dat de waterkwaliteit niet achteruitgaat. Uiteraard proberen we waar dat kan de waterkwaliteit zelfs te verbeteren. Deze waterkwaliteit vraagt extra aandacht in periodes van extreme hitte en droogte. Voor de KaderRichtlijn Water (KRW) zijn er vanuit zowel de provincie, gemeenten, als de waterbeheerders (Rijkswaterstaat en waterschappen) maatregelen genomen en

46

gepland om de doelen in 2027 te behalen. Dat geldt ook voor wateren in stedelijk gebieden zoals de Rotte of de Schie. Reeds uitgevoerde maatregelen dienen door nieuwe ingrepen niet negatief beïnvloed te worden. Geplande maatregelen op locaties dienen in de planvorming aandacht te krijgen zodat de uitvoering geïntegreerd kan worden (win-win) of de maatregelen niet onmogelijk worden gemaakt. We gaan op zoek naar nieuwe drinkwatergebieden en zetten in op het besparen van drinkwatergebruik Naast overstromingen en wateroverlast vormt de beschikbaarheid van drinkwater een steeds groter aandachtspunt bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw­ locaties. De situatie in het leveringsgebied van Dunea (van Hillegom t/m Nesselande) is momenteel het meest kritiek. Dunea geeft aan dat zij op dit moment de stijgende vraag naar drinkwater door de bevolkings­ groei niet kunnen bijbenen. Nieuwe bronnen kunnen namelijk (nog) niet snel genoeg gerealiseerd worden. Deze nieuwe drinkwaterbronnen brengen een ruimteclaim met zich mee in het buitengebied.

Naast het vinden van nieuwe drinkwaterbronnen, of het aanboren van al bestaande drinkwaterbronnen, zetten we in op een gedragsverandering om het drinkwatergebruik terug te dringen. Het doel is om in 2035 het drinkwatergebruik tot 100 liter per persoon per dag te beperken. Bij (sloop- en) nieuwbouw en herontwikkeling is het daarom van belang om waterbesparende mogelijkheden door te voeren en te kijken hoe afvalwater hergebruikt kan worden.

47

NOVEX Zuidelijke Randstad

48

Legenda Samenhangend stedelijk gebied Occupatie Leiden: Life Science & Health Space Health science/ Bio science Rechten Maak Den Haag: Vrede, Recht & ICT Rechten Security ICT Logistiek Delft: High-Tech Technologie Delta tech: Rotterdam Dordrecht Snijvlak stad en haven Rotterdam: Medisch, Technologie & Diensten Offshore Medisch Economie Haven Diensten Dordrecht: Smart Delta Drechtsteden Maritiem Haven Agro Maak Oude Lijn, trein en HOV-netwerk Nieuwe stations

49

3.4 Toekomstbestendige economie

Wonen en werken zijn twee onderwerpen die sterk met elkaar verbonden zijn. Waar werk is willen mensen wonen, en waar mensen wonen willen bedrijven zich vestigen. Daarbij gaat het niet alleen om bedrijven en bedrijventerreinen (bv. voor industrie en logistiek) maar ook om kantoren, detailhandel en andere werkvormen zoals laboratoria. Voor 2040 streven we ernaar in ieder geval 85.000 extra arbeidsplaatsen te realiseren. Een betere balans tussen economie, natuur, klimaat en inclusie is daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor de toekomstbestendige ontwikkeling van de Zuidelijke Randstad. De Zuidelijke Randstad heeft een brede en diverse economische structuur met een kennisintensief netwerk van kennisinstellingen in de steden en een efficiënt logistiek-industrieel systeem. Sommige deelregio’s hebben een meer kennisintensieve economie, denk aan het Innovatiedistrict Delft, het Bio Science Park in Leiden en het CID in Den Haag. Andere gebieden hebben een meer industriële economie, zoals de maritieme maakindustrie in de Drechtsteden. Daarbij liggen er belangrijke relaties met de Rotterdamse Haven en de Westlandse Greenport. De economische ontwikkeling

NOVEX Zuidelijke Randstad

van de Zuidelijke Randstad is de afgelopen jaren echter achtergebleven bij de ontwikkeling van vergelijkbare economische regio’s zoals de MRA, Utrecht en de Brainport Eindhoven. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) geeft aan dat dit komt door onvoldoende agglomeratiekracht. Bovendien leunt onze economie voor een groot deel op economische sectoren die een forse opgave hebben om in de toekomst circulair, duurzaam, digitaal en inclusief te worden. Daarom willen we de verstedelijkingsopgave benutten om het economische ecosysteem langs de Oude Lijn te verbeteren en onderling te verbinden, zo vergroten we de agglomeratiekracht van onze economie. Ook willen we de verstedelijkingsopgave het vliegwiel laten zijn voor de circulaire economie en vice versa.

metropool die duurzaam, innovatief en inclusief is. Om al deze opgaven op te pakken en onze ambities te realiseren is het noodzakelijk om meer te gaan sturen op het soort economie dat passend is bij het profiel van de Zuidelijke Randstad en ons economisch ruimtegebruik te intensiveren. Dit betekent dat we: (1) duidelijke keuzes maken in wat ons economisch profiel van de toekomst is en de bedrijvigheid waarvoor we op de langere termijn ruimte willen bieden, (2) onze economische ruimte intensiveren en beter te benutten (mixen en stapelen waar kan, scheiden waar moet, en de juiste functie op de juiste plek), (3) ruimte voor hogere milieucategorieën behouden, door deze ruimte te beschermen en in beeld te brengen welk areaal in de toekomst noodzakelijk is voor het goed functioneren van de regio en (4) de transitie naar een circulaire economie als uitgangspunt nemen.

We gaan zorgvuldig om met onze economische ruimte In de Zuidelijke Randstad is onvoldoende ruimte om alle economische activiteiten te laten groeien. Bovendien past niet alle bedrijvigheid even goed binnen de ruimtelijke structuur en samenstelling van de regio. Ook draagt niet elke economische activiteit in dezelfde mate bij aan de transitie naar een toekomstbestendige

We versterken onze stuwende economieën We willen inzetten op de economisch bepalende en krachtige economieën van de Zuidelijke Randstad die ons in staat stellen om ook voldoende verdienvermogen te genereren. In de Zuidelijke Randstad ligt het voor de hand dat we in de toekomst de volgende economische profielen gaan stimuleren: (1) duurzame en transitiegerichte kennis- en maakeconomie (denk aan

50

high-tech, delta-tech en bio science), (2) stadsverzorgende bedrijvigheid en dienstverlening (dit betreft alles wat een stad nodig heeft om prettig én gezond te kunnen wonen, werken, leren en recreëren) en (3) ICT en recht. Hierbij hebben we ook aandacht voor regionale specialisatie, waardoor het mogelijk wordt om meer toegevoegde waarde te creëren doordat verschillende functies (bijvoorbeeld maak en kennis) binnen een economisch cluster van elkaars nabijheid profiteren. Daarnaast willen we ook gaan sturen op het soort economische activiteit en het verbeteren en versterken van het economische ecosysteem langs de Oude Lijn. Het doel is om te sturen op economische activiteiten die: (1) innovatieve oplossingen bieden voor maatschappelijke vraagstukken, (2) werkgelegenheid bieden voor alle opleidingsniveaus en (3) optimaal gebruik maken van lokaal arbeidspotentieel en daarmee veel toegevoegde waarde creëren. Voor alle activiteiten blijft het van belang dat ze aansluiten op de economische profilering van het gebied en onze schaarse ruimte goed wordt benut. Hoe de economie van de toekomst in de Zuidelijke Randstad eruitziet, en welke economische profilering en activiteiten daarbij horen (inclusief de transitie naar een circulaire economie), gaan we verder onderzoeken als onderdeel van de gebiedsgerichte uitwerking van de

Ruimtelijk Economische Visie (REV). Dit kan ertoe leiden dan we in de toekomst bepaalde bedrijven niet meer gaan accommoderen in de Zuidelijke Randstad. We gaan onze bestaande werklocaties beter benutten De klimaatopgave vraagt om een terughoudende omgang met alle ruimteclaims, met uitzondering wellicht van natuur en water. Ruimteclaims voor andere opgaven zijn er echter wel. Zo vraagt de energietransitie om ruimte voor energieinfrastructuur t.b.v. electrificering en waterstof en de transitie naar een circulaire economie vereist zowel binnenstedelijke bedrijfsruimte als grotere circulaire hubs buiten de stad (waar relevant bij voorkeur ontsloten via het water) om stoffenstromen op te slaan, te bewerken en opnieuw distribueren. Zowel voor wonen als werken geldt het uitgangspunt dat het zwaartepunt ligt bij betere benutting van de bestaande ruimte. Willen we een toekomstbestendige Zuidelijke Randstad en de transitie maken naar een duurzame samenleving en economie, binnen planetaire bovengrenzen en sociale ondergrenzen, dan is intensivering noodzakelijk. De aanpak voor de woningbouwopgave, waarbij we intensiveren binnen het bestaand bebouwd gebied, doen we (nog) niet voor bedrijventerreinen. Maar ook hier is veel

onbenutte, of slecht benutte, ruimte. Het intensiveren van ons economisch ruimtegebruik, en het beter benutten van de beschikbare milieuruimte (juiste functie op de juiste plek), is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Dit is een grote opgave, dus gaan we onderzoeken hoe we dit mogelijk kunnen maken (denk aan verplaatsen, intensiveren, stapelen of mengen en vernieuwende, duurzamere, productie- en werkconcepten die innovatief omgaan met bestaande ruimte). Zo ontstaan er uiteindelijk meer kansen voor bedrijven in onze regio en kan meer nabijheid en uitwisseling een impuls geven aan de economie. Hierbij hebben we extra aandacht voor het realiseren van voldoende betaalbare werkruimte, zowel binnen als buiten de stad. In het voorjaar van 2022 hebben Rijk en provincies met elkaar afspraken gemaakt om meer grip te krijgen op grootschalige bedrijfsvestigingen (lees: beleidslijn ‘grip op grootschalige bedrijventerreinen’). Het doel is voldoende, geschikte ruimte met kwaliteit voor nieuwe bedrijventerreinen reserveren en tegelijk zorgvuldig omgaan met de bestaande terreinen. We trekken samen op bij de verdere uitwerking van deze beleidslijn.

51

We gaan zorgvuldig om met ruimte voor hogere milieucategorie bedrijven Bedrijven met een hoge milieucategorie (3 of hoger) gaan lastig samen met woningen. Deze milieuruimte is echter wel noodzakelijk omdat in een toekomstbestendige economie ruimte nodig is voor industriële activiteiten die een duurzame energievoorzieningen of een circulaire economie faciliteren. Denk bijvoorbeeld aan het maken van circulaire bouwmaterialen of een waterstof centrale. Omdat ruimte in de Zuidelijke Randstad beperkt is, moeten we zuinig en tegelijkertijd creatief omgaan met de huidige milieuruimte. Om voldoende ruimte voor hogere milieucategorie bedrijven te behouden, beschermen we de ruimte voor hoge milieucategorie bedrijven en brengen in beeld welk areaal in de toekomst noodzakelijk is voor het goed functioneren van de regio. We gaan ten eerste kijken hoe de al aanwezige milieuruimte beter benut kan worden. Dit doen we door in beeld te brengen waar bedrijven met een lage milieucategorie (bv. kinder-speelparadijzen en bowlingbanen) veel milieuruimte onbenut laten, en te kijken of hier een meer geschikte plek voor is (op bedrijfsterreinen met een lagere maximale milieucategorie of op andere plekken in de stad). Ook willen we onderzoeken of we in de toekomst

NOVEX Zuidelijke Randstad

kunnen sturen op minimale milieuprestatie, naast het sturen op economische profielen. Ten tweede gaan we kijken of, en hoe, permanente en tijdelijke (milieu)schuifruimte bij kan dragen aan de economische opgave in de Zuidelijke Randstad. Dit is echter een complex proces en vraagt eerst goed onderzoek. We stimuleren de transitie naar een circulaire economie en reserveren daar ruimte voor Dankzij de grote hoeveelheid inwoners en gevestigde bedrijventerrein in onze binnensteden vinden in de Zuidelijke Randstad al de meeste circulaire initiatieven van Zuid-Holland plaats. De nabijheid van de greenports en de haven- en industriegebieden biedt kansen om stedelijke retourstromen en circulaire bedrijvigheid zo goed mogelijk bij elkaar te brengen via hubs en verwerkingslocaties (ruimtelijke schakels ten behoeve van de circulaire economie), zowel in als aan de randen van de steden. De Zuidelijke Randstad volgt de nationale circulaire ambitie, namelijk dat de economie in 2050 volledig circulair is. We bouwen in de Zuidelijke Randstad voort op de ruimtelijke strategie circulair Zuid-Holland. Onze thematische speerpunten zijn daarbij:

• Circulaire bouweconomie. We zetten de verstedelijkingsopgave in als vliegwiel voor circulaire bouw en gebiedsontwikkeling. We zorgen er in ieder geval voor dat nieuwe gebieds-en vastgoedontwikkelingen zo circulair mogelijk ontworpen en uitgevoerd worden. Daarvoor is het noodzakelijk om het gebruik van bouwhubs, zero-emissie logistiek en hergebruikte of biobased materialen zo snel mogelijk onderdeel hiervan te maken. • Circulaire maakeconomie. We werken toe naar een concrete aanpak om ruimte te maken (en te houden) voor circulaire maakindustrie als onderdeel van de stedelijke economie. Dit is een complex proces, omdat circulaire maakindustrie soms een hoge milieucategorie kan vragen. We moeten daarom op bedrijventerreinen ruimte maken voor circulaire functies en opschaling. • Stedelijke circulaire voorzieningeneconomie Om te zorgen dat inwoners, bezoekers en ondernemers van dit gebied hun leven circulair kunnen inrichten, is het wenselijk dat circulaire voorzieningen makkelijk toegankelijk zijn. Van reparatie-, leen- en huurdiensten en winkels met circulaire producten, tot afvalinzameling en circulaire ambachtscentra. Dit vraagt om een logische ruimtelijke spreiding

52

en een goede ontsluiting van dit soort locaties. Daarnaast zal elke organisatie in het gebied in de komende twee decennia zijn bedrijfsvoering en primaire processen circulair gaan maken. Hiervoor zal op eigen terrein, maar ook collectief in bijvoorbeeld een winkelstraat, ruimte voor verzamelen, opslag, reparatie en verwerking nodig zijn. We identificeren en benutten noodzakelijke circulaire functies Om de transitie te maken naar een circulaire economie is het belangrijk dat we de ruimtelijke schakels ten behoeve van die circulaire economie identificeren en benutten. Een ruimtelijke schakel is de ruimtelijke verschijningsvorm van een noodzakelijke circulaire functie in de keten. Het is een plek met een eigen ruimtelijke kwaliteit die specifieke randvoorwaarden nodig heeft om te functioneren. Naast het plaatsen en door ontwikkelen van ruimtelijke schakels, werken we tegelijk geleidelijk aan het ombouwen en afbouwen van de bestaande lineaire, c.q. fossiele economie. Daarvoor is het nodig om ruimte te herschikken en schuifruimte te maken binnen bestaand stedelijk gebied. Voorstel is om binnen de thematische invalshoeken te gaan werken met circulaire sleutellocaties (bv. bedrijventerrein, hubs, of andere cruciale schakels) en aan circulaire sleutelgebieden (bv. hotspots). Deze

sleutelgebieden zijn plekken waar de condities zeer goed zijn voor circulaire activiteiten met belang voor de hele Zuidelijke Randstad. Daarbij kan gedacht worden aan westflank Rotterdam, de Drechtsteden en de Oostflank Leiden (als onderdeel van de hotspot Oude Rijn Zone). Op deze locaties en in deze gebieden kunnen naast de thematische speerpunten ook meer regionale circulaire thema’s kansrijk zijn, zoals bijvoorbeeld de circulaire maritieme industrie keten in de Drechtsteden. We zetten in op meer synergie tussen haven en stad De Rotterdamse Haven maakt geen onderdeel uit van dit NOVEX-gebied, maar is wel een belangrijk onderdeel van onze metropool. In de Rotterdamse Haven vindt veel economische activiteit plaats. De synergie tussen het stedelijk netwerk en de haven speelt een prominente rol: een haven in transitie heeft de stad nodig als plek van kennisontwikkeling, onderwijs, experiment, start-ups en grown-ups. Die synergie tussen stad en haven is primair geprojecteerd op het gebied ten oosten van de Beneluxtunnel en is in het ontwikkelperspectief NOVEX Rotterdamse Haven benoemd als één van de drie lange termijn opgaven. De internationale haven van Rotterdam is een kans voor het stedelijke gebied, en vice

versa. Concreet biedt het kansen voor het delta-techcluster. In de Zuidelijke Randstad komen niet alleen de grootste opgaven op het gebied van klimaatverandering samen, maar zit ook de grootste concentratie van kennis om tot toekomstbestendige delta’s te komen.

53

NOVEX Zuidelijke Randstad

54

Legenda Occupatie Landelijk waterstofnetwerk Toekomstige elektrolysers Zoekgebied elektrolyse Warmtenet bestaand Warmtenet nieuw WarmtelinQ WarmtelinQ nieuw Hoogspanningsnet 380kV Hoogspanningsnet 150kV Wind op zee 380 kV Stations Nieuw of te versterken station 150kV Zoekgebied wind (RES) Zoekgebied zon (RES) Zoekgebied zon/wind (RES )

55

3.5 De energietransitie

Energievoorziening, met een nadruk op hernieuwbare energiebronnen, is een belangrijke randvoorwaarde om de verstedelijkingsopgave te realiseren. We zitten midden in de overgang van een centrale en fossiele energievoorziening naar een decentrale en duurzame energievoorziening. Het is een langjarige, kostbare opgave die een andere werkwijze vraagt bij het ontwikkelen van woningen, bedrijven, stedelijke programma’s en de energie infrastructuur. Deze transitie is randvoorwaardelijk voor het toekomstbestendig maken van onze metropool, maar vraagt wel fysieke ruimte. In de dichtbevolkte Zuidelijke Randstad is het een forse opgave om voldoende ruimte vrij te maken voor lokale duurzame, energiebronnen. Bovendien heeft deze transitie ook impact op waar en wanneer we welke woningen en bedrijven aan kunnen sluiten op die lokale duurzame energievoorziening. Dit proces vraagt dan ook om een andere manier van (samen)werken en om bewuster gedrag; het wordt noodzakelijk om energieplanologie te verankeren als integraal onderdeel, en meer leidend principe, van de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de beschikbare energienetwerken en de hierdoor

NOVEX Zuidelijke Randstad

aanwezige capaciteit als belangrijk onderdeel meegewogen moet worden bij het maken van ruimtelijke keuzes. We blijven inzetten op het verduurzamen van de bestaande stad De bestaande stad, specifiek de vooroorlogse woningen en de woningen uit de jaren ‘50 t/m ‘80, zijn vaak niet goed geïsoleerd en ook niet duurzaam. Deze woningen verbruiken gemiddeld gezien veel energie. Om het energieverbruik terug te dringen is het juist belangrijk om deze woningen te verduurzamen. We zien de verstedelijkingsopgave als kans om de bestaande stad te verduurzamen. De nieuw te bouwen woningen worden niet meer op gas aangesloten, en vragen daardoor om andere energievoorzieningen. Bij het realiseren van deze andere energievoor­ zieningen gaan we bewust op zoek naar meekoppelkansen voor bestaande woningen. Denk hierbij aan het benutten van zoveel mogelijk daken (zowel woningen als bedrijven) voor zonne-energie of het aansluiten van bestaande woningen op lokale energievoorzieningen die worden aangelegd ten behoeve van zowel de nieuwe ontwikkelingen als de bestaande woningen.

We zetten in op het delen van energie en beperken ons verbruik Lokale duurzame energiebronnen en energiedelen zijn belangrijk voor de toekomstbestendigheid van de Zuidelijke Randstad. Het is belangrijk dat inwoners en ondernemers toegang hebben tot lokale duurzame energie. Daarnaast brengt energiedelen vraag en aanbod van elektriciteit lokaal meer bij elkaar. Het ontlast daarmee het hogere energienet en mitigeert congestie door het realiseren van opwek nabij vraag (en andersom). Het is ook van belang om, naast energiedelen, andere innovatieve oplossingen te bedenken die vraag en aanbod dichter bij elkaar kunnen brengen zoals vraagsturing, energiehubs, opslag en efficiëntie van gebruik. Dit draagt bij aan het zoveel mogelijk afvlakken van grote pieken en dalen van zowel opwek als verbruik. Om nieuwe woningen en bedrijven te kunnen realiseren, en bestaande woningen en bedrijven te verduurzamen, is get bij elkaar brengen van vraag en aanbod een noodzakelijke bouwsteen. Dit vraagt onder meer om een aanpassing van de landelijke regelgeving en om een andere samen­ werkingsvorm tussen netbeheerders, gemeentes en energieregio’s. We blijven ons in o.a. het pMIEK (provinciale uitwerking van het MIEK) inzetten om deze samenwerking op energie-infrastructuur te

56

intensiveren. Daar werken we gezamenlijk aan een Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland. Het doel is om een betere afstemming over het energiesysteem te organiseren in relatie tot economische en maatschappelijke en ruimtelijke opgaven. Het is ook van belang om ons toekomstig energieverbruik te verminderen. Dit bereiken we door bewuster om te gaan met energie (door bijvoorbeeld lokaal energie op te slaan), maar ook door bouwkundige aanpassingen te doen waardoor we minder energie nodig hebben. Dat begint met nog meer inzetten op de isolatie van bestaande woningen en bedrijven, en door in nieuwe ontwikkelingen te sturen op energieefficiënte bouwvormen. Dit kan door bijvoorbeeld in de ontwerpfase rekening te houden met de zon-oriëntatie van het gebouw. Daarbij moet worden voorkomen dat gebouwen dusdanig opwarmen dat er in de zomer airconditioning nodig is. Daarnaast leidt het transporteren van energie tot energieverlies. We spannen ons in om transport van energie over grote afstanden zoveel als mogelijk te beperken. Het realiseren van opslagsystemen voor bijvoorbeeld opgewekte energie van zonnepanelen op daken kunnen hierbij helpen.

We stimuleren collectieve warmtenetten en gaan restwarmte beter benutten Warmtenetten zijn een cruciaal onderdeel van de energietransitie, met name in de bebouwde omgeving. Vooral omdat het elektriciteitsnet een volledige elektrificatie van de warmtevraag niet aan kan. Door de aanwezigheid van de industrie in het Rotterdamse Havengebied is er veel restwarmte aanwezig in en rondom de Zuidelijke Randstad. De beschikbare hoeveelheid restwarmte wordt momenteel niet volledig benut. WarmtelinQ (een regionale hoofdtransportleiding door Zuid-Holland vanaf de Rotterdamse Haven) is een belangrijke stap in de goede richting, maar er zit nog veel meer potentie in het benutten van restwarmte. Als onderdeel van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) gaan we daarom onderzoeken hoe in deze regio restwarmte beter benut kan worden om de energietransitie verder te faciliteren. We gaan energie-balansneutraal ontwikkelen Met de kennis van nu zal de verbouwing van het huidige energiesysteem naar een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening minstens meerdere decennia duren. Totdat deze verbouwing op orde is, is transport schaarste het nieuwe normaal. Ook daarna zal onbeperkte

energie niet vanzelfsprekend zijn en blijft het een uitdaging om energie op het juiste moment, op de juiste plek te krijgen. Het is belangrijk dat partijen zich rond dat uitgangspunt gaan organiseren. Daarnaast neemt netcongestie snel toe. Dat is een ernstig risico voor de aansluitbaarheid van nieuwe ontwikkelingen op de energie­ voorziening. Om die reden zullen we locaties zo veel mogelijk energiebalansneutraal moeten ontwikkelen. Dat kan bijvoorbeeld door een ordening waarbij, onder de transportnetten, semiautonome eenheden (holons) worden ontwikkeld die het hoofdnet minder belasten. We zetten in op meervoudig ruimtegebruik van gebieden met energie opwek en -transport In het (hoog)stedelijk gebied wordt de nieuwe en verzwaarde energieinfrastructuur zoveel als mogelijk gecombineerd en ontworpen met de klimaatopgaven van de buurt of wijk in het achterhoofd. Hier zetten we ook in op het efficiënt benutten van de bestaande bebouwing voor met name zonne-opwek. Denk aan zonnepanelen op daken, boven parkeerplaatsen en aan gevels. In het buitengebied worden de energie­ landschappen, waar mogelijk, ingericht ten behoeve van milieu-, klimaat-, natuur-,

57

voedsel-, en recreatieopgaven. Een concreet voorbeeld hiervan zijn de velden waar windturbines staan (ook wel windparken genoemd) zo in te richten dat er gewandeld, gefietst en op andere manieren gerecreëerd kan worden (denk bijvoorbeeld aan watersporten) in een natuur-inclusieve omgeving met ruimte voor wateropvang. Goed ingericht kunnen deze toekomstige energielandschappen bijdragen aan de gezondheid van mens en natuur, het versterken van de groen- en water­ structuren, natuurherstel, biodiversiteit, de stikstofproblematiek en het tegengaan van bodemdaling. We gaan tegelijkertijd kijken hoe binnenstedelijke nutsvoorzieningen (denk aan elektriciteits­huisjes) multi­ functioneler ingericht kunnen worden om de druk op de ruimte, zowel boven- als ondergronds, zoveel mogelijk te beperken. We reserveren ruimte voor toekomstige energie infrastructuur De realisatie van nieuwe infrastructuur, en de verzwaring en uitbreiding van bestaande infrastructuur, is een langjarig proces. Dit vraagt om een iteratief proces en een adaptieve agenda. Het is belangrijk dat gemeenten en netbeheerders met de nodige flexibiliteit toch de juiste stappen kunnen zetten om uiteindelijk het gewenste energienet te realiseren. Om tempo te kunnen maken en zorg te kunnen dragen

NOVEX Zuidelijke Randstad

voor een goede inpassing in de omgeving moet de benodigde ruimte voor tracés van elektriciteitsstations tijdig gereserveerd worden. Ook moeten we rekening houden met een substantiële energie opwek opgave na 2030, die deels in dit gebied zal moeten landen en dus ook ruimte zal vragen. Denk bijvoorbeeld aan een ruimtereservering voor de benodigde windparken. Daarnaast moet er aandacht zijn voor het komen tot een goede oplossing voor de externe veiligheidsvraagstukken rondom de beoogde aanvoerroutes van ammoniak, welke deels door het stedelijk gebied lopen, t.b.v. van de waterstoftransitie.

58

4

Samen verder werken

59

Dit ontwikkelperspectief geeft richting tot 2050 en biedt de basis voor de uitvoeringsagenda en verdere programmering. Met dit ontwikkelperspectief is er een belangrijk fundament gelegd voor de samenwerking als één overheid tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten. De NOVEX Zuidelijke Randstad biedt niet alleen een belangrijk fundament voor verdere samenwerking, maar stelt ons ook in staat om congruent beleid te ontwikkelen. Dit bereiken we door de ambities en doel­stellingen uit dit ontwikkelperspectief te borgen in al het planologisch beleids­instrumentarium dat we als overheden hebben. De volgende stap is het opstellen van een gezamenlijke uitvoeringsagenda. Hierin beschrijven we hoe we onze ambities gaan bereiken en wat daarvoor nodig is.

NOVEX Zuidelijke Randstad

Een veranderende ruimtelijke ordening vraagt om een andere manier van (samen)werken We zullen tot een ommekeer in ons denken moeten komen; integraal denken (financieel, ecologisch en maatschappelijk) is nood­ zakelijk. We zullen de verbinding tussen alle thema’s en opgaven actief op moeten zoeken. De woningen en werkplekken die we, conform bestaande afspraken, binnen de Zuidelijke Randstad gaan realiseren moeten bijdragen aan een metropool die voor de lange termijn toekomstbestendig is. Samenwerking en transparantie zijn daarin noodzakelijk. De grootschalige verstedelijkingsopgave binnen het NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad vraagt om langjarige zekerheid en continuïteit van de bouwproductie op de middellange en lange termijn. Voor deze gebiedsontwikkelingen geldt dat – naast uitdagingen rond de realisatie van voldoende sociaal en betaalbaar aanbod, aanleg van (extra) openbare ruimte, groen en water of de uitplaatsing van bedrijven – er omvangrijke ingrepen in de mobiliteits­ transitie nodig zijn om de ambities te realiseren. Hiervoor is het nodig dat de betrokken overheden, woningcorporaties, marktpartijen en andere belanghebbenden langjarige afspraken met elkaar maken.

Zowel over proces, inhoud als financiën in (o.a.) de uitvoeringsagenda en de regionale investeringsagenda (RIA). Bovendien zien we dat sommige opgaven ook om stevigere keuzes vragen naar de toekomst toe, zoals klimaatadaptatie (water en bodem sturend) en energie. Deze keuzes kunnen leiden tot randvoorwaardelijke kaders voor de context waarbinnen de andere opgaven gerealiseerd dienen te worden. De NOVEX Zuidelijke Randstad biedt het gremium om door te praten over deze te maken keuzes en afspraken. We zetten met elkaar in op anders werken, zodat we al onze ambities kunnen realiseren. We werken multidisciplinair en multistakeholder, zorgen ervoor dat nieuwe ontwikkeling het bestaande gebied altijd versterken, ontschotten budgetten, wegen de lange termijn (zwaarder) mee in de besluitvorming, nemen verwachte (gedrags) effecten mee in de planvorming en werken samen op basis van vertrouwen waarbij we meer structureel en vooraf investeren. Dit is ontwikkeling van de lange adem, waarbij het essentieel is dat we gezamenlijk onze middelen en instrumenten aanwenden om uitvoeringskracht te creëren en daarbij keuzes maken die het collectief belang van de Zuidelijke Randstad dienen.

60

Gebieds- en themagericht verder werken binnen de regio De Zuidelijke Randstad heeft een unieke context. In de afgelopen jaren zijn er al veel samenwerkingsverbanden en -structuren opgezet. Denk aan de verstedelijkings­ alliantie (VA), een netwerkorganisatie met de focus op grootschalige binnenstedelijke woningbouwopgaven. De Metropoolregio Den Haag-Rotterdam (MRDH), een vervoersregio met wettelijke taken rondom verkeer en vervoer en vrijwillige taken rondom verkeer en economie. Maar ook het programma Mobiliteit en Verstedelijking (MoVe), een bereikbaarheidsprogramma met als doel om de transitie op mobiliteitsgebied te realiseren in samenhang met verstedelijking. Binnen de NOVEX Zuidelijke Randstad zetten we in op het realiseren van een krachtige en toekomstbestendige metropool. De samenwerkings- en besluitvormings­ structuur voor dit gremium zijn dienend aan de inhoudelijke opgaven en doelen in dit ontwikkelperspectief en biedt ruimte voor alle overheden waar toekomstige opgaven landen om mee te kunnen doen. NOVEX Zuidelijke Randstad heeft als doel om de integrale afstemming, uitvoering en realisatie van de inhoudelijke doelen te bevorderen. Voor de uitwerken van de verschillende opgaven maken we zoveel

mogelijk gebruik van bestaande regionale afstemming en programma­structuren. Daar waar regionale afstemming of programma­ tische uitvoeringskracht ontbreekt gaan we nadenken over hoe we dit met elkaar op kunnen zetten. In de uitvoeringsagenda maken we hier afspraken over. Nader uit te werken opgaven In het proces van opstelling van dit ontwikkelperspectief is gebleken dat we op een aantal opgaven nog inhoudelijke stappen te zetten hebben om met elkaar de Zuidelijke Randstad naar de toekomst toe sterker en integraler te kunnen ontwikkelen. Bovendien zien we dat een aantal opgaven ook om stevige keuzes vragen, terwijl nog niet altijd duidelijk is hoe deze opgaven vorm gaan krijgen (denk bv. aan de uiteen­ lopende klimaatscenario’s). We zien dit ontwikkelperspectief dan ook als startpunt richting 2050, en niet als eindpunt. In de uitvoeringsagenda maken we met elkaar afspraken over opgaven die we gezamenlijk verder uit gaan werken om in de toekomst de juiste keuzes te kunnen maken. Op dit moment voorzien we in een viertal nader uit te werken opgaven: 1. Gezamenlijk verkennen toekomstperspectief na 2040 Nader invulling geven aan de

ontwikkeling van dit gebied na 2040, richting 2050, wat we voornemens zijn te doen middels ontwerpend onderzoek (dit ontwikkelperspectief gaat bovenal uit van de verstedelijkingsafspraken tot 2040). 2. Onderzoeken economie van de toekomst Het onderzoeken hoe de economie van de toekomst in de Zuidelijke Randstad eruit ziet en het uitwerken van de economische profilering die daarbij hoort, inclusief de transitie naar een circulaire economie, als onderdeel van de gebiedsgerichte uitwerking van de Ruimtelijk Economische Visie (REV). 3. Uitwerken water en bodem sturend Het nader uitwerken van wat water en bodem sturend betekent voor de Zuidelijke Randstad en welke randvoorwaardelijke keuzes noodzakelijk zijn om onze metropool toekomstbestendig te maken, in samenhang met het inzichtelijk maken van de lokale en regionale klimaatopgaven in onze regio. 4. Uitwerken gezondheid als overkoepelend principe Het uitwerken van gezondheid als overkoepelend principe voor de verdere ontwikkeling van de Zuidelijke Randstad en de manier waarop we hierop kunnen en willen sturen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15505681/1