Handhavingsverslag Participatiewet IOAW en IOAZ 2020
Tekst van het document
4705795 Jaarverslag handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2020
Inhoudsopgave 1. Inleiding ..................................................................................................................................................... 1 2. Handhaven, hoe en waarom .................................................................................................................. 2 3. Preventie ................................................................................................................................................... 3 4. Het opleggen van een maatregel of een boete ................................................................................... 5 5. Het opsporen van fraude: de sociale recherche ................................................................................ 6 6. Ontwikkelingen ...................................................................................................................................... 11 Bijlage 1: De verplichtingen binnen de Participatiewet ...................................................................... 12
1. Inleiding In Delft ontvangen 3355 inwoners een bijstandsuitkering (peildatum 31-12-2020). In Delft vinden we het belangrijk dat iedereen mee kan doen aan de samenleving. Via Werkse! spannen we ons in om zo veel mogelijk mensen naar werk te begeleiden of een andere zinvolle dagbesteding te bieden. Om ervoor te zorgen dat de uitkeringen terecht komen bij de mensen die er recht op hebben, handhaaft de gemeente overtredingen van de wet. In de desbetreffende wetten staat beschreven hoe gemeenten moeten handhaven, hierin is weinig ruimte voor beleidsvrijheid. Dit jaarlijkse verslag geeft de resultaten van het handhavingsbeleid in 2020 van de gemeente Delft op het gebied van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en bijzondere bijstand. In dit verslag gaan we kort in op wat handhaven inhoudt. We rapporteren over preventie, het opleggen van maatregelen en boetes en de opsporing van fraude. Door het gebruiken van gelijke kengetallen wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen vanaf 2015.
2. Handhaven, hoe en waarom Uitkeringsgelden zijn gemeenschapsgelden. Het is belangrijk dat uitkeringen terecht komen bij burgers die daar recht op hebben. Niet alleen om zorgvuldig met gemeenschapsgeld om te gaan, maar ook voor het behoud van solidariteit en een breed draagvlak binnen de samenleving voor de sociale zekerheid. Naast het recht op een uitkering staan verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden. Handhaving bestaat uit zowel preventieve als repressieve acties om de naleving van regels te vergroten. Handhaven begint daarom met goede en begrijpelijke gesprekken over rechten en plichten; voorlichting en informatie, zowel mondeling als schriftelijk (inclusief internet). Verder gaat het om een zodanige dienstverlening dat mensen zich zo gemakkelijk mogelijk aan hun verplichtingen kunnen houden. Daar waar gedrag niet wijzigt geven we waarschuwingen, of leggen we een maatregel of geven we een boete. Tot slot gaat handhaven ook over het opsporen van uitkeringsfraude. Op 4 Januari 2018 (registratienummer 3063918) is het beleidsplan Hoogwaardig Handhaven vastgesteld voor de periode tot en met 2020. Het concept ‘hoogwaardig handhaven’ is enkele jaren geleden uitgewerkt door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de gemeenten. Net als het eerdere beleidsplan is dit een beleidsplan gebaseerd op 4 pijlers: 1. Een goede dienstverlening. 2.
Een goede informatievoorziening. 3. Daadwerkelijke controle op de naleving. 4. Sanctioneren als geconstateerd is dat regels zijn overtreden.
Door de coronacrisis is de handhaving op de participatiewet, IOAW en IOAZ in 2020 anders dan voorheen. Met name fysieke bezoeken zijn sinds maart sterk beperkt. Dit is terug te zien in de cijfers van het Bijzonder Onderzoek. Dit heeft punt drie en vier van het beleidsplan ‘hoogwaardig handhaven’ sterk bemoeilijkt. In de paragrafen gaan we verder in op de invloed van de coronacrisis.
3. Preventie Goede informatie vermindert het onbewust overtreden van regels. Belangrijk is dat bijstandsgerechtigden weten wat zij van de gemeente kunnen verwachten en wat de gemeente van hen verwacht. Dit is een belangrijk onderdeel van alle contacten die de gemeente met nieuwe en bestaande bijstandsgerechtigden heeft. De gemeente Delft communiceert op verschillende manieren, zoals: - Persoonlijke contacten tussen consulenten en bijstandsgerechtigden. - Website www.delft.nl. - Stadskrant. - Klantenkrant (Delft actief). - Social media zoals Facebook en Twitter. De gemeente communiceert steeds in zo eenvoudig mogelijk Nederlands. Alle potentieel nieuwe bijstandsgerechtigden krijgen bij de uitkeringsaanvraag informatie over de verschillende mogelijkheden van inkomensondersteuning. Naast mondelinge uitleg reikt de gemeente de ‘Spelregels van een uitkering’ uit. Een in eenvoudig Nederlands opgestelde bijlage over rechten en plichten. De bijlage is ook beschikbaar in het Engels, Arabisch en Tingrinya (de taal van Eritrea). Ook op de website van de gemeente staan alle rechten en plichten die verbonden zijn aan een uitkering in eenvoudig Nederlands uitgelegd. Bij de aanvang van de uitkering Snelheid is cruciaal, hoe sneller een aanvrager duidelijkheid heeft over de aangevraagde uitkering hoe minder neiging er zal zijn om regels te overtreden.
Daarom werkt de gemeente na de eerste melding al aan de aanvraag, met als doel om na het tweede gesprek de aanvraag zo snel mogelijk af te handelen. De wettelijke termijn om een uitkeringsaanvraag af te handelen is 8 weken. De gemeente wil uitkeringsaanvragen echter sneller afhandelen, liefst binnen 4 weken. In 2020 werd 76,5% van de normale aanvragen binnen 4 weken afgehandeld. 88% van de aanvragen werd afgehandeld binnen 8 weken. Daar waar sprake is van termijnoverschrijding is dit bijna altijd een gevolg van informatie die door de cliënt niet (tijdig) wordt geleverd. Er is ook een verkorte procedure. Deze is van toepassing als de uitkering van een cliënt voor een korte periode is beëindigd. Omdat veel gegevens nog actueel zijn wordt dit snel afgehandeld. Deze aanvragen werden allemaal (100%) binnen 4 weken afgehandeld. Volgens de wet moet de gemeente de jongere (tot 27 jaar) die een uitkering aanvraagt een zoekperiode opleggen. Gedurende een periode van 4 weken moet hij of zij een aantal opdrachten doen, in eerste instantie gericht op de mogelijkheden van verdere scholing. Is scholing niet mogelijk dan zijn de opdrachten gericht op het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid1. Pas na 4 weken kan de jongere een uitkering aanvragen. Eventuele toekenning vindt vervolgens plaats met terugwerkende kracht.
In 2015 is er aan jongeren tot 27 jaar in 56 % van de gevallen een uitkering toegekend na 4 weken. In 2016 steeg dit naar 1
Deze opdrachten bestaan onder andere uit het verrichten van een aantal sollicitaties, het bijwerken van een Curriculum Vitae, het inschrijven bij verschillende uitzendbureaus etc.
62% steeg. In 2017 is dit verder gestegen naar 66%. In 2018 is dit nauwelijks veranderd. Er werd in 67% van de aanvragen uiteindelijk een uitkering toegekend. In 2019 is dit gestegen naar 80%. In 2020 is het percentage verder gestegen naar 84%. De coronacrisis heeft deze zoekperiode veranderd2. Voor jongeren is de zoekperiode in medio april weggevallen. Dit was noodzakelijk om deze bevolkingsgroep zo snel mogelijk van een basisinkomen te voorzien. Vanaf medio september heeft de gemeente Delft de zoekperiode weer ingesteld. Als uitzondering hebben jongeren zonder startkwalificatie, dakloze jongeren en jongeren met een mbo 1 of 2-kwalificatie de rest van 2020 geen zoekperiode gehad. De gemeente heeft sinds 2014 voor alle overige aanvragers (personen ouder dan 27 jaar) een soortgelijke werkwijze geïntroduceerd. Doel van deze werkwijze is cliënten direct na een beroep op een uitkering meer te activeren om actief op zoek te gaan naar werk. Zij kunnen wel een aanvraag indienen, maar ook van hen wordt verwacht dat zij opdrachten uitvoeren gedurende een periode van ca. 2,5 week. Na deze 2,5 week wordt tijdens een gesprek de uitkeringsaanvraag definitief in behandeling genomen. Gedurende deze 2,5 week werkt de gemeente actief aan de voorbereiding van de afhandeling van de aanvraag.
Er wordt een dossier gevormd en noodzakelijke informatie verzameld, zodat een aanvraag snel kan worden afgehandeld. Ook voor bijzondere bijstand geldt dat een aanvraag snel moet worden afgehandeld. Ook daar geldt dat de cliënt zo snel mogelijk moet weten waar hij aan toe is. Om de snelheid van afhandeling te vergroten kent de gemeente voor een aantal producten een digitale aanvraagprocedure. Het aantal producten dat op deze wijze wordt aangeboden wordt steeds verder uitgebreid. Geholpen door al beschikbare digitale informatie hoeft de cliënt nog weinig informatie zelf aan te leveren en kan een aanvraag snel worden afgehandeld. Indien de betrokkene onvoldoende digitaal vaardig is, bestaat altijd de mogelijkheid om op een andere manier (papier) een aanvraag in te dienen. De Formulierenbrigade van Delft voor Elkaar helpt inwoners bij hun aanvraag indien zij niet in staat zijn om formulieren zelfstandig in te vullen. De coronacrisis heeft ook invloed gehad op de beschikbaarheid van de Formulierenbrigade. De brigade werkt met fysieke afspraken, waardoor zij tijdens de lockdown geen hulp konden bieden. In de periodes waarin huisbezoeken mogelijk waren, heeft de brigade de achterstand proberen in te halen.
2 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijstand/vraag-en-antwoord/welke-regels-
gelden-er-voor-de-bijstand-voorjongeren#:~:text=Zoekplicht,zoekperiode%20voor%20u%20niet%20geldt.
4. Het opleggen van een maatregel of een boete De gemeente Delft legt maatregelen en/of boetes op aan klanten die niet voldoen aan de plichten van de Participatiewet. De onderstaande tabellen geven de situatie van 2020 weer. Tabel 1: aantal opgelegde waarschuwingen, boetes en maatregelen (bron KCC-monitor)
Aantal waarschuwingen
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Waarschuwingen
17
22
13
34
32
30
29%
-41%
162%
-6%
-6%
% stijging of daling t.o.v. voorgaande jaar
Er is sprake van een kleine daling in het aantal afgegeven waarschuwingen (-6%). Deze schommeling is niet te herleiden aan een specifieke oorzaak. Aantal maatregelen Arbeids- en re-integratieplicht Inschrijvingsplicht Tekortschietend besef verantwoordelijkheid Totaal aantal maatregelen
2015 215 0 12
2016 301 0 8
2017 247 0 10
2018 213 0 21
2019 167 0 20
2020 138 0 16
227
309
257
234
187
154
Er zijn in 2020 minder maatregelen opgelegd dan in de jaren daarvoor. Deze trend is sinds 2018 ingezet. Werkse! en de Jongerenacademie zetten in op preventie en dat is te zien in deze cijfers.
Aantal boetes (informatieplicht) Totaal boeten en maatregelen, excl. waarschuwingen % stijging of daling t.o.v. voorgaande jaar
2015 215
2016 208
2017 330
2018 180
2019 60
2020 34
442
517
587
414
247
188
-27%
17%
-14%
-29% -33%
21%
5. Het opsporen van fraude: de sociale recherche Wat is fraude? Een van de verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden is de informatieplicht. De cliënt moet de gemeente alle wijzigingen in zijn situatie melden die van belang zijn voor het vaststellen van het recht, c.q. de hoogte van een uitkering. Als een cliënt zijn informatieplicht niet nakomt dan is dit volgens de wet fraude. Volgens de Fraudewet gaat het om: het niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig verstrekken van informatie. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen bewust of onbewust (foutje, vergeten, niet bekend) frauderen. Constateert de gemeente dat een cliënt de informatieplicht heeft geschonden dan moet zij een boete opleggen. Deze boete is afhankelijk van de hoogte van het te veel ontvangen bedrag, de mate van verwijtbaarheid en de financiële mogelijkheden van de cliënt. In juridische zin is een boete anders dan een maatregel. Op het moment dat er een gegrond vermoeden is van gepleegde fraude met een benadelingsbedrag zetten we de afdeling Bijzonder Onderzoek (BO) in. In eerste instantie verrichten de bijzonder controleurs een administratief vooronderzoek. Als na dit onderzoek het vermoeden van fraude niet is weggenomen, en er meer onderzoek noodzakelijk is dan nemen de Sociaal Rechercheurs dit onderzoek over.
Het integraal Handhavingsteam binnen Bijzonder Onderzoek legt zich onder andere toe op het nader beoordelen van uitkeringsaanvragen. In de meeste gevallen zijn er geen bezwaren om een uitkering toe te kennen, maar soms is er aanleiding tot het vragen van aanvullende informatie, dan wel dat geconstateerd wordt dat de aanvrager zou frauderen als de aanvraag werd toegekend.
Als belangrijk verschil met andere handhavingsactiviteiten binnen de Participatiewet, de IOAW en IOAZ van de gemeente is dat de afdeling BO zich richt op het vaststellen van een misdrijf. Wat heeft het opgeleverd? Tabel 2: overzicht resultaten sociale recherche (bron CBS)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Aantal behandelde zaken
168
138
174
179
114
48
% stijging of daling t.o.v. voorgaande jaar
-11%
-18%
26%
3%
-33%
-138%
Totaalbedrag opgelegde terugvorderingen
426.669
424.792
518.940
277.557
117.959
142.955
0,4%
22%
-47%
-58%
17%
% stijging of daling t.o.v. voorgaande jaar
In 2020 heeft er een sterke daling (-138%) in het aantal behandelde zaken plaatsgevonden. Dat heeft te maken met de corona-crisis. Deze crisis heeft invloed gehad op de capaciteit, de aanpassing van prioriteiten en toegang tot informatie. De sociale recherche heeft voor een groot gedeelte van het jaar geen mogelijkheid gehad om huisbezoeken af te leggen. Daarnaast zijn minder klanten fysiek aanwezig geweest op de locaties, waardoor observatie ter plekke lastiger was. Daarentegen is het totaalbedrag aan opgelegde terugvorderingen gestegen met 17%. Dat betekent dat per behandelde zaak er een hogere terugvordering is opgelegd. Tabel 3: gevolgen voor de uitkering (bron CBS)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Aantal beëindigde uitkeringen
56
51
74
64
40
15
Aantal aangepaste uitkeringen
57
48
42
43
8
5
Ongewijzigd (fraude reeds beëindigd)
18
14
13
35
46
21
Uitkering was al beëindigd
16
13
12
14
8
5
Overig (geen fraude vastgesteld of er is nog geen uitkering toegekend)
21
12
33
23
12
2
TOTAAL
168
138
174
179
114
48
-18%
+23%
3%
-33%
-138%
% stijging of daling t.o.v. voorgaande jaar
Als er sprake is van fraude kan dat gevolgen hebben voor de uitkering. De uitkering kan; 1. Beëindigd worden; 2. Aangepast worden; 3. Ongewijzigd blijven (indien de fraude al is geëindigd). Als er sprake is van fraude legt de gemeente de cliënt een boete op. Daarnaast vordert de gemeente het onrechtmatig uitgekeerde bedrag terug. Is terugvordering in één keer niet mogelijk, treft de gemeente een betalingsregeling met de cliënt. Daarbovenop betaalt de cliënt een boete volgens de Fraudewet. In sommige gevallen is de uitkering van de persoon in kwestie beëindigd. Dan kan er dus geen sprake zijn van een verandering in de uitkering. Als laatste is er de overige categorie. Dit betekent dat er geen fraude is vastgesteld, of dat de fraude is vastgesteld vóór de eerste uitbetaling.
In die zaken waarin geen fraude werd vastgesteld, ontstonden misstanden tijdens de intake. Een consulent kan constateren dat de gegevens en/of verklaring van de cliënt niet kloppen. Omdat er nog geen geld is verstrekt, kan er alsnog sprake van fraude zijn. Aangifte De gemeente moet aangifte doen bij het Openbaar Ministerie als het fraudebedrag hoger is dan€ 50.000, - of wanneer er sprake is van recidive3. Dit is een richtlijn van het Openbaar Ministerie. In dat geval blijft een boete door de gemeente achterwege. De aangifte kan leiden tot een strafrechtelijke vervolging. In 2020 is er geen aangifte gedaan vanwege fraude. Tabel 4: Aantal aangiftes (bron CBS)
Aantal aangiftes
2015
2016
2017
2018
2019
2020
4
2
3
1
0
0
Een van de doelstellingen van het handhavingsbeleid is de geconstateerde regelovertreding zo snel mogelijk op te sporen. Dat geldt ook voor fraudes. Daarmee voorkomen we dat de cliënt geconfronteerd wordt met hoge vorderingen die kunnen leiden tot een strafblad. Een strafblad werkt belemmerend bij het zoeken naar werk.
Tabel 5: Duur van de fraude (bron CBS)
Duur van de fraude
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Korter dan 1 maand
56
53
49
49
30
10
1-6 maanden
64
60
67
63
66
15
6-12 maanden
17
12
19
18
18
4
1-2 jaar
5
1
10
4
0
0
Meer dan 2 jaar
5
0
5
2
0
2
Overig
21
12
24
43
0
17
Totaal
168
138
174
179
114
48
De meest voorkomende duur van fraude ligt tussen de 1 en 6 maanden. Er zijn slechts enkele gevallen waarin fraude langer duurt dan een jaar. Meldingen van fraude De medewerkers van Bijzonder Onderzoek hebben een groot extern netwerk. De lijnen met de politie en het Openbaar Ministerie zijn kort. In de afgelopen jaren hebben zij hun netwerk verder uitgebreid. Dit met het doel (vroegtijdig) informatie over mogelijke fraude te ontvangen en ook om snel te kunnen schakelen wanneer fraude wordt geconstateerd. Partners als woningbouwverenigingen geven signalen door aan medewerkers van Bijzonder Onderzoek.
3
Aangifte kan, ongeacht het bedrag ook worden gedaan als er sprake is van recidive of een combinatie met andere strafbare feiten.
Meldingen over mogelijke fraude komen uit veel verschillende bronnen. Het grootste deel van de meldingen is afkomstig van het Inlichtingenbureau. Dit gaat meestal om ‘witte fraudes’, omdat dit bestaande registraties koppelt. Andere bronnen zijn onder andere medewerkers van de gemeente en burgers. Niet alle meldingen kunnen worden onderzocht. Daarom worden meldingen geprioriteerd.
Tabel 6: bron fraudemeldingen van 2017 tot en met 2020
2017
2018
2019
2020
fraude vastgesteld
geen fraude vastgesteld
fraude vastgesteld
geen fraude vastgesteld
fraude vastgesteld
geen fraude vastgesteld
fraude vastgesteld
geen fraude vastgesteld
Inlichtingenbureau
33
99
49
12
34
0
11
1
Intern Consulenten (inkomen, werk, sociaal team en overig)
43
74
52
11
16
4
5
6
Burgers anoniem brief en kliklijn
14
52
4
12
12
19
5
8
Eigen waarneming
4
5
2
3
4
0
1
0
Belastingdienst en FIOD
1
1
1
0
0
0
0
0
Politie en Openbaar Ministerie
10
14
14
3
5
6
2
1
Woningbouw
5
0
5
1
10
4
5
1
UWV
2
4
0
0
0
0
0
0
Andere gemeente
0
2
0
1
0
1
1
0
Overig
19
26
2
3
9
2
1
0
Totaal
1314
279
129
46
90
24
31
17
Bron melding
Alle meldingen worden beoordeeld. Ook anonieme meldingen. Ook deze worden onderzocht, waarbij de gemeente zich heel goed realiseert dat veel van deze meldingen worden gedaan om anderen bewust in een kwaad daglicht te stellen.
4
Een melding kan meerdere personen/onderzoeken betreffen. Het aantal onderzochte meldingen is daardoor lager dan het aantal uitgevoerde onderzoeken.
Zoals eerder aangegeven is in veel gevallen het onderzoek een uitsluitend administratieve aangelegenheid, uitgevoerd door de bijzonder controleurs. Tijdens een administratief onderzoek, merkt de cliënt daar niets van. Achteraf wordt de cliënt wel op de hoogte gesteld, conform de Participatiewet. Indien er sprake is van een huisbezoek, weet de cliënt direct dat er sprake is van een onderzoek. Tot slot kan een onderscheid worden gemaakt naar het type fraude. Het grootste aantal fraudes heeft betrekking op het verzwijgen van ‘witte’ inkomsten. Omdat inkomsten in verschillende registraties zijn opgenomen, zoals die van het UWV en de belastingdienst, worden deze fraudes over het algemeen snel opgespoord. Andere vormen van fraude, zoals ‘zwarte inkomsten’ of ‘partnerfraude’ zijn niet terug te vinden in andere basisregistraties en daardoor veel moeilijker op te sporen. In de onderstaande tabel vindt u een overzicht. Tabel 7: overzicht type fraudeonderzoeken (bron CBS)
Soort fraude Verzwegen witte inkomsten Verzwegen zwarte inkomsten Verzwegen vermogen of inkomen daaruit Onjuiste opgave woonsituatie Partner fraude Anders5 Totaal
2015 73
2016 65
2017 60
2018 69
2019 35
2020 12
8
5
17
18
19
9
9
1
7
1
2
1
39
28
44
34
35
15
7 32 168
11 28 138
25 21 174
17 40 179
11 23 114
6 5 48
De meest voorkomende vorm van fraude in 2020 is het verzwijgen van inkomsten. Er is relatief meer sprake van het verzwijgen van witte inkomsten dan van zwarte inkomsten. Ook het onjuist opgeven van de huidige woonsituatie gebeurt relatief vaak.
Voorbeelden van ‘anders’ zijn fraude met identiteitspapieren, domicilie (verblijf in een andere gemeente), inwonende kinderen met inkomen, verblijf in detentie zonder melding etc. 5
6. Ontwikkelingen Het beleidsplan Hoogwaardig Handhaven van de gemeente Delft was van toepassing t/m 2020.Het nieuwe beleid voor 2021-2023 richt zich op een integrale benadering van fraude. Daarom kijkt de gemeente Delft naar een samenwerking in handhaving met de Wmo en de Jeugdwet. Sinds 2015 is de gemeente ook verantwoordelijk voor de uitvoering van de WMO en de jeugdwet. Ook binnen deze wetten is fraude en misbruik mogelijk. De gemeente heeft dan ook een handhavende taak binnen deze wetten. Medewerkers van de afdeling BO zijn geschoold voor een taak binnen de WMO. Inmiddels zijn er 2 medewerkers formeel benoemd als opsporingsambtenaar binnen de WMO. Fraude binnen de WMO heeft over het algemeen een ander karakter dan fraude met uitkeringen. Bij uitkeringen zijn het over het algemeen cliënten die frauderen; binnen de WMO ligt de nadruk veel meer op fraude door zorgaanbieders. Dat vraagt een andere aanpak. Een aanpak die samenwerking vraagt met verschillende ketenpartners, waaronder de zorgverzekeraars. Ondanks dit verschil kijkt de gemeente Delft naar een mogelijke samenwerking in handhaving voor deze drie wetten. In de komende maanden kijkt de gemeente of een gezamenlijk handhavingsplan mogelijk is en hoe de verschillen in zicht blijven.
Bijlage 1: De verplichtingen binnen de Participatiewet Aan het recht op een uitkering zijn verplichtingen verbonden. Deze worden onderverdeeld in de geüniformeerde en de niet-geüniformeerde verplichtingen. De geüniformeerde verplichtingen zijn enkele verplichtingen die met de invoering van de Participatiewet zijn opgenomen in de wet. De maatregelen die de gemeente moet opleggen bij schending van een deze verplichtingen zijn in de wet vastgelegd. De niet-geüniformeerde verplichtingen zijn verplichtingen die zijn opgenomen in de wet maar waarbij gemeenten de invulling bepalen, alsmede de hoogte van de maatregel bij het schenden van de verplichting. De hoogte van de maatregel hebben gemeenten vastgelegd in de lokale afstemmingsverordening (of zoals in Delft de maatregelverordening). a. De niet –geüniformeerde verplichtingen; de gevolgen van het schenden van deze verplichting is geregeld in de lokale maatregelverordening. Dit zijn de volgende verplichtingen: 1. Het tonen van voldoende verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid van de Participatiewet). 2. De plicht om mee te werken aan arbeidsinschakeling (artikel 9 Participatiewet). Deze plicht bestaat uit twee verplichtingen: - De arbeidsplicht: de plicht om te proberen werk te krijgen en aan te nemen.
Hiertoe hoort ook het inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf, tenzij iemand van die verplichting ontheven is (artikel 9, eerste lid, onder a) - De re-integratieplicht: de plicht gebruik te maken van de re-integratiemogelijkheden van het college, en zich houden aan de afspraken die hierover zijn gemaakt. Het college houdt hierbij rekening met de persoonlijke situatie van een uitkeringsgerechtigde (artikel 9 ,eerste lid onder b). Voor jongeren tot 27 jaar gelden op dit punt nog enkele specifieke verplichtingen. Een van de verplichtingen is dat de jongere tijdens de zoekperiode van vier weken de plicht heeft om aantoonbaar te zoeken naar werk. Ook moet hij de mogelijkheden onderzoeken om een opleiding te volgen in het reguliere onderwijs. 3. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid Participatiewet). Het college kan een uitkeringsgerechtigde medewerking vragen voor de uitvoering van de wet, bijvoorbeeld doordat een uitkeringsgerechtigde: - toestemming geeft voor een huisbezoek; - meewerkt aan een psychologisch of sociaal medisch onderzoek. 4. Het meewerken aan een tegenprestatie (artikel 9, eerste lid onder c) Het college kan de uitkeringsgerechtigde opdragen als tegenprestatie naar vermogen voor een uitkering bepaalde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen.
Indien de uitkeringsgerechtigde dit krijgt opgedragen is hij verplicht deze werkzaamheden naar behoren uit te voeren. Het gemeentelijk beleid hieromtrent is vastgelegd in de verordening tegenprestatie 5. Een belanghebbende mag zich niet zeer ernstig misdragen tegen de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden (artikel 9, zesde lid).
b. De geüniformeerde verplichtingen; de consequenties van een schending van een van deze verplichting leidt tot een in de wet vastgelegd maatregel. Deze verplichtingen hebben allemaal te maken met de arbeids- en re-integratieplicht. Deze verplichtingen betreffen (artikel 18, vierde lid): o het behouden en aanvaarden van werk, o het ingeschreven staan bij een uitzendbureau, o als men gaat verhuizen naar een andere gemeente eerst proberen werk te vinden in de nieuwe gemeente, o voor het verkrijgen van werk wordt een reistijd van 3 uur per dag acceptabel geacht, o bereid te zijn te verhuizen naar een andere gemeente als iemand daar werk kan krijgen, o het behouden van kennis en vaardigheden, o je zodanig te kleden en te gedragen zodat dit geen belemmering is voor het verkrijgen van werk, o het gebruik maken van een voorziening. Tweede lid Als de uitkeringsgerechtigde één van deze verplichting niet nakomt dan moet het college een maatregel opleggen. De hoogte van de maatregel is 100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand. Dit staat in artikel 18, vijfde lid van de wet. c. Bijzondere verplichtingen op grond van artikel 55 en 57 van de Participatiewet. De gevolgen van het schenden van deze verplichting is geregeld in de lokale maatregelverordening. In artikel 55 en 57 is geregeld dat het college een uitkeringsgerechtigde enkele bijzondere verplichtingen kan opleggen.
Zo biedt artikel 55 de mogelijkheid de verplichting op te leggen om een medisch onderzoek of een specifieke behandeling te ondergaan. Artikel 57 staat dat wanneer een uitkeringsgerechtigde of een gezin een uitkering ontvangt, het college hem kan verplichten om mee te doen aan budgetbeheer. Het college kan ook namens een uitkeringsgerechtigde bepaalde betalingen (bijvoorbeeld voor de vaste lasten) doen, als zij denkt dat hij dat zelf niet kan. Als een uitkeringsgerechtigde of gezin weigert mee te werken, kan het college een maatregel opleggen. d. De informatieplicht: de consequentie van het schenden van de informatie is het opleggen van een waarschuwing of boete, overeenkomstig de Fraudewet (artikel 18a P-wet) De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB). Naast de eerdergenoemde verplichtingen is er ook de informatieplicht. Een uitkeringsgerechtigde is verplicht het college te informeren over zaken die van invloed kunnen zijn op het re-integratieproces of het recht op bijstand. Hij moet zo'n verandering binnen twee weken doorgeven; hiervoor is een wijzigingsformulier beschikbaar. Ook via de balie of digitaal kunnen wijzigingen worden doorgegeven. Hieronder valt ook de identificatieplicht. Het schenden van de informatieplicht valt sinds 2013 echter niet onder de lokale maatregelverordening.
Met de invoering van de Fraudewet (1-1-2013) moet bij een overtreding van de informatieplicht een boete worden opgelegd (en dus geen maatregel).
Bijlage 2: het verschil tussen een maatregel en een boete De Participatiewet, IOAW/IOAZ en kennen diverse verplichtingen. De belangrijkste verplichtingen zijn de arbeids- en re-integratieplicht, de medewerkingsplicht en de inlichtingenplicht. Een overzicht van deze verplichtingen is opgenomen in bijlage 1. Indien bijstandsgerechtigden arbeids-, re-integratie- of medewerkingsverplichtingen niet nakomen, volgt een maatregel6. Een maatregel is een tijdelijke verlaging van de uitkering. Een maatregel is bedoeld om het gedrag van de bijstandsgerechtigde te veranderen (reparatoir). Een andere verplichting is de inlichtingenplicht. De cliënt moet de gemeente (ook uit eigen beweging) alle informatie verstrekken die noodzakelijk is voor het bepalen van het recht op een uitkering (en de hoogte van de uitkering). Bij een schending van de inlichtingenplicht is, volgens de wet sprake van fraude. Bij overtreding van deze verplichting moet de gemeente een boete opleggen. Een boete is bedoeld als straf (punitief). Alleen als er geen sprake is van een benadelingsbedrag, mogen we eenmalig volstaan met een waarschuwing.
6
Artikel 18, tweede lid, Participatiewet: Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering ……………..