Nota van beantwoording zienswijzen anoniem Warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag
Tekst van het document
4765013
Nota van beantwoording Geanonimiseerde versie Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag Vergunningen cluster 2 Verbeterde versie 15 februari 2021 Vastgesteld door: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland College van B&W van Delft (aangehouden) College van B&W van Den Haag (aangehouden) College van B&W van Rijswijk College van B&W van Schiedam
Inhoud
1.
INLEIDING ....................................................................................... 4
2.
ONTVANKELIJKHEID ....................................................................... 5
3.
ZIENSWIJZEN, SAMENVATTING EN BEANTWOORDING .................... 6 3.1 3.2 3.3
Inleiding ...................................................................................... 6 Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen ...................... 6 Conclusie....................................................................................16
4.
VERVOLGPROCEDURE ................................................................... 17
5.
AFKORTINGEN EN BEGRIPPENLIJST ............................................. 17
3
1. Inleiding Inleiding Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben (PS) op 18 december 2019 onder andere besloten om ten behoeve van het project Leiding door het Midden een provinciaal inpassingsplan (PIP) op te stellen en de provinciale coördinatieregeling uit artikel 3.33 Wet ruimtelijke ordening (Wro) toe te passen. Dit project is een voornemen van LdM C.V.1 en maakt onderdeel uit van een groter project dat de naam WarmtelinQ heeft gekregen. Het project WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag omvat de aanleg van een (grotendeels) ondergrondse warmtetransportleiding (aanvoer- en retourleiding) met bijbehorende bouwwerken in de gemeenten Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk en Den Haag, inclusief de eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen. De provincie, de overige bevoegde gezagen en de initiatiefnemer hebben gezamenlijk besloten dat voor het project een gecombineerde plan- en projectm.e.r.-procedure wordt doorlopen. Hiervoor is een Combi-MER opgesteld. Procedure PIP en cluster 1 Het ontwerp PIP en het bijbehorende MER voor het project zijn door GS op 9 maart 2021 vastgesteld en ter visie gelegd, samen met de ontwerpbeschikkingen in cluster 1 van de overige bevoegde gezagen. In dat kader werden in totaal 64 zienswijzen ontvangen. Deze zijn beantwoord in de vastgestelde Nota van beantwoording Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag, d.d.
13 oktober 2021. Op 13 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland het Provinciaal inpassingsplan vastgesteld en daarna hebben de overige bevoegde gezagen de definitieve beschikkingen in cluster 1 verleend. Iedereen die in die procedure een zienswijze heeft gediend is daarover persoonlijk geïnformeerd. Tevens zijn kennisgevingen geplaatst in het Provinciaal blad en diverse huis-aan-huisbladen in verband met de start van de termijn waarbinnen tegen deze besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Procedure cluster 2 In de tussentijd heeft initiatiefnemer WarmtelinQ bij diverse bevoegde gezagen vergunningaanvragen voor enkele specifieke locaties in het tracé (cluster 2) ingediend. De ontwerpbeschikkingen voor cluster 2 hebben van vrijdag 3 september 2021 tot en met donderdag 14 oktober 2021 voor een termijn van zes weken ter visie gelegen, na voorafgaande kennisgevingen in het Provinciaal Blad en diverse huis-aanhuisbladen en op de landelijke website www.overheid.nl. In die periode zijn in totaal zes zienswijzen ontvangen (Z65 t/m Z70). Deze zijn door de betrokken bevoegde gezagen in deze nota beantwoord, behalve door de colleges van B&W van de gemeenten Delft en Den Haag, die nog geen besluit hebben genomen over de definitieve beschikkingen (en zienswijzen) in cluster 2.
In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op de ontvankelijkheid van de ontvangen zienswijzen. De zienswijzen zijn in hoofdstuk 3 samengevat, beantwoord en voorzien van een conclusie ten behoeve van de besluitvorming door de bevoegde gezagen. In hoofdstuk 4 wordt kort ingegaan op de vervolgprocedure. Tot slot zijn in hoofdstuk 5 de gebruikte afkortingen verklaard.
1 De aandelen van deze vennootschap zijn volledig in eigendom van Gasunie N.V. De Leiding door het Midden was voorheen
een initiatief van Eneco en maakt sinds januari 2020 deel uit van WarmtelinQ (zie www.warmtelinq.nl).
4
2. Ontvankelijkheid Het juridische kader voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zienswijzen wordt met name bepaald door artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel luidt: 1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Voorts dienen zienswijzen te zijn voorzien van naam, adres en dagtekening en enig standpunt c.q. inhoudelijke onderbouwing. Het ontbreken hiervan kan aanleiding geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van zienswijzen, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om dit verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. Beoordeling ontvankelijkheid Alle zienswijzen zijn voor of op 14 oktober 2021 door de provincie ontvangen, met uitzondering van zienswijze Z69 die in eerste instantie werd ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. Deze zienswijze is daarna per e-mail aan de provincie doorgestuurd. Alle zienswijzen zijn derhalve tijdig ingediend en ontvankelijk op grond van artikel 6:9, lid 1 Awb. Conclusie Alle zienswijzen zijn tijdig ingediend en ontvankelijk.
Deze zijn in hoofdstuk 3 van deze nota (waar nodig) samengevat en door de verschillende bevoegde gezagen inhoudelijk beantwoord (behoudens de aangegeven uitzonderingen). Tevens is beoordeeld in hoeverre deze zienswijzen aanleiding geven tot aanpassing van de definitieve beschikkingen in cluster 2. De conclusies hierover staan vermeld in paragraaf 3.3. De indieners van de zienswijzen worden hiervan na de besluitvorming op de hoogte gesteld.
5
3. Zienswijzen, samenvatting en beantwoording 3.1 Inleiding In verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) zijn de persoonsgegevens van natuurlijke personen die een zienswijze hebben ingediend, in deze nota geanonimiseerd en voorzien van een uniek nummer. Dit nummer is doorgegeven aan de indieners, zodat zij de beantwoording van hun zienswijze uit de Nota kunnen herleiden. De reactienota met daarin de complete (geanonimiseerde) zienswijzen is opgenomen in een separaat document. Van de ontvangen zienswijzen zijn er drie ingediend door of namens een bedrijf, organisatie of vereniging: • Z68 Bomenstichting Den Haag • Z69 Den Hollander advocaten namens twee cliënten in de gemeente Midden-Delfland • Z70 Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging in Den Haag, Zuid-Holland en daarbuiten (Den Haag Fossielvrij)
3.2 Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen Leeswijzer In onderstaande paragraaf zijn alle (ontvankelijke) zienswijzen samengevat en beantwoord (behoudens de aangegeven uitzonderingen). In de bovenste rij van elk nummer is aangegeven tegen welk besluit of welke besluiten de zienswijze volgens indiener is gericht. Vervolgens zijn de zienswijzen (zonodig) samengevat en van een beantwoording voorzien. De beantwoording is gebaseerd op de volledige zienswijze (niet op de samenvatting). Tot slot is onder elke zienswijze in een conclusie aangegeven. In paragraaf 3.3 is een verzameltabel opgenomen.
Z65
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken of werkzaamheden Indiener heeft een zienswijze ingediend namens Cornerhouse, een complex van 16 appartementen aan de Sadatweg (nrs. 97 t/m 127). De bewoners menen dat het pompstation voor WarmtelinQ niet op de Laan der Verenigde Naties moet komen, omdat dat een woonwijk is. Er zijn genoeg stukken groen in de buurt waar dit kan worden en waar niemand er last van heeft, zoals het verlengde van de Burgemeestersrand of het veldje nabij de fietsonderdoorgang onder de N470. Aangezien naar aanleiding van een andere zienswijze is gebleken dat de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft abusievelijk niet bij de ter inzage liggende stukken heeft gelegen, zal deze opnieuw (en nu compleet) ter inzage worden gelegd. De provincie zal hiervoor een nieuwe kennisgeving plaatsen en de indiener van de zienswijze hierover schriftelijk informeren.
Conclusie • Coll. B&W Delft: de inhoudelijke beantwoording van deze zienswijze wordt aangehouden tot de besluitvorming over deze beschikking binnen cluster 3.
6
Z66
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft Indiener is het niet eens met de locatie van het pompstation en vraagt waarom deze niet elders kan worden gebouwd, bijvoorbeeld bij de Burgemeestersrand. Aangezien naar aanleiding van een andere zienswijze is gebleken dat de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft abusievelijk niet bij de ter inzage liggende stukken heeft gelegen, zal deze opnieuw (en nu compleet) ter inzage worden gelegd. De provincie zal hiervoor een nieuwe kennisgeving plaatsen en de indiener van de zienswijze hierover schriftelijk informeren.
Conclusie • Coll. B&W Delft: de inhoudelijke beantwoording van deze zienswijze wordt aangehouden tot de besluitvorming over deze beschikking binnen cluster 3.
Z67
Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): •
Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken of werkzaamheden • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden • GS Provincie Zuid-Holland: Vergunning gebruik maken provinciale infrastructuur (ligging langs Kruithuisweg – N470) 1. Indiener heeft een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbesluiten voor onderstaande activiteiten binnen cluster 2: A. de omgevingsvergunning voor bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft; B. de omgevingsvergunning voor het vellen van enkele houtopstanden langs de Lagosweg 25 tot en met 59 te Delft: C. de vergunning voor het gebruik van provinciale infrastructuur (ligging langs de Kruithuisweg – N470): D. de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden langs het toekomstige leidingtracé. Naar aanleiding van een andere zienswijze is gebleken dat de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft abusievelijk niet bij de ter inzage liggende stukken heeft gelegen. Zal deze opnieuw (en nu compleet) ter inzage worden gelegd. De provincie zal hiervoor een nieuwe kennisgeving plaatsen en de indiener van de zienswijze hierover persoonlijk informeren. De door indiener ingebrachte zienswijze inzake de activiteiten A, B en D zullen worden behandeld in het kader van de procedure in cluster 3.
De procedure voor de vergunning voor het gebruik van provinciale infrastructuur wordt wel vervolgd. De daartegen ingediende zienswijze wordt hieronder beantwoord. 2.
Volgens indiener is er toestemming aangevraagd om de Kruithuisweg te gebruiken. Het verkeer moet hierdoor niet via de Sadatweg worden omgeleid, want dit is te gevaarlijk in verband met de drukke fietsersoversteekplaats en het woon-werkverkeer. De vergunning voor het gebruik van de Kruithuisweg heeft betrekking op het gebruik van de wegberm voor de ligging van de ondergrondse leidingen. De vergunning heeft dus geen invloed op het bovengronds gebruik van de Kruithuisweg en op de verkeerssituatie ter plaatse. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om deze vergunning te weigeren of te wijzigen.
7
Conclusie • Coll. B&W Delft: de inhoudelijke beantwoording van deze zienswijze tegen de omgevingsvergunning van de gemeente Delft wordt aangehouden tot de besluitvorming over deze beschikking in cluster 3. • GS: De zienswijze tegen de ontwerpvergunning van GS voor de Kruithuisweg vormt geen aanleiding om deze vergunning te weigeren of te wijzigen.
Z68
Bomenstichting Den Haag De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Den Haag: Uitvoeren van werken of werkzaamheden i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg • Den Haag: Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan aanleg werkstroken en werkwegen i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/Guntersteinweg • Den Haag: Vellen of doen vellen van 4 bomen rondom kruising Pr. Beatrixlaan/Guntersteinweg De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden.
Conclusie • Coll. B&W Den Haag: de beantwoording van deze zienswijze tegen de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag wordt aangehouden.
Z69
Den Hollander advocaten namens cliënten in gemeente Midden-Delfland De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • GS Zuid-Holland: Ontheffing gebruik geshredderd hout 1.
Volgens indiener is op grond van artikel 10.63, tweede lid, van de Wm ontheffingverlening enkel mogelijk indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Ter beoordeling van de vraag of de aangevraagde toepassing van de geshredderde houtresten zich niet tegen het belang van de bescherming van het milieu verzet, heeft het college getoetst aan de criteria die in de ‘Notitie inzake slootdempingen en natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen met houtachtige materialen’ en de ‘Nota inzake aanpassing van het beleid ten behoeve van slootdempingen en natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen met houtachtige materialen’ zijn opgenomen. Artikel 10.63, lid 2, van de Wm geeft ons de mogelijkheid om, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar tegen niet verzet, ontheffing te verlenen van het in artikel 10.2 van de Wm gestelde verbod. Om te bepalen of het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen de demping en toepassing van de voorgenomen materialen, dient te worden voldaan aan de criteria uit bovengenoemde nota’s. Deze criteria zijn: a) Er moet sprake zijn van een nuttige en noodzakelijke toepassing; b) De herkomst van het materiaal moet bekend zijn; c) Het houtachtig materiaal mag niet zijn versnipperd; d) Het houtachtig materiaal moet schoon zijn en mag niet fysisch of chemisch verontreinigd zijn.
2.
Volgens indiener volstaat de enkele toetsing aan de genoemde nota’s niet om tot het oordeel te komen dat het aanbrengen van het geshredderde hout zich niet tegen het belang van de bescherming van het milieu verzet. Het college gaat in het ontwerpbesluit volledig voorbij aan het bepaalde in artikel 10.14 van de Wm. Hierin staat dat het college rekening dient te houden met het geldende afvalbeheerplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid die betrekking heeft op afvalstoffen, zoals voor cliënten het geval is. Wij hebben rekening gehouden met het afvalbeheerplan. De meest laagwaardige wijze van het beheer betreft verwijdering van afvalstoffen. Hoogwaardiger is het hergebruik of nuttig
8
toepassen van afvalstoffen. Wij beschouwen de voorgenomen toepassing als een nuttige toepassing van afvalstoffen. 3.
Het geldende afvalbeheerplan is de tweede wijziging van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3), in werking getreden op 2 maart 2021. In Deel E van het LAP3 is voor 80 afvalstoffen een nadere uitwerking opgenomen. Voor het geshredderd hout waarop de ontheffing voor de warmteleiding ziet, is dit het Sectorplan 08, waarin specifiek beleid voor groenafval is geformuleerd. In Sectorplan 08 is opgenomen dat voor het toepassen van groenafval de Vrijstellingsregeling plantenresten geldt. Voor situaties waarin de Vrijstellingsregeling niet geldt, moet bij het verlenen van ontheffingen op het stortverbod van artikel 10.2 van de Wm rekening worden gehouden met de minimumstandaard die in Sectorplan 08 is opgenomen. Volgens de minimumstandaard die in Sectorplan 08 is opgenomen is eveneens het onderstaande toegestaan: Incidenteel nuttig toepassen op of in de bodem van niet gevaarlijk groenafval al dan niet na uitsluitend mechanisch verkleinen, t.b.v. de aanleg van voorzieningen die anders met ander materiaal zouden moeten worden gerealiseerd.
4.
Aangezien een ontheffing is verleend, is het college kennelijk van oordeel dat de Vrijstellingsregeling niet van toepassing is. Volgens Sectorplan 08 betekent dit dat voor ontheffingverlening de minimumstandaard en hoofdstuk B.12.14 van LAP3 het toetsingskader zijn. Uit het ontwerpbesluit blijkt echter in het geheel niet dat het college de minimumstandaard in acht heeft genomen. Het ontwerpbesluit voldoet in zoverre niet aan de vereisten van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. Ik wijs erop dat het uitdrukkelijk gaat om een minimumstandaard. Bij het beoordelen van een aanvraag om ontheffing van het stortverbod moet het college ook beoordelen of er niet een andere, meer hoogwaardige wijze van beheer dan storten mogelijk is? Een dergelijke beoordeling heeft het college echter in het geheel niet uitgevoerd. Volgens de minimumstandaard die in Sectorplan 08 is opgenomen is eveneens het onderstaande toegestaan: Incidenteel nuttig toepassen op of in de bodem van niet gevaarlijk groenafval al dan niet na uitsluitend mechanisch verkleinen, t.b.v. de aanleg van voorzieningen die anders met ander materiaal zouden moeten worden gerealiseerd.
5.
Volgens de minimumstandaard is enkel een ‘incidentele nuttige toepassing’ van groenafval op of in de bodem toegestaan, ten behoeve van de aanleg van voorzieningen die anders met ander materiaal zouden moeten worden gerealiseerd. Sectorplan 08 noemt daarbij als voorbeeld van nuttige toepassingen het gebruiken van schors voor bospaden, het gebruiken van wilgentakken voor functionele houtwallen of het gebruiken van boomstronken als parkeerbegrenzers. Het grootschalig gebruik van het geshredderd hout – als rijbaanondersteuning en ter compensatie van grondtekorten door het uitgraven voor de pijpleiding – valt hiermee volstrekt niet te vergelijken. Voor dergelijke toepassingen biedt het Sectorplan 08 simpelweg geen grondslag. Niet alleen ontbreekt een expliciete grondslag, maar de voorgenomen grootschalige toepassing van geshredderd hout is ook niet in lijn met de voorbeelden die wel in Sectorplan 08 worden genoemd. Het houtachtig materiaal sluit goed aan bij de samenstelling van de aanwezige bodem. Dit vanwege de draagkracht van het materiaal en het verminderen van het inklinken van de bodem door het gebruik van hout. De voorbeelden die in het sectorplan worden genoemd zijn slechts voorbeelden. Daarnaast wordt in het sectorplan ook de hoeveelheid toe te passen materialen niet begrensd. Wij beschouwen de toepassing als nuttig.
6.
Cliënten stellen zich op het standpunt dat de toetsing aan de eerdergenoemde beleidstukken – de Notitie inzake slootdempingen en natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen met houtachtige materialen’ en de ‘Nota inzake aanpassing van het beleid ten behoeve van slootdempingen en natuurvriendelijke oeverbeschoeiingen met houtachtige materialen’ – niet volstaat.
9
Artikel 10.63, lid 2, van de Wm geeft ons de mogelijkheid om, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar tegen niet verzet, ontheffing te verlenen van het in artikel 10.2 van de Wm gestelde verbod. Om te bepalen of het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen de toepassing van de voorgenomen materialen, toetsen wij de aanvraag aan de onderstaande criteria uit de genoemde nota’s. Deze criteria zijn: a) Er moet sprake zijn van een nuttige en noodzakelijke toepassing; b) De herkomst van het materiaal moet bekend zijn; c) Het houtachtig materiaal mag niet zijn versnipperd; d) Het houtachtig materiaal moet schoon zijn en mag niet fysisch of chemisch verontreinigd zijn. 7.
Cliënten betwisten dat sprake is van een nuttige en noodzakelijke toepassing. Het gebruik van hout is geenszins noodzakelijk. Cliënten zien niet in waarom geen klei- c.q. veengrond – zogenaamde gebiedseigen grond – kan worden toegepast. Gebiedseigen grond is wel degelijk beschikbaar. Cliënten wijzen bijvoorbeeld op het gronddepot naast het nabijgelegen Blankenburgtrace. De keuze voor geshredderd hout lijkt louter vanwege kostentechnische aspecten te zijn ingegeven. Cliënten zien bovendien niet in waarom in de ontwerpontheffing niet is voorgeschreven dat eerst de al ontgraven en vervolgens in een depot opgeslagen gebiedseigen teelaarde wordt gebruikt. Op dit punt kunnen cliënten zich ook niet verenigen met het cultuurtechnisch rapport van Antea Group van 22 oktober 2020, waarin is opgenomen dat pas gebiedseigen teelaarde of ondergrond dient te worden aangevoerd waar het grondtekort hoger is dan het aangevoerde geshredderd hout.’ Uitgangspunt dient volgens cliënten te zijn dat eerst zoveel mogelijk gebiedseigen teelaarde en ondergrond wordt gebruikt, voordat kan worden toegekomen aan het toepassen van niet-gebiedseigen stoffen. In het cultuurtechnisch rapport van Antea Group zijn verschillende mogelijkheden voor het toepassen van rijbaanverstevigingen beschouwd.
Afhankelijk van het type project, de constructiemethoden, lokale omstandigheden, de bodemgesteldheid en grondwaterstanden is hier een keuze uit gemaakt. Uit de beschouwing is naar voren gekomen dat voor de rijbaan en werkterreinen op eerder genoemd tracédeel het toepassen van rijplaten op geshredderd hout op geotextiel op maaiveld het meest recht doet aan de gestelde eisen. De werkwijze en het toe te passen materiaal zijn opgenomen in de aanvraag. Bij het opstellen van het ontwerpbesluit dienen wij te beschikken op de ingediende aanvraag.
8.
Ook de beoordeling of het houtachtig materiaal schoon en niet fysisch of chemisch verontreinigd is, volstaat niet. De enkele verwijzing naar voorschriften 3.1 tot en met 3.6 volstaat niet om tot de conclusie te komen dat gegarandeerd is dat het hout schoon en niet verontreinigd is. Over de gebreken in de voorschriften 3.1 tot en met 3.6 kom ik in het vervolg van deze zienswijze nog te spreken. Voorschrift 2.3 – waarin is opgenomen dat een visuele keuring moet worden uitgevoerd – volstaat evenmin om fysische of chemische verontreinigingen te voorkomen. Inherent aan fysische of chemische verontreinigingen is immers dat deze niet altijd met het blote oog waarneembaar zijn Ook op dit punt is de toetsing aan de beleidsstukken die het college heeft aangelegd, onvoldoende. Het college dient in voorschrift 2.3 op te nemen dat een partijkeuring vereist is. Zonder partijkeuring kan niet worden voorkomen dat in het geheel aan aangevoerde grond geen andere, verontreinigde houtsoorten uit bijvoorbeeld de meubelindustrie of anderszins verontreinigde, bewerkte houtsoorten (B- en C-hout) voorkomen. In het ontwerpbesluit hebben wij onderstaande voorschriften (kort samengevat) opgenomen die de kwaliteit van het toe te passen materiaal – zoveel mogelijk – moeten garanderen.
De ontheffinghouder dient voorafgaand aan het toepassen van het houtachtig materiaal een plan van aanpak ter beoordeling in te dienen bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Minimaal vijf werkdagen voorafgaand aan het toepassen van het houtachtig materiaal dient dat te worden gemeld aan de Omgevingsdienst Haaglanden Het houtachtig materiaal dat wordt toegepast dient afkomstig te zijn van een vooraf – door de Omgevingsdienst Haaglanden – goedgekeurde leverancier. De afvalstoffen die worden toegepast moeten vrij zijn van visuele verontreinigingen. Dit betekent dat alle andere materialen, zoals papier, plastic, ijzer, puin, steen en losse grond als bijmenging in het houtachtig materiaal niet zijn toegestaan. Omdat de te gebruiken hoeveelheid houtachtig materiaal de 100 m³ te boven gaat, dient het materiaal op verontreiniging te worden onderzocht. Bij de aanvraag is geen partijkeuring
10
gevoegd. Als gevolg hiervan zijn de voorschriften 3.1 tot en met 3.6 in deze beschikking opgenomen, hiermee wordt gewaarborgd dat wordt voldaan aan het criterium. 9.
Cliënten kunnen zich niet verenigen met de voorschriften die aan de ontheffing verbonden. De voorschriften bieden onvoldoende bescherming tegen de verontreiniging van de gronden en het daarin voorkomende grondwater van cliënt. Zie behandeling van zienswijze 8.
10. Sectorplan 08 bepaalt dat groenafval gescheiden moet worden gehouden van elkaar, van andere categorieën afvalstoffen en van niet-afvalstoffen.’* Voorschrift 3.2 waarborgt echter onvoldoende dat het geshredderd hout niet wordt verontreinigd door andere stoffen. Het nemen van slechts twee verzamelmonsters volstaat niet om verontreiniging door andere stoffen te voorkomen. De monsters bestaan uit tweemaal 6 handgrepen van minimaal 1,5 kilogram. Dat staat absoluut niet in verhouding tot de totale hoeveelheid houtsnippers – a 95.000 m’ (!) – die mag worden toegepast. Cliënten zien voorts niet in waarom in voorschrift 3.2 moet worden afgeweken van de onderzoeksstrategie volgens NEN 5740. Het college geeft in de ontwerpontheffing ook geen verklaring voor deze afwijking. Zeker bij het ontbreken van een verplichte partijkeuring is een dergelijk voorschrift onvoldoende om verontreiniging te voorkomen. Aanscherping van voorschrift 3.2 is daarmee noodzakelijk. Wij kunnen ons vinden in deze zienswijze gezien de hoeveelheid (95.000 m3) die wordt toegepast. Wij hebben daarom voorschrift 3.2 in onderstaande zin aangepast. 3.2 Het onderzoek dient plaats te vinden door een gecertificeerd bedrijf. Het houtachtig materiaal dient als een partijkeuring volgens BRL SIKB 1000 onderzocht te worden. Een partij (max.
10.000 ton) dient te worden bemonsterd volgens protocol 1001 (100 systematisch genomen grepen, verdeeld over twee mengmonsters). 11. Ook voorschrift 2.3 volstaat niet om verontreinigingen in het aangevoerde geshredderd hout – en vervolgens verontreiniging van de grond van cliënten – te voorkomen. De eis dat het aangevoerde hout slechts vrij moet zijn van visuele verontreinigingen is niet voldoende. Visuele verontreinigingen zijn immers met het blote oog, in aanmerking genomen de aangevoerde hoeveelheid van 95.000 m\ nauwelijks waar te nemen. Een partijkeuring, tezamen met een monstername overeenkomstig NEN 5740, is reeds bij de aanvoer vereist. Zie behandeling van zienswijze 8. 12. Feit is immers dat hetzelfde geshredderde hout dat eerst voor de rijbaanversteviging gebruikt wordt, vervolgens ook wordt gebruikt voor de compensatie van de grondtekorten. Dat volgt expliciet uit het memo van Antea Group dat bij de aanvraag gevoegd is. Doordat enkel een visuele keuring bij de aanvoer van de grond is voorgeschreven, ontstaat het gevaar dat – niet met het oog waarneembare – verontreinigde grond vervolgens wordt gebruikt voor de grondtekorten. Zeker gelet op de tekortschietende monstername is dat een reëel risico. Zie behandeling van zienswijze 8. 13.
In voorschrift 2.2 is overigens opgenomen dat geshredderd hout mag worden toegepast dat afkomstig is van een leverancier die vooraf door de Omgevingsdienst Haaglanden is goedgekeurd. Ook dit voorschrift volstaat niet. In voorschrift 2.2 dan wel in voorschrift .3 moet expliciet worden opgenomen dat een partijkeuring vereist is. Cliënten wijzen daarbij op het cultuurtechnisch rapport van Antea, waaruit volgt dat alle aan te voeren geshredderd hout door of namens de opdrachtgever dient te worden goedgekeurd. Voorschrift 2.2 betreft een wettelijk voorschrift. De opdrachtgever is vrij om alle aan te voeren partijen te keuren of te laten keuren. In voorschrift 3.6 hebben wij opgenomen dat een volledige rapportage van het onderzoek, uitgevoerd conform de voorschriften 3.1 tot en met 3.4, in het bezit dient te zijn van de ontheffinghouder én uiterlijk twee weken voor aanvang van de werkzaamheden ter beoordeling ingediend dient te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden, evenals de gegevens van de leverancier van het houtachtig materiaal.
11
14. Cliënten wijzen er ten slotte op dat zij bij het afsluiten van het zakelijk recht met ontheffinghouder voor het gebruik van zijn gronden, geen toestemming hebben gegeven voor toepassing van het geshredderde hout. Indien een besluit op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht zal worden genomen, zullen clienten hiertegen rechtsmiddelen aanwenden. Cliënten benadrukken dat zolang de onherroepelijkheid van dit besluit niet vaststaat, de onderhavige ontheffing op grond van de Wet milieubeheer niet uitvoerbaar is. Het college zal hiermee in zijn besluitvorming rekening moeten houden. In voorschrift 1.3 hebben wij opgenomen dat de ontheffinghouder pas mag starten met het toepassen van houtachtig materiaal nadat er toestemming is van de grondeigenaren of toestemming is verkregen middels een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht.
Conclusie • GS (ODMH): de zienswijzen hebben niet geleid tot het heroverwegen van het besluit. Wel hebben wij naar aanleiding van zienswijze 10 voorschrift 3.2 aangepast. Z70
Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging in Den Haag, Zuid-Holland en daarbuiten (kort: Den Haag Fossielvrij) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Vellen van enkele houtopstanden langs Lagosweg 25 tot en met 59 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken/werkzaamheden langs toekomstig tracé • Den Haag: Uitvoeren van werken of werkzaamheden i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg • Den Haag: Tijdelijk afwijken bestemmingsplan i.v.m. aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van 4 bomen rondom kruising Pr. Beatrixlaan/Guntersteinweg • Rijswijk: Uitvoeren van werken/werkzaamheden • Rijswijk: Tijdelijk afwijken bestemmingsplan i.v.m. aanleg werkstroken en werkwegen i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg • Rijswijk: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen i.v.m. wijziging T-stuk en kruising Pr.
Beatrixlaan/ Guntersteinweg Den Haag/Rijswijk • Schiedam: Bouwen van ondersteuningspalen eco-aquaduct over rijksweg A4 te Schiedam • GS Zuid-Holland: Vergunning gebruik maken van provinciale infrastructuur (ligging langs Kruithuisweg – N470) • GS Zuid-Holland: Ontheffing gebruik geshredderd hout ter plaatse van tijdelijke werkweg door het agrarisch gebied langs de rijksweg A4 tussen Vlaardingen en Delft Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de cursief aangeduide ontwerpbeschikkingen wordt de beantwoording ervan door de desbetreffende bevoegde gezagen aangehouden. Zie verder onderstaande beantwoording. 1. Indiener meent dat bovengenoemde conceptvergunningen onlosmakelijk verbonden zijn met de stukken die van 19 maart tot 29 april 2021 ter inzage zijn gelegd en dat de coördinatieregeling ervoor bedoeld is om alle stukken in dezelfde procedure te behandelen. Dit zou ook blijken uit de tekst van de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag waarin staat dat het voorontwerp-PIP gelijktijdig met het ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. Nu dat niet gebeurd is, meent indiener dat de zienswijzeprocedure en besluitvorming over zowel cluster 1 en 2 opnieuw moet worden toegepast. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden.
Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Er is geen enkele rechts- of beleidsregel die verbiedt dat vergunningen in meerdere blokken of clusters worden aangevraagd en vergund. Sterker nog, in het oorspronkelijke besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 om de provinciale coördinatieregeling voor dit project toe te passen, is dat expliciet toegestaan. In dat besluit staat dat toepassing wordt
12
gegeven aan de provinciale coördinatieregeling uit artikel 3.33, eerste lid, onder b, van de Wro, inhoudende dat de voorbereiding en bekendmaking van het Provinciaal inpassingsplan zal worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van de (uitvoerings-)besluiten van de diverse bevoegde gezagen die nodig zijn voor de aanleg en het in werking hebben van de leiding en de bijbehorende bouwwerken, zo nodig in één of meerdere clusters, zoals opgenomen is in hoofdstuk 5 van het Plan van Aanpak. De overige bevoegde gezagen zien dus geen aanleiding om de procedure voor cluster 1 en 2 gelijktijdig opnieuw te doen. 2.
Voorts meent indiener dat de vergunningaanvragen aan het gehele gemeentelijke beleid moeten worden getoetst en niet alleen specifiek aan het bestemmingsplan, zoals in de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag expliciet staat vermeld. In Den Haag is in lokaal beleid de voorrang voor lokale duurzame bronnen geregeld. Dat is relevant voor de afwegingen welke ruimte er rest in de ondergrond voor bijvoorbeeld transport van warmte en bijvoorbeeld de bescherming van de stedelijke groene hoofdstructuur (relevant voor het al dan niet vergunnen van kapvergunningen). De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden.
3.
Indiener heeft tussen de stukken geen concept-vergunning van de gemeente Delft aangetroffen. Hij verzoekt om deze alsnog ter inzage te leggen en meent dat om die reden ook de andere (concept)besluiten uit cluster 1 en 2 opnieuw ter inzage moeten worden gelegd. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Uit controle is gebleken dat de ontwerpbeschikking abusievelijk inderdaad niet bij de ter inzage liggende stukken zat. Dit zal worden hersteld door de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft in cluster 3 opnieuw (en nu compleet) ter inzage te leggen. Er is echter geen aanleiding om ook de vergunningprocedures van de overige bevoegde gezagen in cluster 2 op te schorten. Deze procedures worden derhalve vervolgd.
4.
Indiener vindt dat in alle vergunningen het voorschrift moet worden opgenomen dat de vergunning pas definitief wordt wanneer het PIP en alle overige besluiten onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende is gewaarborgd. Zonder dit voorschrift kunnen onomkeerbare stappen worden genomen die niet passen binnen het doel van een provinciale coördinatieregeling om een totale ontwikkeling al dan niet mogelijk te maken. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Voor vergunningen die onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, zoals kapvergunningen, kan het bevoegd gezag een voorschrift opnemen waardoor van die vergunning pas gebruik mag worden gemaakt nadat ook de andere vergunningen voor activiteiten die met de kap samenhangen, zijn vergund. Voor alle overige beschikkingen geldt dat als de gevolgen van de vergunde werkzaamheden in beginsel ongedaan kunnen worden gemaakt, afwijking van de rechtsregel dat een vergunning mag worden gebruikt zodra deze in werking is getreden, een te grote inbreuk maakt op de belangen van de aanvrager.
In die gevallen treedt de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.1, lid 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking op de dag na de termijn voor het indienen van een beroepschrift, tenzij gedurende deze termijn, met betrekking tot deze vergunning, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan. In dat geval wordt de werking van dit besluit opgeschort, totdat op het verzoek is beslist. De overige bevoegde gezagen zijn van mening dat op die manier voldoende geborgd is dat aanvrager pas tot kap van de bomen kan overgaan als de rechtmatigheid van de betrokken besluiten afdoende is getoetst.
5.
De conceptbesluiten zijn strijdig. Zo staat in de vergunning van de gemeente Den Haag dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is, terwijl in de vergunning van de gemeente Rijswijk staat dat beroep bij de Rechtbank mogelijk is. Volgens indiener kan dit niet naar aanleiding van de zienswijzen worden hersteld omdat burgers in Rijswijk hierdoor de indruk hebben gekregen dat het niet nodig is om een zienswijze in te dienen. Daarom zal zo’n vergunning
13
opnieuw de procedure in moeten om aan deze voorwaarde voor de Crisis- en herstelwet te voldoen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Indiener knoopt hier ten onrechte verschillende zaken aan elkaar. Op het project is inderdaad de Crisis- en herstelwet van toepassing en dat leidt er onder meer toe dat tegen de besluiten die met toepassing van die wet, worden verleend, rechtstreeks beroep openstaat bij de Raad van State (in plaats van beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State). Dat is een voordeel voor zowel de initiatiefnemer als belanghebbenden, aangezien er in betrekkelijk korte tijd een definitief rechtsoordeel over deze besluiten wordt verkregen. Sinds de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786) mag het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen besluiten waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is niet langer meer afhankelijk worden gesteld van het indienen van een zienswijze tegen dat ontwerpbesluit. Dat betekent ook dat in deze procedure niemand in zijn belangen is geschaad door de foutieve beroepsclausule in de ontwerpbeschikking van de gemeente Rijswijk. Deze is bij de verlening van de definitieve beschikking gecorrigeerd. 6.
De keuze om de coördinatieregeling in twee fasen te gebruiken zorgt ervoor dat er alsnog meerdere procedures bij de Raad van State ontstaan. Dat is niet de bedoeling en onbegrijpelijk, temeer daar de provincie stelt dat op de procedure de Crisis- en herstelwet van toepassing. In dat geval moeten de vergunningen niet op verschillende momenten ter inzage worden gelegd. Daardoor kan ook het project niet meer in zijn geheel worden bezien en dat is onacceptabel voor argumenten die het gehele project betreffen. Zo is bijvoorbeeld de stikstofuitstoot van het project nog niet door de Raad van State gemaximeerd in de procedure voor cluster 1. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Zoals in het antwoord onder 1 reeds betoogd, is er geen algemene rechtsregel die verbiedt om vergunningaanvragen te clusteren en deze gezamenlijk of volgtijdelijk ter inzage te leggen en erover te besluiten. Naar onze mening is met onderhavige clustering van het inpassingsplan en de vergunningen sprake van een ordentelijk proces dat ook voor burgers te overzien valt.
Ten aanzien van de stikstofuitstoot wordt opgemerkt dat voor de tijdelijke emissie als gevolg van dit project sinds 1 juli 2021 geen vergunning meer nodig is, aangezien deze sindsdien onder de partiële vrijstelling van het Besluit natuurbescherming valt. Het staat indiener vrij om dit in het kader van zijn aangekondigde beroep tegen cluster 1 ter discussie te stellen, maar het belemmert geenszins de besluitvorming over cluster 2.
7.
Indiener meent dat door met meerdere clusters te werken de rechtspositie van burgers aantast. Zij worden gedwongen meerdere procedures te volgen en daardoor ook meerdere keren griffierecht te betalen. Bovendien lopen zij het risico dat hun belanghebbendheid door de opsplitsing niet totaal kan worden getoetst en wordt hun inhoudelijke verdediging geschaad. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Anders dan indiener meent, zorgt de coördinatie en clustering er juist voor dat de rechtspositie van burgers wordt versterkt aangezien het aantal losse procedures sterk wordt verminderd ten opzichte van een situatie zonder coördinatieregeling. Bovendien worden deze allen met toepassing van afdeling 3.4 Awb (met zienswijzenprocedure) voorbereid, terwijl anders de reguliere Awb-procedure (zonder zienswijzenronde) van toepassing zou zijn geweest. Doordat alle besluiten voor de Afdeling worden aangemerkt als één besluit, hoeven burgers juist minder vaak beroep in te stellen en bovendien volgt er door de Chw sneller een definitief rechtsoordeel waardoor de periode van rechtsonzekerheid afneemt. Tot slot menen wij dat de Afdeling prima in staat is om te beoordelen of een betrokkene al dan niet belanghebbend is.
8.
Volgens indiener wordt het door het toestaan van verschillende clusters mogelijk dat de provincie of een andere overheidsinstantie het project na de procedure van de Crisis- en herstelwet nog veranderd, waardoor de belangen van derden kunnen worden geschaad en dat is in strijd met de Crisis- en herstelwet.
14
De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: De clustering van beschikkingen binnen de coördinatieregeling leidt geenszins tot het schaden van de belangen van derden. De coördinatieregeling zorgt juist voor een overzichtelijker vergunningenproces waarin derden op relatief meer momenten hun belangen naar voren kunnen brengen bijvoorbeeld via het indienen van een zienswijze aangezien op de te coördineren besluiten automatisch de uitgebreide Awb-procedure van toepassing is. 9.
Indiener vraagt aan de provincie als coördinerend bevoegd gezag of kan worden uitgesloten dat er door een of meer overheidsorganisaties tijdens of na deze procedure nog meer vergunningen – al dan niet – gecoordineerd ter inzage worden gelegd en al dat het geval is, een lijst van deze vergunningen. Tevens wordt de provincie gevraagd om het besluitvormingsproces voor cluster 1 en 2 opnieuw en integraal op te starten op het moment dat alle vergunningen aanwezig zijn en vanzelfsprekend zonder daar de Crisis- en herstelwet toe te passen en aan de betrokken overheden wordt gevraagd om de vergunningen niet te verlenen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Mede gelet op het antwoord onder punt 3, zullen nog meer vergunningaanvragen – al dan niet geclusterd – ter inzage worden gelegd. Ook in de uitvoeringsfase van dit soort projecten zijn nog allerlei vergunningen en besluiten nodig, die vaak door de aannemer zullen worden aangevraagd. Dat is een normale werkwijze, die ook in dit project zal worden gevolgd. Dergelijke aannemersvergunningen vallen buiten de provinciale coördinatieregeling en dienen derhalve door de gemeente te worden afgehandeld.
10. Indiener meent dat in dit geval drie uitzonderingsregelingen gezamenlijk worden toegepast, namelijk de eigenhandige overname van gemeentelijke bevoegdheden door de provincie, de coördinatieregeling en de Crisis- en herstelwet. Deze combinatie vergt extra zorgvuldigheid van overheden en die is hier niet nageleefd. Indiener is bevreesd voor het vervolg van de procedure en voor de uitvoeringsfase. Volgens hem is het voor gewone burgers vrijwel onmogelijk om hun recht te krijgen in deze procedures en ook daarna dreigen er problemen bij klachten of het niet opvolgen van vergunningvoorwaarden. Volgens de provincie moeten burgers daarvoor bij de uitvoerende instanties zijn, maar volgens indiener is handhaving juist een rol van de gemeenten, de organisaties volgens gemeenschappelijke regelingen en de provinci zijn. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. De overige bevoegde gezagen onderschrijven de noodzaak van een zorgvuldige procedure en menen dat die in dit geval ook wordt gevoerd. Zij herkennen zich niet in het beeld dat gewone burgers door deze procedures hun recht niet kunnen krijgen. Ook voor het overige stellen de bevoegde gezagen alles in het werk om samen met de initiatiefnemer een duidelijke klachten- en schadeprocedure op poten te zetten. 11.
Indiener haalt aan dat LdM CV (Gasunie) geen publieke overheid is, maar alleen voor 100% in handen van het rijk. Dit roept associaties op met de NAM en met de belastingdienst in de Toeslagenaffaire. Ook bij deze zaken raakten rollen verward, speelden er kwesties rondom geheimhouding en grote politieke druk. Welke rechtszekerheid krijgen derden in dit proces? Het verdient aanbeveling dat dit vooraf duidelijker geregeld wordt zodat burgers bij problemen onafhankelijke bijstand krijgen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Het is correct dat initiatiefnemer LdM CV geen overheidsinstantie is, maar een onderneming waarvan de aandelen in handen van de overheid zijn en die onder de naam WarmtelinQ in de toekomst een publieke taak als netbeheerder gaat vervullen. De overige bevoegde gezagen menen dat de taak- en rolverdeling binnen dit project helder is, waarop normale rechterlijke procedures op van toepassing zijn. Er is dan ook geen aanleiding om hierover aanvullende afspraken te maken.
15
12. Tot slot voegt indiener, aangezien naar zijn mening de vergunningen in cluster 2 een op een verbonden zijn met de stukken die eerder ter inzage zijn gelegd, zijn zienswijze tegen cluster 1 nogmaals en integraal in. De beantwoording van deze zienswijze wordt door de colleges van B&W van Delft en Den Haag aangehouden. Het antwoord van de overige bevoegde gezagen luidt als volgt: Voor de beantwoording van de ingelaste zienswijze inzake de eerder ingediende stukken, wordt verwezen naar de Nota van Beantwoording behorende bij het PIP en de definitieve beschikkingen in cluster 1, met name naar de beantwoording van zienswijze Z51.
Conclusie • Coll. B&W Delft: de inhoudelijke beantwoording van deze zienswijze tegen de omgevingsvergunning van de gemeente Delft wordt aangehouden tot de besluitvorming over deze beschikking in cluster 3. • Coll. B&W Den Haag: De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. • Coll. B&W Rijswijk: de zienswijze (onder nr. 5) geeft aanleiding om de beroepsclausule in de omgevingsvergunning van de gemeente Rijswijk aan te passen. • Coll. B&W Schiedam en GS: Voor de overige beschikkingen heeft deze zienswijze geen gevolgen.
3.3 Conclusie In totaal zijn zes zienswijzen tijdig ingediend. Deze zijn in paragraaf 3.2 door de bevoegde gezagen inhoudelijk beantwoord, behalve de zienswijzen tegen de omgevingsvergunningen van de gemeenten Delft en Den Haag Coll B&W Delft: de inhoudelijke beantwoording van de zienswijzen inzake de omgevingsvergunning van de gemeente Delft (Z65, Z66, Z67 en Z70) wordt aangehouden en meegenomen in de procedure van cluster 3. Coll. B&W Den Haag: de beantwoording van de zienswijzen met betrekking tot de omgevingsvergunning van Den Haag (Z68 en Z70) wordt aangehouden. De overige bevoegde gezagen (de colleges van B&W van de gemeenten Rijswijk en Schiedam en van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland) hebben de zienswijzen tegen de ontwerpbeschikkingen in cluster 2 betrokken bij de besluitvorming over hun definitieve beschikkingen in dit cluster. De zienswijzen Z69 en Z70 zijn voor Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en het college van B&W van Rijswijk aanleiding om hun definitieve beschikkingen te wijzigen. Daarom zijn deze in de verzameltabel groen gearceerd. Voor aanpassing van de overige beschikkingen bestaat geen aanleiding. Legenda: Blauw: zienswijze aanhouden tot definitieve besluitvorming over de beschikking Groen: zienswijze die aanleiding geeft tot aanpassingen in de ontwerpbesluiten Nrs
Heeft betrekking op ontwerpbesluiten van (ja/nee)
Wijziging Besluit(en) ja/nee
Z65 Z66 Z67
College B&W Delft: aanhouden College B&W Delft: aanhouden College B&W Delft: aanhouden GS PZH: ja College B&W Den Haag: aanhouden GS PZH (ODMH): ja College B&W Delft: aanhouden College B&W Den Haag: aanhouden College B&W Rijswijk: ja College B&W Schiedam: ja GS PZH en OMDH: ja
Nvt Nvt Nvt Nee Nvt Ja, wijziging voorschrift 3.2 Nvt Nvt Ja, wijziging beroepsclausule Nee Nee
Z68 Z69 Z70
16
4. Vervolgprocedure De beantwoording van de ingediende zienswijzen maakt deel uit van de besluitvorming door de bevoegde gezagen over de definitieve vergunningen van de gemeenten Rijswijk en Schiedam en het college van Gedeputeerde Staten. Na afgifte van deze definitieve beschikkingen zullen deze opnieuw gedurende zes weken ter inzage worden gelegd in het kader van de beroepsprocedure. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden tegen deze besluiten beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het project onder categorie 1, duurzame energie van bijlage I van de Crisis- en herstelwet valt, zal op die beroepsprocedure artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Dit betekent onder andere dat geen pro forma beroepschriften mogen worden ingediend en dat de Afdeling in principe binnen zes maanden op de ingediende beroepen dient te beslissen. De ontwerpomgevingsvergunning van de gemeente Delft inzake de bouw van het pompstation en ondersteuningspalen, de kap van enkele houtopstanden langs de Lagosweg en het uitvoeren van werken/werkzaamheden langs het toekomstig tracé, is (als onderdeel van cluster 3) met ingang van 3 december 2021 opnieuw ter inzage gelegd.
De inhoudelijke beantwoording van de zienswijzen tegen deze omgevingsvergunning wordt door het college van B&W van Delft aangehouden tot de besluitvorming over deze beschikking in cluster 3. De besluitvorming over de omgevingsvergunning inzake het grondgebied van Den Haag, inclusief de beantwoording van de daartegen ingediende zienswijzen, volgt op een door het college van B&W van Den Haag nader te bepalen moment. Deze maakt derhalve geen deel meer uit van cluster 2.
5. Afkortingen en begrippenlijst ARD Awb B&W Commissie m.e.r.
GS PCR PIP PS MER m.e.r. NRD
Advies Reikwijdte en Detailniveau, de notitie waarin na inspraak de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER zijn beschreven. Algemene wet bestuursrecht Burgemeester en Wethouders Commissie voor de milieueffectrapportage, onafhankelijke door het Rijk ingestelde commissie die een wettelijke taak heeft inzake de advisering over milieueffectrapporten Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Provinciale coördinatieregeling (wettelijke procedure voor de coördinatie van verschillende vergunningen en andere uitvoeringsbesluiten) Provinciaal inpassingsplan (vergelijkbaar met bestemmingsplan) Provinciale Staten van Zuid-Holland Milieueffectrapport, dat wil zeggen de schriftelijke rapportage van de onderzochte milieuaspecten De procedure voor het opstellen van een MER Notitie reikwijdte en detailniveau, de notitie waarin de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER zijn beschreven
17