Kadernota 2027
Tekst van het document
2026 100
2027
2028
2029
2030
De gemeente onderzoekt een mogelijk eigendomsscenario voor een object. Hiervoor brengt de gemeente de kansen en gevolgen van volledig eigendom in beeld. Het onderzoek bestaat uit het opstellen van een onderbouwd plan voor een mogelijke gebruiksfunctie, onderzoeken naar de technische staat en bouwkundige mogelijkheden, de marktwaarde en de juridische 23
omstandigheden, waaronder de contracten met de huidige gebruikers. De kosten voor deze onderzoeken worden globaal ingeschat op € 100.000. Toren Nieuwe Kerk Omvang lasten (bedragen x € 1.000) Economie en vastgoed, dotatie aan Voorziening Vastgoedbedrijf
2026 1.269
2027
2028
2029
2030
De toren van de Nieuwe Kerk is eigendom van de gemeente. Dit betekent dat we verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van tijdig en voldoende onderhoud. Het groot onderhoud vindt plaats in een cyclus van 18 jaar. Op dit moment wordt gewerkt aan de voorbereiding voor het groot onderhoud in 2026/2027. De Europese aanbesteding is afgerond. De kosten van onderhoudswerkzaamheden voor de toren van de Nieuwe Kerk maken onderdeel uit van het Meerjarenonderhoudsplan (MJOP) vastgoed. Via een voorziening wordt geld gereserveerd, via de exploitatie, voor toekomstige onderhoudsuitgaven. Voor de toren is binnen de voorziening een budget van € 4.773.000 beschikbaar. De aanbesteding is (na aftrek van de ontvangen subsidie van € 788.000) € 1,269 miljoen hoger uitgevallen dan het beschikbare budget in de voorziening. Dit bedrag is daarom in 2026 toe te voegen aan de voorziening. Westvest 9, herhuisvesting Erfgoed Omvang (mutatie van de) investering (bedragen x € 1.000) Aanvulling investering Omvang (mutatie van) kapitaallasten (bedragen x € 1.000) Kapitaallasten
2026
2027
2026
2027
2028 350 2028
2029
2030
2029 18
2030 18
Door de opgetreden vertraging in de verbouwing is het investeringsbudget niet meer toereikend door de opgetreden indexatie. Dit betreft een incidenteel benodigd bedrag van € 350.000 voor 2028. 3.11 Overhead Er spelen in deze kadernota geen begrotingsmutaties op dit programma. 3.12
Financiën
Schieoevers indexatie Omvang lasten (bedragen x € 1.000) Aanvullende storting in de bestemmingsreserve Schieoevers
2026 673
2027
2028
2029
2030
Voor het Programma Schieoevers bestaat een financiële businesscase. De businesscase bevat een pakket aan investeringsprojecten met een bijbehorende uitvoeringsplanning. Om de geplande investeringen te kunnen realiseren binnen de afgesproken randvoorwaarden, is het noodzakelijk om de onderliggende kostenramingen jaarlijks te indexeren naar het nieuwe prijspeil 1 januari 2026. Hiervoor zijn aanvullende middelen in de bestemmingsreserve Schieoevers noodzakelijk. De storting betreft € 673.000 in 2026. Schieoevers uitloop fase 1 Omvang lasten (bedragen x € 1.000) Aanvullende storting in de bestemmingsreserve Schieoevers
2026 2.500
2027
2028
2029
2030
24
In 2019 heeft de raad het Definitief Ontwikkelplan Schieoevers Noord vastgesteld. Voor de uitvoering van de eerste fase (investeringsmaatregelen in de openbare ruimte en plankosten) is destijds een financiële businesscase opgesteld en zijn middelen beschikbaar gesteld. De planning was dat in 2029 fase 1 in vergaande uitvoering zou zijn. Inmiddels ligt het bestemmingsplan Schieoevers Noord 1e fase al bijna vier jaar bij de Raad van State. De verwachting is dat in 2031 de voorbereidende werkzaamheden voor de gemeente gereed zullen zijn. Dit heeft extra optimalisaties en planaanpassingen tot gevolg gehad. Naast de uitloop van twee jaar geldt dat de juridische kosten als gevolg van de uitloop van de procedure bij de Raad van State flink zijn opgelopen. Deze kosten waren niet voorzien. Dat geldt ook voor het bestemmingsplan Verbreding Delftse Schie, waarvoor inmiddels ook een Raad van State-procedure is gestart. Er is na een motie en toezeggingen een gebiedscommissie ingesteld. Dit brengt aanvullende kosten met zich mee. Vanuit het voorzichtigheidsprincipe is het voorstel vooralsnog een extra storting van € 2,5 miljoen in 2026 in de bestemmingsreserve Schieoevers te doen. Voor het plegen van onttrekkingen uit de reserve is een separaat college- en raadsbesluit noodzakelijk.
Financieel technisch: toevoeging jaarschijf 2030 (vervangingsinvesteringen) Omvang (mutatie van de) investering (bedragen x € 1.000) Vervangingsinvesteringen (toevoegen jaarschijven 2029 en 2030) Omvang (mutatie van) kapitaallasten (bedragen x € 1.000) Kapitaallasten over investeringen 2029 starten m.i.v. 2030
2026
2027
2028
2029 15.433
2030 15.483
2026
2027
2028
2029
2030 555
Voor de gebruikelijke vervangingsinvesteringen (waterplan/klimaatadaptatie, vervanging van parkeerautomaten, beheerplannen voor civiele constructies, groen en water, waterbergingen, beheerplannen voor openbare verlichting en wegen, voor speelplekken, stadsvernieuwing, verkeersvoorzieningen, tractie en ICT-middelen) zijn jaarschijven 2029 en 2030 toegevoegd, waarvoor vanaf het jaar na oplevering (met ingang van 2030) kapitaallasten zijn te ramen. De specificatie per type investering is in de begrotingswijziging opgenomen (zie bijlage B). Verder is sprake van enkele mutaties op het programma Financiën waarvoor de inhoudelijke toelichtingen al staan opgenomen onder de betreffende programma’s en hier dus niet worden herhaald (zie ook bijlage B). Tenslotte zijn voor het InnovatieDistrict Delft (IDD) enkele budget-neutrale verbeteringen opgenomen, die met name samenhangen met herfaseringen in de tijd; de precieze mutaties zijn in bijlage B opgenomen. Voor een compleet geactualiseerd (cumulatief) bestedingsoverzicht wordt naar paragraaf 3.13 verwezen.
25
Opgaven en Museum Prinsenhof Zoals gebruikelijk wordt in de kadernota ook een korte toelichting gegeven op de drie opgaven Innovatiedistrict Delft, Delft-West en Energietransitie. Het betreft een specificatie van eerder al toegekende middelen. Gezien het beleidsarme karakter van de Kadernota 2027 zijn hieraan geen nieuwe (beleidsrijke) financiële impulsen toegevoegd. Naast de drie opgaven schenken we ook aandacht aan Museum Prinsenhof. 3.13 InnovatieDistrict Delft Begroot bestedingsoverzicht (op basis van eerder al ter beschikking gestelde middelen): Begrote bestedingen 2026-2029 (bedragen x € 1.000)
Reservering Innovatie District Delft (cumulatief) Kwalitatief openbare ruimte Programmakosten IDD (extern) Gebundeld budget Visie en strategie SVRT Uitvoeringsbudget ontwikkelagenda Visie en strategie Uitvoeringsbudget verbindingszone Kruithuisweg Uitvoeringsbudget IDD (intern) Planet B.io Smart Makers Delft (Regiodeal) Circulaire economie Actief werken aan de stad Restant reservering IDD (cumulatief)
Realisatie
-15 -400 -240 -200 -155 -20 -300 0
2026
-300 -200 -200 -310 -150 -270 -150 -102 -50
2027
8.000 -450 -200 -165 -800 -250 -240 -150 -102
2028
2029
-194 -200
-255 -200
-600
-500
-240
-240
2030
-102
-50 0
Vanuit het InnovatieDistrict Delft (IDD) verstevigen we het Delftse innovatieve ecosysteem, waarbij ontmoeten, werken, wonen en leren centraal staat. Om het IDD te ontwikkelen wordt geïnvesteerd. Voor deze ontwikkeling is budget gereserveerd om in de komende jaren stappen te kunnen zetten om het innovatiedistrict economisch, ruimtelijk en sociaal verder te ontwikkelen. Dit is slechts een deel van de middelen die nodig zijn om onze doelen te bereiken. Ook onze partners dragen financieel bij. In de tabel staat het verloop van de besteding van de reservering. Hierbij zijn enkele begrotingsposten budgettair neutraal geactualiseerd. Het budget is hoofdzakelijk verdeeld over programmakosten, verbeteren kwaliteit van de openbare ruimte en visievorming, inclusief bijbehorend uitvoeringsbudget. De gemeentelijke middelen kunnen ook als cofinanciering worden ingezet voor andere bijdragen (bijvoorbeeld van het Rijk). Het is de bedoeling om flexibel en adaptief om te gaan met deze begroting. Het programma voor het InnovatieDistrict Delft maken we immers samen met onze partners en met partijen in de stad.
26
3.14 Delft-West Begroot bestedingsoverzicht (op basis van eerder al ter beschikking gestelde middelen): Begrote bestedingen 2026-2029 (bedragen x € 1.000)
Reservering Delft-West (cumulatief) Schuldhulpverlening Circulaire economie Cofinanciering aanvraag Volkshuisvestingsfonds Coördinatie (ruimtelijke) ontwikkelingen in Delft-West Maatschappelijke diensttijd Groeigroepen horizon Bouwdepot dakloze jongeren Langer en weer thuis Cultuur - capaciteit Capaciteit inclusie, emancipatie en anti-discriminatie Stimuleren sporten, spelen, bewegen recreëren/ontmoeten in OR Onderwijs Nieuwbouw wijkcentrum Buitengewoon Combinatiefunctie: - Matching Brede SPUK cultuur Voorhof en Buitenhof - Inzet cultuur in Tanthof - Programmabudget activiteiten Delft-West Binnen- en buitenschoolse cultuureducatie en -participatie Delft West Projectleider regiodeal Rijke Leerdag (regiodeal) Smart Makers Delft (regiodeal) Wijkuniversiteit (regiodeal) Buurtfabriek (regiodeal) Boostlabs (regiodeal) TR Ambachtscentra (regiodeal) Project Passie met lef Ontmoeten, spelen en bewegen (storting BR Dekking kapitaallasten) Communicatieadviseur armoede Restant reservering Delft-West (cumulatief)
Realisatie t/m 2025
2026
2027
2028
2029
2030
10.000 -652 -51 -48 -45 -197 -1329 -96 -156 -5
-70 -51
-148
-26 -77 -430
-430
-70
-420
-160 -120 -100
-80 -80 -50
-80 -80 -50
-150
-38 -200
-38 -225
-37 -520
-109 -77 -160 -35
-109 -162 -160 -35
-130 -267 -160 -35
-92 -138 -170
-766
-136
-48 -310 -71 521
Om het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid een vliegende start te geven is € 10 miljoen geïnvesteerd vanuit gemeentelijke middelen. Dit is slechts een deel van de middelen die nodig zijn om onze doelen te bereiken. Ook het Rijk draagt flink bij. Het geld is in 2026 bijna volledig gereserveerd. De inzet is erop gericht het restant aan te wenden voor ontmoeten, spelen en bewegen in de buitenruimte. De voortgangsrapportage over 2025 wordt naar verwachting in juni a.s. aan de raad verzonden. 3.15 Energietransitie Kortheidshalve wordt naar deze in april jl. verzonden rapportage (doorklikbare link) over het tweede halfjaar van 2025 verwezen. Voor deze opgave geldt dat de financiële dekkingen in de inhoudelijke programma’s zijn geïntegreerd.
27
3.16 Prinsenhof Bij dit project past een aankondiging voor een benodigde actualisatie van de exploitatiebegroting. De nader te berekenen effecten moeten (uiteindelijk) in 2027 in de Kadernota 2028 landen, omdat in 2028 het museum opent. Met de grootschalige renovatie van Museum Prinsenhof Delft realiseert de stad een nieuw museum van internationale allure. Dit nieuwe ambitieniveau brengt andere en hogere eisen met zich mee voor de organisatie en de bedrijfsvoering dan in de oude situatie. Om dat niveau te kunnen realiseren, zullen de daarvoor benodigde exploitatiekosten mee moeten groeien. Een aantal onderdelen in de structurele exploitatie zijn niet goed realiseerbaar als het kostenniveau niet in de pas loopt met de vernieuwing van het Prinsenhof. Zonder actualisering van het exploitatiebudget ontstaat het risico dat mogelijkheden en ambities na investeringen in renovatie en herinrichting niet benut worden. In de museumsector wordt dit ook wel de 'exploitatieval' genoemd: baten uit nieuwe activiteiten nemen toe, maar die gaan gelijk op met de stijging in kosten voor die activiteiten. De stijging van de vaste (beheers)lasten van het monumentale pand (klimaat en veiligheid) zijn groter dan de structurele groei kan dragen. Recente voorbeelden van het Stedelijk Museum Amsterdam en Museum Arnhem onderstrepen dit risico.
Dat Delft geen uitzondering is, komt naar voren uit het gegeven dat de vaste exploitatielasten voorheen onder het sectorgemiddelde lagen en na verhoging nog steeds lager zijn dan die van de zeven referentiemusea, zoals de Lakenhal en het Dordrechts Museum. Aanpassing van de begroting is dan ook noodzakelijk voor een gezonde organisatie, om niet het risico te lopen dat gedane investeringen niet ten volle worden benut.
28
3.17 Financiële positie Een duurzaam financieel gezonde gemeente heeft een positief begrotingssaldo en voldoet aan de eis van structureel en reëel begrotingsevenwicht 1. Daarnaast is er enige financiële ruimte voor nieuw beleid en is de gemeente wendbaar en weerbaar. De Programmabegroting 2026-2029 heeft in alle jaren een positief saldo. Tevens is sprake van structureel en reëel begrotingsevenwicht wat heeft geleid tot repressief (regulier) toezicht door de provincie Zuid-Holland. De mogelijkheden voor nieuw beleid (exploitatie en investeringen) worden bepaald door de financiële ruimte in het begrotings- en meerjarenbeeld (begrotingssaldo, stelposten) en op de balans (reserveringen, vrije ruimte Algemene reserve). Op basis van de Kadernota 2027 is zowel enige incidentele als structurele ruimte beschikbaar. De financiële ruimte biedt mogelijkheden voor een integrale afweging van voorstellen in de bestuursperiode 2026-2030. Kanttekening hierbij is dat in deze kadernota nog geen rekening is gehouden met extra kosten als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten. Ook is de bekostiging van gemeenten door het Rijk nog met vele onzekerheden omgeven (onder meer jeugdzorg, Wmo, woningbouw, infrastructuur, energietransitie, herziening gemeentefonds). Dit betekent dat vasthouden aan het prudente en robuuste begrotingsbeleid van de afgelopen jaren gewenst is.
Wendbaarheid gaat over flexibiliteit van budgetten en beïnvloedbaarheid van beleid. Veel inkomsten en uitgaven van gemeenten liggen vast en zijn – zeker op korte termijn – beperkt bij te sturen (dit geldt bijvoorbeeld voor kapitaallasten, wettelijke taken in het sociaal domein en onderwijshuisvesting). Als het bestuur andere accenten wil leggen en/of nieuwe prioriteiten wil stellen, kan dit op basis van de wendbaarheid van de begroting (‘nieuw voor oud’). Een vuistregel is dat van de totale begroting circa 10% beïnvloedbaar is. De kengetallen Structurele exploitatieruimte, Belastingcapaciteit en Grondexploitaties geven een indicatie van de wendbaarheid (zie hierna de tabel met scores voor Delft). Bij weerbaarheid gaat het over de financiële buffer in de Algemene reserve die nodig is voor het opvangen van risico’s en onverwachte tegenvallers. De weerbaarheid hangt samen met de wendbaarheid. Een lage wendbaarheid vraagt om een hogere weerbaarheid, omdat het aanpassen van de financiële huishouding dan meer tijd kost. De kengetallen over het weerstandsvermogen (weerstandsratio), schulden (netto schuldquote en gecorrigeerde netto schuldquote) en eigen vermogen (solvabiliteit) geven een indicatie van de weerbaarheid (zie hierna de tabel met scores voor Delft). Financiële kengetallen Hierna volgt een overzicht van de financiële kengetallen.
De financiële kengetallen over belastingcapaciteit, grondexploitatie en structurele exploitatieruimte geven inzicht in de wendbaarheid van de gemeentelijke financiën. Tegelijkertijd geven kengetallen over schulden (netto schuldquote en gecorrigeerde netto schuldquote) en eigen vermogen (solvabiliteit) een helder beeld van de weerbaarheid. Voor inzicht in de financiële positie schrijft het Besluit Begroting en Verantwoording voor gemeenten (BBV) zes financiële kengetallen voor. Een kengetal (of financiële ratio) is een 1 Structurele lasten zijn gedekt door structurele baten, ramingen zijn volledig en realistisch (zie Gemeentewet, artikel
189, lid 2 en artikel 203, lid 1.
29
verhoudingsgetal dat is opgebouwd uit exploitatie- en/of balanscijfers. Bij de kengetallen hoort een samenhangende beoordeling van de scores in relatie tot de signaleringswaarden die de provincie als financieel toezichthouder hanteert. Tabel: Signaleringswaarden Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK) 2020 gemeenten Kengetallen Netto schuldquote Gecorrigeerde netto schuldquote Solvabiliteitsratio Kengetal grondexploitaties Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit
Minst risicovol
Neutraal
Meest risicovol
<90% <90% >50% <20% >0% <95%
90-130% 90-130% 20-50% 20-35% 0% 95-105%
>130% >130% <20% >35% <0% >105%
Toelichting: de signaleringswaarden zijn geen doel, maar gelden als te een hanteren maximum (schuldquotes, grondexploitaties, belastingcapaciteit) of minimum (solvabiliteit, structurele exploitatieruimte) en fungeren als referentie voor de beoordeling. Een nadere toelichting op de betekenis van de verschillende indicatoren staat in de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing van de Programmabegroting 2026-2029 en het Jaarverslag 2025. Tabel: Kengetallen Gemeente Delft Kengetallen Netto schuldquote Gecorrigeerde netto schuldquote Solvabiliteitsratio Kengetal grondexploitaties Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit
Prognose 2026 48,5% 36,6% 49,5% -1,1% 0,7% 116,9%
Prognose 2027 56,1% 44,6% 50,3% -1,0% 1,3% 116,9%
Prognose 2028 62,8% 51,9% 47,2% 0,0% 2,5% 116,9%
Prognose 2029 68,8% 58,4% 45,4% 0,0% 2,1% 116,9%
De Delftse scores per kengetal zijn positief; ze voldoen aan de norm voor het weerstandsvermogen en overschrijden de signaleringswaarden uit het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtskader (GKT 2020 Gemeenten) van de provincie niet. Enige uitzondering hierop is het kengetal Belastingcapaciteit waarvan de score als risicovol wordt gekwalificeerd. Dit kengetal geeft inzicht in de belastingdruk (OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing) ten opzichte van het landelijk gemiddelde en daarmee in de ruimte voor belastingverhoging. NB: ‘risicovol’ heeft betrekking op de cijfermatige mogelijkheid om aanvullende inkomsten vanuit hogere woonlasten te kunnen realiseren, die als beperkt wordt gezien. Het zegt niet iets over de vrije politieke keuze die daarover is te maken. De weerstandsratio is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (Algemene reserve) en de benodigde weerstandscapaciteit (op basis van het risicoprofiel). De score van het kengetal is 2,1 (‘uitstekend’) en laat zien hoe weerbaar de gemeente is door de aanwezigheid van financiële buffers waarmee eventuele tegenvallers kunnen worden opgevangen. Na aftrek van de benodigde weerstandscapaciteit voor het risicoprofiel bevat de Algemene reserve vrij aanwendbare ruimte. In Delft is deze ruimte deels als dekking geoormerkt voor de opgaven (cofinanciering, Delft-West, IDD, museum Prinsenhof, Gelatinebrug).
Voor de cofinanciering is het van belang te benoemen dat het risico speelt dat specifieke uitkeringen/subsidies terugbetaald moeten worden in situaties van niet tijdig opleveren/nakomen van afspraken (realisatie woningen en infrastructurele maatregelen). Tevens is rekening gehouden met een reservering voor de groei van de stad (investeringen uit de Strategische 30
Investeringsagenda) en voor prioriteiten in de nieuwe bestuursperiode. Voor meer informatie over de omvang van de algemene reserve wordt verwezen naar het jaarverslag 2025 dat kort voorafgaand aan deze kadernota aan de raad is verzonden. De stadsschuld beïnvloedt de weerbaarheid omdat een toename van de schuld leidt tot hogere uitgaven voor rente van leningen. Deze uitgaven liggen vast en beperken de flexibiliteit van de begroting. De totale schuld van Delft is € 426 miljoen. De scores van de kengetallen Netto schuldquote en Gecorrigeerde netto schuldquote worden als minst risicovol gekwalificeerd. Dit betekent dat er enige ruimte is voor extra financiering van toekomstige investeringen door middel van leningen. Het eigen vermogen van de gemeente Delft bestaat uit de Algemene reserve en de bestemmingsreserves en laat zien in welke mate de bezittingen niet met schuld belast zijn. Dit komt tot uitdrukking in de score van de solvabiliteitsratio die voldoende is. Hoe hoger de solvabiliteit, hoe beter de weerbaarheid. Van belang is of tegenover het eigen vermogen liquide middelen staan. Als dit niet of onvoldoende het geval is, leidt de inzet van het eigen vermogen als dekkingsmiddel tot het aantrekken van leningen. Dit beïnvloedt de weerbaarheid (daling weerstandsvermogen) en de wendbaarheid (stijging rentekosten).
De wendbaarheid van de exploitatie komt tot uitdrukking in de kengetallen Grondexploitatie en Structurele exploitatieruimte. Omdat de grondpositie beperkt is en structurele baten toereikend zijn voor de structurele lasten zijn de scores als minst risicovol gekwalificeerd. De Belastingcapaciteit gaat over de hoogte van de OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De score voor Delft valt in de categorie ‘meest risicovol’. De hoge score komt mede door extra verhogingen van de OZB in 2023 (+6%) en 2025 (+7%), die noodzakelijk waren, omdat het Rijk geen reële compensatie biedt voor taken en voorzieningen waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn. Deze relatieve hoogte van de woonlasten beperkt de wendbaarheid van de begroting, omdat de ruimte voor extra belastingverhogingen cijfermatig bezien beperkt is.
Samenvattend: het positieve begrotingssaldo, het weerstandsvermogen en de beheersbare stadsschuld dragen bij aan de financiële gezondheid van de gemeente Delft. De cijfermatige ruimte voor belastingverhogingen is klein. Er is enige ruimte voor nieuw beleid, ook is Delft wendbaar en weerbaar. Als gevolg van de geopolitieke spanningen en de voortdurende onzekerheid over de bekostiging van de gemeenten door het Rijk is de uitdaging voor de komende jaren om een balans te vinden tussen kostenbeheersing en een voorzieningenniveau dat past bij de ambities en groei van Delft. Dit kan door te blijven sturen op realistische ramingen van investeringen, lasten, baten en reservemutaties (uitvoerbaarheid), zorg te dragen voor voldoende financiële ruimte in de begroting (betaalbaarheid) en door de financiële kengetallen te monitoren en zo nodig bij te sturen (financierbaarheid).
31
Bijlage A: Strategische Investeringsagenda (SIA) Wat is een Strategische Investeringsagenda? De stad blijft groeien en zich ontwikkelen. Dat uit zich in diverse opgaven, gebiedsontwikkelingen en beleidsambities. De Strategische Investeringsagenda (SIA) geeft inzicht in geplande investeringen en benodigde investeringen met een tijdshorizon tot en met 2040. Dit inzicht is belangrijk voor raad en college om keuzes te maken en te kunnen bijsturen op veranderende maatschappelijke, organisatorische en financiële omstandigheden. De SIA is beeldvormend, niet uitputtend en kan door raad en college worden gebruikt als een dynamisch instrument om de besluitvorming bij kadernota en programmabegroting te ondersteunen. Een planhorizon die verder gaat dan de reguliere planperiode (vier jaar) is van belang, omdat de drie grote opgaven van de gemeente Delft (Delft-West, Innovatiedistrict Delft en de Energietransitie) een lange doorlooptijd kennen. Dat geldt ook voor diverse gebiedsontwikkelingen en beleidsambities. En niet alleen de gemeente, ook partners om ons heen werken met een lange planhorizon. Zo heeft de gemeente Delft de afgelopen jaren forse (rijks-)subsidies binnengehaald voor projecten met langere doorlooptijden. Denk bijvoorbeeld aan infrastructurele werkzaamheden met een bestedingsdoorlooptijd van 10 jaar, gekoppeld aan de realisatie van voldoende woningen.
Een Strategische Investeringsagenda met een langere planhorizon geeft inzicht in lange termijneffecten van bestaande, geplande en toekomstige investeringen. Zoals de benodigde realisatiekracht, de ontwikkeling van de kapitaallasten na de huidige planperiode en de gevolgen voor de financiële positie van de gemeente (financiële ruimte en balanspositie). Het inzicht op basis van de SIA stelt ons in staat om vanuit een langetermijnperspectief integrale en realistische keuzes te maken, waarbij we rekening moeten houden met nadere beleidskeuzes, financiële mogelijkheden én de uitvoeringskracht van de organisatie, nu en in de toekomst. Dat doen we door iedere kadernota een geactualiseerde SIA op te nemen en uit de SIA te selecteren over welke investeringen in ieder geval een besluit genomen moet worden. De SIA kan ondersteunend zijn op het moment dat de raad een concrete investeringsbeslissing heeft te nemen. Welke investeringen staan in de Programmabegroting 2026-2029? Op de balans per 31 december 2025 staat een boekwaarde van onze huidige materiële vaste activa van circa € 404 miljoen. Met het investeringsprogramma, zoals dat is opgenomen in de Programmabegroting 2026-2029, komt daar circa € 550 miljoen bij. De kapitaallasten die voortvloeien uit dit investeringsprogramma stijgen de komende jaren en kennen een piek van € 27 miljoen in het jaar 2031/2032.
Bij de berekening van deze kapitaallasten is rekening gehouden met een stijgende rente. Voor het dekken van de afschrijvingslasten is al rekening gehouden met een jaarlijks onttrekking aan de reserve dekking kapitaallasten. De reserve dekking kapitaallasten wordt in principe alleen gevuld en aangewend voor eenmalige investeringen (met andere woorden: niet voor investeringen die in de toekomst weer om vervangingsinvesteringen vragen). Het restant van de afschrijvingslasten komt ten laste van de jaarlijkse exploitatie (begrotings- en meerjarenbeeld). 32
Figuur: Ontwikkeling kapitaallasten 2024-2040
De lasten (afschrijvingen en rente) voortvloeiende uit deze investeringsportefeuille zijn ook in de periode na 2029 op te vangen binnen de bestaande meerjarenbegroting.
33
Over welke investeringen besluiten we deze kadernota? In de Kadernota 2027 is een aantal nieuwe investeringsvoorstellen opgenomen. Met de investeringsvoorstellen stijgt het vastgestelde investeringsprogramma uit de Programmabegroting 2026-2029 met circa € 68 miljoen waarvan € 31 miljoen voor de jaarlijkse vervangingsinvesteringen. Bedragen x € 1.000
Tabel: Investeringsvoorstellen Kadernota 2027 Jaarlijkse vervangingsinvesteringen 2029 en 2030: Meubilair Waterplan / klimaatadaptatie Vervanging parkeerautomaten Beheerplan civiele constructies Beheerplan groen en water Waterberging Beheerplan wegen Beheerplan openbare verlichting Speelplekken Stadsvernieuwing Tractie Verkeersvoorzieningen ICT investeringen Overige voorstellen: Bruggen over de Schie Integrale herinrichting Voorhof-Zuid Vergroenen Gasthuisplaats IHP School Gillis Delfia OHP 2027 Activering investeringsbijdrage subsidieregeling grote monumentale kerkgebouwen met nationale betekenis Erfpacht Laga Duurzame toekomst Westvest 9 Totaal
30.916 P2 50 P3 550 P4 300 P6 8.000 P6 4.000 P6 1.200 P6 7.600 P6 5.000 P6 1.000 P6 460 P6 556 P6 800 P10 1.400
SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA SIA 36.893
P6 P6 P6 P8 P8
3.500 23.057 950 8.000 218
SIA SIA SIA SIA
P8
250 P10 568 P10 350
SIA 67.809
Om de kapitaallasten beheersbaar te houden, is het belangrijk dat we de ontwikkeling van de omvang volgen. De kapitaallasten als gevolg van de investeringsvoorstellen in de Kadernota 2027 veranderen in de jaren 2027 tot en met 2029 marginaal (ca. € 200.000 jaar); vanaf 2030 met circa € 0,9 miljoen per jaar oplopend naar € 2,3 miljoen vanaf 2031. Dit betekent dat de huidige piek aan kapitaallasten in de periode 2029-2031 op circa € 29 miljoen (2031/2032) komt te liggen. Op een begroting met een totale omzet van circa € 550 miljoen is dit circa 5,3 %.
34
Figuur: Ontwikkeling kapitaallasten 2024-2040 inclusief kadernota 2027
Met financiële ruimte voor toekomstige investeringen hebben we in de Kadernota 2026 en bij de Programmabegroting 2026-2029 rekening gehouden door middel van de reservering Groei van de stad (Algemene reserve). Over welke investeringen in de Strategische Investeringsagenda moet nog besluitvorming plaatsvinden? De SIA is opgebouwd vanuit de opgaven, gebiedsontwikkelingen en huidige beleidsinhoudelijke uitgangspunten. De totale bruto omvang van de SIA (2030 - 2040) bedraagt circa € 1.337 miljoen. Van deze € 1.337 miljoen is ca. 27 % (€ 361) al gedekt door reguliere instandhoudingsinvesteringen (€ 184 miljoen) en diverse projecten (€ 177 miljoen) met reeds toegekende rijkssubsidies. Van het overige deel (ca. € 976 miljoen) blijft na aftrek van subsidies (o.a. Rijk, MRDH), evenals bijdragen van ontwikkelende partijen volgens de nota Kostenverhaal, een netto investeringsaandeel over van ongeveer € 700 miljoen voor de gemeente Delft. Dit geldt uiteraard alleen als besloten wordt om daadwerkelijk alle investeringen uit het SIA te doen, in aanvulling op de investeringen uit de Programmabegroting 2026-2029 en de voorstellen in deze kadernota (KN2027). De ingeslagen weg om medefinanciering van externe partners te verkrijgen is succesvol. Die wordt voortgezet. Het indicatieve investeringsvolume van de SIA (2030 - 2040) is gemiddeld € 121 miljoen per jaar (€ 1.337 miljoen in 11 jaar).
Dit ligt ver boven het gerealiseerde investeringsvolume in 2024 en 2025 van gemiddeld € 47 miljoen per jaar. Het benadrukt de aanzienlijke financiële inzet en de realisatiekracht die nodig zijn. Let wel: bedragen in de SIA zijn indicatief en er moet nog veel worden uitgewerkt.
35
Over de investeringen in de SIA (2030-2040) die nog niet gedekt zijn hoeven we op korte termijn nog geen keuze te maken. Noodzakelijk geachte investeringen op de korte termijn zijn immers onderdeel van deze kadernota. Wat duidelijk is, is dat we voor de lange termijn te maken krijgen met (besluitvorming over) aanzienlijke investeringen en dat de kapitaallasten zullen stijgen naarmate de investeringen toenemen. Dit moet passen binnen de beschikbare uitvoeringscapaciteit en de bestaande financiële kaders. Indeling van de Strategische Investeringsagenda Voor de investeringen in de SIA hebben we gekozen voor een indeling in drie verschillende categorieën: 1. Strategische Investeringen: deze zijn gekoppeld aan de groei van de stad. Voorbeelden zijn onze drie grote opgaven, gebiedsontwikkelingen (Schieoevers/Innovatie District Delft), Mobiliteitsprogramma Delft 2040, ontwikkelplan Maatschappelijke voorzieningen en Klimaatadaptatie en Duurzaamheid. 2. Verbeteren bestaande activa: voor diverse activa is alleen in stand houden niet meer voldoende. Renovatie, verduurzaming, maar ook toekomstbestendig maken van onze assets (zoals vastgoedbezit). Voorbeelden: Integraal Huisvestingsplan Onderwijshuisvesting, Cultuur (Prinsenhof, Rietveldtheater, Theater de Veste), overig gemeentelijk vastgoed en investeringsagenda Sport. 3.
In stand houden activa: betreft diverse beheerplannen binnen de Openbare Ruimte, instandhoudingsprojecten Vastgoed en de bedrijfsmiddelen. Figuur: Overzicht investeringen 2026-2040
36
De bedragen in bovenstaande figuur beslaan de cijfers 2026-2030 (blauw) zoals vastgesteld in de recente cyclusdocumenten (inclusief KN2027). De 2e groep 2030-2040 (oranje) (SIA) betreffen de investeringen waarover nog besluiten genomen moeten worden. Voor de eerste twee categorieën van investeringen (strategische en verbetering bestaande activa) moeten we zorgvuldig keuzes maken en budgetten reserveren. Bij de besluitvorming houden we rekening met de financiële ruimte en met de uitvoeringskracht die nodig is om investeringen succesvol te realiseren. In de afgelopen jaren hebben we deze aanpak gevolgd bij grote ontwikkelingen zoals Schieoevers, Prinsenhof en de Gelatinebrug. Voor de derde categorie—het in stand houden van activa—ontvangt de gemeente in principe middelen uit het gemeentefonds. Deze middelen stellen ons in staat om bestaande voorzieningen in stand te houden. In het vervolg lichten we de cijfers uit het SIA (oranje) per categorie nader toe. Hieronder volgt een toelichting per categorie. Categorie 1 - Strategische investeringen
37
NB: Onder deze investeringen vallen ook projecten waar al wel financiële ruimte voor is. Het gaat dan bijvoorbeeld om grondexploitaties die de raad heeft vastgesteld en de verschillende infrastructurele projecten, waarvoor de afgelopen jaren rijkssubsidie is binnengehaald. Toelichting: Delft-West (grondexploitaties, Versnellingsgelden en Woningbouwimpuls (WBI)-gelden) – ca. € 56 miljoen Onderdeel van deze investeringen zijn onder andere de besteding van de versnellingsgelden en WBI-gelden binnen Delft-West. Ook de door de raad goedgekeurde grondexploitatie Kop van de Buitenhof valt hieronder. Dit geldt nog niet voor de grondexploitaties Gillis Delfia en de Reiger, die de raad nog moet vaststellen, en het project Hasseltlaan (facilitaire ontwikkeling). Energietransitie – ca. € 155 miljoen Het Rijk financiert gemeenten meerjarig, in ieder geval tot en met 2030, voor de uitvoering van het Klimaatakkoord. De gemeente draagt financieel bij aan de aanleg van het Open Warmtenet vanuit het Fonds Delft 2040. Daarnaast heeft de gemeenteraad middelen beschikbaar gesteld voor het isolatieplan en warmte-uitvoeringsplannen. Met deze middelen is de fase tot 2030 financieel redelijk voorzien. Voor de fase 2030 tot 2040 (10.000 woningen Warmtenet 2e fase en 15.000 woningen isoleren) moeten we, gezien de ambities 2040, nog flinke stappen zetten om de doelstellingen te behalen.
Daarvoor zijn investeringen nodig. De aanleg van een warmtenet betaalt zich nog niet terug. Hier ligt een duidelijke rol voor de (rijks-)overheid. Het bedrag ad € 155 miljoen is een zeer indicatieve (genormeerde) raming van mogelijke extra investeringen, die niet altijd (en zeker niet volledig) voor rekening van de gemeente komen. Schieoevers/Innovatiedistrict Delft (IDD) – ca. € 246 miljoen In de (door-)ontwikkeling van Schieoevers hebben we een fasering aangebracht: fase 1 tot 2030 en fase 2 van 2030 tot 2040. Met name voor die tweede fase zijn nog geen middelen toegekend, terwijl de opgave wel een lange-termijn-ambitie betreft. Onder dit bedrag vallen ook de investeringen waarvoor wij subsidies hebben binnengehaald. Het betreft vooral infrastructurele werkzaamheden en mobiliteitsmaatregelen: o.a. hartlijn, park, fietstunnel onder het spoor en bijbehorende plankosten. Groei van de Stad (ontwikkelperspectief maatschappelijke voorzieningen) – ca. € 198 miljoen Onze stad heeft voldoende, kwalitatief goede en betaalbare maatschappelijke voorzieningen nodig, die aansluiten op de wensen van de (toekomstige) bewoners en gebruikers. Ook de openbare voorzieningen kunnen bijdragen aan ontmoeten, ontwikkelen en meedoen voor alle Delftenaren. Een eerste indicatieve (grove) raming vraagt om een investering van ca. € 198 miljoen.
Dit betreft de volgende onderdelen: welzijn/ontmoeting, sport (binnensport, buitensport en zwemmen) en cultuur. Deze investeringen komen niet altijd (en zeker niet volledig) voor rekening van de gemeente. NB:
Voor het onderdeel Cultuur zit hier de duidelijke link naar het IHP Cultuur. Deze is dus niet apart opgenomen, maar is vooralsnog onderdeel van het ontwikkelperspectief.
38
Mobiliteitsprogramma 2040 – ca. € 31 miljoen (€ 3 miljoen per jaar) Op 28 januari 2021 heeft de gemeenteraad het Mobiliteitsprogramma 2040 (MPD) vastgesteld. De Adaptieve Mobiliteitsagenda 2040 is het uitvoeringsprogramma voor het MPD. Hierin staan projecten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen uit het MPD. In 2026 komt er een update van de Adaptieve Mobiliteitsagenda. Deze middelen (ca. € 3 miljoen per jaar) kunnen ook gebruikt worden als cofinanciering/vliegwiel voor mobiliteitsprojecten, waarvoor we subsidie bij de MRDH kunnen krijgen. Categorie 2 - Verbeteren Vaste activa
Toelichting: Vastgoed: toekomstbestendig maken panden – ca. € 34 miljoen Ons eigen vastgoedbezit is op enig moment toe aan renovatie of sloop/nieuwbouw. Naast het reguliere onderhoud is een uitgangspunt dat na 25 jaar sprake kan zijn van renovatie en na 50 jaar van sloop/nieuwbouw, tenzij het een monument is. In de periode 2030 tot en met 2040 is naar de huidige inzichten in de vastgoedportefeuille voor 15 objecten een investeringsvolume van ca. € 34 miljoen geïnventariseerd. In de meeste gevallen zullen wij deze investeringen doorberekenen in de kostprijsdekkende huur. De maatschappelijke functie van onze panden, waarin onze maatschappelijke partners meestal de activiteiten verzorgen maakt echter dat niet altijd alle huisvestingskosten hieruit gedekt kunnen worden. Door middel van subsidie aan maatschappelijke activiteiten draagt de gemeente dan bij aan het behouden van deze activiteiten.
39
Theater de Veste – ca. € 75 miljoen De raad heeft besloten om niet eerder dan in 2028 af te wegen of een volgende verkennende fase voor het project nieuwbouw Theater de Veste opgestart kan worden. Gezien de verwachte doorlooptijd van een mogelijk nieuwbouwproject voor een theater, kan het gebouw waarschijnlijk niet eerder dan in 2035 zijn deuren openen. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het IHPCultuur, waarbij de investering in Theater de Veste in de periode 2035-2040 zijn beslag krijgt. Hoewel de omvang nog niet exact te bepalen is, gaan we in de SIA uit van een mogelijke investering in de periode 2035-2040 van ca. € 75 miljoen2. IHP (onderwijs) - ca. € 346 miljoen Het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2025-2041 geeft voor de opgave voor onderwijshuisvesting voor de eerste vier jaar een concrete planning en voor de jaren daarna een doorkijk voor 12 jaar. De opgave onderwijshuisvesting in Delft is fors, net als in de rest van Nederland. De bekostiging vanuit het Rijk blijft ver achter bij wat nodig is om de inhaalslag op het gebied van onderwijshuisvesting te kunnen financieren. De totale opgave is terug te vinden in het IHP 20252041 en beslaat voor de periode (2030-2040) een bedrag van ca. € 346 miljoen. Categorie 3 - In stand houden activa
Toelichting: Beheerplannen openbare ruimte – ca. € 166 miljoen Beheer en onderhoud van de openbare ruimte is een kerntaak van de gemeente. Een goede openbare ruimte draagt bij aan het welzijn en de veiligheid van de gebruikers van de openbare 2 Hierbij moet aangetekend worden dat via een inventarisatie voor de raad begin 2024 meerdere scenario’s met
diverse bandbreedtes tot € 85 miljoen in kaart zijn gebracht. Ook is op te merken dat die scenario’s op basis van prijspeil 2023 zijn opgesteld waardoor nog met substantiële kostenstijging rekening is te houden.
40
ruimte. Op basis van het integrale beheersysteem en de diverse schouw- en inspectierondes worden via de beheerplannen keuzes gemaakt voor de instandhouding of vervanging en daarvoor benodigde middelen. De beheerplannen geven op korte en middellange termijn (twintig jaar) aan wanneer welke onderhouds- en vervangingsmaatregelen genomen moeten worden om het kapitaalgoed in stand te houden. Voor de langere termijn hebben we de Nota Kapitaalgoederen opgesteld. Deze geeft een theoretische weergave van de vervangingsopgave voor de periode van twintig tot honderd jaar. Indicatief is een bedrag ad € 166 miljoen opgenomen voor de periode 2030 tot en met 2040. Dit is als volgt verdeeld over de verschillende beheerplannen:
Bedrijfsmiddelen – ca. € 18 miljoen Gemiddeld wordt ook voor ca. € 1,6 miljoen per jaar rekening gehouden met noodzakelijke investeringen in bedrijfsmiddelen. Daarbij kan gedacht worden aan (vervangings-)investeringen parkeerautomaten, tractie, meubilair en ICT-voorzieningen.
41
Samenvatting SIA De SIA biedt een integraal en indicatief overzicht van lange-termijn-investeringen, gekoppeld aan de doelen en opgaven na de huidige planperiode (2030-2040). De SIA bestaat uit (1) strategische investeringen, (2) verbetering van bestaande activa en (3) investeringen voor het in stand houden van activa. In de Kadernota 2027 hebben we alleen de noodzakelijk geachte investeringen op korte termijn toegevoegd. Bruto heeft de SIA een omvang van circa € 1.337 miljoen. Hiervan is € 361 miljoen al financieel gedekt. Van het resterende deel (€ 976 miljoen) blijft er, na aftrek van subsidies (Rijk, MRDH) en bijdragen van ontwikkelende partijen op basis van de nota Kostenverhaal, een netto investeringsaandeel van circa € 700 miljoen voor de gemeente Delft. Keuzes over deze investeringen in de SIA moeten overwegend nog gemaakt worden. Dat hoeft niet op de korte termijn. Het vergt in de toekomstige kadernota’s een integrale afweging die rekening houdt met uitvoeringskracht en financiële ruimte voor kapitaallasten (vanwege oplopende kapitaallasten). De huidige uitvoeringskracht zorgt voor een jaarlijks investeringsniveau tussen de € 45 en € 55 miljoen. In de Kadernota 2027 is voor wat betreft het toekennen van investeringen de focus gelegd op de noodzakelijk geachte (onvermijdelijke) investeringen op korte termijn.
Er wordt gewerkt aan een verder inhoudelijk afwegings-/prioriteringskader. Met behulp van dit kader dient inzichtelijk te worden gemaakt of en in welke volgorde de verschillende investeringen kunnen worden opgepakt. Naast uitvoeringskracht is de netcongestie zeer actueel als nieuwe uitdagende factor. Dit kader zal bij de Programmabegroting 2027-2030 worden aangeboden.
42
Bijlage B: 10e begrotingswijziging 2026 (begrotingswijziging Kadernota 2027) Zie separate bijlage B; opgesteld in het gebruikelijke model voor begrotingswijzigingen. De begrotingswijziging voor de Kadernota 2027 bevat mutaties met consequenties voor 2026 en verder. Tekstuele toelichtingen op de mutaties per programma zijn te vinden in paragraaf 3.1 en verder van deze kadernota. De begrotingswijziging leidt tot bijstelling van de vastgestelde begroting 2026 (Programmabegroting 2026-2029). Op het voorblad van de begrotingswijziging staat een standaardtekst over het besluit tot wijziging van de vastgestelde begroting. De meerjarenraming wordt hierbij, formeel bezien, voor kennisgeving aangenomen. In de begrotingswijziging wordt, naast wijziging van het eerder vastgestelde begrotingsjaar, voor een compleet beeld ook inzicht gegeven in de meerjarige consequenties. In het begrotings- en meerjarenbeeld van de kadernota wordt hiermee vervolgens rekening gehouden. De formele vaststelling van die consequenties voor het meerjarenbeeld vindt plaats bij de vaststelling van de begroting voor het betreffende jaar. Leeswijzer bij de begrotingswijziging: • •
In de kolommen ‘lasten’ en ‘baten’ betekent een negatief bedrag lagere lasten (=voordeel) of lagere baten (=nadeel). Een positief bedrag betekent hogere lasten (=nadeel) of hogere baten (=voordeel). In de kolom ‘saldo’ betekent een negatief bedrag een nadeel en een positief bedrag een voordeel voor het begrotingssaldo.
43
Bijlage C1: 1e Algemene Raadsbegrotingswijziging 2026 Zie separate bijlage, opgesteld in het gebruikelijke model. In de Algemene Raadsbegrotingswijziging (ARB) zijn budgetneutrale voorstellen opgenomen en/of besluiten die geen effect hebben op de beleidsdoelstellingen en die niet leiden tot aanpassing van het begrotingssaldo. Leeswijzer bij de ARB: • • •
In een ARB zijn de lasten en baten op totaalniveau in alle jaren aan elkaar gelijk. Dit betekent dat een ARB per saldo geen effect heeft op het begrotingssaldo. Wel kan het niveau van de lasten en/of de baten per programma wijzigen. In de kolommen ‘lasten’ en ‘baten’ betekent een negatief bedrag lagere lasten (=voordeel) of lagere baten (=nadeel). Een positief bedrag betekent hogere lasten (=nadeel) of hogere baten (=voordeel). In de kolom ‘saldo’ betekent een negatief bedrag een nadeel en een positief bedrag een voordeel voor het begrotingssaldo.
44
Bijlage C2: Toelichting 1e Algemene Raadsbegrotingswijziging 2026 Tekstuele toelichting Hierna volgt een toelichting op de mutaties in de 1e ARB van 2026. 1. Formatiewijziging Deze wijziging betreft een administratieve verschuiving van formatie. 2. Budgetoverheveling telefoonapplicatie De overheveling van het budget heeft betrekking op de telefoonapplicatie van de facilitaire ondersteuning. 3. Onderhoud gemeentelijke website naar Publieke Dienstverlening Dit is een structurele budgetoverheveling voor de overdracht van onderhoudsbudget voor de gemeentelijke website. 4. Brede SPUK 2026 – correctie indexatie Het onterecht indexeren van de Brede SPUK-regeling over het begrotingsjaar 2026 wordt met deze mutatie gecorrigeerd. 5. Verstedelijkingsalliantie 2026-2027 Met deze begrotingswijziging wordt het budget voor de Verstedelijkingsalliantie in de programmabegroting voor de jaren 2026 en 2027 opgenomen. Het betreft een bedrag van € 240.000 voor het jaar 2026 en een bedrag van € 250.000 voor het jaar 2027. 6. Actualisatie Schieoevers Dit betreft de juiste fasering van de actualisatie businesscase Schieoevers. 7. Gezonde schoolpleinen De gemeente Delft heeft eenmalig € 90.000 ontvangen voor het ‘gezonder’ inrichten van schoolpleinen. Deze middelen worden met deze begrotingswijziging in 2026 verwerkt. 8.
Frontoffice facilitair realistisch ramen Een financieel-technische correctie binnen het domein frontoffice-facilitair. 9. Implementatie Omgevingswet Dit betreft incidentele middelen in 2026 voor de verdere doorontwikkeling van de implementatie van de Omgevingswet. De dekking komt uit de bestemmingsreserve Beleid en uitvoering. Vanuit het gemeentefonds zijn eerder middelen voor de Omgevingswet in deze bestemmingsreserve gestort. 10. Qantum ecosysteem Zuid Holland fase 2 Deze begrotingswijziging verwerkt de subsidietoekenning vanuit de MRDH (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) voor het ‘Quantum ecosysteem ZH fase 2 - startup & scale-up support’ voor een bedrag van € 281.250. 45
11. Nul emissiezone - duurzaam zoneren Dit betreft de verwerking in de begroting van de ‘CDOKE – Energietransitie en duurzaam zoneren’. In het begrotingsjaar 2026 gaat het om een bedrag van € 390.000 en in 2027 om € 155.000. Voor de jaren 2028 t/m 2030 vindt de dekking plaats vanuit de bestemmingsreserve Energie in de wijken. 12. Veiligheid advies - actualisering o.b.v. beschikkingen 2026-2029 Deze mutatie gaat over de actualisering van de budgetten betreffende de specifieke uitkering (Spuk) versterking van de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme voor de jaren 2026 t/m 2029. 13. Huurvergoeding Oude Langendijk 13 en Voldersgracht 20a De actualisatie van de verhuuropbrengsten en huurkosten op de fietslocaties aan de Oude Langendijk 13 en aan de Voldersgracht 20a wordt met deze mutatie geraamd. 14. Budgetoverheveling informatie-uitwisseling WVggz Deze kosten worden vanaf begrotingsjaar 2026 geraamd binnen het programma Gezonde en sociale stad (Wmo) i.p.v. binnen het programma Stad en bestuur. 15. Invullen taakstelling publieke dienstverlening Dit betreft de invulling van de taakstelling publieke dienstverlening. 16. Overheveling Overhead / Stad en bestuur Dit betreft een budget-neutrale overheveling tussen Overhead en programma Stad en Bestuur. 17.
Inzet van diverse subsidies circulaire economie Dit betreft de financieel-technische verwerking van diverse rijkssubsidies voor de circulaire economie. 18. Diverse rijkssubsidies milieubeheer Enkele rijkssubsidies op projecten binnen taakveld milieubeheer (die doorlopen in 2026) worden met deze wijziging verwerkt. 19. Inbreng Spuks en Regiodeal 2026 Actualisatie uitgaven en inkomsten jaarschijven 2026 t/m 2028 inzake de regiodeal en de SPUK Kansrijke Wijken 1e en 2e tranche. De mutatie van de Algemene reserve betreft de actualisatie van de besteding van de € 10 miljoen Delft-West voor de cofinanciering Regiodeal. In 2025 is er minder onttrokken aan de reserve en dat schuift nu door naar 2026 t/m 2028.
46
Bijlage D: Uitgangspunten Programmabegroting 20272030 Deze bijlage bevat de uitgangspunten voor het opstellen van de Programmabegroting 20272030. Financieel toezicht provincie Zuid-Holland Op basis van de Gemeentewet moet de begroting structureel en reëel in evenwicht zijn. Structureel evenwicht houdt in dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten (per jaarschijf). Lasten en baten moeten reëel geraamd zijn. Concreet houdt dit in dat we een goede inschatting maken van hoeveel taken kosten, hoeveel opbrengsten binnenkomen en hoeveel eventueel bespaard kan worden met het nemen van maatregelen. Jaarlijks verstuurt de provincie Zuid-Holland een begrotingscirculaire met uitgangspunten voor de komende begroting.
Actuele onderwerpen voor 2027 zijn: • Voor het inzicht in het structurele evenwicht is de nieuwe notitie Structurele en incidentele baten en lasten van de commissie BBV het kader (maart 2026); • Herijking gemeentefonds per 1 januari 2027 (meicirculaire 2026) • Jeugdzorg: - stelposten zijn toegestaan voor verkorten van de trajectduur (Delft: € 308.000) en het invoeren van een eigen bijdrage in de jeugdzorg (Delft: € 1,18 miljoen); - invulling maatregelen uit hervormingsagenda inclusief indexering 50% (Delft: € 2,3 miljoen); - niet vooruitlopen op tweede advies commissie-Van Ark over financieel kader; • De meicirculaire 2026 is leidend voor de verwerking van het rijksbeleid uit het coalitieakkoord ‘Aan de slag’; • Een nieuw kader voor specifieke stelposten voor onderuitputting volgt in mei vanuit het provinciaal toezicht. Financiële positie Het behoud van een duurzaam financieel gezonde gemeente is een randvoorwaarde bij het opstellen en uitvoeren van de Programmabegroting 2027-2030. De programmabegroting geeft nader inzicht in de financiële positie via de volgende vragen. Bij beantwoording van de vragen maken we duidelijk welke specifieke informatie, zoals financiële kengetallen, we gebruiken. A.
Is de begroting structureel en reëel in evenwicht? • Structurele lasten zijn gedekt door structurele baten; • Ramingen van lasten, baten en reservemutaties zijn volledig en realistisch. B. Is er ruimte voor nieuw beleid? • Toelichting op begroting en meerjarenraming: begrotingssaldo, stelposten en taakstellingen, verhouding bestaand en nieuw beleid; • Toelichting op de vrij besteedbare ruimte in de Algemene reserve: risicoprofiel, reservering Groei van de stad, incidentele dekkingsmiddelen. C. Zijn we financieel wendbaar en weerbaar? • Financiële kengetallen over schuld, solvabiliteit, grondexploitatie, exploitatieruimte en belastingcapaciteit (op basis van Besluit Begroting en Verantwoording), inclusief een 47
• • •
toelichting en vergelijking met de signaleringswaarden uit het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten); Weerstandsratio (beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit op basis van het risicoprofiel) inclusief een toelichting en vergelijk met de Weerstandsnorm uit het GTK 2020 Gemeenten; Renterisico en kasgeldlimiet (Wet Financiering decentrale overheden); EMU-saldo.
Nominale ontwikkeling De begroting van Delft wordt geraamd in constante prijzen. Dit betekent dat het begrotings- en meerjarenbeeld jaarlijks wordt aangepast aan het prijspeil voor het nieuwe begrotingsjaar. Bij het aanpassen van het prijspeil houden we rekening met de actuele loon- en prijsontwikkeling. Het gaat dan om de budgetten voor salariskosten, materiële kosten (inclusief verbonden partijen, subsidies en vastgoed), investeringen en de tarieven. Een deel van de inkomsten die de gemeente ontvangt via het gemeentefonds, is bedoeld voor inflatiecorrectie (de zogenoemde nominale ontwikkeling). Deze inkomsten worden bepaald door de groei van de Nederlandse economie, gemeten via het bruto binnenlands product (BBP). De actuele indices voor het BBP staan in het Centraal Economisch Plan (CEP, maart 2026) van het Centraal Planbureau (CPB) en worden gebruikt voor de berekening van de financiële ruimte voor gemeenten. De concrete verdeling over de gemeenten volgt in de meicirculaire. Op basis van de meicirculaire wordt een begrotingsvoorstel opgesteld voor toe te kennen indexeringen in de Programmabegroting 2027-2030. Effecten hoge energie- en brandstofprijzen De compensatie die gemeenten ontvangen voor het lopende jaar wordt jaarlijks in de meicirculaire vastgesteld en daarna niet meer gewijzigd.
Dit betekent dat gemeenten geen aanvullende compensatie ontvangen voor de eventuele extra inflatie in het lopende jaar na de meicirculaire. Omdat van deze extra inflatie in de laatste kwartalen van het jaar al jaren sprake is, lopen gemeenten veel geld mis. Vanwege deze structurele tekortkoming in de voeding van het gemeentefonds bepleit de VNG het toevoegen van nacalculatie na afloop van het lopende jaar. Door de oorlog in het Midden-Oosten stijgt de inflatie. Hiervoor ontvangen gemeenten vooralsnog geen compensatie. Bij de begrotingsvoorbereiding wordt nader bezien met welke extra inflatie rekening moet worden gehouden en welke financiële ruimte hiervoor beschikbaar is binnen de begroting van Delft en of nadere maatregelen van het kabinet voldoende compensatie bieden voor gemeenten. De extra inflatie leidt tot hogere prijzen waarvoor partijen waarmee de gemeente samenwerkt, gecompenseerd willen worden. Afspraken hierover worden gemaakt op basis van de Uniforme Administratieve Voorwaarden 2012 en de Standaardregeling die de heeft VNG opgesteld. Voor inkomensondersteuning van inwoners in een kwetsbare positie en voor verduurzaming heeft het kabinet een pakket maatregelen samengesteld. Voor komende winter wordt een Tijdelijk Noodfonds Energie ingesteld (€ 195 miljoen).
Gemeenten krijgen via de bestaande specifieke uitkering Energiearmoede-middelen extra middelen voor ondersteuning van de doelgroep door Energiefixers (2 x € 40 miljoen in 2026 en 2027). Ook komen er extra middelen voor verduurzaming in de kwetsbaarste wijken via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (3 x € 5 miljoen in 2026, 2027 en 2028). 48
Voor de ontwikkeling van de salariskosten in 2027 (loonontwikkeling en pensioenpremie) gebruiken we de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) die is afgesloten voor de periode 1 april 2025 tot en met 31 maart 2027 (6,7% + € 35 voor 2 jaar) en het premiebeleid van het ABP. Voor de periode na afloop van de cao wordt een inschatting gedaan op basis van de index Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers: 4,1%. Voor de budgetten voor goederen en diensten (van derden) hanteren we de index voor materiële overheidsconsumptie: 2,1%. Voor de tarieven geldt in principe een maximale stijging van 2,1%, in lijn met de consumentenprijsindex, tenzij kostendekkendheid om een andere (gemotiveerde) aanpassing vraagt. Gemeenschappelijke regelingen ontvangen elk jaar in december (jaar t) een kaderbrief met de inflatiecorrectie voor de nieuwe begroting (t+2). In dit indexcijfer is tevens rekening gehouden met actualiseringen voor het lopende jaar (t) en voor het begrotingsjaar (t+1). De nominale ontwikkeling is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van drie indices: de loonvoet sector overheid, de prijsontwikkeling van overheidsconsumptie (IMOC) en de prijsontwikkeling van overheidsinvesteringen (lBOl). De weging van deze indices is respectievelijk 60%, 20% en 20%.
De indexering voor de nieuwe begroting 2027 en de bijstelling voor het lopende begrotingsjaar is gebaseerd op de Macro Economische Verkenning 2026 (MEV 2026, september 2025). De vaststelling van de index voor het afgelopen jaar 2025 is gebaseerd op het Centraal Economisch Plan (CEP 2025, februari 2025). Voor uitgaande subsidies is tot nu toe compensatie gegeven voor een gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling (op basis van de index Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers) en materiële kostenontwikkeling (op basis van de index Prijs materiële overheidsconsumptie). Uitgangspunt is dat 70% van de subsidie betrekking heeft op salarissen en 30% op materiële kosten. Voorstel is om deze systematiek aan te passen naar aanleiding van de motie 7.1.5 ‘Realistische indexatie van subsidies’ die is aangenomen bij de raadsbehandeling van de Programmabegroting 2026-2029 (13 november 2025). De motie draagt op om bij de Kadernota 2027 inzichtelijk te maken welke systematiek realistische indexatie van subsidies mogelijk maakt, waarbij rekening gehouden wordt met: - de kosten van indexatie op basis van werkelijke kostenstijgingen; - de mogelijkheid om een realistische indexatie met terugwerkende kracht door te voeren. Voorstel is om aan de motie invulling te geven door wijzigingen in te hanteren indices en het toepassen van nacalculatie.
Naar verwachting verbetert hierdoor de aansluiting op de werkelijke kostenontwikkeling van subsidierelaties. Ook sluit deze methodiek beter aan bij de prijscompensatie die de gemeente ontvangt uit het gemeentefonds. Voorstel 1: in de systematiek voor indexering van subsidies bij de loonontwikkeling de index Prijs Overheidsconsumptie (IPOC) vervangen door de index Loonvoet sector overheid. Voor de prijsontwikkeling de index Materiële Overheidsconsumptie (IMOC) handhaven en de index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) toevoegen. Voorstel 2: in de systematiek voor indexering van subsidies geen wijziging aanbrengen in de gewichten voor het aandeel lonen en het aandeel prijzen in de loon- en prijsontwikkeling van de subsidies. 49
Voorstel 3: in de systematiek voor de indexering van subsidies nacalculatie toevoegen voor het begrotingsjaar (bijstelling jaar t+1) en het lopende jaar (vaststelling jaar t). Voorstel 4: de nieuwe systematiek voor de indexering van subsidies met ingang van de Kadernota 2027 op te nemen als uitgangspunt voor de nieuwe begroting. Op basis van deze voorstellen is de inflatiecorrectie hoger dan de vigerende systematiek: in 2025 (+1,39%), 2026 (+1,09%) en 2027 (+0,1%). Omdat niet zeker is of dit een bestendige lijn is en of hiermee voldoende tegemoet wordt gekomen aan de werkelijke kostenstijgingen (prijs en volume), is het volgende voorstel nog toegevoegd: Voorstel 5: na een periode van vijf jaar monitoren hoe de indexatie volgens deze nieuwe systematiek zich verhoudt tot de reële kostenstijgingen in de diverse sectoren en dan besluiten of dit opnieuw bijstelling van de systematiek vereist. Voor het Vastgoedbedrijf hanteren we voor de nieuwe begroting de nominale ontwikkeling die specifiek van toepassing is op vastgoed. Op basis van de uitgangspunten van de Vastgoedanalyse worden de nominale ontwikkelingen voor het Vastgoedbedrijf bepaald. Het Vastgoedbedrijf huurt een aantal panden van derden. Externe partijen passen de huur jaarlijks aan op basis van bestaande contracten.
Om de ramingen en de werkelijke huurkosten in overeenstemming te brengen, wordt het vastgoedspecifieke percentage voor huurkosten toegepast. Bij investeringsprojecten moet vooraf rekening worden gehouden met de benodigde indexering, gedurende de gehele looptijd van het project. Dit is onderdeel van het voorstel om een investeringsproject te starten en middelen daarvoor toegekend te krijgen. In uitzonderlijke gevallen kan bij een investeringsproject desondanks extra inflatiecorrectie noodzakelijk zijn, door vertraging of boventrendmatige prijsstijging. We hebben daarvoor in de Kadernota 2024 (€ 6 miljoen incidenteel voor ontvangen rijkssubsidies) en via de Programmabegroting 2026-2029 (€ 300.000 structureel voor het investeringsprogramma) extra middelen gereserveerd. Elk jaar beoordelen we of het noodzakelijk is om investeringsbudgetten op te hogen en om investeringen te herfaseren. Dat is onderdeel van het actualiseren van het investeringsprogramma. Bij deze beoordeling betrekken we de jaarlijks terugkerende investeringen en investeringen in de beheerplannen, grondexploitaties en bijvoorbeeld de businesscase Schieoevers. Ook voor onderwijshuisvesting worden de geraamde investeringsbedragen zo nodig aangepast aan de hand van de meest recente index voor utiliteitsbouw, zoals gepubliceerd in het Bouwkostenkompas.
De uitkomsten zijn onderdeel van het voorstel voor de bouwsteen Investeringen in de nieuwe begroting. Daarbij houden we rekening met de beschikbare financiële ruimte voor loon- en prijsontwikkeling. Onroerendezaakbelasting (OZB) Bij de OZB gaat het om drie belastingen: • OZB-eigenaren woningen (OZB EW) • OZB-eigenaren niet-woningen (OZB ENW) • OZB-gebruikers niet-woningen (OZB GNW) Voor het opstellen van de voorstellen voor de OZB-tarieven gebruikt de gemeente een rekenmodel met als uitgangspunt de sturing op de totale OZB-opbrengst. Dit is onafhankelijk 50
van de waardeontwikkeling van objecten. De Regionale Belastinggroep (RBG) levert jaarlijks voor het rekenmodel een dataset die bestaat uit gegevens over: • de totale WOZ-waarde en waardeontwikkeling van woningen in eigendom en van nietwoningen in eigendom en gebruik; • de correctiefactoren voor bezwaar, oninbaarheid en leegstand. In het rekenmodel zijn de volgende bestuurlijke keuzes verwerkt: 1. Indexering van de totale opbrengst Een voorstel voor inflatiecorrectie vanaf 2027 wordt voorbereid met inachtneming van het actuele percentage voor de consumentenprijsindex (CPI). De opbrengst van deze inflatiecorrectie maakt deel uit van de nominale ontwikkeling en draagt bij aan de bekostiging van de loon- en prijsbijstelling voor 2027. 2. Negatieve maatstaf in het gemeentefonds In het gemeentefonds is voor de belastingcapaciteit per gemeente een negatieve maatstaf opgenomen. Dit betekent een korting op de algemene uitkering op basis van een inschatting van de lokale opbrengst van de OZB. Jaarlijks berekenen de beheerders van het gemeentefonds deze maatstaf opnieuw op basis van de waarde onroerende zaken (WOZ) en een landelijk rekentarief. Bij de indexatie van de totale OZB-opbrengst houden we rekening met een gewogen gemiddelde van de ontwikkeling van de negatieve maatstaf en de CPI. 3.