CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Inspiratiedocument aanpak problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 9 februari 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel over Vaststellen prioriteiten veiligheidsplan 2023-2026 ‘Samen veilig in Delft’ (2303028)18.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

INSPIRATIEDOCUMENT AANPAK PROBLEMATISCH GROEPSGEDRAG IN HET DIGITALE TIJDPERK Gemeente Zoetermeer, Den Haag & Delft

Drs. J.B.A. van den Broek & Dr. R.A. Roks Partner in Crime & Erasmus School of Law - Erasmus Universiteit Rotterdam In opdracht van: Gemeente Zoetermeer, Den Haag en Delft

1. INLEIDING ................................................................................................ 3 2. ERVARINGEN UIT AMSTERDAM ........................................................ 6 3. DIGITALE BEKWAAMHEID ................................................................. 11 Digikamers .................................................................................................... 11 Digitaal district .............................................................................................. 13 Online Jongerenwerk .................................................................................... 16 4. KENNIS (ONLINE) STRAAT- EN JONGERENCULTUUR ............. 21 Cappen voor Clout?....................................................................................... 21 Handreiking rivaliserend groepsgedrag in een hybride werkelijkheid ........... 22 Drillboekje voor professionals ....................................................................... 23 Functie Netwerkmakelaar ............................................................................. 24 5. DUIDELIJKE (JURIDISCHE) KADERS ............................................. 26 6. CONCRETE TOOLS .............................................................................. 31 Social media en strafrecht .............................................................................

31 Drillrap en strafrecht ..................................................................................... 36 Social media en bestuursrecht ...................................................................... 40 Meldpunt Openbare Orde Content (MOOC) ................................................. 41 Experiment preventieve interventie op social media .................................... 42 7. OVERKOEPELENDE LESSEN ............................................................ 44 8. LITERATUURLIJST............................................................................... 48

2

1.

INLEIDING

De afgelopen jaren worden professionals binnen het jeugdveiligheidsdomein in toenemende mate geconfronteerd met casuïstiek waarin niet alleen de fysieke buitenruimte, maar ook nadrukkelijk het online domein een voorname rol speelt. Met de digitalisering van onze samenleving blijken ook straat-georiënteerde jongeren – jongeren die in meer of mindere mate waarde hechten aan elementen van straatcultuur – veelvuldig gebruik te maken van digitale technologieën en platformen. Een goed voorbeeld hiervan vormen rivaliserende jeugdgroepen die elkaar de afgelopen jaren niet alleen in het offline domein, maar ook nadrukkelijk online naar het leven stonden. Dat dergelijke conflicten uiteindelijk niet zonder uitzondering in de publieke buitenruimte worden uitgevochten, hebben we de afgelopen jaren met enige regelmaat in de media kunnen zien. Zo zullen de steek- en schietpartij op de Pier van Scheveningen en de gewelddadige dood van Jay-Ronne Grootfaam in Amsterdam-Zuidoost veel mensen nog helder voor de geest staan. Bovengenoemde incidenten lijken zicht te geven op de hybridisering van straatcultuur, waarbij on- en offline door elkaar heen lopen en elkaar voortdurend beïnvloeden. Hoewel we steeds meer zicht krijgen op de contouren van deze hybride werkelijkheid, wordt deze door zowel professionals als wetenschappers nog onvoldoende begrepen.

Ook in de regio Zoetermeer – Den Haag – Delft worden professionals geconfronteerd met casuïstiek waarin het online domein een belangrijke rol lijkt te vertegenwoordigen. In het bijzonder geven de drie gemeenten aan zich zorgen te maken over de manier waarop rivaliserende jongeren uit de verschillende gemeenten elkaar op social media uitdagen, beledigen en bedreigen – waarbij ook drillrap een rol lijkt te spelen – en hoe dit in sommige gevallen leidt tot fysiek geweld. Zoals zo vaak blijft deze casuïstiek onder invloed van social media niet beperkt tot de grenzen van een specifieke gemeente, maar verwordt deze nadrukkelijk tot gebiedsoverstijgende problematiek. De opdrachtgevers van het onderhavige onderzoek geven aan uitdagingen te ervaren met betrekking tot deze betrekkelijk nieuwe werkelijkheid en vragen om handvatten om hier adequater op te kunnen reageren. Om deze uitdagingen te concretiseren hebben we in een vooronderzoek1 bij lokale professionals uitgevraagd welke knelpunten, zorgen en behoeften zij ervaren met betrekking tot problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk. Op basis van de afgenomen interviews en vragenlijsten bleken professionals uit Delft, Den Haag en Zoetermeer jeugdproblematiek waarbij social media en drillrap een rol spelen in grote mate te herkennen en bovendien inderdaad uitdagingen te ervaren met betrekking tot de aanpak van deze casuïstiek.

Meer specifiek vallen op basis van dit vooronderzoek vier concrete behoeften te destilleren van lokale professionals werkzaam bij onder andere de gemeente, politie, jongerenwerk, Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming en in het onderwijs.

1

Zie “Problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk: de knelpunten, zorgen en behoeften rondom online problematisch groepsgedrag van professionals in Zoetermeer, Delft en Den Haag (Moussaid, Van den Broek & Roks, 2022)” en de bijbehorende infographic.

3

(1) De behoefte aan meer digitale bekwaamheid: hoe krijg ik als professional online beter zicht op wat er speelt? (2) De behoefte aan meer kennis over (online) straat- en jeugdcultuur: hoe dien ik als professional te duiden wat ik online zie? (3) De behoefte aan duidelijke (juridische) kaders: wat mag ik als professional wel en niet om online beter zicht te krijgen op wat er speelt? (4) De behoefte aan concrete tools: welke mogelijkheden heb ik als professional om groepsgedrag in het digitale tijdperk aan te pakken? Bovenstaande behoeften kwamen voor de onderzoekers niet als verrassing, omdat ze geenszins zijn voorbehouden aan de regio Haaglanden2. Overal in Nederland zien we dat gemeenten aan de hand van de digitalisering van straatcultuur en problematisch groepsgedrag worden geconfronteerd met vergelijkbare uitdagingen en zodoende in veel gevallen vergelijkbare behoeften kennen. Om deze reden zien we dat op veel verschillende plekken in het land partijen aan de slag gaan om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Dit heeft geleid tot mooie initiatieven, maar ook tot een wildgroei aan projecten en een gebrek aan overzicht. Daarbij valt op dat gemeenten – maar ook andere professionals in het jeugdveiligheidsdomein – vaak maar matig op de hoogte zijn van wat er bij andere gemeenten gebeurt.

Vanwege het gebrek aan kennis en overzicht van wat er in Nederland al voor mooie dingen gebeuren met betrekking tot de aanpak van problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk, is in overleg met de opdrachtgever besloten op te halen welke ideeën in de rest van het land worden ontplooid en welke waarde deze initiatieven kunnen vertegenwoordigen voor de aanpak in regio Haaglanden. Onderstaand document bevat een overzicht van verschillende interventies met betrekking tot de aanpak van problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk, dat tegemoetkomt aan de behoeften van lokale professionals en kan dienen als onderligger voor de integrale aanpak van deze problematiek. De hoofdvraag van dit onderzoek was: Welke succesvolle interventies zijn er de afgelopen jaren in Nederland ontwikkeld met betrekking tot problematisch groepsgedrag in een hybride werkelijkheid en hoe kunnen deze good practices de integrale aanpak van deze problematiek verbeteren? Voor de beantwoording van deze vraag hebben we een beknopt literatuuronderzoek verricht, maar hebben we met name professionals werkzaam op verschillende plaatsen in het land gesproken. We hebben ons hierbij op zowel preventieve als meer repressieve interventies gericht, waarbij ook nadrukkelijk aandacht is besteed aan bestuurlijke en strafrechtelijke maatregelen.

In totaal zijn hiervoor 11 interviews afgenomen met 13 respondenten die allen gevraagd zijn naar het ontstaan van hun initiatieven, ideeën en interventies en dan met name naar de werkzame bestanddelen hiervan. Daarnaast hebben we hen gevraagd om – waar mogelijk – openbare documenten te delen waarin hun manier van werken wordt beschreven 2

Omwille van de leesbaarheid zal soms worden gesproken over “regio Haaglanden” om gemeenten Zoetermeer, Den Haag en Delft aan te duiden. Deze aanduiding is ook inhoudelijk passend omdat problematisch groepsgedrag onder invloed van digitalisering vrijwel altijd gebiedsoverstijgend is – en dus niet precies beperkt blijft tot de grenzen van de gemeenten die als opdrachtgever van dit onderzoek gelden.

4

en/of geëvalueerd. Hoewel de gemeenten Delft, Den Haag en Zoetermeer opdrachtgever van dit onderzoek zijn, is problematisch groepsgedrag een thema dat een integrale aanpak vereist. Onze dataverzameling heeft zich daarom niet beperkt tot gemeentelijke interventies. Zoals in de hoofdvraag beschreven staat, hebben we ons gericht op interventies die de integrale aanpak in brede zin kunnen verbeteren. Om deze reden komen in dit onderzoek ook nadrukkelijk interventies van partijen als het Openbaar Ministerie, jongerenwerk en politie aan bod. De interventies die in deze uitgave worden besproken zijn in grote mate ongelijksoortig. In sommige gevallen gaat het om volledig uitgewerkte werkwijzen, in andere gevallen om ideeën die grotendeels nog vorm moeten krijgen. Sommige interventies zijn omvangrijk, andere opvallend klein(schalig). Waar sommige interventies uitgebreid geëvalueerd zijn, moeten sommige hun waarde in de praktijk nog grotendeels bewijzen. Deze bonte verzameling van good practices is zodoende niet evidence based, maar moet vooral worden gezien als een bron van inspiratie en een praktische handreiking. Aan de hand van dit document hopen we (in onze ogen goede) ideeën te kunnen aanreiken aan professionals die binnen hun werk handelingsverlegenheid ervaren met betrekking tot de aanpak van problematisch groepsgedrag dat zich deels in het online domein afspeelt.

De opsomming in deze uitgave is bovendien in geen enkel opzicht limitatief: er zijn ongetwijfeld nog veel andere waardevolle initiatieven te vinden in het Nederlandse jeugdveiligheidsdomein die aan de aandacht van de onderzoekers en de scope van dit beknopte onderzoek zijn ontsnapt. In dat opzicht moet dit inspiratiedocument vooral gezien worden als een verkenning, een eerste aanzet en een uitnodiging om goede ideeën met elkaar te delen. Deze uitgave vormt zodoende eerder een vertrekpunt dan een eindopsomming. In dit rapport bespreken we ideeën en interventies die tegemoetkomen aan een van de vier eerder benoemde behoeften. Per good practice bespreken we wat deze inhoudt, waarom deze waardevol is, welke werkzame bestanddelen deze bevat en welke uitdagingen deze met zich meebrengt. In hoofdstuk 3 staan de good practices centraal die tegemoetkomen aan de behoefte aan digitale bekwaamheid centraal. In hoofdstuk 4 verkennen we de ideeën die kunnen helpen bij de behoefte aan kennis over straat- en jongerencultuur. Hoofdstuk 5 kent als focus de (juridische) kaders die voorhanden zijn, terwijl in hoofdstuk 6 concrete tools worden aangereikt. In hoofdstuk 7 bespreken we de overkoepelende lessen die naar voren komen uit de verkenning van de verschillende good practices.

Tevens benoemen we daar een aantal stappen die in de (nabije) toekomst gezet kunnen worden om het online domein een integraal onderdeel van de aanpak van problematisch groepsgedrag te maken. We beginnen dit onderzoek echter met een schets van de manier waarop er in Amsterdam sinds 2019 is omgegaan met het verschijnsel van rivaliserend groepsgedrag in het digitale tijdperk. Dit hoofdstuk vormt de opmaat tot de bespreking van de verschillende good practices.

5

2.

ERVARINGEN UIT AMSTERDAM

Nederland werd op 3 september 2019 opgeschrikt door een steekincident met dodelijke afloop voor de Bijlmerflat Florijn. Tijdens een korte confrontatie tussen jongeren van twee rivaliserende drillrapgroepen wordt Jay-Ronne Grootfaam – een van de frontmannen van FOG (Fully op Gevaar) uit Venserpolder – met een machete in zijn hals gestoken. Een dag later overleed Grootfaam, die ook wel bekend stond onder de rapnamen RS en TrappyDemon, op 18-jarige leeftijd in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. In een nieuwsbericht van 21 mei 2021 schrijft het Openbaar Ministerie het volgende over dit incident: Uit onderzoek blijkt dat het slachtoffer en de verdachten tot verschillende groepen behoorden die al een jaar ruzie hadden. Die twee groepen binnen de drillrapscene zijn FOG (Fully op Gevaar) waartoe het slachtoffer behoorde en KSB (Kikkensteinbende) waar de beide verdachten bij horen. Uit het onderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat de aanleiding voor die ruzie mogelijk gelegen is in een steekincident dat op 14 augustus 2018 heeft plaatsgevonden op de Agatha Christiesingel in Amsterdam waarbij leden van de rapgroep KSB gewond waren geraakt. De drillrapvete tussen FOG en KSB wordt op diverse sociale media gevoed met videoclips en berichten over en weer.

Ook na het dodelijke steekincident zijn er diverse videoclips op sociale media gepubliceerd waarin sommige leden van beide groepen elkaar vernederen. Ook wordt de strijd soms aangewakkerd door buitenstaanders of volgers. De strijd tussen de groepen wordt daardoor alleen maar uitvergroot. In het bovenstaande verhaal vallen gelijkenissen te ontdekken met de uitdagingen waarmee professionals in de gemeenten Delft, Den Haag en Zoetermeer zich geconfronteerd zien. In dit hoofdstuk geven we een korte beschrijving van de manier waarop er in Amsterdam is omgegaan met de aanpak van rivaliserend groepsgedrag. We doen dit aan de hand van een interview met iemand die nauw bij de aanpak betrokken was. Hoe heeft de aanpak van rivaliserend groepsgedrag in Amsterdam, mede naar aanleiding van het bovengenoemde incident, vorm gekregen? Wat waren de uitdagingen en welke lessen zijn er geleerd die nuttig en relevant zijn voor professionals in andere gemeenten die te maken hebben met vergelijkbare fenomenen?

“Omdat ik drill niet snapte” De respondent is werkzaam als netwerkspecialist bij de politie-eenheid Amsterdam. In die functie is hij naar eigen zeggen verantwoordelijk voor het bouwen van netwerken met iedereen die woont, werkt en leeft in Amsterdam Zuidoost. Dat komt ook nadrukkelijk naar voren in het verhaal dat hij vertelt over de aanpak van rivaliserende drillrapgroepen in Amsterdam Zuidoost. Een eerste belangrijke stap nadat hij in aanraking kwam met drill door de dood van Grootfaam, was dat hij zich de muziek en de bijbehorende cultuur probeerde eigen te maken. Naar eigen 6

zeggen omdat hij “drill niet snapte”. Hij verdiepte zich in de in Nederland in die periode opkomende muziekstroming door via zijn netwerk in het stadsdeel in contact te komen met jongeren die hem uitleg konden geven over het fenomeen. In het bijzonder om beter te kunnen begrijpen wat hij zag in de clips en hoorde in de nummers. Na deze eerste verdieping zag hij veel facetten terug die hij kende uit andere jeugdgroepen en straatcultuur in bredere zin. Na het beter begrijpen van drillmuziek en de bijbehorende online drillrapcultuur zocht hij ook nadrukkelijk verbinding met de jongeren die onderdeel uitmaken van drillgroepen in Amsterdam Zuidoost. Voor een deel kon hij zich vanwege zijn eigen jeugd en afkomst identificeren met deze doelgroep. Daarbij gaf hij aan dat het belangrijk is om met een open vizier het contact aan te gaan, niet direct te veroordelen, maar om tegelijkertijd in de woorden van de respondent wel “straight” te zijn tegen de jongeren: “ik ben er om je te helpen, maar als je schuin oversteekt, ben ik ook degene die je een bekeuring geeft. Ik ben wel van de politie”. Hij is van mening dat deze manier van werken zijn vruchten heeft afgeworpen en dat jongeren het gevoel hadden dat er iemand naar hen luisterde.

“De soap kennen” Aan het steekincident met dodelijke afloop in september 2019 lag, zoals hierboven reeds werd beschreven, een conflict tussen twee rivaliserende groepen ten grondslag: FOG (Fully op Gevaar) en KSB (Kikkensteinbende). Bij de politie hebben ze deze beef gekozen om hun aanpak rond vorm te geven, in het bijzonder omdat veel van de steekincidenten onder jongeren in Amsterdam Zuidoost op een of andere manier vielen te herleiden naar deze vete. Het probleem rondom drill kwam daarmee nadrukkelijk op de politieke agenda in Amsterdam en dit maakte dat er binnen de lokale politie met capaciteit werd geschoven om op het fenomeen te kunnen focussen. Landelijk kwamen er vervolgens nog meer geld, middelen en capaciteit voor de aanpak van drill naar aanleiding van het steekincident met dodelijke afloop op de Pier van Scheveningen in augustus 2020. In het begin bleek het volgens de respondent lastig om goed zicht te krijgen op wat er nu precies speelde onder deze jongeren, in het bijzonder omdat het ging om een relatief nieuw fenomeen in Nederland. Bovendien speelde de rivaliteit zich voor een belangrijk deel af op social media en in de muziek, op plekken die voor een groot deel aan het zicht van de professionals onttrokken bleven. Belangrijk in de vete tussen FOG en KSB was het om “de soap te kennen”, te weten wie erbij betrokken zijn en wat de verhaallijn is.

Ten aanzien van de steekincidenten betekende dat het maken van een tijdlijn die onder andere werd gevoed door informatie uit de muziek die deze jongeren online hadden verspreid. In de zoektocht naar het beter begrijpen van het fenomeen, gaf respondent aan dat hij niet alleen heeft geopereerd, maar dat hij nadrukkelijk de verbinding heeft gezocht met andere partners in de aanpak die goed thuis waren in de materie. Hierbij waren in zijn woorden “vooral 7

de grasroots organisaties” van groot belang, stichtingen die middels subsidies in de wijk actief zijn. Bovendien vond hij expertise bij het lokale Zorg- en Veilheidshuis (Actiecentrum Veiligheid en Zorg) waardoor beter geduid kon worden wat er naar voren kwam in muziek en op social media. Tegelijkertijd kwam hij in contact met partners die het fenomeen niet kenden en er weinig van begrepen. De respondent stelt dat hij het zag als een verantwoordelijkheid van de politie om informatie over het fenomeen met deze ketenpartners te delen. In het kader daarvan nodigde hij verschillende partijen uit op het bureau om zijn kennis en inzichten te delen, zodat de professionals in de aanpak zo goed mogelijk op de hoogte werden gebracht van ‘de soap’ tussen KSB en FOG en het fenomeen drill in bredere zin. Hierbij was het belangrijk om per partij maatwerk te leveren, omdat ketenpartners duidelijk verschillende kennisniveaus en -behoeften hadden.

“Toen we een groepsaanpak hadden, werd het makkelijk” Het delen van kennis over het fenomeen met ketenpartners kon echter alleen op hoofdlijnen, aangezien informatiedeling tussen partijen maar in beperkte mate is toegestaan. Volgens de respondent verdween deze beperking toen de verschillende groepen konden worden ondergebracht in een groepsaanpak. Een dergelijke structuur zorgt er volgens de respondent immers voor dat er een convenant is en dat er informatie kan worden verzameld en gedeeld. De informatie die relevant was in het licht van deze groepsaanpak was voor een deel afkomstig van de ketenpartners, waaronder van de gemeente: “vanuit Team Veiligheid van de gemeente kregen we dit filmpje doorgestuurd”. De respondent benadrukt dat het wel bijzonder veel vertrouwen vereist tussen mensen binnen verschillende organisaties om informatie te delen. Daarbij werd door de politie ook gewezen op de mogelijkheid om informatie anoniem aan te leveren, in het bijzonder wanneer er nadrukkelijke zorgen waren over wraakacties of bedreigingen, bijvoorbeeld via Team Criminele Inlichtingen en Meld Misdaad Anoniem. De laatste optie bleek toentertijd niet direct een mogelijkheid, omdat beeldmateriaal er niet anoniem gedeeld kon worden. Volgens de respondent wordt daar op dit moment door Meld Misdaad Anoniem aan gewerkt.

Gedurende het gesprek wordt duidelijk dat de respondent in Amsterdam tegen vergelijkbare uitdagingen aanliep als die op het moment worden ervaren in de gemeenten Delft, Den Haag en Zoetermeer. Als de interviewers vragen naar een belangrijke les uit de aanpak in Amsterdam Zuidoost, stelt de respondent: “We hebben echt gewoon de grens opgezocht, steeds in overleg met de beleidsofficier. We hebben gewoon gezegd: we moeten wat, punt”. Cruciaal voor het slagen van deze aanpak bleek het hebben van een gezamenlijk doel. Volgens de respondent voelden de verschillende ketenpartners échte urgentie om dit probleem aan te pakken: “We wilden gewoon dat het geweld stopte, dat wilden we allemaal”. Bovendien was het volgens de respondent belangrijk als politie te laten zien dat je er niet alleen maar bent om die jongens aan te pakken: “Wij moeten soms ingrijpen waar het moet, om de situatie rustig te krijgen. Soms moet een jongen gewoon geveegd worden, en dan gaan we kijken naar verplichte hulpverlening.” 8

Ervaringen uit de groepsaanpak Samen met de partners is er een lijst opgesteld van jongeren die onderdeel uitmaken van de drillrapgroepen in Amsterdam Zuidoost. Daarbij zijn niet de GBA-adressen leidend geweest volgens de respondent: “want zijn dan bijvoorbeeld gelieerd aan drillrapgroep X, maar ze wonen misschien in Gein of Weesp, dat moet niet uitmaken, daar gaan we maatwerktrajecten op draaien”. Ook jongeren die dus niet in Amsterdam Zuidoost stonden ingeschreven werden bij de aanpak betrokken. Er werd een groepsaanpak gedraaid op twee grote groepen en daaromheen werden ook allerlei andere drillrapgroepen in kaart gebracht. Vervolgens konden die andere groepen ook meegenomen worden in de groepsaanpak, simpelweg omdat er allerlei dwarsverbanden en relaties waren met ofwel KSB of FOG. Veel informatie over deze groepen werd online verzameld. Binnen de politie werd gewerkt met een zogenaamd “werken onder dekmantel-traject”, waarbij de politie met afgeschermde accounts kon infiltreren in bepaalde online groepen. Dit alles echter met toestemming van de rechter-commissaris, zo benadrukt hij: “We hebben echt moeten uitleggen dat er een reëel gevaar was voor geweldsincidenten. Er waren een aantal heftige incidenten.

De Albert Heijnsteekpartij was verschrikkelijk, maar heeft wel geholpen voor de bewustwording van dat dit een openbare orde-kwestie is.” Naast het belang van het verzamelen van online informatie, wijst hij op het belang van het sociale verhoor: “Wij lopen er soms tegenaan dat er nooit goede sociale verhoren zijn gedaan bij deze minderjarige jongens. Er wordt niet doorgevraagd! Bijvoorbeeld naar de relatie met ouders. Die sociale verhoren zijn echt een probleem, ook als het gaat om drill. Je kunt soms pas veel later merken hoe belangrijk dat sociaal verhoor kan zijn. Het zijn antwoorden die helpen om te kunnen inschatten in hoeverre we ons zorgen moeten maken over een jongere.” Het gaat, zoals de bovengenoemde werkwijzen duidelijk maken, om het verbinden van online aan offline informatie. De activiteiten van de jongeren in de rivaliserende groepen vragen daarbij niet altijd om een volledig nieuwe aanpak. Ook reeds bestaande interventies lijken nog steeds hun waarde te hebben, zoals het voorbeeld van een gebiedsverbod dat een jongen uit een drillrapgroep kreeg opgelegd voor zowel zijn eigen gebied als dat van een rivaliserende groep. De respondent legde uit dat de driller in kwestie toen geen videoclips meer online plaatste: “Toen hebben we rondgevraagd en toen zeiden ze: als hij nu op de plek waar hij verblijft een clip gaat opnemen zien mensen dat het niet de Bijlmer is.

Dus je doet stoer maar je bent niet eens in je eigen buurt. Dus de clips stopten. En toen had hij één clip geplaatst en er waren twee frames in die clip die ik herkende als de flat van de buurt waar hij staat 9

ingeschreven in de Bijlmer. En ik wist dat hij die beelden niet eerder had kunnen opnemen. Ik kwam dit op het spoor omdat ik alle nieuwe clips altijd meteen bekijk om te weten wat er speelt. Dus toen ik hoorde dat er een nieuwe clip online stond had ik die meteen gecheckt. Als ik sommige dingen dan niet begrijp, vraag ik ze aan de jongerenwerkers of mensen die dicht op die jongens staan.” De respondent deelde zijn bevindingen met een aantal collega’s en die waren het eens dat het een locatie in de Bijlmer betrof. Het gebiedsverbod van de driller is toen verlengd en de respondent heeft hem dit persoonlijk medegedeeld. Er stond eigenlijk een dwangsom op de overtreding van het gebiedsverbod, maar in overleg met de burgemeester is toen besloten om het gebiedsverbod te verlengen in plaats van het innen van de dwangsom: “Zo’n jongen heeft helemaal geen geld en dat zou hem lang kunnen achtervolgen.” Dat de driller hierdoor twee keer drie maanden achter elkaar niet in het gebied mocht komen, heeft erin geresulteerd dat hij nu helemaal niet meer in het gebied komt. Zijn moeder wil hem niet meer in huis hebben, volgens de respondent vanwege zijn gedrag en de gevaarzetting voor zijn broertjes en zusjes. Lange tijd deed hij volgens de respondent overigens alsof hij vastzat, als excuus waarom hij niet meer in de buurt te vinden was.

De respondent meent dat dergelijke interventies een jongere kunnen helpen, omdat hierdoor de druk een beetje wegvalt en het ook als excuus gebruikt kan worden om niet meer op bepaalde plekken in de buurt te komen en niet op bepaalde uitdagingen in te gaan. Uit het bovenstaande verhaal vallen reeds een aantal ideeën te distilleren die aanknopingsmogelijkheden bieden voor de aanpak van problematisch groepsgedrag in de regio Haaglanden. In de komende vier hoofdstukken bespreken we andere good practices die relevant zijn in de context van dit onderzoek en tegemoetkomen aan de diverse door professionals naar voren gebrachte behoeften.

10

3.

DIGITALE BEKWAAMHEID

Uit het vooronderzoek kwam in de eerste plaats naar voren dat professionals van zichzelf en van anderen vinden dat zij niet altijd even goed zijn toegerust op online werken. Professionals zouden in hun ogen – met andere woorden – meer digitaal bekwaam moeten worden. Een van de lokale professionals stelde: “Het allerliefst zou ik hebben dat alle partners om ons heen ook meer digitaal bekwaam raken en hun werkveld gaan verleggen naar het online domein.” Deze digitale bekwaamheid heeft volgens de professionals te maken met zichtbaar zijn op social media, maar vooral met de vaardigheid om online problematisch groepsgedrag vroegtijdig te signaleren en zodoende mee te gaan in de verschuiving naar de online wereld. In het bijzonder zouden de politie en het jongerenwerk – mede omdat zij online de meeste mogelijkheden hebben voor het verkrijgen van inzicht – hun digitale bekwaamheid kunnen verbeteren. In onderstaand hoofdstuk bespreken we een aantal manieren waarop verschillende partijen in het land bezig zijn de digitale bekwaamheid van professionals te verbeteren en welke meerwaarde dit kan hebben voor de aanpak van online problematisch groepsgedrag in regio Haaglanden.

Digikamers De eerste good practice die we bespreken betreft de zogenaamde Digikamer van Politieeenheid Rotterdam. Een Digikamer is, zo legde een van de twee respondenten uit, kortgezegd waar de middelen beschikbaar zijn om het digitale politiewerk te kunnen doen. Alhoewel de term Digikamer bij de onderzoekers de verwachting wekte van een hypermodern ingerichte ruimte, met allerlei hightech hard- en software, bleek niets minder waar. Op een grote wand van de Digikamer was de overkoepelende visie van Digikamers verbeeld. Niet met behulp van grote touchscreens, maar in de vorm van een op de muur geplakte afbeelding die de breedte en hoogte van de wand van de Digikamer bestreek. Tegenover deze wand stonden enkele tafels met daarop enkele computers. Aan enkele wanden hingen grote beeldschermen, maar niet van een andere of betere kwaliteit dan de beeldschermen die we te zien hadden gekregen tijdens onze rondleiding door het pand. Op verschillende manieren was de inrichting van de ruimte daarmee symbolisch voor de Digikamer en de toekomst van het politiewerk: op termijn moet het adagium ‘digitaal is normaal’ verankerd zijn in alle politiemensen. Belangrijk daarbij is dat er op dezelfde manier wordt gekeken naar de online werkelijkheid als naar de offline wereld.

Nu hebben nog niet alle politiemensen die blik en het is een van de taken van de Digikamer om het digitale bewustzijn van de politiemensen te vergroten. Op dit moment geldt: als je het online vraagstuk zelf niet kunt uitvoeren of adresseren, dan is het belangrijk dat je de hulp inschakelt van een collega die dat wel kan. In de Digikamer vinden politiemensen die nog niet zo digitaal bekwaam zijn 11

collega’s die de online realiteit van criminaliteit met de offline politiepraktijk kunnen verbinden. De opdracht voor de Digikamer is dan om digitale vraagstukken, of die nu ad hoc zijn of niet, te vertalen naar bepaalde risico’s. Belangrijk om daarbij op te merken is dat het niet gaat om grote opsporingszaken. Gedurende het interview werd duidelijk dat het doel van de Digikamer toch vooral het digitaal bewust maken van mensen binnen de politieorganisatie is en er, daarnaast, bij een select aantal van deze mensen voor te zorgen dat ze ook digitaal bekwaam worden. Het echte leren van deze digitale vaardigheden gebeurt aan de tafel in de Digikamer. Of zoals een van de respondenten beschreef: “hoe heb je dat nou gedaan? Laat het eens zien”. Aan de ene kant gaat dit om generieke kennis met betrekking tot het brede thema van de digitalisering van criminaliteit, maar het voelt op dit moment binnen de politieorganisatie nog als iets specialistisch. De ambitie is echter dat de digitale wereld verwordt tot een normaal en alledaags onderdeel van het politiewerk en dat is volgens een van de respondenten ook wel de verwachting met instroom van nieuwe, jongere collega’s. De eerste Digikamer kon gevonden worden in Zeeland-West Brabant en was volgens de respondenten expliciet gericht op cybercriminaliteit, zoals marktplaatsfraude.

Ook voor Rotterdam is dat voor een deel relevant, maar het sloot tegelijkertijd niet direct aan op de grootstedelijke problematiek, met name waar het ging om rivaliserende drillrapgroepen in de stad. Met de inspiratie van de Digikamer in Zeeland-West Brabant zijn ze in Rotterdam aan de slag gegaan om iets op poten te krijgen dat wel aansluit bij de actuele problematiek in de stad en hun behoeften. Een overkoepelende les is dat er volgens een van de respondenten succes ontstaat wanneer je mensen aan elkaar weet te verbinden die een gemeenschappelijk probleem ervaren en daar een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor voelen. Uit het interview kunnen diverse voorwaarden worden gedistilleerd die ten grondslag liggen aan de Rotterdamse Digikamer. Allereerst is het belangrijk dat een teamleiding het belang van een Digikamer ziet. Het is namelijk een investering en een van de respondenten merkte op dat er in eerste instantie verschillen van inzicht waren binnen de teamleiding over het nut en de noodzaak van een Digikamer. Uiteindelijk is deze horde genomen door duidelijk te blijven communiceren over het doel van een Digikamer. Vervolgens was het volgens een van de respondenten zaak om een zekere mate van angst en weerstand in de rest van de organisatie weg te nemen. De eerste reactie van mensen binnen de politie op de Digikamer was namelijk: “dat mag jij niet!”.

Ook hierbij benoemde de respondent dat het belangrijk is om goed uit te blijven leggen wat het doel is en dat alle interne partners worden meegenomen in dat proces en zorgen worden geadresseerd. Een concreet voorbeeld is dat de zorg wordt weggenomen dat de Digikamers lopende onderzoeken zouden verstoren. Uit de bovenstaande punten valt volgens een van de respondenten een belangrijke

12

les te leren: wees niet bang voor weerstand, dat is inherent aan het veranderen van de cultuur binnen een organisatie. Niet alleen de communicatie bij de politie intern was belangrijk, maar ook de samenwerking met andere partners zoals het Openbaar Ministerie en de gemeente. Een van de respondenten benoemde dat het belangrijk is om met die partners ook nadrukkelijk ruggenspraak te houden: “steeds onderwerp checken: zitten we nog goed? Belangrijk ook voor als er een zaak uitkomt: het is zorgvuldig verlopen.” Naast communicatie en samenwerking zijn met name opleidingen en trainingen op gebied van cybercriminaliteit en digitale vormen van criminaliteit noodzakelijk. Ook belangrijk is het om in het team van de Digikamer collega’s uit verschillende gelederen van de organisatie te hebben die wel allemaal de basisopleiding Opsporing en Internet en Social Media hebben gevolgd: “van elke kleur een ambassadeur, die als olievlek kunnen dienen om anderen te enthousiasmeren”. Onmisbaar zijn ten slotte de digitale middelen. Die vormen immers een belangrijke randvoorwaarde om het digitale werk op een goede en veilige manier te kunnen doen. Door de lange doorlooptijd als het gaat om het aanvragen van hardware gingen politiemensen volgens een van de respondenten soms zelf aan de slag met hun eigen iPhone of iPad.

Een belangrijke voorwaarde is aldus dat politiemensen de beschikking hebben over veilige laptops en veilige telefoons om hun werk goed te kunnen doen.

Digitaal district Ook de tweede good practice die we bespreken richt zich specifiek op de digitale bekwaamheid van politieagenten: het Digitaal District van politie-eenheid Midden-Nederland. “Het Digitaal District is geen oplossing voor de lange termijn, maar eerder bedoeld als impuls voor alle onderdelen van de organisatie om meer digitaal politiewerk te gaan verrichten”, zo legt de respondent uit. Vanwege de hybride verbinding, waarbij een van de onderzoekers telefoneert met de respondent en tegelijkertijd via een Teams-vergadering contact heeft met de andere onderzoeker, is het geluid op tijden blikkerig, maar de bevlogenheid en uitleg van het Digitaal District is kristalhelder. Binnen de politie is het Digitaal District bedoeld als motor om de digitalisering binnen de eenheid op gang te brengen. Een belangrijk doel daarbij is het vergroten van het digitale bewustzijn en de vaardigheden die daarbij horen onder politiemensen. Naast wat meer specifieke doelen, zoals dader- en slachtofferpreventie, richt het Digitaal District zich ook op het volgen en ontwikkelen van innovatieve initiatieven om de aanpak van cyber- en digitale criminaliteit te verstevigen. Bovendien draagt het zorg voor organisatorische veranderingen als het gaat om aandacht voor het thema cybercrime en gedigitaliseerde vormen van criminaliteit.

13

Het Digitaal District heeft met name een nadrukkelijke meerwaarde als het gaat om het digitale politiewerk. Er is een cybernetwerk opgebouwd van politiemensen binnen de eenheid MiddenNederland die te maken hebben met cyber- of digitale criminaliteit en die op regelmatige basis samenkomen om ideeën en ervaringen uit te wisselen. Meer specifiek komt dit tot uiting in wekelijkse webinars, de zogenoemde digitale donderdag: “Die webinars zijn heel praktisch. Nu gaat het deze maand bijvoorbeeld over Snapchat. Dus waar heb je als rechercheur nou te maken met Snapchat? En wat moet je nou wel en niet doen?” Er is bewust voor gekozen om deze wekelijkse webinars van een uur te plannen tussen de wisseling van de verschillende diensten, om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijke medewerkers kunnen aanhaken. Het digitale karakter van de webinars maakt dat politieagenten vanuit het gehele land kunnen aansluiten. Op Agora, het samenwerkingsplatform van de politie, heeft het Digitaal District allerlei kennis en informatie over cybercriminaliteit en digitale vormen van criminaliteit samengebracht, waaronder ook meer specifieke opleidingen over deze thematiek. Bovendien is het Digitaal District actief op het Intranet van de politie om het digitale bewustzijn te stimuleren.

Het Digitaal District bestaat nu bijna twee jaar en heeft in de eenheid Midden-Nederland geresulteerd in meer kennis, kunde en bewustzijn over cybercriminaliteit en gedigitaliseerde vormen van criminaliteit. Bovendien werd door de respondent benoemd dat de interne samenwerking binnen de politie is verbeterd, alsmede de samenwerking met externe partners zoals de gemeente. Ondanks dat de focus van het Digitale District niet op problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk ligt, zijn er wel degelijk raakvlakken – zoals de rol van social media – die in de toekomst nader verkend kunnen worden. In het interview werd door de respondent benoemd dat de naam voor het Digitaal District heel bewust is gekozen: het appelleert immers aan iets bestaands – de verschillende geografische districten. Het Digitaal District beslaat echter geen specifiek geografisch gebied, maar de gehele eenheid Midden-Nederland. De aandacht voor cybercriminaliteit bij de politie is niet nieuw, maar de respondent liet doorschemeren dat het binnen de organisatie soms buitengewoon lastig is om de werkwijze en de focus van de manier van werken te veranderen en dat, bovendien, de status van een project van belang lijkt: “Binnen de politie doe je er alleen toe als je een eigen organisatievorm hebt. Als je een project bent, dat is allemaal leuk en aardig, maar daar gaat geen geld en geen formatie naartoe.

Dus op deze manier hebben we het systeem getweakt.” Er kan een aantal succesfactoren worden benoemd die ten grondslag ligt aan meer kennis, kunde en ervaring op het gebied van cybercriminaliteit en gedigitaliseerde criminaliteit. Allereerst laat dit voorbeeld zien dat het belangrijk is om bottom-up initiatieven van 14

medewerkers te ondersteunen. Dat geldt voor de politie, maar evenzeer voor andere partners als het gaat om het opbouwen van een intern netwerk van gemotiveerde medewerkers die met digitale criminaliteit bezig zijn en digitale initiatieven ontwikkelen of die wens hebben. Een ander punt dat benoemd wordt in een vertrouwelijk document dat ons door de respondent werd toegezonden, is dat het Digitaal District Midden-Nederland losstaat van de basisteams en fungeert als ‘buitenboordmotor’ die op onafhankelijke wijze de digitale ontwikkeling kan stimuleren. Het Digitaal District is daarbij volledig vrijgemaakt voor precies dit thema en kan daardoor de focus op cyber- en digitale criminaliteit leggen. Er moet immers capaciteit vrijgemaakt worden om de digitale bekwaamheid tot wasdom te laten komen. Ondanks de bovengenoemde positieve ontwikkelingen, zijn er ook wat aandachtspunten. Het eerste punt is het vergroten van de zichtbaarheid en bekendheid van het Digitaal District, met name bij de basisteams bij de politie, maar zeker ook bij interne en externe partners die ook bezig zijn met cybercriminaliteit en gedigitaliseerde vormen van criminaliteit.

Het Digitaal District heeft ervoor gezorgd dat er meer zaken worden gedraaid met een digitale component binnen de eenheid Midden-Nederland, maar tegelijkertijd wordt er geconstateerd dat deze zaken lang niet allemaal worden opgepakt omdat het ontbreekt aan een gevoel van urgentie en digitale zaken langer op de plank blijven liggen. Opgemerkt dient ook te worden dat het Digitaal District Midden-Nederland een tijdelijk initiatief is om de digitale beweging op gang te zetten en te verbeteren in de politieorganisatie, en dat de basisteams op termijn zelf uitvoering geven aan de thema’s van cybercriminaliteit en digitale criminaliteit. Ook hierbij dient benoemd te worden dat nog niet alle teams voldoende urgentie lijken te voelen om hiermee zelf aan de slag te gaan, terwijl dat wel uitdrukkelijk de stip op de horizon is. Of in de woorden van de respondent: “Digitaal moet normaal zijn.” In documentatie die ons is toegestuurd door de respondent wordt een voorbeeld beschreven van een avondklokrellen. In de eenheid Midden-Nederland is het niet uit de hand gelopen en dit wordt deels gekoppeld aan het goed gebruikmaken van informatie die online werd gevonden en het goed samenwerken binnen de politie. Er wordt in het document kort geschetst dat er online opgespoorde intelligence is gebruikt om opruiing in een vroeg stadium te voorkomen.

Een informatierechercheur had online informatie over opruiing gevonden, een tactisch rechercheur heeft vervolgens weten te achterhalen wie er achter de geplaatste berichten zat en of het ging om strafbare uitingen en de wijkagent ging, ten slotte, fysiek langs bij de verdachten om ze aan te houden of een stopgesprek te voeren. Het gaat hier om een voorbeeld dat ook goed toepasbaar is als het gaat om problematisch groepsgedrag tussen rivaliserende groepen. Ook hiervan is in veel gevallen informatie te vinden op social media in de vorm van berichten of (muziek)video’s. Wanneer de ene partij dergelijke informatie vindt, dit vervolgens kan delen met een andere partij die de content op waarde kan schatten en kan achterhalen wie er verantwoordelijk is voor het online materiaal, dan kan een andere partij binnen de politie overgaan tot actie. Met name voor problematisch groepsgedrag zou het voeren van stopgesprekken op basis van de online gevonden content nuttig zijn, in het bijzonder omdat het een manier is om aan de jongeren in kwestie te laten zien dat hun online uitingen van geweld en criminaliteit in de eerste plaats gezien worden en bovendien ook zullen worden begrensd als de content daar aanleiding toe geeft.

15

Online Jongerenwerk De kernspreuk van Rotterdamse jongerenwerkorganisatie Stichting JOZ (Jongerenwerk Op Zuid) luidt ‘zijn waar de jongeren zijn’. Toen de jongerenwerkers merkten dat zij op straat steeds minder in contact kwamen met jongeren omdat die hun tijd steeds vaker online besteedden, was dit voor de organisatie een teken haar tijd ook nadrukkelijker op social media te gaan besteden. Om dit op een gestructureerde manier aan te pakken, is JOZ medio 2017 begonnen met het ontwikkelen van een werkmethodiek voor online werken. Deze werkmethodiek – die simpelweg “Online Jongerenwerk” is gaan heten – biedt jongerenwerkers kaders en handvatten om het online domein een integraal onderdeel van hun werk te maken. Het integreren van het online domein binnen het werk betekent in de praktijk dat social media een uitbreiding van het werkgebied van de jongerenwerker gaan vormen. Met andere woorden: een jongerenwerker verricht zijn of haar werk voortaan niet alleen meer in de offline buitenruimte, maar ook nadrukkelijk op online platformen als Instagram, Snapchat en TikTok. Daarnaast impliceert het integreren van social media binnen het werk en een uitbreiding van zijn of haar toolkit: aan de hand van het online domein heeft een jongerenwerker meer mogelijkheden om de doelgroep te bereiken, begeleiden en vooruit te helpen.

Het Online Jongerenwerk van Stichting JOZ kent twee belangrijke kaders: (1) zorg dat je online te allen tijde herkenbaar vanuit je functie actief bent en (2) houd werk en privé gescheiden. Binnen deze kaders staat de professionaliteit van jongerenwerkers centraal, vanuit het idee dat zij hun vak beheersen en weten wat in het contact met de doelgroep passend is (en wat niet). In de werkmethodiek zijn naast deze kaders daarom vooral richtlijnen met betrekking tot de vormgeving van profielen en praktische handvatten opgenomen. Online Jongerenwerk heeft een grote preventieve meerwaarde. Door online aanwezig te zijn kunnen jongerenwerkers een laagdrempelige vorm van contact bieden aan de doelgroep, de belevingswereld van jongeren beter doorgronden, jongeren positief beïnvloeden, zorgwekkend gedrag vroegsignaleren en de integrale samenwerking met collega’s en ketenpartners versterken. Om Online Jongerenwerk in de praktijk te laten werken, dienen een aantal belangrijke randvoorwaarden te worden gecreëerd. In de eerste plaats staat of valt het succes van de implementatie van deze methodiek met de kwaliteit van de jongerenwerkers. Doordat binnen deze manier van werken veel wordt verwacht van de professionaliteit van de jongerenwerkers in kwestie, is deze erg bepalend voor de mate waarin Online Jongerenwerk een succes wordt.

Daarnaast is het een voorwaarde dat binnen de organisatie duidelijkheid is over de manier waarop met privacy en informatie-uitwisseling wordt omgegaan. Actief zijn in het online domein levert vraagstukken op met betrekking tot deze thema’s, die van tevoren duidelijk moeten zijn afgestemd. Partijen die privacy en informatie-uitwisseling voor het klassieke offline werken niet goed hebben geregeld, komen in de problemen als zij zich online gaan begeven. De derde randvoorwaarde is dat de organisatie een duidelijke visie op jongerenwerk heeft en deze waar nodig vertaalt naar wat dit betekent voor de online inzet van de medewerkers. In veel gevallen dekt de visie ook de online inzet (zoals in het geval van ‘zijn waar de jongeren zijn’), maar nog te vaak blijken jongerenwerkpartijen hun opvattingen over (offline) 16

jongerenwerk niet voldoende (concreet) te hebben uitgewerkt. Misschien wel de belangrijkste voorwaarde wordt gevormd door de erkenning van het belang van Online Jongerenwerk en de daaruit voortvloeiende facilitering. Om Online Jongerenwerk tot een succes te maken is het belangrijk dat de directie of leiding van de betreffende jongerenwerkpartij het belang van deze manier van werken onderschrijft en hier ook concreet naar handelt. Dit betekent dat jongerenwerkers zich gesteund en aangemoedigd voelen door de organisatie, maar vooral dat zij worden gefaciliteerd in tijd en materiaal. Een Online Jongerenwerker dient bij voorkeur minimaal 25% van zijn werktijd online te kunnen besteden en hier van de organisatie geschikte middelen – zoals een werktelefoon en een laptop – voor ter beschikking te krijgen gesteld. Het belangrijkste doel van het Online Jongerenwerk is om het op termijn niet meer te hebben over “Online Jongerenwerk”. De ultieme stip op de horizon is dat de online inzet een dusdanig integraal onderdeel is geworden van het werk dat jongerenwerkers weer ‘gewoon’ ambulant jongerenwerkers zijn die binnen hun werk logischerwijs ook gebruik maken van het online domein. Dit vergt een organisatieverandering die niet van de ene op de andere dag is gerealiseerd.

Om hier te komen is het bijvoorbeeld belangrijk dat organisaties aan de voorkant – bij de sollicitatieprocedures – sturen op specifieke kwaliteiten van medewerkers en dat de noodzaak van online werken (en kennis van de online wereld) doordringt binnen elke laag van de organisatie. Hier liggen belangrijke uitdagingen voor de toekomst. Over het Online Jongerenwerk van Stichting JOZ is in samenwerking met het Nederlands Jeugdinstituut een handreiking gepubliceerd. In een video op YouTube wordt de werkmethodiek kort toegelicht. Op de volgende pagina’s maken we aan de hand van de beschrijving van een waargebeurde casus inzichtelijk welke meerwaarde het Online Jongerenwerk in de praktijk kan vertegenwoordigen. De casusbeschrijving bevat belangrijke lessen voor de aanpak van problematisch en rivaliserend groepsgedrag in het digitale tijdperk.

17

18

19

20

4.

KENNIS (ONLINE) STRAAT- EN JONGERENCULTUUR

Uit het vooronderzoek kwam ook overduidelijk naar voren dat professionals het gevoel hebben onvoldoende kennis te bezitten van de (online) leefwereld van problematische jongeren. Lokale professionals geven aan dat ze de dynamische ontwikkelingen rondom de (online) leefwereld van deze jongeren niet altijd kunnen bijhouden en begrijpen. De professionals erkennen dat kennis van deze leef- en belevingswereld essentieel is om interventies te kunnen toespitsen op de doelgroep: “Ik heb behoefte aan meer kennis van de online wereld en kennis van de betekenis van deze wereld voor de doelgroep. Wanneer we hier meer over weten, kunnen we onze aanpak daarop aanpassen.” “Het is belangrijk om affiniteit te hebben met deze kwesties om meters met elkaar te kunnen maken. De juiste poppetjes op de juiste plek. Als iemand totaal niet bekend is met deze leefwereld en het fenomeen en hoe de verhoudingen op straat en online zijn… Ja dan heb je een achterstand met het komen met oplossingen voor de problemen die er spelen.” Bovendien stellen lokale professionals dat kennis van (online) straatcultuur helpt om aansluiting te vinden bij de doelgroep. Zo is het belangrijk om te weten waar jongeren zich begeven, maar ook om – soms vrij letterlijk – hun taal te spreken: “Het is niet duidelijk, naast eerder genoemde social media, welke kanalen jongeren nog meer gebruiken om met elkaar in gesprek te gaan.

Daarnaast maken jongeren gebruik van nieuwe vormen van straattaal die zich moeilijk laten ontcijferen.” In dit hoofdstuk reiken we een aantal concrete handvatten aan waarmee professionals in regio Haaglanden hun kennis van (online) straat- en jongerencultuur kunnen vergroten, zodat zij beter in staat zijn rivaliserend groepsgedrag te doorgronden en vervolgens aan te pakken.

Cappen voor Clout? In de eerste plaats is van de hand van de auteurs van dit inspiratiedocument eerder in opdracht van gemeente Rotterdam een wetenschappelijk rapport verschenen naar de relatie tussen straatcultuur, social media, straatcultuur en geweld, dat relevant kan zijn voor de aanpak van rivaliserend groepsgedrag binnen regio Haaglanden. Cappen voor Clout? is een verkennend wetenschappelijk onderzoek naar de (online) drillrapcultuur in Rotterdam op basis van onderzoek op diverse sociale mediaplatformen in de periode van maart 2020 tot september 2020 en een analyse van de geregistreerde steekincidenten in Rotterdam in 2018 en 2019. Het rapport geeft een uitgebreide beschrijving van de herkomst van het fenomeen drill: van het ontstaan in Chicago en de mondiale verspreiding naar het Verenigd Koninkrijk en Nederland en de opkomst en ontwikkeling van Rotterdamse drill. Daarnaast geeft het onderzoek een inkijk in wat Rotterdamse drillers doen 21

op social media, zowel waar het gaat om het promoten van hun muziek, maar zeker ook hun betrokkenheid bij criminele activiteiten en geweld. Een van de hoofdstukken richt zich op geweld in de Rotterdamse (online) drillrapcultuur, met aandacht voor provocaties, bedreigingen en beefs in muziek en op social media. Naast aandacht voor de rol van drill als vorm van entertainment en het belichten van de rol van producenten en consumenten van content over drill, wordt in het rapport ook een beschrijving gegeven van de achtergronden van de geregistreerde steekincidenten die in Rotterdam in 2018 en 2019 plaatsvonden. Ten slotte worden de belangrijkste inzichten en conclusie uit dit verkennende onderzoek vertaald naar de praktijk voor professionals aan de hand van een reeks aanbevelingen. Het onderzoek biedt de lezer een uitgebreid inzicht in de drillrapcultuur, zowel het ontstaan hiervan als de manier waarop het fenomeen zich heeft ontwikkeld in Rotterdam. Professionals kunnen (delen van) het rapport gebruiken om zich in te lezen in de problematiek van drill, maar ook om zich te verdiepen en het fenomeen beter te begrijpen. Omdat het gaat om een verkennend en kortlopend onderzoek dat bovendien verricht is in 2020, is het belangrijk dat de inzichten niet zonder meer vertaald kunnen worden naar een andere lokale context.

Tegelijkertijd biedt het rapport diverse inzichten die Rotterdam overstijgen, omdat in deze studie bijvoorbeeld zicht wordt gegeven op een dynamiek van geweld in de muziek en op social media die ook in andere (grote) gemeenten in het land kan worden waargenomen. Belangrijk is dat de lokale context op een goede manier wordt doorgrond, alvorens overgegaan wordt op een specifieke aanpak. Cappen voor Clout? kan als leidraad fungeren om problematiek rondom drill die zich lokaal voordoet op hoofdlijnen te doorgronden. Het rapport is in te zien via deze link. De onderzoekers lichtten het onderzoek verder onder andere toe in Studio Erasmus en in de podcast De Criminoloog.

Handreiking rivaliserend groepsgedrag in een hybride werkelijkheid Parallel aan dit onderzoek naar good practices, is door onderzoekers van Partner in Crime een studie verricht naar de lokale drillrapscene van Delft, Den Haag en Zoetermeer, omdat er zorgen bestaan over rivaliserend groepsgedrag waarbij drill een rol zou spelen. Deze verkenning heeft geleid tot een handreiking waarin de relatie tussen straatcultuur, drillmuziek, social media en geweld in deze regio centraal staat. Aan de hand van deze handreiking kunnen professionals in de eerste plaats meer te weten komen over hoe de lokale drillrapscene eruitziet, welke rappers daarbinnen actief zijn en hoe hun muzikale output eruitziet en klinkt. Bovendien wordt in dit document licht geschenen op de vraag welke rol muziek en social media spelen in de conflicten tussen rivaliserende groepen in de regio. De handreiking is een praktisch document waarmee lokale professionals meer zicht kunnen krijgen op wat er speelt in binnen

22

Delft, Den Haag en Zoetermeer, maar deze gebeurtenissen ook vooral in de juiste context kunnen bezien. De handreiking rivaliserend groepsgedrag in een hybride werkelijkheid is om een aantal redenen bruikbaar voor (lokale) professionals. In de eerste plaats geeft het professionals inzicht in de jeugd- en straatcultuur binnen regio Haaglanden. Door de beschrijvingen van de lokale situatie zullen professionals beter weten wat er speelt in hun eigen gemeente. In de tweede plaats geeft het document een wetenschappelijke duiding van bredere fenomenen als drillrap, straatcultuur en social media, zodat professionals de uitingen die zij binnen hun werk tegenkomen in de juiste context kunnen plaatsen en beter kunnen begrijpen. Bovendien is het document praktisch vormgegeven, met veel hyperlinks, voorbeelden, beeldmateriaal en concrete handvatten. Professionals kunnen daardoor hopelijk aan de hand van de handreiking zelf aan de slag om hun eigen informatiepositie te versterken. Tot slot biedt de handreiking aan de hand van aanbevelingen ook concrete handvatten om beter zicht en beter grip te krijgen op rivaliserend groepsgedrag waarbij drill en social media een rol spelen.

Hoewel dit document professionals meer inzicht biedt in de lokale situatie met betrekking tot rivaliserend groepsgedrag en de bredere duiding van dit fenomeen, is het uiteindelijk aan lokale professionals om hier een vervolg aan te geven. De handreiking is geen eindverslag, maar eerder een kickstart voor professionals om de informatiepositie op orde te krijgen en meer zicht en grip te krijgen op de lokale situatie. Deze handreiking vormt een aanzet, maar de lokale situatie kan alleen echt goed worden doorgrond door professionals die thuis zijn in regio Haaglanden en bovendien vanuit hun professie de kennis, mogelijkheden en middelen hebben om de dynamiek tussen rivaliserende jeugdgroepen in kaart te brengen. Het (blijven) doorgronden van de lokale situatie vergt een constante inspanning van verschillende ketenpartners. De handreiking is beschikbaar via deze link.

Drillboekje voor professionals In onze hoofdstad is eerder een handreiking verschenen met contextinformatie en handvatten voor professionals, geschreven en uitgegeven door Actiecentrum Veiligheid en Zorg van de gemeente Amsterdam. Dit ‘Drillboekje voor professionals’ is een compact en fraai vormgegeven product waarin in 19 pagina’s zowel de nodige contextinformatie over het fenomeen wordt gegevens, alsmede een aantal specifieke handvatten voor professionals die in de praktijk te maken hebben met de problematiek rondom drill. In het Drillboekje valt te lezen dat de gemeente Amsterdam en het Actiecentrum Veiligheid en Zorg dit boekje hebben ontwikkeld naar aanleiding van diverse vragen van professionals in Amsterdam over het fenomeen drillrap. Het Drillboekje heeft als doel om professionals goed toe te rusten.

23

Net als het rapport Cappen voor Clout? (Roks en Van den Broek, 2020) biedt het drillboekje informatie over de oorsprong van het fenomeen drill. Daarnaast wordt aandacht besteed aan het beeld dat naar voren komt in drillmuziekvideo’s uit Amsterdam, wat de link is tussen drill en geweld, wie de consumenten zijn van drillmuziek en wordt eveneens een beeld geschetst van de Amsterdamse drillrapgroepen en de facilitators. Het tweede deel van het drillboekje biedt een aantal specifieke handvatten voor professionals. Erg bruikbaar is bovendien het overzicht van openbare hulpbronnen dat professionals kunnen gebruiken om zich te verdiepen in het fenomeen drill. Net als geldt voor het rapport Cappen voor Clout? (Roks en Van den Broek, 2020) dient de lezer wel rekening te houden met het feit dat de focus in het drillboekje ligt op de problematiek in Amsterdam en dat een één-op-één vertaling naar andere gemeenten niet zonder meer kan worden gemaakt, simpelweg omdat de lokale problematiek (wezenlijk) af kan wijken. Ook voor het Drillboekje geldt echter dat de algemene patronen en dynamieken die worden geschetst wel bijzonder nuttig zijn voor professionals om meer te weten te komen over het drill waardoor zij het fenomeen in hun werkpraktijk van een (betere) duiding kunnen voorzien. Het drillboekje is beschikbaar via deze link.

Functie Netwerkmakelaar Een van de auteurs van het bovengenoemde drillboekje is werkzaam als “netwerkmakelaar” bij het Actiecentrum Zorg en Veiligheid, het Amsterdamse equivalent van een Zorg- en Veiligheidshuis. De netwerkmakelaar is werkzaam bij het team Loket waar partners kunnen aankloppen wanneer ze buikpijn hebben van een bepaalde casus en niet meer weten wat ze moeten doen. Daarnaast houdt het loket zich bezig met meer overstijgende thema’s waar meer kennis en kunde voor nodig is, zoals bijvoorbeeld drill of online straatcultuur. In totaal zijn er 12 personen werkzaam bij het loket, met allemaal hun eigen expertise. De functie van netwerkmakelaar is in de context van de problematiek rondom drill, en breder problematisch groepsgedrag op social media, te beschouwen als een good practice. Het gaat om iemand die beschikt over nadrukkelijke expertise als het gaat om drillrap, straatcultuur en social media en fungeert als klankbord en vraagbaak binnen de gemeente als het gaat over deze onderwerpen. Vanuit die kennis en kunde verzorgt hij trainingen voor professionals, zowel binnen het Actiecentrum, maar ook aan ketenpartners om hun deskundigheid te bevorderen. Dat kunnen trainingen op maat zijn, bijvoorbeeld over de drillrapcultuur in Amsterdam (of zelfs over een specifieke groep), maar ook meer in het algemeen over online straatcultuur.

Volgens de netwerkmakelaar zelf is deze functie het beste onder te brengen bij het Actiecentrum Zorg en Veiligheid – of een Zorg- en Veiligheidshuis – omdat dit netwerkorganisaties zijn waarbinnen verschillende ketenpartners elkaar treffen op basis van 24

concrete casuïstiek en bredere fenomenen. Zeker wanneer het gaat om problematiek die gemeentegrensoverstijgend van aard is, zoals problematisch groepsgedrag, is de aanwezigheid van een netwerkmakelaar in een Zorg- en Veiligheidshuis een uitkomst.

25

5.

DUIDELIJKE (JURIDISCHE) KADERS

Het grenzeloze karakter van social media maakt dat problematisch en rivaliserend groepsgedrag zich niet beperkt tot de grenzen van de gemeente waar de betrokken jongeren woonachtig zijn. Uit het vooronderzoek blijkt de informatie-uitwisseling tussen gemeenten hier (nog) niet op ingericht, waarbij de AVG het delen van informatie over risicojongeren bemoeilijkt. Een van de lokale professionals verklaarde hierover het volgende: “Als concreet voorbeeld benoem ik graag dat het vrijwel onmogelijk is om tussen gemeentes informatie uit te wisselen over subjecten die in verschillende gemeentes woonachtig zijn, maar tot hetzelfde netwerk of groep behoren. Deze uitwisseling is essentieel om tot persoonsgerichte interventies te komen waarbij rekening gehouden wordt met de groepsdynamieken of om tot interventies gericht op de gehele groep te komen.” De noodzaak voor wetgeving die aansluit op deze relatief nieuwe werkelijkheid, wordt ook in Den Haag gevoeld. Zo wachten we bijvoorbeeld op de doorvoering van de Wet Gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, die op die moment ‘gestrand’ is bij de Eerste Kamer naar aanleiding van kritische reacties van de Autoriteit Persoonsgegevens, de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12303172/1