IGVO Bijlagen bij toelichting IGVO
Tekst van het document
6
Literatuur ...................................................................................................................... 23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
In opdracht van TU Delft heeft Tauw onderzoek gedaan naar de aanwezigheid en het gebruik van het plangebied door vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en beschermde vaatplanten ten behoeve van voorgenomen sloopwerkzaamheden. Het onderzoek is gericht op het vasstellen van de functie van het plangebied voor deze soorten. De kans bestaat dat als gevolg van de werkzaamheden (onderdelen van het leefgebied van) vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en/of vaatplanten worden verstoord of verdwijnen. Wanneer dit daadwerkelijk het geval is, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen kunnen samen met een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) van het ministerie van Economische Zaken. In een eerder stadium is een natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van het voornemen (Tauw, 2016). Op basis van deze natuurtoets konden negatieve effecten op vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en vaatplanten niet (op voorhand) worden uitgesloten. Het nader onderzoek en de uitkomsten van het nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en vaatplanten worden in dit rapport behandeld.
Dit rapport geeft een beschrijving van het plangebied en de beoogde ontwikkeling, uitleg over de gebruikte onderzoeksmethodieken, de resultaten, effectbeschrijving en de conclusies van het onderzoek. In de conclusie wordt antwoord gegeven op de vraag of (en eventueel welke) vervolgstappen noodzakelijk zijn.
1.2
Huidige situatie en beoogde werkzaamheden
Ter reductie van het aantal vierkante meters gebruiksoppervlak, exploitatielasten en CO2 wil de TU Delft een aantal gebouwen gaan afstoten of slopen. Het plangebied bevindt zich in Delft tussen de Julianalaan, Michiel de Ruyterweg en Prins Bernhardlaan, exclusief de gebouwen Prins Bernhardlaan 1 t/m 5 en exclusief de woningen Julianalaan 154 en 156. Figuur 1.1 geeft de ligging en begrenzing van het plangebied weer. Een deel van de gebouwen stamt uit de jaren ’20. Het grootste deel van de gebouwen is echter gerealiseerd in de jaren ‘50.
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
9\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Door de geleidelijke uitbreiding over de jaren heen is er een grote variatie aan gebouwen op het terrein te vinden. De binnen tuintjes, hoogbouw, laagbouw en hier en daar opslagruimtes maken het tot een zeer afwisselend terrein.
Figuur 1.1 De ligging van het plangebied (globaal begrensd)
1.3
Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet (soortbescherming) gaat uit van het voorzorgsbeginsel en stelt dat een overtreding van verbodsbepalingen met zekerheid moet kunnen worden uitgesloten. Uitsluitsel is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens. Wanneer negatieve effecten op soorten mogelijk zijn, en wanneer op basis van het oriënterend veldbezoek of actuele verspreidingsgegevens niet met zekerheid vast te stellen is of een soort aanwezig is, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten noodzakelijk. Ook bij het aanvragen van een eventuele ontheffing dient de aanwezigheid van de betreffende soort aangetoond te worden. Hierbij geldt een ‘omgekeerde bewijslast’ waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt.
10\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
2 Onderzoeksmethoden 2.1
Doel onderzoek
Het doel van het onderzoek is om aan te tonen of en hoe het plangebied van belang is voor vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en vaatplanten. Indien het plangebied een belangrijke functie vervult voor één of meerdere beschermde soorten, dan wordt een afweging gemaakt of de beoogde ontwikkeling de staat van instandhouding van de soort(en) beïnvloedt. De Flora- en faunawet beschermt niet alleen de instandhouding van soorten, maar ook individuen. Wanneer een ontwikkeling de instandhouding niet schaadt, maar één of enkele individuen wel, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen. De benodigde mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) mitigatieplan.
2.2
Verwachte soorten
Uit verspreidingsgegevens en op basis van het oriënterend veldbezoek (Tauw, 2016) kan de aanwezigheid van (gebouwbewonende) vleermuizen (gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis), huismussen, gierzwaluwen en verschillende vaatplanten (gele helmbloem, klein glaskruid, schubvaren, steenbreekvaren, stijf hardgras, tongvaren en zwartsteel) in het plangebied niet worden uitgesloten. 2.2.1
Vleermuizen
De reden dat bovengenoemde vleermuissoorten kunnen voorkomen, is de aanwezigheid van spouwmuren in de woningen die kunnen dienen als verblijfplaatsen. 2.2.2
Huismussen
De reden dat huismussen in het plangebied kunnen voorkomen, is de aanwezigheid van oudere gebouwen met dakpannendaken. Dit maakt de gebouwen geschikt als nestplaats voor huismussen. 2.2.3
Gierzwaluwen
De reden dat gierzwaluwen in het plangebied kunnen voorkomen, is de aanwezigheid van oudere gebouwen met dakpannendaken. Dit maakt de gebouwen geschikt als nestplaats voor gierzwaluwen. 2.2.4
Vaatplanten
De reden dat bovengenoemde vaatplanten in het plangebied kunnen voorkomen, is de leeftijd en staat van de gebouwen en de aanwezigheid en variatie aan standplaatsen (zonnig, beschaduwd en vochtig). Dit maakt de gebouwen en omgeving zeer geschikt als groeiplaats voor beschermde vaatplanten.
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
11\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
2.3 2.3.1
Methoden veldonderzoek Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is, conform het vleermuizenprotocol 2013 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2013), uitgevoerd met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde “piekfrequentie”, kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt gebruik gemaakt van opnameapparatuur en het programma Batsound. De veldbezoeken zijn uitgevoerd door minimaal drie ervaren ecologen. Dit is noodzakelijk omwille van veiligheid en kwaliteit Om de verblijfplaatsen in kaart te brengen, is lopend met de batdetector en verrekijker het plangebied doorzocht. In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd in de periode juni tot en met september 2016. Meerdere bezoeken zijn nodig, omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen en foerageergebieden die in verschillende perioden in het jaar worden gebruikt. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen.
Het onderzoek naar winterverblijfplaatsen is indicatief, waarbij gelet is op zwerfgedrag dat op een winterverblijfplaatse kan duiden. In tabel 2.1 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Het aantal bezoeken, tijdstippen en perioden zijn zoveel als mogelijk gebaseerd op het vleermuizenprotocol 2013 (Netwerk Groene Bureaus, 2013). Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij (redelijk) gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en niet teveel wind waait.
12\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Tabel 2.1 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken t.b.v. vleermuizen
Datum veldbezoek Tijdstip
Focus
Weersomstandigheden
7 juni 2016
Zomer- en kraamverblijfplaatsen,
Half bewolkt, droog, weinig wind, ±17°C
Avond
foerageergebied en vliegroutes 13 juli 2016
31 augustus 2016
Ochtend
Avond
Zomer- en kraamverblijfplaatsen,
Bewolkt, tijdelijk miezerig, weinig wind,
foerageergebied en vliegroutes
±13°C
Paar- en winterverblijfplaatsen,
Half bewolkt, droog, weinig wind, ±16°C
foerageergebied en vliegroutes 22 september 2016 Avond
Paar- en winterverblijfplaatsen,
Helder, windstil, ±16°C
foerageergebied en vliegroutes
2.3.2
Huismussen
Het onderzoek naar huismussen is uitgevoerd volgens de Soortenstandaard Huismus (RVO, 2014a). Jaarrond beschermde nesten van huismussen zijn onderzocht met behulp van een verrekijker en op basis van geluid en gedrag. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van nestlocaties (onder dakpannen). In totaal zijn er twee veldbezoeken uitgevoerd in de periode april en mei 2016. Inventarisatie kan de gehele dag, bij voorkeur vanaf een uur na zonsopkomst en met redelijk weer. Het tellen van nestlocaties door middel van voerende oudervogels of zingende mannetjes levert de beste resultaten op. In tabel 2.2 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.2 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken t.b.v. huismus
Datum veldbezoek
Tijdstip
Weersomstandigheden
23 april 2016
Ochtend
Half bewolkt, droog, ±9°C
4 mei 2016
Ochtend
Half tot zwaar bewolkt, droog, ±15°C
2.3.3
Gierzwaluwen
Het onderzoek naar gierzwaluwen is uitgevoerd volgens de Soortenstandaard Gierzwaluw (RVO, 2014b). Jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen zijn onderzocht met behulp van een verrekijker en op basis van geluid en gedrag. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van nestlocaties (onder dakpannen).
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
13\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
In totaal zijn er drie veldbezoeken uitgevoerd in juni en juli 2016. Inventarisatie kan de gehele dag, maar bij voorkeur circa twee uur voor zonsondergang. Nestentelling levert de beste resultaten op maar kost veel tijd (15-30 minuten posten per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden). Er is in de avond alleen bij goede weersomstandigheden (droog, weinig wind) geteld. In tabel 2.4 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.3 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken t.b.v. gierzwaluw
Datum veldbezoek
Tijdstip
Weersomstandigheden
7 juni 2016
Avond
Geheel bewolkt, droog, ±18°C
21 juni 2016
Avond
Half bewolkt, droog, ±15°C
5 juli 2016
Avond
Geheel bewolkt, droog, ±14°C
2.3.4
Vaatplanten
Middels één veldbezoek gedurende het groeiseizoen van de te verwachten vaatplanten is de planlocatie geheel geïnventariseerd op het voorkomen van beschermde vaatplanten. Het onderzoek is erop gericht om standplaatsen, de voorkomende soorten en de aanwezige aantallen inzichtelijk te maken. Ten behoeve van dit onderzoek is door een ter zake kundige het plangebied onderzocht op 22 juni 2016. Dit valt binnen de periode dat deze soorten het best herkenbaar zijn, zoals aan hun bloei of op basis van vegetatieve toestand.
14\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
3 Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten weergegeven van het veldwerk waarna eventuele effecten worden beschreven gebaseerd op de resultaten.
3.1
Vleermuizen
Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen gedaan van gewone en ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Deze waarnemingen hebben hoofdzakelijk betrekking op (kort) foeragerende en overvliegende exemplaren. Rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn alleen waargenomen tijdens het veldbezoek op 31 augustus 2016. Tijdens de andere drie bezoeken zijn enkel waarnemingen gedaan van gewone dwergvleermuizen. Tijdens het eerste bezoek en laatste bezoek zijn verschillende verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Op 7 juni 2016 is een zomerverblijfplaats aangetroffen van gewone dwergvleermuizen, tijdens dit bezoek zijn zes uitvliegende gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Op 22 september 2016 zijn twee paarverblijfplaatsen vastgesteld van eveneens gewone dwergvleermuizen. In figuur 3.1 wordt de locatie van de verblijfplaatsen weergegeven. Naast de verblijfplaatsen wordt het plangebied gebruikt door gewone dwergvleermuizen als foerageergebied. Hierbij wordt voornamelijk gefoerageerd rondom het aanwezige groen.
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
15\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Figuur 3.1 De locaties van de aangetroffen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen
3.2
Huismus
Tijdens de twee veldbezoeken zijn geen huismussen waargenomen in en in de omgeving van het plangebied waargenomen. De aanwezigheid van nestlocaties van huismussen wordt derhalve uitgesloten.
3.3
Gierzwaluw
Tijdens de drie veldbezoeken zijn geen gierzwaluwen waargenomen in en in de omgeving van het plangebied waargenomen. De aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluwen wordt derhalve uitgesloten.
3.4
Vaatplanten
Binnen het plangebied zijn standplaatsen aangetroffen van gele helmbloem, klein glaskruid, steenbreekvaren en tongvaren. Daarnaast zijn van verschillende algemene varensoorten ook de standplaatsen genoteerd omdat deze in potentie geschikt zijn als standplaats voor beschermde varensoorten. De waargenomen standplaatsen van de (beschermde) vaatplanten staan in figuur 3.2. In tabel 3.3 staan de details en aangetroffen soorten per standplaats.
16\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Figuur 3.2 De standplaatsen van de waargenomen vaatplanten. Op de oranje locaties zijn één of meer beschermde soorten vastgesteld. De nummers verwijden naar tabel 3.3
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
17\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Tabel 3.3 Aanwezige soorten vaatplanten en aantallen per standplaats. Vetgedrukte soorten betreffen beschermd soorten.
Locatie-
Aangetroffen soorten en aantallen
Aanvullende opmerkingen
nummer 1
Muurvaren – circa 5x Mannetjesvaren – meerdere exemplaren
2
Tongvaren - 7x Mannetjesvaren – 2x
3
Mannetjesvaren – 3x Muurvaren – ca. 6x
4
Mannetjesvaren – 1x
5
Gele helmbloem – 2x Muurvaren – ca. 21x Tongvaren – 2x
6
Tongvaren – 5x
Ook aan de binnenzijde van de muur (is privé) een grote tongvaren gezien
7
Muurvarens – ca. 10
op meerdere muurrandjes in de binnenplaats
8
Klein glaskruid – min. 200x
Langs hele traject, zowel bij muur, in groenstrook en onder
9
Muurvaren – enkele exemplaren
10
Klein glaskruid – circa 50x
11
Tongvaren – 1x
de heg
Mannetjesvaren – 3x 12
Klein glaskruid – 4x
13
Klein glaskruid – 1x
14
Eikvaren – ca. 3x
15
Mannetjesvaren – >20 exemplaren Gele helmbloem – 2x
16
Steenbreekvaren – circa 10x Wijfjesvaren – 1x
17
Muurvaren – ca. 28x
18
Klein glaskruid – ca. 4x
19
Muurvaren – 40x Tongvaren – 4x
20
Tongvaren – ca. 50x Muurvaren – ca. 50x
18\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Mannetjesvaren – enkele exemplaren
totaal ca. 15 exemplaren van beide soorten, bij muurtje langs
Wijfjesvaren – enkele exemplaren
roosters
22
Klein glaskruid – ca. 40x
in groenstrook
23
Muurvaren – >50x
Buitenzijde muur (aan straatzijde) verspreid
21
Tongvaren – ca. 10x 24
Klein glaskruid – enkele exemplaren
25
Mannetjesvaren – meerdere exemplaren
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
19\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
4 Effectbeschrijving 4.1
Vleermuizen
Vliegroutes en foerageergebieden Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen die duiden op de aanwezigheid van een vliegroute of (belangrijk) foerageergebied die essentieel belang is voor de waargenomen vleermuizen. Hierdoor is geen sprake van een negatief effect op vliegroutes en foerageergebieden. Het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en faunawet is derhalve niet noodzakelijk. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn één zomerverblijfplaats en twee paarverblijfplaatsen aangetroffen van gewone dwergvleermuizen. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden kunnen de huidige verblijfplaatsen niet worden behouden en zullen deze verdwijnen. Als gevolg van het aantasten van de huidige verblijfplaatsen is het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en faunawet noodzakelijk.
4.2
Huismussen
Tijdens de veldbezoeken zijn geen nestlocaties aangetroffen van huismussen waardoor negatieve effecten worden uitgesloten. Het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en faunawet is dan ook niet nodig voor huismus.
4.3
Gierzwaluwen
Tijdens de veldbezoeken zijn geen nestlocaties aangetroffen van gierzwaluwen waardoor negatieve effecten worden uitgesloten. Het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en faunawet is dan ook niet nodig voor gierzwaluw.
4.4
Vaatplanten
Tijdens het nader onderzoek naar vaatplanten zijn verschillende standplaatsen aangetroffen van beschermde vaatplanten. De planten groeien veelal in of tegen de muren waardoor de standplaatsen bij sloopwerkzaamheden verloren zullen gaan. Als gevolg van het aantasten van de huidige standplaatsen is het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing van de Flora- en faunawet noodzakelijk.
20\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
5 Conclusies en vervolgstappen 5.1
Conclusies
In opdracht van TU Delft heeft Tauw onderzoek gedaan naar de aanwezigheid en het gebruik van het plangebied door vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en beschermde vaatplanten ten behoeve van voorgenomen sloopwerkzaamheden. Het onderzoek is gericht op het vasstellen van de functie van het plangebied voor deze soorten. 5.1.1 Vleermuizen Waargenomen functies: het plangebied is (onderdeel van) het leefgebied van de gewone
dwergvleermuis in de vorm van één zomerverblijfplaats en twee paarverblijfplaatsen Effecten: voor de gewone dwergvleermuis geldt dat door beoogde werkzaamheden in het plangebied (renovatie van bebouwing) sprake is van aantasting van de functionele leefomgeving in de vorm van één zomerverblijfplaats en twee paarverblijfplaatsen. Negatieve
effecten kunnen daardoor niet worden uitgesloten Conclusie: in het kader van de Flora- en faunawet is een ontheffing voor gewone dwergvleermuis noodzakelijk.
5.1.2 Huismussen Waargenomen functies: Er zijn geen nestlocaties van huismussen vastgesteld binnen het
plangebied Effecten: voor de huismus geldt dat door de afwezigheid van vaste verblijfplaatsen er geen
sprake is van negatieve effecten door de beoogde werkzaamheden Conclusie: in het kader van de Flora- en faunawet is een ontheffing voor huismus niet nodig.
5.1.3 Gierzwaluwen Waargenomen functies: Er zijn geen nestlocaties van gierzwaluwen vastgesteld binnen het
plangebied Effecten: voor de gierzwaluw geldt dat door de afwezigheid van vaste verblijfplaatsen er
geen sprake is van negatieve effecten door de beoogde werkzaamheden Conclusie: in het kader van de Flora- en faunawet is een ontheffing voor gierzwaluw niet nodig.
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
21\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
5.1.4 Vaatplanten Waargenomen functies: Er zijn meerdere standplaatsen aangetroffen van beschermde
vaatplanten binnen het plangebied Effecten: Er zijn meerdere standplaatsen van beschermde vaatplanten aanwezig, waardoor
sprake is van negatieve effecten door de beoogde werkzaamheden Conclusie: in het kader van de Flora- en faunawet is een ontheffing voor vaatplanten noodzakelijk.
De ontheffingsaanvraag voor vaatplanten en vleermuizen dient te worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken. De noodzaak tot het daadwerkelijk in bezit hebben van een goedgekeurd mitigatieplan of een ontheffing is gekoppeld aan de uitvoeringsfase. Bij ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd die kan oplopen van vier tot zes maanden. Geldigheid Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en van de sloop van gebouwen en het verwijderen van bomen en struiken, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn naar de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten. Met name bij het in onbruik raken van grond en/of bebouwing is de kans op (nieuw)vestiging van beschermde soorten aanwezig. De conclusies van dit onderzoek zijn daarom hooguit drie jaar geldig.
22\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
6 Literatuur Netwerk Groene Bureaus, 2013. Vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014a. Soortenstandaard Huismus Passer domesticus. Versie 2.0. Rijkdienst voor Ondernemend Nederland. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014b. Soortenstandaard Gierzwaluw Apus apus. Versie 2.0. Rijkdienst voor Ondernemend Nederland. Tauw 2016, Quickscan Flora- en faunawet Gele Scheikunde en Kramerslab TU Delft. Notitie met kenmerk N001-1238403XDD-efm-V02-NL
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
23\23
bestemmingsplan IGVO
Bijlage 5 Stikstofdepositie onderzoek
bestemmingsplan "IGVO" (vastgesteld) 87
Memo
memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft bijlagen
1
04 3 februari 2023 M. Jongerius Gemeente Delft M. Norg Antea Group J. van den Broek Antea Group E. Been Antea Group J. Kuipers Antea Group Internationale school Prins Bernhardlaan 0472358.100 Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan RsFsEpu8F81J (realisatiefase) en RRLAyfkR39yb (gebruiksfase)
Inleiding
De gemeente Delft is voornemens om de vestiging van de internationale school aan de Prins Bernhardlaan te Delft mogelijk te maken. De internationale school betreft een middelbare school die in totaal zal voorzien in een leerplek voor 440 leerlingen. De vestiging van de school op deze locatie is niet mogelijk binnen het vigerende planologisch regime. Om de vestiging van de internationale school mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
Figuur 1: Het plangebied van het bestemmingsplan (links) en een impressie van de toekomstige situatie (rechts). Ontwikkelingen mogen niet zondermeer plaatsvinden indien deze significante negatieve gevolgen hebben op beschermde Natura 2000-gebieden. In dit kader is dit stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling ligt op ruim 11 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kappitelduinen’. De ligging van het plangebied t.o.v. de omliggende Natura 2000-gebieden is weergegeven in figuur 2.
blad 1 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
Westduinpark & Wapendal
Solleveld & Kapittelduinen
Figuur 2: Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden.
blad 2 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
2
Wettelijk kader
Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming (Wnb) Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogelen Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn doorvertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb). Vroegtijdig onderzoek nodig naar significante gevolgen op Natura 2000-gebieden Bij plannen in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dient in een oriënterende fase onderzocht te worden of de ontwikkeling een significant (negatief) gevolg op het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben.
Indien na dit onderzoek op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant gevolg heeft, dient meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart gebracht te worden wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Deze analyse heet een ‘passende beoordeling’. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit geen significant gevolg heeft, staat de Wet natuurbescherming besluitvorming (voor wat betreft gebiedsbescherming) niet in de weg. Als een plan (of de wijziging van een plan) op zichzelf zelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (> 0,00 mol/ha/jaar), dan is op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat het plan qua stikstofdepositie significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied heeft. Rekenprogramma AERIUS Calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het bij projecten verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (2022). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Het rekenprogramma AERIUS Calculator bepaalt zelf de rekenpunten op de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de Natura 2000gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats.
blad 3 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
3
Uitgangspunten
3.1
Kaders ontwikkeling en uitgevoerde berekeningen
Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een schoolgebouw met een bvo van ca. 7.800 m2. Op het schoolplein wordt een halfverdiepte parkeergarage met een oppervlakte van ca. 270 m2 aangelegd. Voor de realisatiefase is uitgegaan van het rekenjaar 2023. Het gebruik vindt plaats vanaf 2024. In de huidige situatie is in het plangebied geen bebouwing aanwezig. De bebouwing is reeds in een eerder stadium al gesloopt ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling.
Figuur 3: Impressie van de toekomstige situatie. Bron: Atelier PRO (2022).
3.2
Realisatiefase
Een plan maakt een bepaalde functie mogelijk (bijvoorbeeld woningbouw) en schrijft in de regel niet specifiek voor hoe deze functie gerealiseerd moet worden en welke materialen daarvoor gebruikt moeten worden. Vandaar dat de bijdrage aan de stikstofdepositie van de realisatiefase van het plan wordt berekend aan de hand van kengetallen. Mobiele werktuigen Deze kengetallen zijn tot stand gekomen op basis van ervaring met diverse woningbouwprojecten verspreid over heel Nederland. Per bron (zoals bijvoorbeeld een shovel, graafmachine of mobiele kraan) is een inschatting gemaakt van het vermogen van het materieel en het aantal draaiuren voor een project van 100 woningen. Aan de hand van de door TNO1 beschikbaar gestelde rapportage zijn vervolgens per bron het brandstofverbruik en het AdBlue-verbruik bepaald. Per bron ingevoerd in AERIUS Calculator leverde dit een emissie NO x en emissie NH3 op per 100 woningen. Gedeeld door 100 leverde dit vervolgens het gehanteerde kengetal per woning of 100 m2 bvo. Bij de kengetal is rekening gehouden met 10% onvoorziene emissies. Voor de aanleg van de fietsenstalling is worst-case uitgegaan van het kengetal voor een ondergrondse autoparkeergarage. 1
AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik) | TNO Publications
blad 4 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
Tabel 1: Gehanteerde kengetallen voor mobiele werktuigen en bijbehorende uitstoot voor de onderhavige ontwikkeling.
Activiteit
Bouwrijp maken Bouw school Bouw fietsenstalling Woonrijp maken Totale emissie
Stageklasse
Kengetal NOx in kg/jaar 0,048 0,284 0,095 0,021
IV IV IV IV
Uitstoot bouwjaar
NH3 in kg/jaar 0,008 0,016 0,019 0,002
Eenheid kengetal Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo
NOx in kg/jaar
NH3 in kg/jaar
3,7 22,2 0,3 1,6 27,8
0,6 1,2 0,1 0,2 2,1
De emissies voor de onderhavige planontwikkeling die met de kentallen zijn bepaald zijn in AERIUS Calculator ingevoerd als vlakbron met sectorgroep “Anders”, een emissiehoogte van 4 meter en een spreiding van 4 meter. Als Temporele variatie is “Continue Emissie” aangehouden. Bouwverkeer Er komen werknemers naar het plangebied met licht verkeer ten behoeve van de bouw. Daarnaast worden er middels vrachtverkeer materialen aangeleverd tijdens de bouw. Tijdens de sloop wordt puin afgevoerd met vrachtwagens. Tabel 2: Gehanteerde kengetallen voor bouwverkeer en bijbehorende verkeersbewegingen voor de onderhavige ontwikkeling.
Activiteit Bouwrijp maken Bouw school Bouw fietsenstalling Woonrijp maken Totale bouwverkeer
Kengetal Licht Zwaar 1.250 1.000 6.000 1.500 6.000 1.500 1.250 1.000
Bouwverkeer Licht 2
Per 100 m bvo Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo Per 100 m2 bvo
Zwaar 975 4.680 162 975 6.792
780 1.170 42 780 2.772
Voor de onderhavige ontwikkeling komt het bouwverkeer uit op 6.792 lichte verkeersbewegingen en 2.772 zware verkeersbewegingen. Gelet op de ligging t.o.v. de N470 en A13 wordt verwacht dat 65% richting de N470 beweegt en 35% richting de A13. Het verkeer is meegenomen tot het is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Figuur 4 toont de gemodelleerde bronnen in de realisatiefase. Tabel 3: Verspreiding van het bouwverkeer per jaar.
Bron Bron 2 Ontsluiting plangebied Bron 3 Aansluiting op N470 Bron 4 Aansluiting op A13
blad 5 van 11
VerkeersLicht Zwaar spreiding (mvt /jaar) (mvt / jaar 100% 6.792 2.772 65 % 4.415 1.802 35 % 2.377 970
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
4
2
3
Figuur 4: Gemodelleerde bronnen realisatiefase (de vlakbron is voor de mobiele werktuigen, de lijnbronnen zijn voor het bouwverkeer). Bron: AERIUS.
3.3
Gebruiksfase
Voor de school geldt dat deze gasloos wordt uitgevoerd. Er vinden dan ook geen directe emissies plaats ten gevolge van het planvoornemen. Er is in de plansituatie wel sprake van indirecte emissies ten gevolge van het planvoornemen. Deze indirecte emissies vinden plaats ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen. Voor de gebruiksfase is het rekenjaar 2024 gehanteerd. Verkeersgeneratie In het kader van het verkeersonderzoek voor de onderhavige ontwikkeling is door Goudappel een verkeersgeneratie van 510 motorvoertuigbewegingen per etmaal bepaald voor een weekdag 2. Voor de voertuigverdeling is uitgegaan van een verdeling van 98,8%, 1% en 0,2% voor respectievelijk lichte, middelzware en zware motorvoertuigen. Dit leidt tot de onderstaande verkeersgeneratie (tabel 1).
2
Goudappel (oktober 2022). Internationale school Delft (Secondary). Verkeer en parkeren. Kenmerk: 010241.R01.08.
blad 6 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
Tabel 4: Verkeersgeneratie t.g.v. beoogd programma. Functie Aantal Totaal aantal leerlingen Motorvoertuigbewegingen per etmaal Middelbare 440 510 school
Totaal aantal Motorvoertuigbewegingen per jaar 186.150
Licht verkeer (98,8%) per jaar
Middelzwaar verkeer (1%) per jaar
183.916
1.862
Zwaar verkeer (0,2%) per jaar
372
Verkeersafwikkeling De verspreiding van de motorvoertuigbewegingen in de gebruiksfase per wegvak is weergegeven in tabel 2. Alle wegvakken zijn gemodelleerd als type wegverkeer ‘binnen bebouwde kom’. Het verkeer wordt afgewikkeld richting de A13 (40%), de Kruithuisweg (20%), het centrum (20%) en de TU Campus (20%). Figuur 2 toont de gemodelleerde wegvakken in de gebruiksfase. Tabel 5: Afwikkeling van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling. Verkeersspreiding Licht(mvt /jaar) Bron Bron 2 Zuidplantsoen – A13 40 % Bron 3 Jaffalaan – Michiel de Ruyterweg 60 % Bron 4 Michiel de Ruyterweg - Zuidwal 20 % Bron 5 Mekelweg – Christiaan Huygenslaan 20 % Bron 6 Jaffalaan (west) – Rotterdamseweg 20 % Bron 7 Jafflaan (oost) 80 %
blad 7 van 11
Middelzwaar (mvt/jaar)
Zwaar (mvt / jaar
73.566
745
149
110.350 36.783
1117 372
223 74
36.783
372
74
36.783 147.133
372 1.489
74 298
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
2
4 3
6 5 6
Figuur 3: gemodelleerde bronnen gebruiksfase (bron 1: plangebied (geen emissie), bron 2 t/m 7: gemodelleerde wegvakken).
blad 8 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
4
Resultaat en conclusie
Resultaten Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2022, is de mogelijke toename van de stikstofdepositie in beeld gebracht tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase. Uit de berekening blijkt dat het voornemen niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Zie voor de resultaten ook bijlage 1 (kenmerk: RsFsEpu8F81J) en 2 (kenmerk: RRLAyfkR39yb). Conclusie Uit de berekening van de realisatiefase en de gebruiksfase blijkt dat het voornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg.
blad 9 van 11
memonummer: 04 betreft: Stikstofdepositieonderzoek Internationale school Prins Bernhardlaan
Bijlage 1: AERIUS PDF realisatiefase (kenmerk: RsFsEpu8F81J)
blad 10 van 11
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Totale emissie
Situatie 1 - Beoogd
Resultaten
Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RsFsEpu8F81J (30 januari 2023)
Gemeente Delft -, - Delft Internationale school Delft Realisatiefase RsFsEpu8F81J 30 januari 2023, 20:19 Wnb-rekengrid Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
2023 -
2,6 kg/j
47,0 kg/j
2/7
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Anders... | Anders... | Bouwrijp, bouwen en woonrijp maken Verkeersnetwerk
RsFsEpu8F81J (30 januari 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
2,1 kg/j 0,5 kg/j
27,8 kg/j 19,2 kg/j
3/7