CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van Beantwoording WarmtelinQ Vlaardingen-Den Haag cluster 3 def 2 geanonimiseerd

Commissie Algemeen 7 april 2022, gemeente DelftBij agendapunt: College van B&W – omgevingsvergunning WarmtelinQ cluster 3 (nr. 2208125)7.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4765012

Nota van beantwoording Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag Vergunningen cluster 3

15 februari 2022 College van B&W van Delft Hoogheemraadschap van Delfland

Inhoud

1.

INLEIDING ....................................................................................... 4

2.

ONTVANKELIJKHEID ....................................................................... 5

3.

ZIENSWIJZEN, SAMENVATTING EN BEANTWOORDING .................... 6 3.1 3.2 3.3

Inleiding ...................................................................................... 6 Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen ...................... 6 Conclusie....................................................................................15

4.

VERVOLGPROCEDURE ................................................................... 16

5.

AFKORTINGEN EN BEGRIPPENLIJST ............................................. 16

3

1. Inleiding Inleiding Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben (PS) op 18 december 2019 onder andere besloten om ten behoeve van het project Leiding door het Midden een provinciaal inpassingsplan (PIP) op te stellen en de provinciale coördinatieregeling uit artikel 3.33 Wet ruimtelijke ordening (Wro) toe te passen. Dit project is een voornemen van LdM C.V.1 en maakt onderdeel uit van een groter project dat de naam WarmtelinQ heeft gekregen. Het project WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag omvat de aanleg van een (grotendeels) ondergrondse warmtetransportleiding (aanvoer- en retourleiding) met bijbehorende bouwwerken in de gemeenten Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk en Den Haag, inclusief de eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen. De provincie, de overige bevoegde gezagen en de initiatiefnemer hebben gezamenlijk besloten dat voor het project een gecombineerde plan- en projectm.e.r.-procedure wordt doorlopen. Hiervoor is een Combi-MER opgesteld. Procedure PIP en cluster 1 Het ontwerp PIP en het bijbehorende MER voor het project zijn door GS op 9 maart 2021 vastgesteld en ter visie gelegd, samen met de ontwerpbeschikkingen in cluster 1 van de overige bevoegde gezagen. In dat kader werden in totaal 64 zienswijzen ontvangen. Deze zijn beantwoord in de vastgestelde Nota van beantwoording Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag, d.d.

13 oktober 2021. Op 13 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland het Provinciaal inpassingsplan vastgesteld en daarna hebben de overige bevoegde gezagen de definitieve beschikkingen in cluster 1 verleend. Iedereen die in die procedure een zienswijze heeft gediend is daarover persoonlijk geïnformeerd. Tevens zijn kennisgevingen geplaatst in het Provinciaal blad en diverse huis-aan-huisbladen in verband met de start van de termijn waarbinnen tegen deze besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Procedure voor clusters 2 en 3 In de tussentijd heeft initiatiefnemer WarmtelinQ bij diverse bevoegde gezagen vergunningaanvragen voor enkele specifieke locaties in het tracé (cluster 2) ingediend. De ontwerpbeschikkingen voor dit cluster hebben van vrijdag 3 september 2021 tot en met donderdag 14 oktober 2021 voor een termijn van zes weken ter visie gelegen, na voorafgaande kennisgevingen in het Provinciaal Blad en diverse huis-aanhuisbladen en op de landelijke website www.overheid.nl. In die periode zijn in totaal zes zienswijzen ontvangen (Z65 t/m Z70). Van deze zes zienswijzen zijn er vier (Z65, Z66, Z67 en Z70 (deels)) aangehouden in verband met een omissie in de tervisielegging van de stukken van de gemeente Delft in cluster 2. Het ontwerp van de omgevingsvergunning voor o.a.

het pompstation in Delft maakte eerst deel uit van cluster 2, maar dit ontwerp ontbrak bij de ter inzage gelegde stukken. Daarom is besloten om de ontwerpomgevingsvergunning van de gemeente Delft opnieuw ter inzage te leggen (als onderdeel van cluster 3). In dat cluster zit ook de wijziging van de watervergunningen van het Hoogheemraadschap Delfland in verband met aanpassingen in het project op twee locaties in de gemeenten Den Haag, Rijswijk en Vlaardingen. De ontwerpbeschikkingen voor cluster 3 hebben van vrijdag 3 december 2021 tot en met donderdag 13 januari 2022 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen, na voorafgaande kennisgevingen in onder andere het Provinciaal Blad en diverse huis-aan-huisbladen. In die periode zijn geen nieuwe zienswijzen ingediend. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op de ontvankelijkheid van de ontvangen zienswijzen. De zienswijzen zijn in hoofdstuk 3 samengevat, beantwoord en voorzien van een conclusie ten behoeve van de besluitvorming door de bevoegde gezagen. In hoofdstuk 4 wordt kort ingegaan op de vervolgprocedure. Tot slot zijn in hoofdstuk 5 de gebruikte afkortingen verklaard.

1 De aandelen van deze vennootschap zijn volledig in eigendom van Gasunie N.V. De Leiding door het Midden was voorheen

een initiatief van Eneco en maakt sinds januari 2020 deel uit van WarmtelinQ (zie www.warmtelinq.nl).

4

2. Ontvankelijkheid Het juridische kader voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zienswijzen wordt met name bepaald door artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel luidt: 1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Voorts dienen zienswijzen te zijn voorzien van naam, adres en dagtekening en enig standpunt c.q. inhoudelijke onderbouwing. Het ontbreken hiervan kan aanleiding geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van zienswijzen, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om dit verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. Beoordeling ontvankelijkheid De zienswijzen Z65, Z66, Z67 en Z70 zijn reeds ingediend tijdens de zienswijzentermijn van cluster 2 (vrijdag 3 september 2021 tot en met donderdag 14 oktober 2021). Deze zienswijzen zijn derhalve ingediend vooruitlopend op de zienswijzentermijn van cluster 3, maar omdat zij betrekking hebben op de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft, die in cluster 3 (opnieuw) ter inzage is gelegd, zijn deze zienswijzen in het kader van de procedure in cluster 3 alsnog ontvankelijk.

Er zijn gedurende termijn geen nieuwe zienswijzen ingediend. Dat betekent dat er inzake de gewijzigde watervergunningen van het Hoogheemraadschap Delfland geen zienswijzen zijn ingediend. Conclusie Alle zienswijzen zijn derhalve tijdig ingediend en ontvankelijk. Deze zijn in hoofdstuk 3 van deze nota (waar nodig) samengevat en inhoudelijk beantwoord door de verschillende bevoegde gezagen. Tevens is beoordeeld in hoeverre deze zienswijzen aanleiding geven tot aanpassing van de definitieve beschikkingen. De conclusies hierover staan vermeld in paragraaf 3.3. De indieners van de zienswijzen worden hiervan na de besluitvorming op de hoogte gesteld.

5

3. Zienswijzen, samenvatting en beantwoording 3.1 Inleiding In verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) zijn de persoonsgegevens van natuurlijke personen die een zienswijze hebben ingediend, in deze nota geanonimiseerd en voorzien van een uniek nummer. Dit nummer is doorgegeven aan de indieners, zodat zij de beantwoording van hun zienswijze uit de Nota kunnen herleiden. De reactienota met daarin de complete (geanonimiseerde) zienswijzen is opgenomen in een separaat document. Van de ontvangen zienswijzen is er 1 ingediend namens een bedrijf, organisatie of vereniging: • Z70 Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging in Den Haag, Zuid-Holland en daarbuiten (Den Haag Fossielvrij))

3.2 Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen Leeswijzer In onderstaande paragraaf zijn alle (ontvankelijke) zienswijzen samengevat en beantwoord. In de bovenste rij van elk nummer is aangegeven tegen welk besluit of welke besluiten de zienswijze volgens indiener is gericht. Vervolgens zijn de zienswijzen (zonodig) samengevat en van een beantwoording voorzien. De beantwoording is gebaseerd op de volledige zienswijze (niet op de samenvatting). Tot slot is onder elke zienswijze in een conclusie aangegeven of er naar aanleiding van de zienswijze aanpassingen worden doorgevoerd in een of meer ontwerpbesluiten. In paragraaf 3.3 is een verzameltabel opgenomen. Z65

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken of werkzaamheden Indiener heeft een zienswijze ingediend namens Cornerhouse, een complex van 16 appartementen aan de Sadatweg (nrs. 97 t/m 127). De bewoners menen dat het pompstation voor WarmtelinQ niet op de Laan der Verenigde Naties moet komen, omdat dat een woonwijk is. Er zijn genoeg stukken groen in de buurt waar dit kan worden en waar niemand er last van heeft, zoals het verlengde van de Burgemeester Randweg of het veldje nabij de fietsonderdoorgang onder de N470. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de locatie van het pompstation is in het PIP onderbouwd, welke inmiddels door Provinciale staten is vastgesteld. Dit vormt samen met artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader van het pompstation. Naar ons oordeel past de bouw van het pompstation binnen laatstgenoemd artikel, zodat wij op goede gronden hiervoor een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Ten aanzien van de locatie van het pompstation merken wij het navolgende op. Deze is gelegen nabij de hoek aan de Laan der Verenigde Naties / Sadatweg op korte afstand van het naastgelegen bedrijfspand. Het gebouw wordt 17 meter hoog.

Ten aanzien van de inpasbaarheid op deze plek zijn verschillende overleggen gevoerd met de initiatiefnemer. Daarbij is onder andere gekeken naar de impact op de omgeving gedurende de realisatie van het pompstation en de exploitatie. Ook de bereikbaarheid en de inzet van het noodzakelijke materieel zijn hierbij afgewogen. Uiteindelijk is de keuze gemaakt voor deze locatie, omdat deze kavel voldeed aan het programma van eisen voor bedrijven tot en met bedrijfscategorie 2. Ook past deze kavel qua omvang het beste bij de bestemming en de functie die de gemeente Delft hiermee voor ogen had. Wij vinden dat deze locatie voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en dat hiervoor een omgevingsvergunning kon worden verleend.

Conclusie • Coll. B&W Delft: de zienswijze heeft geen gevolgen voor de beschikkingen van de gemeente Delft.

6

Z66

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft Indiener is het niet eens met de locatie van het pompstation en vraagt waarom deze niet elders kan worden gebouwd, bijvoorbeeld bij de Burgemeester Randweg. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de locatie van het pompstation is in het PIP onderbouwd, welke inmiddels door Provinciale staten is vastgesteld. Dit vormt samen met artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader van het pompstation. Naar ons oordeel past de bouw van het pompstation binnen laatstgenoemd artikel, zodat wij op goede gronden hiervoor een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Ten aanzien van de locatie van het pompstation merken wij het navolgende op. Deze is gelegen nabij de hoek aan de Laan der Verenigde Naties / Sadatweg op korte afstand van het naastgelegen bedrijfspand. Het gebouw wordt 17 meter hoog. Ten aanzien van de inpasbaarheid op deze plek zijn verschillende overleggen gevoerd met de initiatiefnemer. Daarbij is onder andere gekeken naar de impact op de omgeving gedurende de realisatie van het pompstation en de exploitatie. Ook de bereikbaarheid en de inzet van het noodzakelijke materieel zijn hierbij afgewogen.

Uiteindelijk is de keuze gemaakt voor deze locatie, omdat deze kavel voldeed aan het programma van eisen voor bedrijven tot en met bedrijfscategorie 2. Ook past deze kavel qua omvang het beste bij de bestemming en de functie die de gemeente Delft hiermee voor ogen had. Wij vinden dat deze locatie voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en dat hiervoor een omgevingsvergunning kon worden verleend.

Conclusie • Coll. B&W Delft: de zienswijze heeft geen gevolgen voor de beschikkingen van de gemeente Delft.

Z67

Particulier uit Delft De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): •

Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken of werkzaamheden • Delft: Vellen of doen vellen van houtopstanden 1. De geplande locatie ligt in de woonwijk Tanthof West en is in strijd met het huidige bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Er moet worden gezocht naar een andere locatie. Allereerst merken wij op dat het voorgenomen bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het Provinciaal inpassingsplan (PIP) inmiddels door Provinciale Staten is vastgesteld. Daarin is de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de locatie van het pompstation onderbouwd. Het PIP vormt dus samen met artikel 2.10 van de Wabo het toetsingskader van het pompstation en niet het bestemmingsplan. Ten aanzien van de bouw van het pompstation dient verder te worden getoetst aan artikel 2.10 van de Wabo. Naar ons oordeel past de bouw van het pompstation binnen laatstgenoemd artikel, zodat wij op goede gronden hiervoor een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Ten aanzien van de locatie van het pompstation merken wij het navolgende op. Deze is gelegen nabij de hoek aan de Laan der Verenigde Naties / Sadatweg op korte afstand van het naastgelegen bedrijfspand. Het gebouw wordt 17 meter hoog. Ten aanzien van de inpasbaarheid op deze plek zijn verschillende overleggen gevoerd met de initiatiefnemer.

Daarbij is onder andere gekeken naar de impact op de omgeving gedurende de realisatie van het pompstation en de exploitatie. Ook de bereikbaarheid en de inzet van het noodzakelijke materieel zijn hierbij afgewogen. Uiteindelijk is de keuze gemaakt voor deze locatie, omdat deze kavel voldeed aan het programma van eisen voor bedrijven tot en met

7

bedrijfscategorie 2. Ook past deze kavel qua omvang het beste bij de bestemming en de functie die de gemeente Delft hiermee voor ogen had. Wij vinden dat deze locatie voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en dat hiervoor een omgevingsvergunning kon worden verleend. 2.

De voorheen groene bestemming in het uit te werken gebied van het bestemmingsplan Tanthof 77 mocht niet meer gebruikt worden voor bedrijvigheid, omdat in dit gebied het vastgelegde maximum van 20% bedrijvigheid was bereikt. Zoals onder punt 1 is opgenomen is het PIP het toetsingskader geworden en niet het bestemmingsplan “Tanthof 77”. In artikel 6 van het PIP wordt de verhouding tussen het huidige vigerende bestemmingsplan en het PIP geregeld. Dit leidt ertoe dat de voorheen geldende enkelbestemming ‘bedrijf’ is vervangen door de bestemming ‘bedrijf-pompstation’. De dubbelstemming ‘waarde-archeologie’ blijft op grond van artikel 6.1, sub b, van het PIP van kracht naast de regels van het inpassingsplan, waarbij de dubbelbestemming “Leiding – warmtetransportleiding” uit het PIP voor gaat. Dit betekent dat de regels uit het PIP het nieuwe toetsingskader vormen voor het pompstation in samenhang met artikel 2.10 Wabo. Wij stellen ons op het standpunt dat de bouw van het pompstation in overstemming is met deze regels. Dat op basis van het voormalige bestemmingsplan Tanthof 77 de groene bestemming niet meer mocht worden gebruikt voor bedrijvigheid doet dus niets af aan het feit dat dit op grond van het nieuwe planologische regime toegestaan is.

3.

In het huidige bestemmingsplan Zuidwest 3 Tanthof is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om eventueel de strook gemengde bebouwing langs de Kruithuisweg ruimtelijk af te maken met een gebouw. Er dient rekening gehouden te worden met bestaande natuurwaarden en met de begrenzing van het bouwvolume. De geplande pompinstallatie valt niet onder de reikwijdte van deze wijzigingsbevoegdheid. Zoals onder punt 1 en 2 is opgemerkt vormt het PIP het toetsingskader. Het pompstation is hierin als maatbestemming opgenomen. De wijzigingsbevoegdheid is door de inwerkingtreding van het PIP komen te vervallen. Ten aanzien van de bestaande natuurwaarden is door Royal Haskoning DHV een natuurtoets uitgevoerd d.d. 12 augustus 2021, welke eveneens op ruimtelijkeplannen.nl is terug te vinden als bijlage 19. Ook zijn naar aanleiding van deze zienswijze extra voorschriften opgelegd ten aanzien van de compensatie van het struweel. Los hiervan merken wij op dat op grond van de Wet Natuurbescherming een algemene zorgplicht is opgenomen. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan.

In dat kader loopt een ecoloog, voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden, het plangebied na en worden eventueel aanwezige (niet beschermde) amfibieën, grondgebonden zoogdieren en andere fauna opgepakt of zorgvuldig verjaagd naar omringend terrein met het oog op verkeersbewegingen van wagens en graafmachines.

4.

De geplande pompinstallatie in een woonwijk is onacceptabel en er moet daarom worden gezocht naar een andere locatie. De geplande locatie tast het leefklimaat van de omwonenden aan als gevolg van geluidsoverlast, gevarenrisico’s en aantasting aan de groene entree van de wijk. Er zouden in dit verband geluidsbeperkende maatregelen moeten worden genomen. Een extra geluidsoverlast van 24 uur per dag is niet acceptabel. Daarnaast zijn de gevaren van calamiteiten aan de pompinstallatie in een woonwijk niet te accepteren. Zoals hierboven is opgemerkt vormt het PIP het toetsingskader in samenhang met artikel 2.10 van de Wabo. Ten aanzien van het PIP merken wij op dat hiertegen, los van de procedure tegen het pompstation, een zienswijze en beroep had kunnen worden ingesteld. U heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Daarom is ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het pompstation uitsluitend aan de orde of de activiteit ‘bouwen’ in overeenstemming is met artikel 2.10 van de Wabo. Op grond van dit artikel kan een omgevingsvergunning alleen worden geweigerd als sprake is van strijd met het PIP, de bouwverordening, redelijke eisen van welstand of het Bouwbesluit. Naar ons oordeel is hiervan geen sprake.

De overige door u naar voren gebrachte aspecten, waaronder aantasting van het leefklimaat, geluidsoverlast, gevarenrisico’s en aantasting van het groen vallen derhalve buiten de reikwijdte van artikel 2.10 van de Wabo. Deze aspecten zijn immers al meegenomen en afgewogen in het PIP.

8

5.

Omwonenden zijn niet goed geïnformeerd en gehoord. Er is niet voldoende participatie uitgevoerd door de stakeholders. Noch door de Gasunie, de gemeente Delft of door de Provincie. Wij herkennen ons niet in het beeld dat omwonenden niet goed zijn geïnformeerd en dat onvoldoende participatie zou zijn uitgevoerd. In 2017 en 2018 zijn vanuit Eneco gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders, waaronder gemeenten, provincie, Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschap Delfland en belangenverenigingen zoals Natuurmonumenten en zakelijke gerechtigden. Vanaf 2019 heeft Gasunie de berichtgeving uitgebreid naar een breder stakeholderveld, waarbij steeds meer bedrijven en daaropvolgend bewoners zijn betrokken. Daarnaast zijn bij het opstellen van het landschapsplan voor de groene herinrichting de relevante natuurverenigingen betrokken, waaronder KNNV Natuurlijk Delfland en Vogelwacht Delft en Staatsbosbeheer. Ook zijn er sinds 2019 persoonlijke gesprekken gevoerd met bewoners, bedrijven en organisaties en scholen langs het tracé. Ten slotte merken wij op dat door de provincie Zuid-Holland en Gasunie verschillende informatiebijeenkomsten zijn georganiseerd.

6.

Er is een officiële klacht ingediend bij de gemeente Delft over het gebrek aan participatie met en informatie naar de inwoners met betrekking tot het project. Bij brief van 3 december 2021 is deze officiële klacht uitgebreid beantwoord.

7.

Er zijn ten onrechte geen alternatieve locaties voor de pompinstallatie getoetst en gerapporteerd in de combiMer/pip en Toetsingsrapporten van Royal Haskoning. Dit zou alsnog moeten gebeuren. Ook moet in de toetsingsrapporten rekening worden gehouden met de beschermde status van de ecologische zone langs de Kruithuisweg. Wij merken nogmaals op dat ten aanzien van de locatie van het warmtepompstation verschillende overleggen zijn gevoerd, waarbij naar verschillende locaties is gekeken. Uiteindelijk is de huidige locatie gekozen en planologisch vastgelegd in het PIP, dat door Provinciale Staten op 13 oktober 2021 is vastgesteld en waartegen beroep kon worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ten aanzien van de ecologische zone achten wij mitigerende maatregelen nodig ter bescherming van de ter plaatse aanwezige diersoorten. Deze maatregelen zullen als voorschrift in de omgevingsvergunning worden opgenomen.

8.

Onduidelijk is waarom is gekozen voor de geplande locatie. Graag duidelijkheid hierover op basis van de Wob. In dit verband verwijzen wij naar hetgeen onder punt 1 is opgenomen. Ten aanzien van het Wob verzoek merken wij op dat dit buiten de reikwijdte van deze zienswijzebeantwoording valt en dat het u vrijstaat om hiertoe een separaat verzoek in te dienen.

9.

De noodzaak van de pompinstallatie is niet duidelijk. Door snelle verduurzaming van de industrieën is er op korte termijn geen aftapwater meer van 120 graden Celsius. Er dient een toekomstvisieberekening te worden bijgevoegd over de impact van het veranderende warmteaanbod in de nabije toekomst. Allereerst merken wij op dat al een toekomstvisieberekening is uitgevoerd door de Gasunie om de noodzaak van het project te onderbouwen. Ook al is sprake van verduurzaming van de industrie, dan nog blijft er naar onze mening behoefte aan een warmtepomp. De warmtetransportleiding is bedoeld voor het transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. In het kader van het PIP is reeds aangegeven dat ook als de industrie voor hun processen overschakelt op duurzamere brandstoffen om de klimaatdoelen te halen, bij deze processen restwarmte blijft vrijkomen, die via de warmtetransportleiding in de lokale warmtenetten kan worden hergebruikt. Het pompstation maakt deel uit van deze warmtetransportleiding. Door de leidingen stroomt heet water dat wordt gebruikt om de warmte te transporteren.

Het nut en de noodzaak van de pompinstallatie is hierin gelegen dat zowel in de aanvoerleiding (heet water) als in de retourleiding (koud water) operationeel zijn om te zorgen dat de gewenste hoeveelheid water circuleert en dat de waterdruk bij de toekomstige warmteoverdrachtstations (WOS) en de leverancier van de

9

warmte, bedrijven waar de rest warmte vandaan komt, voldoende hoog is. Deze warmtelevering vereist dat het pompstation te allen tijde beschikbaar moet zijn. 10. De gemeente Delft is verantwoordelijk voor de bescherming van de ecologische zone langs de Kruithuisweg. De gemeente is gehouden om schade in dit gebied zoveel mogelijk te beperken. Aanwezige flora en fauna moet in samenwerking met de gemeente Delft worden beschermd. Er leven namelijk veel mussen, hazen en amfibieën welke bescherming worden. Het vellen van houtopstanden is onacceptabel ter plaatse. De ecologische bescherming en de aanwezigheid van beschermde dieren zijn niet opgenomen in de toetsingsrapporten. De zone langs de Kruithuisweg maakt inderdaad deel uit van de ecologische hoofdstructuur van Delft. Om die reden wordt nadrukkelijk ingezet op het in stand houden van de functie als ecologische zone. In het kader van de duurzame instandhouding van de huismus zal in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat in directe nabijheid van het bouwproject nieuw struweel moet worden aangelegd. In het verlengde hiervan wordt aan aanvrager de verplichting opgelegd om in de directe nabijheid huismussenkasten aan te brengen. Ten aanzien van amfibieën en andere flora en fauna verwijzen wij naar hetgeen hierboven in het kader van de algemene zorgplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is opgemerkt. 11.

De vergunning is aangevraagd voor het vellen van enkele houtopstanden langs de Lagosweg. Het is onduidelijk om welke houtopstanden het precies gaat. De vraag is of er ook een kapvergunning is aangevraagd voor het struweel in de ecologische zone, omdat dit struweel belangrijk is voor de aanwezige huismussen en andere dieren. Uit het bijgevoegde bomenregistratieformulier, welke onlosmakelijk is verbonden met de door ons verleende kapvergunning in cluster 3 kan precies worden afgeleid om welke bomen het gaat. Voor zover de beplanting van het struweel kapvergunningplichtig is op grond van de geldende regels is hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend. Wij erkennen dat dit struweel van belang kan zijn voor de huismussen en daarom zal Gasunie aanvullende maatregelen moeten treffen om dit te ondervangen. In dit verband zal de verplichting worden opgelegd om aanvullend struweel te planten, zodat de biotoop van de huismus wordt gecompenseerd. Ook zullen in de nabijheid mussenkasten worden aangebracht. Daarnaast blijft de algemene zorgplicht voor alle flora en fauna, welke voortvloeien uit de Wet natuurbescherming onverminderd van kracht. 12. De aangevraagde vergunningen voor het vellen van enkele houtopstanden langs de Lagosweg zijn voor leken niet te begrijpen. Niet te achterhalen valt welke houtopstanden gekapt gaan worden.

Hazen en huismussen, welke bescherming genieten moeten zoveel mogelijk worden ontzien. In de stukken behorende bij de aanvraag is een kaartje opgenomen met daarin aangegeven welke houtopstanden het betreft. Dit betreft vier groene vlakken met daarin de struwelen en een boom waarvoor separaat een kapvergunning voor nodig is. 13. Als tot vergunning van de houtopstanden wordt overgegaan, dan moet dit pas zo laat mogelijk worden gedaan waarbij zo min mogelijk bomen worden gekapt. Wanneer daadwerkelijk zal worden overgegaan tot het vellen van de houtopstanden, nadat deze vergunning door de rechter is beoordeeld, ligt uiteindelijk bij de aanvrager. Uiteraard zullen hierbij de algemene zorgplichten uit de Wet natuurbescherming in acht moeten worden genomen. 14. In de ecologische zone is een gebied als fietsenstalling/parkeerplaats aanwezig. De omheinende bomen en struiken zouden behouden moeten blijven. Gelet op het feit dat dit betreffende gebied onderheid is zien wij ons genoodzaakt om de leiding eromheen aan te leggen, zodat de bomen en struiken niet kunnen worden behouden. In ons herinrichtingsplan wordt in dit verband een voorschrift opgenomen om de kwaliteit van het gebied te behouden.

10

15. Er is geen toestemming gevraagd om de Kruithuisweg te gebruiken. Het verkeer dient hierdoor via de Sadatweg te worden omgeleid hetgeen een gevaarlijke situatie oplevert omdat deze gebruikt wordt als fietsoversteekplaats en er sprake is van veel woon-werkverkeer. De vergunning voor het gebruik van de Kruithuisweg heeft betrekking op het gebruik van de wegberm voor de ligging van de ondergrondse leidingen. De vergunning heeft dus geen invloed op het bovengronds gebruik van de Kruithuisweg en op de verkeerssituatie ter plaatse. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om deze vergunning te weigeren of te wijzigen. 16. De toetsingsrapporten van het leidingtracé zijn niet volledig en incorrect. Dit geeft een verkeerd beeld. Dit zou opnieuw moeten gebeuren met de juiste gegevens. Er mag dan ook nog geen vergunning worden afgegeven voor deze werkzaamheden. Wij zijn het niet eens met deze algemene en niet nader onderbouwde stelling. In dit verband verwijzen wij naar de bijlagen behorende bij het PIP, zoals terug te vinden is op ruimtelijkeplannen.nl. Zoals onder punt 7 is opgemerkt is dit PIP intussen vastgesteld. 17. De Europese Commissie kan nog oordelen dat miljoenen aan staatssteun ten onrechte zijn verstrekt in het kader van dit project. Deze zienswijze valt naar onze mening buiten de reikwijdte in deze procedure.

Conclusie • Coll. B&W Delft: de zienswijze heeft geen gevolgen voor de beschikkingen van de gemeente Delft.

Z68

Bomenstichting Den Haag De beantwoording van deze zienswijze is door het college van B&W van Den Haag aangehouden.

Z69

Den Hollander advocaten namens cliënten in gemeente Midden-Delfland Deze zienswijze is reeds beantwoord in het kader van cluster 2.

Z70

Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging in Den Haag, Zuid-Holland en daarbuiten (kort: Den Haag Fossielvrij) De zienswijze heeft betrekking op (eigen opgave): • Delft: Bouwen pompstation en ondersteuningspalen op perceel Laan der Verenigde Naties 51 te Delft • Delft: Vellen van enkele houtopstanden langs Lagosweg 25 tot en met 59 te Delft • Delft: Uitvoeren van werken/werkzaamheden langs toekomstig tracé • Den Haag: Uitvoeren van werken of werkzaamheden i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg • Den Haag: Tijdelijk afwijken bestemmingsplan i.v.m. aanleg werkstroken en werkwegen • Den Haag: Vellen of doen vellen van 4 bomen rondom kruising Pr. Beatrixlaan/Guntersteinweg • Rijswijk: Uitvoeren van werken/werkzaamheden • Rijswijk: Tijdelijk afwijken bestemmingsplan i.v.m. aanleg werkstroken en werkwegen i.v.m. wijziging kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg • Rijswijk: Aanleggen, beschadigen en veranderen van wegen i.v.m. wijziging T-stuk en kruising Pr. Beatrixlaan/ Guntersteinweg Den Haag/Rijswijk • Schiedam: Bouwen van ondersteuningspalen eco-aquaduct over rijksweg A4 te Schiedam • GS Zuid-Holland: Vergunning gebruik maken van provinciale infrastructuur (ligging langs Kruithuisweg – N470)

11

•

GS Zuid-Holland: Ontheffing gebruik geshredderd hout ter plaatse van tijdelijke werkweg door het agrarisch gebied langs de rijksweg A4 tussen Vlaardingen en Delft

Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de cursief aangeduide ontwerpbeschikkingen is deze reeds beantwoord in het kader van cluster 2. Zie verder onderstaande beantwoording. 1.

Indiener meent dat bovengenoemde conceptvergunningen onlosmakelijk verbonden zijn met de stukken die van 19 maart tot 29 april 2021 ter inzage zijn gelegd en dat de coördinatieregeling ervoor bedoeld is om alle stukken in dezelfde procedure te behandelen. Dit zou ook blijken uit de tekst van de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag waarin staat dat het voorontwerp-PIP gelijktijdig met het ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. Nu dat niet gebeurd is, meent indiener dat de zienswijzeprocedure en besluitvorming over zowel cluster 1 en 2 opnieuw moet worden toegepast. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Er is geen enkele rechts- of beleidsregel die verbiedt dat vergunningen in meerdere blokken of clusters worden aangevraagd en vergund. Sterker nog, in het oorspronkelijke besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 om de provinciale coördinatieregeling voor dit project toe te passen, is dat expliciet toegestaan.

In dat besluit staat dat toepassing wordt gegeven aan de provinciale coördinatieregeling uit artikel 3.33, eerste lid, onder b, van de Wro, inhoudende dat de voorbereiding en bekendmaking van het Provinciaal inpassingsplan zal worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van de (uitvoerings-)besluiten van de diverse bevoegde gezagen die nodig zijn voor de aanleg en het in werking hebben van de leiding en de bijbehorende bouwwerken, zo nodig in één of meerdere clusters, zoals opgenomen is in hoofdstuk 5 van het Plan van Aanpak. De overige bevoegde gezagen zien dus geen aanleiding om de procedure voor cluster 1 en 2 gelijktijdig opnieuw te doen.

2.

Voorts meent indiener dat de vergunningaanvragen aan het gehele gemeentelijke beleid moeten worden getoetst en niet alleen specifiek aan het bestemmingsplan, zoals in de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag expliciet staat vermeld. In Den Haag is in lokaal beleid de voorrang voor lokale duurzame bronnen geregeld. Dat is relevant voor de afwegingen welke ruimte er rest in de ondergrond voor bijvoorbeeld transport van warmte en bijvoorbeeld de bescherming van de stedelijke groene hoofdstructuur (relevant voor het al dan niet vergunnen van kapvergunningen). De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden.

3.

Indiener heeft tussen de stukken geen concept-vergunning van de gemeente Delft aangetroffen. Hij verzoekt om deze alsnog ter inzage te leggen en meent dat om die reden ook de andere (concept)besluiten uit cluster 1 en 2 opnieuw ter inzage moeten worden gelegd. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Uit controle is gebleken dat de ontwerpbeschikking abusievelijk inderdaad niet bij de ter inzage liggende stukken zat. Dit is hersteld door de ontwerpbeschikking van de gemeente Delft opnieuw (en nu compleet) ter inzage te leggen. Er is echter geen aanleiding om ook de vergunningprocedures van de overige bevoegde gezagen op te schorten. Deze procedures worden derhalve vervolgd.

4.

Indiener vindt dat in alle vergunningen het voorschrift moet worden opgenomen dat de vergunning pas definitief wordt wanneer het PIP en alle overige besluiten onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende is gewaarborgd. Zonder dit voorschrift kunnen onomkeerbare stappen worden genomen die niet passen binnen het doel van een provinciale coördinatieregeling om een totale ontwikkeling al dan niet mogelijk te maken. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Voor vergunningen

12

die onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, zoals kapvergunningen, kan het bevoegd gezag een voorschrift opnemen waardoor van die vergunning pas gebruik mag worden gemaakt nadat ook de andere vergunningen voor activiteiten die met de kap samenhangen, zijn vergund. Voor alle overige beschikkingen geldt dat als de gevolgen van de vergunde werkzaamheden in beginsel ongedaan kunnen worden gemaakt, afwijking van de rechtsregel dat een vergunning mag worden gebruikt zodra deze in werking is getreden, een te grote inbreuk maakt op de belangen van de aanvrager. In die gevallen treedt de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.1, lid 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking op de dag na de termijn voor het indienen van een beroepschrift, tenzij gedurende deze termijn, met betrekking tot deze vergunning, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan. In dat geval wordt de werking van dit besluit opgeschort, totdat op het verzoek is beslist. Het college van B&W van Delft is van mening dat op die manier voldoende geborgd is dat aanvrager pas tot kap van de bomen kan overgaan als de rechtmatigheid van de betrokken besluiten afdoende is getoetst. 5.

De conceptbesluiten zijn strijdig. Zo staat in de vergunning van de gemeente Den Haag dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is, terwijl in de vergunning van de gemeente Rijswijk staat dat beroep bij de Rechtbank mogelijk is. Volgens indiener kan dit niet naar aanleiding van de zienswijzen worden hersteld omdat burgers in Rijswijk hierdoor de indruk hebben gekregen dat het niet nodig is om een zienswijze in te dienen. Daarom zal zo’n vergunning opnieuw de procedure in moeten om aan deze voorwaarde voor de Crisis- en herstelwet te voldoen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Indiener knoopt hier ten onrechte verschillende zaken aan elkaar. Op het project is inderdaad de Crisis- en herstelwet van toepassing en dat leidt er onder meer toe dat tegen de besluiten die met toepassing van die wet, worden verleend, rechtstreeks beroep openstaat bij de Raad van State (in plaats van beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State). Dat is een voordeel voor zowel de initiatiefnemer als belanghebbenden, aangezien er in betrekkelijk korte tijd een definitief rechtsoordeel over deze besluiten wordt verkregen.

Sinds de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786) mag het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen besluiten waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is niet langer meer afhankelijk worden gesteld van het indienen van een zienswijze tegen dat ontwerpbesluit. Dat betekent ook dat in deze procedure niemand in zijn belangen is geschaad door de foutieve beroepsclausule in de ontwerpbeschikking van de gemeente Rijswijk. Deze is bij de verlening van de definitieve beschikking gecorrigeerd.

6.

De keuze om de coördinatieregeling in twee fasen te gebruiken zorgt ervoor dat er alsnog meerdere procedures bij de Raad van State ontstaan. Dat is niet de bedoeling en onbegrijpelijk, temeer daar de provincie stelt dat op de procedure de Crisis- en herstelwet van toepassing. In dat geval moeten de vergunningen niet op verschillende momenten ter inzage worden gelegd. Daardoor kan ook het project niet meer in zijn geheel worden bezien en dat is onacceptabel voor argumenten die het gehele project betreffen. Zo is bijvoorbeeld de stikstofuitstoot van het project nog niet door de Raad van State gemaximeerd in de procedure voor cluster 1. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Zoals in het antwoord onder 1 reeds betoogd, is er geen algemene rechtsregel die verbiedt om vergunningaanvragen te clusteren en deze gezamenlijk of volgtijdelijk ter inzage te leggen en erover te besluiten. Naar onze mening is met onderhavige clustering van het inpassingsplan en de vergunningen sprake van een ordentelijk proces dat ook voor burgers te overzien valt.

Ten aanzien van de stikstofuitstoot wordt opgemerkt dat voor de tijdelijke emissie als gevolg van dit project sinds 1 juli 2021 geen vergunning meer nodig is, aangezien deze sindsdien onder de partiële vrijstelling van het Besluit natuurbescherming valt. Het staat indiener vrij om dit in het kader van zijn aangekondigde beroep tegen cluster 1 ter discussie te stellen, maar het belemmert geenszins de besluitvorming over cluster 2.

13

7.

Indiener meent dat door met meerdere clusters te werken de rechtspositie van burgers aantast. Zij worden gedwongen meerdere procedures te volgen en daardoor ook meerdere keren griffierecht te betalen. Bovendien lopen zij het risico dat hun belanghebbendheid door de opsplitsing niet totaal kan worden getoetst en wordt hun inhoudelijke verdediging geschaad. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Anders dan indiener meent, zorgt de coördinatie en clustering er juist voor dat de rechtspositie van burgers wordt versterkt aangezien het aantal losse procedures sterk wordt verminderd ten opzichte van een situatie zonder coördinatieregeling. Bovendien worden deze allen met toepassing van afdeling 3.4 Awb (met zienswijzenprocedure) voorbereid, terwijl anders de reguliere Awb-procedure (zonder zienswijzenronde) van toepassing zou zijn geweest. Doordat alle besluiten voor de Afdeling worden aangemerkt als één besluit, hoeven burgers juist minder vaak beroep in te stellen en bovendien volgt er door de Chw sneller een definitief rechtsoordeel waardoor de periode van rechtsonzekerheid afneemt. Tot slot menen wij dat de Afdeling prima in staat is om te beoordelen of een betrokkene al dan niet belanghebbend is.

8.

Volgens indiener wordt het door het toestaan van verschillende clusters mogelijk dat de provincie of een andere overheidsinstantie het project na de procedure van de Crisis- en herstelwet nog veranderd, waardoor de belangen van derden kunnen worden geschaad en dat is in strijd met de Crisis- en herstelwet. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: De clustering van beschikkingen binnen de coördinatieregeling leidt geenszins tot het schaden van de belangen van derden. De coördinatieregeling zorgt juist voor een overzichtelijker vergunningenproces waarin derden op relatief meer momenten hun belangen naar voren kunnen brengen bijvoorbeeld via het indienen van een zienswijze aangezien op de te coördineren besluiten automatisch de uitgebreide Awb-procedure van toepassing is.

9.

Indiener vraagt aan de provincie als coördinerend bevoegd gezag of kan worden uitgesloten dat er door een of meer overheidsorganisaties tijdens of na deze procedure nog meer vergunningen – al dan niet – gecoordineerd ter inzage worden gelegd en al dat het geval is, een lijst van deze vergunningen. Tevens wordt de provincie gevraagd om het besluitvormingsproces voor cluster 1 en 2 opnieuw en integraal op te starten op het moment dat alle vergunningen aanwezig zijn en vanzelfsprekend zonder daar de Crisis- en herstelwet toe te passen en aan de betrokken overheden wordt gevraagd om de vergunningen niet te verlenen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Mede gelet op het antwoord onder punt 3, zullen nog meer vergunningaanvragen – al dan niet geclusterd – ter inzage worden gelegd. Ook in de uitvoeringsfase van dit soort projecten zijn nog allerlei vergunningen en besluiten nodig, die vaak door de aannemer zullen worden aangevraagd. Dat is een normale werkwijze, die ook in dit project zal worden gevolgd. Dergelijke aannemersvergunningen vallen buiten de provinciale coördinatieregeling en dienen derhalve door de gemeente te worden afgehandeld .

10. Indiener meent dat in dit geval drie uitzonderingsregelingen gezamenlijk worden toegepast, namelijk de eigenhandige overname van gemeentelijke bevoegdheden door de provincie, de coördinatieregeling en de Crisis- en herstelwet. Deze combinatie vergt extra zorgvuldigheid van overheden en die is hier niet nageleefd. Indiener is bevreesd voor het vervolg van de procedure en voor de uitvoeringsfase. Volgens hem is het voor gewone burgers vrijwel onmogelijk om hun recht te krijgen in deze procedures en ook daarna dreigen er problemen bij klachten of het niet opvolgen van vergunningvoorwaarden. Volgens de provincie moeten burgers daarvoor bij de uitvoerende instanties zijn, maar volgens indiener is handhaving juist een rol van de gemeenten, de organisaties volgens gemeenschappelijke regelingen en de provinci zijn. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het college van B&W van Delft onderschrijft de noodzaak van een zorgvuldige

14

procedure en menen dat die in dit geval ook wordt gevoerd. Zij herkent zich niet in het beeld dat gewone burgers door deze procedures hun recht niet kunnen krijgen. Ook voor het overige stelt het bevoegde gezag alles in het werk om samen met de initiatiefnemer een duidelijke klachten- en schadeprocedure op poten te zetten. 11. Indiener haalt aan dat LdM CV (Gasunie) geen publieke overheid is, maar alleen voor 100% in handen van het rijk. Dit roept associaties op met de NAM en met de belastingdienst in de Toeslagenaffaire. Ook bij deze zaken raakten rollen verward, speelden er kwesties rondom geheimhouding en grote politieke druk. Welke rechtszekerheid krijgen derden in dit proces? Het verdient aanbeveling dat dit vooraf duidelijker geregeld wordt zodat burgers bij problemen onafhankelijke bijstand krijgen. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Het is correct dat initiatiefnemer LdM CV geen overheidsinstantie is, maar een onderneming waarvan de aandelen in handen van de overheid zijn en die onder de naam WarmtelinQ in de toekomst een publieke taak als netbeheerder gaat vervullen. Het college van B&W van Delft meent dat de taak- en rolverdeling binnen dit project helder is, waarop normale rechterlijke procedures op van toepassing zijn.

Er is dan ook geen aanleiding om hierover aanvullende afspraken te maken. 12. Tot slot voegt indiener, aangezien naar zijn mening de vergunningen in cluster 2 een op een verbonden zijn met de stukken die eerder ter inzage zijn gelegd, zijn zienswijze tegen cluster 1 nogmaals en integraal in. De beantwoording van deze zienswijze wordt door het college van B&W van Den Haag aangehouden. Het antwoord van het college van B&W van Delft luidt als volgt: Voor de beantwoording van de ingelaste zienswijze inzake de eerder ingediende stukken, wordt verwezen naar de Nota van Beantwoording behorende bij het PIP en de definitieve beschikkingen in cluster 1, met name naar de beantwoording van zienswijze Z51.

Conclusie • Coll. B&W Delft: de zienswijze heeft geen gevolgen voor de beschikkingen van de gemeente Delft.

3.3 Conclusie In totaal zijn er in het kader van cluster 3 vier zienswijzen tijdig ingediend. Deze zijn in paragraaf 3.2 door de bevoegde gezagen inhoudelijk beantwoord en betrokken bij de besluitvorming over de definitieve beschikkingen in dit cluster, met uitzondering van de zienswijzen Z68 en Z70 inzake de omgevingsvergunning van de gemeente Den Haag, waarover nog geen besluit is genomen. Naar aanleiding van de zienswijzen Z65, Z66, Z67 en Z70 is het college van B&W van Delft van mening dat er geen aanleiding is om de definitieve beschikkingen van die gemeente te wijzigen. Inzake de gewijzigde watervergunningen van het Hoogheemraadschap Delfland zijn geen zienswijzen ingediend. Er is geen aanleiding om die beschikkingen te wijzigen.

15

4. Vervolgprocedure De beantwoording van de ingediende zienswijzen maakt deel uit van de besluitvorming door de bevoegde gezagen over de definitieve vergunningen van de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland. Na afgifte van deze definitieve beschikkingen in cluster 3, zullen deze opnieuw gedurende zes weken ter inzage worden gelegd in het kader van de beroepsprocedure. Gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden tegen deze besluiten beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het project onder categorie 1, duurzame energie van bijlage I van de Crisis- en herstelwet valt, zal op die beroepsprocedure artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Dit betekent onder andere dat geen pro forma beroepschriften mogen worden ingediend en dat de Afdeling in principe binnen zes maanden op de ingediende beroepen dient te beslissen. De besluitvorming over de omgevingsvergunning inzake het grondgebied van Den Haag, inclusief de beantwoording van de daartegen ingediende zienswijzen, volgt op een door het college van B&W van Den Haag nader te bepalen moment. Deze maakt derhalve geen deel uit van cluster 3.

5. Afkortingen en begrippenlijst ARD Awb B&W Commissie m.e.r.

GS PCR PIP PS MER m.e.r. NRD

Advies Reikwijdte en Detailniveau, de notitie waarin na inspraak de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER zijn beschreven. Algemene wet bestuursrecht Burgemeester en Wethouders Commissie voor de milieueffectrapportage, onafhankelijke door het Rijk ingestelde commissie die een wettelijke taak heeft inzake de advisering over milieueffectrapporten Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Provinciale coördinatieregeling (wettelijke procedure voor de coördinatie van verschillende vergunningen en andere uitvoeringsbesluiten) Provinciaal inpassingsplan (vergelijkbaar met bestemmingsplan) Provinciale Staten van Zuid-Holland Milieueffectrapport, dat wil zeggen de schriftelijke rapportage van de onderzochte milieuaspecten De procedure voor het opstellen van een MER Notitie reikwijdte en detailniveau, de notitie waarin de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER zijn beschreven

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11245361/1