CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota zienswijzen Campus Zuid

Raadsvergadering 11 juli 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake crisis- en herstelwet omgevingsplan TU Delft Campus Zuid (nr. 2424345)5.203 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota Zienswijzen Zienswijze en beantwoording zienswijzen Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Gemeente Delft Ruimte Advies Mei 2023

Zienswijzen Van 19 december 2023 tot en met 29 januari 2024 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen op het Stadskantoor, via bekendmakingen.nl en op ruimtelijkeplannen.nl (de landelijke voorziening). De schriftelijke zienswijzen zijn hieronder weergegeven. Nr. 1 2 3 4

TNO Provincie Zuid-Holland Fimek Estate namens ASR Natuurlijk Delfland

In dit onderdeel zijn de Zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Hierbij wordt ook steeds in de conclusie aangegeven of de reactie leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Hieronder worden de zienswijzen besproken.

2

1.1

Zienswijze

In het ontwerpbestemmingsplan ‘Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid’ is voor de locatie van The Fellowship de bestemming ‘Campus’ opgenomen, en een maximum bouwhoogte van 25 meter. Deze functietoedeling is naar mening van TNO toereikend voor het beoogde gebruik van het nieuwe gebouw. De opgenomen maximum bouwhoogte van 25 meter voldoet naar mening van de TNO echter niet om het voor hen benodigde programma te realiseren. Hoe dit exact wordt vormgegeven, is nog niet bekend, maar TNO zou graag zien dat voor de gehele kavel de maximum bouwhoogte van 35 meter mogelijk gemaakt wordt. TNO is zich bewust dat in het bestemmingsplan tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen is onder artikelen 30.2 en 30.3, waarmee met gebruik van een wijzigingsprocedure, de bouwhoogte verhoogd zou kunnen worden tot 40 meter, of zelfs tot 70 meter. Het gebruik van deze procedure heeft echter niet de voorkeur van TNO, gezien de (in de praktijk) lange doorlooptijd en processtappen. Een andere optie zou zijn om bijvoorbeeld naast een maximum bouwhoogte, een aanduiding op te nemen op het perceel waarmee met de binnnenplanse afwijkingsprocedure een bouwhoogte van 35 meter toegestaan kan worden.

3

Beantwoording

Door TNO wordt verzocht de bouwhoogte aan te passen naar 35 meter, omdat gevreesd wordt dat anders het benodigde toekomstig programma niet kan worden gerealiseerd. Zoals TNO zelf al aangeeft, maakt voorliggend plan het mogelijk om via een wijzigingsbevoegdheid de hoogte aan te passen naar maximaal 40 meter en zelfs maximaal 70 meter. Het gebruik van deze procedure heeft echter niet de voorkeur van TNO, ‘gezien de (in de praktijk) lange doorlooptijd en processtappen’. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet begin dit jaar verandert er het nodige. Wanneer het voorliggend bestemmingsplan geldt, zal het van rechtswege onderdeel gaan uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. Verder bestaat het instrument wijzigingsbevoegdheid niet langer onder de Omgevingswet. Zolang dit voorliggend plan (met de mogelijkheid van wijzigingsbevoegdheid) nog niet is gewijzigd naar het nieuwe deel van het omgevingsplan1, blijft de ‘oude’ wijzigingsbevoegdheid nog relevant. Bij nieuwe initiatieven die in strijd zijn met het omgevingsplan (zoals die van TNO) kan eventueel medewerking verleend worden via aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: OPA). Hierbij gelden de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid als ‘beoordelingsregels’. Juridische basis hiervoor is artikel 22.32 van de Bruidsschat van het omgevingsplan.

Een omgevingsvergunning die in strijd is met de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. Hiermee wordt dus tegemoetgekomen aan de vrees van de TNO dat de gemeente alleen kan meewerken aan een hogere bouwhoogte door middel van een procedure met een lange doorlooptijd. Indien het verzoek van TNO voor hun nieuwe toekomstige plan valt onder de gestelde voorwaarden zoals opgenomen in artikel 30.3 van de planregels wordt door middel van een (korte) reguliere procedure meegewerkt aan een verhoging van de bouwhoogte.

Conclusie

1

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan.

Transitiefase om het tijdelijk omgevingsplan te wijzigen naar het nieuwe omgevingsplan is momenteel tot 2032.

4

2.1

2.2

2.3

Zienswijze

Het beoogde metrage van aan de hoofdbestemming ondergeschikte detailhandel van 25 m2 per vestiging met een totaal maximum bvo van 200 m2 lijkt passend binnen de omgevingsverordening. Echter de wijze waarop het beperkt wordt, door o.a. in de artikelen 6,7,8 en artikel 28 de term 'hoofdfunctie en/of hoofdbestemming' te gebruiken in combinatie met de begripsomschrijving in artikel 1.68, maakt het onduidelijk.

Beantwoording

De achterliggende gedachte bij dit Crisis en herstelwet (Chw) omgevingsplan is het opstellen van een bestemmingsplan in de lijn, opzet en terminologie van de Omgevingswet. Vandaar dat niet langer gesproken wordt van (hoofd)bestemmingen Campus en Groen, maar van (hoofd)functies Campus en Groen. Dit is abusievelijk in artikel 28.2 onder d niet goed geformuleerd. De term ‘hoofdbestemming’ moet dus ook hier ‘hoofdfunctie’ zijn. Verder gaan we er van uit dat de provincie in haar zienswijze verwijst naar de begripsomschrijving in artikel 1.64 (ondergeschikte detailhandel), in plaats van 1.68 (parkeerhub).

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan

Zienswijze

De definitie van 'ondergeschikte detailhandel' in het bestemmingsplan is in strijd met de omgevingsverordening. Onder de definitie wordt ook een gemakswinkel geschaard. Een gemakswinkel is echter 2iets anders dan ondergeschikte detailhandel.

Beantwoording

In de begripsbepaling is de gemakswinkel conform de definitie van de omgevingsverordening opgenomen en valt dus niet langer onder het begrip van de ondergeschikte detailhandel. Verder is in artikel 4 van de planregels opgenomen dat in het plangebied maximaal 1 zelfstandige gemakswinkel met maximaal 200 m2 bvo is toegestaan.

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan

Zienswijze

In de paragraaf 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' (5.1) van het Ontwerp Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid wordt een toelichting gegeven op de doelstelling om (TU-)Delft te vergroenen en 5

klimaatadaptief te maken. Vervolgens wordt uitsluitend invulling gegeven aan een 'concreet kader' om natuurindusief te bouwen en te ontwikkelen met behulp van een 'puntensysteem'. Er worden geen gestructureerde toelichtingen gegeven op de risico's van klimaatverandering van beoogde mix van academische voorzieningen en bedrijfsruimten. Op basis van Artikel 6.35a 'Risico’s van klimaatverandering' wordt daarom verzocht om - per klimaatthema - aan te geven in hoeverre de klimaatrisico's van wateroverlast, hitte, droogte, overstroming en bodemdaling relevant zijn voor beoogde ontwikkelingen en (in) hoe(verre) maatregelen en/of voorzieningen worden genomen om betreffende klimaatrisico's te voorkomen c.q. te beperken. Beantwoording

De gemeente Delft onderschrijft ten zeerste het anticiperen op mogelijke risico’s door klimaatveranderingen. Al in 2019 is daarvoor een klimaatadaptatiestrategie gemaakt en zijn kansen en knelpunten voor de hele stad voor de klimaatthema’s in beeld gebracht. De kennis over de gevolgen van hitte, droogte, overstroming en bodemdaling blijft zich ontwikkelen. Mede daarom heeft de gemeente de doelen van het convenant klimaatadaptief bouwen als een van de eersten in Nederland vertaald in een eigen Delftse beleidsregel klimaatadaptief bouwen. Deze is in 2022 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en geldt sindsdien voor alle nieuwbouw en herstructurering in Delft. Daarmee geeft de gemeente invulling aan het convenant en gaat daarmee verder dan ‘gestructureerd gebruik maken van de leidraad’. Zo worden zowel de regels actief toegepast als geborgd in gemeentelijk beleid. Dit is ook opgenomen in de toelichting en als een dynamische beleidsverwijzing in de planregels. Door de doelvereisten vanuit de beleidsregels te eisen is dit een randvoorwaarde voor de ontwikkeling van de TU Delft Campus Zuid. Gemeente en TU Delft trekken daarbij samen op.

TU Delft heeft daarbij ambities en doelstellingen op het gebied van onder andere klimaatadaptatie zowel als kennisinstelling als ontwikkelaar In het bestemmingsplan (en het onderliggend stedenbouwkundig plan) wordt ingezet op het ontwikkelen van een robuuste groen- en waterstructuur en een groene inrichting van de openbare ruimte. Onder andere door de zogenaamde clustercorridors, die mogelijkheden bieden voor het opvangen en vasthouden van water.

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan 6

2.4

Zienswijze

Vanwege de significante afschaling van het aantal woningen, bedrijven en sportvoorzieningen zijn de eerdere verkeersonderzoeken niet meer maatgevend. Om de effecten van het voorliggende plan te beoordelen en rekening te houden met de gevolgen voor de bereikbaarheid is daarom een nieuw verkeersonderzoek noodzakelijk. Wel valt te verwachten dat de problematiek (en maatregelen) minder groot zullen zijn zoals geconcludeerd wordt in het ontwerp bestemmingsplan, maar zonder onderzoek is hier geen onderbouwing voor en zijn onder andere de verkeerseffecten op de aansluiting N470-A13 niet goed te beoordelen

Beantwoording

De gewijzigde scope heeft alleen betrekking op de ruimtelijke ontwikkeling. De ontsluiting voor het gebied wijzigt niet in het nieuwe bestemmingsplan; het netwerk voor gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en openbaar vervoer is gelijk aan het oorspronkelijke plan. In onderstaande tabel zijn de intensiteiten in 2040 uit het oorspronkelijke plan (toevoeging 250.000 m2) en de intensiteiten van het huidige plan (toevoeging 55.700 m2) naast elkaar gezet. De nummers verwijzen naar figuur 3.1 van het verkeerskundig onderzoek uit 2021 (bijlage 16). In de laatste kolom is de procentuele afname ten opzichte van het oorspronkelijke plan weergegeven. Nummer

Wegvak

Intensiteiten (mvt/werkdagetmaal) Toevoeging 250.000 m2

Intensiteiten (mvt/werkdagetmaal) Toevoeging 55.700 m2 Absoluut

Relatief

1

Rotterdamseweg (noord)

3.500

3.220

92%

2

Rotterdamseweg (zuid)

4.610

3.680

80%

3

Heertjeslaan (west)

3.780

2.730

72%

4

Heertjeslaan (oost)

15.400

11.000

71% 7

5

Huismansingel (noord)

18.560

11.430

62%

6

Molengraaffsingel

8.880

5.710

64%

7

Schoemakerstraat (zuid)

26.870

16.980

63%

8

Schoemakerstraat (Delftechpark)

20.780

17.560

85%

Uit de tabel blijkt dat de intensiteiten naar de Kruithuisweg en het Kruithuisplein in het huidige bestemmingsplan fors lager zijn dan in het oorspronkelijke plan. Daarmee kan de conclusie getrokken worden dat, met een gelijkblijvend netwerk, het verkeer in de toekomstige situatie met dit bestemmingsplan goed afgewikkeld kan worden. Paragraaf 6.1.4.5 van de toelichting is naar aanleiding van deze zienswijze vervangen.

3.1

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan

Zienswijze

De maximale bouwhoogte voor de locatie van gebouw NEXT Delft wordt aangepast van 26 meter (in het vigerende bestemmingsplan) naar 24 meter (in het ter visie liggende omgevingsplan). Dat raakt de reeds gerealiseerde fase van het gebouw NEXT Delft in de huidige vorm en omvang niet, aangezien de maximale hoogte zo’n 20 meter bedraagt, maar het betekent wel een (forse) inperking van de maximaal toegestane bouwhoogte. Door de voorgestelde verlaging van de bouwhoogte verdwijnt de mogelijkheid om in (de toekomst) een gehele bouwlaag te realiseren. Verzocht wordt dit aan te passen naar maximale bouwhoogte van 26 meter.

8

Beantwoording

In 2019 is een (nieuw) stedenbouwkundig plan gemaakt door bureau PosadMaxwan voor de terreinen die in eigendom zijn van de TU Delft en de gemeente. Dit plan is een belangrijke onderlegger voor het omgevingsplan. Het kent een aantal belangrijke uitgangspunten voor de stedenbouwkundige opzet van die terreinen. De volgende uitgangspunten zijn daarbij relevant voor de beantwoording van deze zienswijze:

・ Het gebied wordt ingedeeld in bebouwingsclusters. Hierbinnen wordt het bouwprogramma zodanig geordend dat een maximum aan uitwisseling en synergie bereikt wordt. Uitgangspunt is dat gebouwen en kavelinrichting van hoge kwaliteit zijn, met sterke samenhang tussen het ontwerp van de openbare ruimte, de inrichting van de kavels en de gebouwen. Per cluster wordt actief 'vormgegeven' aan het realiseren van een centrale ontmoetingsplek met binnen én buiten ruimte en programma voor sociale activiteiten, goed verbonden met de hoofdstructuur van het gebied en de belangrijkste voetgangersroutes. De hoofdopzet van de gebouwen en in het bijzonder van de situering van entrees en publieke programmaonderdelen dragen daaraan bij.

・ In het gebied wordt ruimte geboden aan kennisintensieve bedrijven, academisch onderwijs en onderzoek en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen en kavelinrichting zijn van hoge kwaliteit. ・ Nieuwe bebouwing heeft een bouwhoogte van gemiddeld 20 – 25 m. In een deel van het gebied zijn door middel van een wijzigingsprocedure nieuwe hoogteaccenten tot 40 m en 70 m mogelijk. In 2023 heeft TU Delft Campusvisie 2040 opgesteld om het lange termijnperspectief voor de ontwikkeling van de campus te schetsen. De campusvisie geeft aan dat de campus in Delft in 2040 een mondiaal voorbeeld is van een leefbare en duurzame campus die goed verbonden is met de directe omgeving, de stad Delft en de regio. Het wordt een multifunctioneel gebied waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. In de Campusvisie wordt Campus Zuid geduid als 'een high-tech campus, waar innovatieve bedrijvigheid en wetenschappelijk onderzoek en onderwijs samenkomen. Anderzijds is Campus-Zuid een polderlandschap waarin vernieuwende waterretentie-oplossingen in combinatie met natuurontwikkeling zichtbaar zijn'. Het geschetste toekomstbeeld ligt in het verlengde van het stedenbouwkundige plan uit 2019. Deze nieuwe elementen en accenten zullen hun weerslag krijgen in de latere fasen van de gebiedsontwikkeling, die volgen na de realisatie van de onderdelen uit dit omgevingsplan.

Het is dus mogelijk dat in de toekomst de bouwhoogte van de betreffende locatie 9

wordt verhoogd, maar dat is momenteel nog niet duidelijk. Wel is het onder het huidig plan mogelijk om onder voorwaarden op grond van artikel 30. 1 binnenplans af te wijken van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10% waarbij geldt dat de hoogtematen met maximaal 1 m mogen worden verhoogd. Tenslotte kan op grond van artikel 31.3 onder voorwaarden de hoogte met een omgevingsplanactiviteit worden verhoogd naar 40 meter. Zie voor dit laatste ook de beantwoording onder A.1.

3.2

3.3

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

Verzocht wordt om de nu toegestane bouwhoogte van 20 meter voor de ontwikkeling van Fraim het hele bouwvlak ten zuiden van de groene clustercorridor en ten noorden van het Van Amstelpark aan te passen naar de bouwhoogte van 26 meter uit het eerder vigerend bestemmingsplan.

Beantwoording

De maximale bouwhoogte van GD-1 tussen Huismansingel, Van Amstelpark en Molengraaffsingel stond abusievelijk nog op 20 meter. Dit is vergelijkbaar met functievlakken GD-1 tussen Huismansingel en Molengraaffsingel aangepast naar een maximale bouwhoogte van 24 meter.

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan

Zienswijze

Bij de Regels staat in artikel 8.2.1 a. het volgende opgenomen: “Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; met dien verstande dat minimaal 5 m. afstand van de kavelgrens in acht genomen wordt." Niet alleen is onduidelijk wat onder de kavelgrens wordt verstaan, maar verder wordt ook verzocht om de planregel te beperken tot:: “Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd."

Beantwoording

Uitgangspunt is dat aan de kavelgrens aan de zijde van de clustercorridors en publieke groenvoorzieningen niet afleesbaar is in de inrichting, zodanig dat privaat en openbaar groen in elkaar overlopen en er een minimaal onderscheid in inrichting is. Verder is vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt het van belang om de open structuren tussen de hoofdgebouwen te borgen, 10

door een minimale afstand van 10 meter (aan beide kanten van de kavelgrens minimaal 5 meter) tussen de gebouwen in de planregels op te nemen. Naar aanleiding van deze zienswijze constateren we dat verwarring kan ontstaan over deze bepaling. Aangezien in artikel 8.2.1 onder b de afstand tussen de onderlinge gebouwen is opgenomen, kan de bepaling ‘met dien verstande dat minimaal 5 m. afstand van de kavelgrens in acht genomen wordt’ in artikel 8.2.1 onder a worden verwijderd.

3.4

Conclusie

Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het plan.

Zienswijze

De TU Delft verzorgt de inrichting van de openbare ruimte rondom de bebouwing en bouwplannen. Zo is er voor de ontwikkelingen aan de Molengraaffsingel binnen de bestemming bijvoorbeeld een ecologische zone ingericht, welke benoemd is als ‘groene clustercorridor'. ASR verzoekt om voor de hieraan grenzende bouwplannen gebruik te kunnen maken van de in deze ecologische zone getroffen maatregelen voor natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen.

Beantwoording

Het Delftse beleid voor natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen gaat uit van het principe van ‘niet afwentelen’. Dit is in lijn met de uitgangspunten van landelijk beleid (NOVI en Water en Bodem sturend). Dit principe is drieledig:

  

Niet afwentelen op toekomstige generaties, nu rekening houden met belasting van bodem en water, klimaatverandering én met toekomstige beheerkosten; Niet afwentelen naar andere gebieden of functies; Niet afwentelen van privaat naar publiek.

Maatregelen voor natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen moeten binnen de ontwikkeling (perceel/gebied) worden opgelost. Daarnaast heeft TU Delft in 2023 Campusvisie 2040 opgesteld om het lange termijnperspectief voor de ontwikkeling van de campus te schetsen. Het geschetste toekomstbeeld ligt in het verlengde van het stedenbouwkundige plan uit 2019 maar bevat ook nieuwe elementen. Zo legt de Campusvisie nog 11

meer nadruk op de uitwerking van landschappelijke structuren en thema's als klimaatadaptatie en biodiversiteit. Deze nieuwe elementen en accenten zullen hun weerslag krijgen in de latere fasen van de gebiedsontwikkeling, die volgen na de realisatie van de onderdelen uit dit omgevingsplan. Er zal dus niet vooruitlopend op de concretisering van de Campusvisie en gebiedsvisies mee worden gewerkt aan het planologisch mogelijk maken van het gebruikmaken van maatregelen voor natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen in de ecologische zone.

4.1

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

Op de locatie van het beoogde sportveld tussen de Thijsseweg, de Karitaatmolensloot, het Ackerdijkse Bos en de Deltares Campus heeft zich op het voormalige gronddepot van de gemeente in de afgelopen decennia een jong bos ontwikkeld. De TU Delft heeft het Biodiversiteitsactieplan van Royal HaskoningDHV vastgesteld en als uitgangspunt voor beleid aangenomen. Door deze locatie te bestemmen als sport, staat hiermee haaks op het beleid van de TU Delft en haar Biodiversiteitsplan. De kern van het rapport is dat dit bos onmisbaar is voor de ontwikkeling van de biodiversiteit op de campus.

Beantwoording

Het ontwerpplan maakt de eerste fase van concrete ontwikkelingen op Campus Zuid planologisch mogelijk en is gebaseerd op een stedenbouwkundig plan gemaakt door bureau PosadMaxwan voor de terreinen die in eigendom zijn van de TU Delft en de gemeente. Het betreft een beperkt deel van de ontwikkeling van Campus Zuid, te weten de doorontwikkeling van het academisch cluster in het Kluyvergebied, de ontwikkeling van een bedrijvencluster (omgeving van Yes!Delft) en de ontwikkeling van een nieuw sportpark en openbare ruimte. Het stedenbouwkundig plan is in opdracht van de TU Delft opgesteld en het ontwerpplan TU Delft Campus Zuid in afstemming met de TU Delft. De locatie van het voormalige gronddepot is in het stedenbouwkundige plan uit 2019 ingetekend als sportterrein. Navraag bij de TU Delft leert dat het Biodiversiteitsactieplan door de TU Delft wordt gebruikt als kader 12

voor beheer en onderhoudsplannen en helpt bij het natuur inclusief ontwerpen van gebieden en gebouwen. Het is echter geen door het College van Bestuur van de TU Delft vastgesteld beleidsdocument. Het ontwerpplan houdt nadrukkelijk rekening met doorlopende ecologische structuren (waterpartijen met brede natuurlijke oevers, boomsingels) die het gebied toegankelijk houden of maken voor veel diersoorten. Ook in het stedenbouwkundig plan van PosadMaxwan is het versterken van de groene en blauwe structuur een belangrijke drager van het gebied. Hierdoor ontstaan uitstekende vliegroutes voor vleermuizen en wordt de geschiktheid van het gebied als foerageergebied duidelijk versterkt. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het beoogde sportveld wordt gezorgd voor een zorgvuldige landschappelijke en ecologische inpassing van die toekomstige functie, inclusief passende compensatiemaatregelen voor het bestaande gebied. Hierbij worden de voorwaarden uit de Bomenverordening Delft 2013 meegenomen. Voor de bepaling van de invulling van de compensatieplicht is o.a. van belang de bijdrage en waarde van groen in de stedelijke structuur te bepalen en ook de functie van het groen speelt een rol. Tenslotte dienen eventueel te kappen bomen vanaf een bepaalde omvang gecompenseerd te worden. Momenteel is het terrein zonder maaiwerkzaamheden niet toegankelijk.

Vandaar dat na het broedseizoen dit jaar, een inventarisatie van de bomen wordt gemaakt om meer inzicht te krijgen in aantal en omvang.

4.2

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

De vraag is of een sportveld op deze locatie opweegt tegen de kap van honderden bomen nog daargelaten de beschermde status van de zeldzame in het gebied waargenomen waterspitsmuis (nationaal beschermd Wnb art. 3.10) en het belang van de grote zangvogelpopulatie in dit bos.

Beantwoording

In 2019 heeft het college de "Investeringsagenda Sportaccommodaties" vastgesteld. Daarmee heeft het college ingestemd met het uitvoeren van het basis-op-orde-scenario. Binnen dit scenario zijn investeringsopgaven opgenomen die ervoor zorgen dat de sportinfrastructuur in de basis weer op orde

13

komt (voldoende voorzieningen en van goede kwaliteit). De opgave voor Sportpark Kruithuisweg is één van de geprioriteerde opgaves binnen de Investeringsagenda. Er is sprake van kwalitatieve en kwantitatieve knelpunten op Sportpark Kruithuisweg. Op het westelijk deel van het sportpark zijn een honk- en softbalvereniging (Blue Birds) en een hockeyvereniging (Hudito) actief. Beide verenigingen kampen met een capaciteitstekort. Daarnaast voldoen de velden van de honk- en softbalvereniging niet aan de juiste afmetingen. Deze kwantitatieve en kwalitatieve knelpunten kunnen alleen opgelost worden indien een van de verenigingen uitgeplaatst wordt. Vanuit ruimtelijk en financieel oogpunt ligt het voor de hand dat de honk- en softbalvereniging uitwijkt naar een andere locatie. Door uitplaatsing van de honk- en softbalvereniging ontstaat op Sportpark Kruithuisweg ruimte voor een extra hockeyveld voor Hudito. Gezien de gemeente eigenaar is van het perceel aan de Thijsseweg, is verkend of deze locatie ruimtelijk geschikt zou zijn voor de verplaatsing van Blue Birds. Het perceel aan de Thijsseweg biedt de mogelijkheid Blue Birds te huisvesten in samenhang met een brede zone van 50 meter van zowel kerngebied als verbindingszone binnen de campus. Daarbij wordt een directe relatie gelegd met het bijzondere provinciale landschap van Midden- Delfland en de campus.

De belangen van sport zijn afgewogen in samenhang met de natuurbelangen op het terrein van het voormalig gronddepot van de gemeente. Door een zone van 50 meter te bestemmen voor ecologisch kerngebied en ecologische hoofdstructuur, blijft een deel van de waarde van dit gebied in. Daarnaast wordt ingezet op een natuurlijke inrichting van het sportpark door toepassing van inheemse bomen stand en struiken. Met name aan de zijde van de Thijsseweg is ruimte voor het planten van bomen en struiken en het toepassen van bloemrijke bermen of grasland. Daarnaast hebben voor het opstellen van dit bestemmingsplan verschillende ecologische onderzoeken plaatsgevonden. In november 2021 zijn de natuurwaarden Thijsseweg onderzocht (bijlage 7 bij het bestemmingsplan); meer recent, in november 2023, is een Wnb onderzoek gedaan voor het gebied (bijlage 8 bij het bestemmingsplan). De Wnb geeft bescherming aan alle in Nederland voorkomende planten- en diersoorten. Vanuit de zorgplicht dient daarom bij activiteiten met al deze soorten rekening te worden gehouden en dient onnodige verstoring of schade vermeden te worden. Daarnaast zijn er zwaarder beschermde soorten waarvoor verstoren of doden alleen met een ontheffing mogelijk is. Hier is, naast onderzoek vanuit de zorgplicht, bij het Wnb onderzoek van november 2023 vooral op ingegaan. Kort samengevat luiden de 14

conclusies uit het onderzoek als volgt: Conclusies beschermde gebieden Het plangebied ligt dusdanig ver verwijderd van Natura 2000-gebieden dat overtreding van de Wnb als gevolg van externe werking door vrijwel alle storingsfactoren met uitzondering van stikstofdepositie uitgesloten kan worden. Zoals uit paragraaf 5.9.4 blijkt, vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het vaststellen van het plan. Door het treffen van maatregelen zoals het gefaseerd uitvoeren van de plannen en inzetten van materieel met beperkte of geen stikstofuitstoot kan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op daarvoor gevoelige gebieden vrijwel zeker voorkomen worden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en is ook geen onderdeel van Belangrijke weidevogelgebieden of andere beschermde natuurgebieden. Er zijn daarom geen beperkingen vanuit deze beschermingsregimes op de uitvoering van het bestemmingsplan. Natura 2000

INN

Overige gebiedsbescherming

Nee

Nee

Nee

Aanwezig binnen Nee invloedsfeer (externe werking)

Nee

Nee

Vervolgstappen vereist

Nee

Nee

Nee

Is het plan uitvoerbaar in het kader van

Ja

Ja

Ja

Aanwezig in plangebied

15

gebiedsbescherming Afbeelding 1: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming

Conclusies beschermde soorten

・ Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen en deze staan het uitvoeren van het bestemmingsplan dus niet in de weg. Het is echter niet uit te sluiten dat deze de komende jaren in sommige bomen of gebouwen toch zullen gaan voorkomen. Daarom moet voor de kap van bomen of voor de sloop van gebouwen onderzoek gedaan worden naar het bestaan van jaarrond beschermde nesten en vleermuisverblijfplaatsen. ・ Indien toch nesten of verblijfplaatsen aangetroffen worden, dan is door het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen het uitvoeren van het bestemmingsplan naar verwachting toch mogelijk. ・ In het plangebied is met zekerheid het voorkomen van een populatie beschermde waterspitsmuizen en een populatie platte schijfhorens aangetoond. Voor werkzaamheden aan watergangen en oevers is daarom nader onderzoek en mogelijk een ontheffing nodig en zullen eventueel mitigerende en compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Deze maatregelen lijken goed te passen binnen het bestemmingsplan.

Jaarrond

Essentieel leefgebied in plangebied?

Is er sprake van Is een een overtreding? ontheffing noodzakelijk voor het bestemmingsplan?

Is het plan uitvoerbaar?

Nee

Nee

Ja, mits ook voor

Nee

16

beschermde soorten

aanvang van de daadwerkelijke ontwikkelingen opnieuw gecontroleerd wordt of in aan te tasten bomen of gebouwen inmiddels geen nesten aanwezig zijn.

Algemene broedvogels

Ja, verschillende Nee, mits Nee nestgelegenhed mitigerende en verspreid maatregelen over het worden getroffen plangebied

Ja, mits broedvogels niet verstoord worden

Vleermuizen

Nee, het gebied Nee wordt zeker gebruikt voor vliegroutes en foerageergebied, maar deze zijn niet als essentieel te beschouwen. Er zijn geen verblijfplaatsen bekend in het plangebied

Ja, mits ook voor aanvang van de daadwerkelijke ontwikkelingen opnieuw gecontroleerd wordt of in aan te tasten bomen of gebouwen inmiddels geen verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Nee

17

Waterspitsmuis

Ja, verschillende Nee, tenzij waterlopen met actueel of onbeschoeide potentieel oevers geschikt leefgebied aangetast wordt

Nee, tenzij er ingrepen in het leefgebied plaatsvinden

Ja, mits buiten geschikt leefgebied en indien in geschikt leefgebied dan met mitigerende en compenserende maatregelen

Platte Schijfhoren

Ja, in ieder geval Nee, tenzij in de actueel of Thijssevaart en potentieel verder geschikt waarschijnljik leefgebied niet, maar dit is aangetast wordt nog niet overal onderzocht

Nee, tenzij er ingrepen in het leefgebied plaatsvinden

Ja, mits buiten geschikt leefgebied en indien in geschikt leefgebied dan met mitigerende en compenserende maatregelen

Overige diersoorten

Het plangebied is leefgebied voor algemene soorten zoogdieren, amfibieën en ongewervelden

Nee, mits de Nee zorgplicht in acht genomen wordt

Ja, mits de zorgplicht in acht genomen wordt

Afbeelding 2: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortenbescherming Eindconclusie 18

Vanuit de Wet natuurbescherming voor zowel gebiedsbescherming als soortbescherming zijn geen knelpunten gevonden die het uitvoeren van het bestemmingsplan in de weg staan. Wel zullen soms maatregelen en een ontheffingsaanvraag aan de orde kunnen zijn om overtreden van de wet te voorkomen bij het realiseren van voorgenomen ontwikkelingen.

4.3

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

Daarnaast wordt afgevraagd in hoeverre de voor het sportveld benodigde belichting als negatieve invloed op het bestaande donkerteregiem voor het Ackerdijkse Bos wordt ondervangen.

Beantwoording

Het huidige gebied en de ecozone zijn geschikt voor diverse soorten vleermuizen en met name als functie jacht- of foerageergebied. De negatieve effecten van verlichting van sportvelden op de ecozone moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Hier zal bij de daadwerkelijke inrichting van het terrein rekening worden gehouden. Wel regelt het Activiteitenbesluit in artikel 3.148 uitputtend de tijden wanneer op een sportterrein verlicht mag worden. Voor dit aspect zijn daarom geen maatwerkvoorschiften mogelijk. De verlichting moet zijn uitgeschakeld: 

tussen 23.00 uur en 07.00 uur

als er geen sport wordt beoefend

als er geen onderhoud plaatsvindt

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt dit artikel onder het tijdelijk omgevingsplan en kan de gemeente zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het (nieuwe) omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het berekende horizontale verlichtingsniveau op maaiveld in de onbelemmerde situatie (dus zonder begroeiing) daalt in het algemeen tot een vereist niveau van 2 lux of lager op een afstand van 40 à 50 19

meter buiten de randen van het veld. Dat is dan ook de richtlijn die moet worden aangehouden. Daarbij gaat het vanaf de oostrand van de watergang. Vleermuizen zijn het meest kwetsbaar in de kraamtijd. Van ongeveer april - mei zullen ze in het gebied kunnen verblijven en in de periode midden juni tot begin juli worden de jongen geboren. De jongen zijn na vier weken vliegensvlug. De periode dat de verlichting ‘s avonds is ingeschakeld overlapt dus deels met de periode dat de kraamverblijven in gebruik worden genomen.

4.4

4.5

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

De begroeiing op het voormalige gronddepot van de gemeente evenals die rondom het Metrology Tower nemen in hun huidige vorm en ligging volgens Natuurlijk Delfland grote hoeveelheden hemelwater op. Omdat de locaties geen waterafvoerende sloten naar de boezem hebben, wordt dit hemelwater aan het grondwater toegevoegd. Daarmee speelt waterretentie hier een grote rol. Daarentegen worden sportvelden enorm gedraineerd, waarbij de waterafvoerende functie op de eerste plaats staat, zodat deze locatie voor waterretentie verloren gaat.

Beantwoording

Op het beoogde sportpark liggen watergangen die moeten worden gedempt. Hiervoor zullen watercompenserende maatregelen worden getroffen. Binnen het ontwerp zoals het er nu ligt is met name aan de zijde van de Thijssenweg ruimte om watercompenserende maatregelen te treffen en groenvoorzieningen aan te brengen. Deze zorgen gelijk voor een afscherming van de sportvelden van de Thijssenweg waardoor eventueel uitgeslagen ballen worden opgevangen. Verder wordt onderzocht of het mogelijk is om de waterafvoer te vertragen, water passerende verhardingen toe te passen, wadi’s aan te leggen of om water te bufferen in en onder de constructies van de sportvelden en de verhardingen. Dit water kan dan wellicht weer gebruikt worden om de sportvelden te beregenen.

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

In het rapport van Royal HaskoningDHV wordt benadrukt dat de locatie van het voormalige gronddepot van de gemeente een belangrijke rol vervult in de ecologische verbinding tussen de stad en het landschap van Midden-Delfland. Dit is een functie die in het gemeentelijk beleid van zowel Delft als

20

Midden-Delfland en de provincie Zuid-Holland een grote waardering kent. Een tweede stedelijk en provinciaal belang kan zijn het toekennen van de NNN-status aan dit gebied.

4.6

Beantwoording

In 2019 heeft het college de "Investeringsagenda Sportaccommodatie & Uitvoeringsagenda Sport" vastgesteld. Daarmee heeft het college ingestemd met het uitvoeren van het basis-op-orde-scenario alsmede de locatie (de zgn. sportschuif). Binnen dit scenario zijn investeringsopgaven opgenomen die ervoor zorgen dat de sportinfrastructuur in de basis weer op orde komt (voldoende voorzieningen en van goede kwaliteit). De opgave voor Sportpark Kruithuisweg is één van de geprioriteerde opgaves binnen de Investeringsagenda. De raad is hier op 11 oktober 2019 van in kennis gesteld. Het toekennen van de NNN-status is om die reden geen optie meer.

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

Zienswijze

Voor het aan te leggen sportveld zijn alternatieve locaties. Aangenomen mag worden dat het Willem van Oranjetheater geen doorgang zal vinden. En daarnaast is gewezen op de nu leegstaande sportaccommodatie(s) in de Kerkpolder

Beantwoording

Voor de beoefening van de honk- en softbalsport is een behoorlijk oppervlak benodigd. In een compacte stad als Delft zijn de beschikbare gemeentelijke gronden beperkt en de opgaves groot. Dit maakt dat op het oog beschikbare percelen al zijn bestemd. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de nu leegstaande sportaccommodatie in de Kerkpolder, het voormalige terrein van voetbalvereniging Delfia. Dit terrein heeft al een nieuwe bestemming toegekend gekregen, namelijk woningbouw. Daarnaast loopt het traject tot realisatie van het Willem van Oranjetheater momenteel nog, waardoor ook deze locatie momenteel niet beschikbaar is voor een andere invulling.

Conclusie

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14277516/2