GRB Delft Rijswijk concept Wijzigingen
Tekst van het document
Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Delft – Rijswijk
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft en Rijswijk, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd Overwegende dat -
de gemeenten Delft en Rijswijk al samenwerkten op het gebied van IT-diensten ten behoeve van de vorming van een gezamenlijk shared service center voor bedrijfsvoeringsactiviteiten; de gemeente Rijswijk streeft naar verbetering van de kwaliteit en vermindering van de kwetsbaarheid van de IT-omgeving; de gemeente Delft streeft naar vermindering van kosten voor IT-diensten; beide gemeenten de dienstverlening van Delft aan Rijswijk willen onderbrengen in een samenwerkingsvorm; de samenwerkingsvorm eventuele uitbreiding in de toekomst mogelijk maakt, zowel met andere services als met andere partners
Gelet op -
hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de toestemmingen van de gemeenteraden van Delft en Rijswijk, op grond van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen
Besluiten de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Delft-Rijswijk Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. aankoopcentrale: een aankoopcentrale als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012; b. bedrijfsvoeringsorganisatie: de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3; c. bestuur: het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 4 van deze regeling; d. colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; e. gemeenten: de gemeenten Delft en Rijswijk; f. raden: de gemeenteraden van de gemeenten; g. regeling: de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Delft-Rijswijk, h. voorzitter: de voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 6; i. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 2 Belang De regeling wordt getroffen ter ondersteuning en uitvoering van de taken van de colleges op het
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 1
terrein van ondersteunende taken voor bedrijfsvoeringsprocessen, waaronder IT diensten taken.
Hoofdstuk 2, Bedrijfsvoeringsorganisatie Artikel 3 Bedrijfsvoeringsorganisatie 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd Bedrijfsvoeringsorganisatie Delft-Rijswijk. 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Delft. Artikel 4 Samenstelling Bestuur 1. Het bestuur bestaat uit twee leden. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan. 2. De leden van het bestuur hebben ieder één stem. 3. Het bestuur beslist bij unanimiteit. 4. Indien de stemmen ten aanzien van een specifiek onderwerp duurzaam staken, wordt de geschillenregeling, genoemd in artikel 23 van kracht. 5. De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen. Artikel 5 Reglement van orde 1. Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast. 2. Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal. 3. Artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing. Artikel 6 Voorzitter 1. Het bestuur wijst jaarlijks uit zijn midden een voorzitter aan. 2. De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. 3.
De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 5. 4. Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen. 5. De voorzitter kan worden vervangen door het andere lid van het bestuur. Artikel 7 Secretaris 1. Het bestuur heeft een secretaris. De secretaris is tevens de directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2. Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris. De secretaris mag niet lid zijn van het bestuur. 3. De secretaris is bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij in de uitvoering van zijn taken. 4. De secretaris medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. Artikel 8 Personeel 1. De directeur, bedoeld in artikel 7, eerste lid, is onder verantwoordelijkheid van het bestuur belast met de leiding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de bedrijfsvoeringsorganisatie. 2. Het bestuur kan de instructies aan de directeur vastleggen in een directiestatuut. 3. Op medewerkers die in dienst zijn bij de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn de
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 2
rechtspositieregelingen van de gemeente Delft van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 3, Taken en verantwoording Artikel 9 Taken 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie kan taken uitvoeren die betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de gemeenten, waaronder op het gebied van IT. 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie kan fungeren als aankoopcentrale van de gemeenten. 3. De bedrijfsvoeringsorganisatie komt met elke gemeente een dienstverleningsovereenkomst overeen waarin wordt gespecificeerd welke taken de bedrijfsvoeringsorganisatie voor die gemeente uitvoert en onder welke inhoudelijke en financiële voorwaarden dit plaatsvindt. 4. De colleges dragen er zorg voor dat de gemeenten de benodigde mandaten, volmachten en machtigingen geven die de bedrijfsvoeringsorganisatie nodig heeft voor de uitvoer van de taken, bedoeld in het eerste lid, die in de dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, worden opgenomen en het kunnen functioneren als aankoopcentrale, bedoeld in het tweede lid. 5. Het bestuur stelt een opdrachtgeversoverleg in bestaande uit de gemeentesecretarissen van de gemeenten. Het opdrachtgeversoverleg beraadslaagt zo vaak als het bestuur zulks nodig acht met elkaar en met de directeur, genoemd in artikel 7, eerste lid, over de taakopdracht aan de bedrijfsvoeringsorganisatie. Artikel 10 Bevoegdheden 1. De colleges dragen geen bevoegdheden over aan het bestuur. 2.
Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de bedrijfsvoeringsorganisatie of zijn bestuursorganen komen toe aan het bestuur. Artikel 11 Verantwoording, inlichtingen en besluiten voor zienswijze 1. Het bestuur legt verantwoording af over het door het bestuur gevoerde beleid. Het bestuur kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. 5. Het bestuur verstrekt zowel de colleges als de raden van de deelnemende gemeenten periodiek informatie over de uitvoering van de taakopdracht van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 6. In aanvulling op de in de wet genoemde besluiten die voor zienswijze dienen te worden voorgelegd aan de raden van de gemeenten, kan het bestuur besluiten een voorgenomen besluit voor zienswijze aan de raad voor te leggen.
Het gaat hierbij in ieder geval om voorgenomen besluiten die belangrijke gevolgen voor de toekomst van de samenwerkingsvorm hebben, zoals het toetreden van nieuwe deelnemers of het uitbreiden naar andersoortige dienstverlening (niet-IT). 7. Over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid dat gevolgen heeft voor de inwoners van de gemeenten vindt participatie van de inwoners plaats via de gemeentelijke processen.
Hoofdstuk 4, Financiën
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 3
Artikel 12 Gemeentewet De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken. Artikel 13 Financiële verantwoordelijkheid 1. De gemeenten dragen er zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien een gemeente weigert deze uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet. 3. Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de gemeenten financieel bijdragen aan de middelen voor instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 4. Elke gemeente draagt de integrale kosten voor de taken die hij afneemt van de bedrijfsvoeringsorganisatie, op basis van artikel 9, eerste lid. De nadere financieringsafspraken worden opgenomen in de dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in artikel 9, derde lid. Artikel 14 Kadernota Het bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.
Artikel 15 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste 12 weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze. 5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van Zuid-Holland hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland. 8. Het bepaalde in het eerste, derde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.
Het bepaalde in het vijfde en zevende lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 15 september hoeft plaats te vinden.
Artikel 16 Jaarrekening 1. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het bestuur zendt voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. 3. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 4
van Zuid-Holland. Hoofdstuk 5, Bepalingen over de regeling Artikel 17 Uittreding en opheffing 1. De opzegtermijn voor het treden uit de bedrijfsvoeringsorganisatie bedraagt ten minste één jaar. 2. De besluitvorming rondom de uittreding en de gevolgen van uittreding vindt plaats met inachtneming van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 3. Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur. Het bestuur zendt een besluit tot uittreding van een deelnemer aan de andere deelnemer(s). Indien na uittreding slechts één college deelnemer blijft aan deze regeling is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing. 4. In het geval van uittreding stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle gevolgen van de uittreding worden geregeld voor alle relevante aspecten, waaronder in ieder geval het betrokken personeel en de bedrijfsvoering waaronder in ieder geval de financiële verplichtingen die zijn aangegaan, inclusief bestaande langjarige investeringen. 5.
Bij het vaststellen van voorwaarden voor uittreding baseert het bestuur zich op de volgende kosten voor uittreding: investeringen (inclusief onderhouds-/vervangingsinvesteringen): generiek naar rato en individuele naar betreffende gemeente; contractuele verplichtingen jegens derden; effecten bezien op uittreding uit de bedrijfsvoeringsorganisatie met betrekking tot deelnemingen aan derden; financiële gevolgen voor de directe kosten en de overheadkosten, waaronder personeel; aandeel naar rato in de algemene reserve, waarbij de algemene reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie niet onder het weerstandsvermogen mag uitkomen; desinvesteringskosten, conform afspraak in de dienstverleningsovereenkomst; advies- en begeleidingskosten van het proces tot uittreding, door de uittredende partij. 6. Bij uittreding of opheffing wordt een gemeente in de gelegenheid gesteld de kosten van desintegratie en voor zover van toepassing beëindiging van de activiteiten van de bedrijfsvoeringsorganisatie te verlagen door personeel en materieel van de bedrijfsvoeringsorganisatie over te nemen. De gemeenten die personeel dan wel materieel heeft ingebracht geniet een recht van voorrang bij overname. Voor het personeel wordt hierbij zoveel mogelijk uitgegaan van het principe ‘mens volgt werk’, indien taken overgaan naar een andere organisatie. 7.
Een college kan slechts besluiten tot uittreding na toestemming van zijn raad, bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 18 Wijziging
1. Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden. 2. De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 19 Toetreding 1. 2. 3. 4.
De colleges van burgemeester en wethouders van andere gemeenten dan die bedoeld in artikel 1, onder e, kunnen een verzoek tot toetreding indienen bij het bestuur. Het bestuur zendt het verzoek tot toetreding onverwijld door aan de colleges. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien alle colleges, die op dat moment deelnemen, daartoe besluiten met toestemming van hun raden als bedoeld in artikel 1 van de wet. Het bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, voordat over de toetreding wordt besloten.
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 5
Hoofdstuk 6, Slotbepalingen Artikel 20 Duur De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 21 Evaluatie 1. Het bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling, waarbij vijf jaar na de vorige evaluatie een nieuwe evaluatie wordt uitgevoerd. 2. Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval: a. de wijze waarop de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Delft-Rijswijk bijdraagt aan het belang waarvoor zij is ingesteld en de kwaliteit van haar taakuitvoering; b. de kostenverdeling, bedoeld in artikel 13, derde lid, en c. de governance van de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie DelftRijswijk, waaronder de rollenscheiding, sturing en verantwoording. Artikel 22 Inzenden regeling en bekendmaking 1. Het college van de in artikel 3, tweede lid, genoemde gemeente zendt deze regeling aan gedeputeerde staten van Zuid Holland. 2. Het college, bedoeld in het eerste lid, draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling in de gemeenten, onverminderd het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 23 Geschillen 1. Indien tussen de colleges een geschil ontstaat over de interpretatie of uitvoering van de regeling, spant het bestuur zich sterk in om een en ander minnelijk met elkaar op te lossen. 2.
Indien een minnelijke oplossing niet wordt bereikt, wordt het geschil voorgelegd aan een commissie van deskundigen die een niet bindend advies uitbrengt. 3. De commissie van deskundigen, bedoeld in het vorige lid wordt als volgt samengesteld. Elk college wijst een deskundige aan en de aangewezen leden wijzen samen een derde deskundige als voorzitter van de commissie aan. 4. Op basis van het advies van de commissie van deskundigen hervatten het bestuur het overleg in een streven tot een oplossing in der minne te komen. Wanneer een van beide colleges dat wenst, kan zij een procedure aanspannen bij de rechtbank te Den Haag. 5. Elke gemeente draagt de eigen kosten, voortvloeiend uit de procedures bedoeld in lid 4 van dit artikel.
Artikel 24 Archief 1. Het bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen verordening, welke aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland wordt medegedeeld, draagt het bestuur zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten aan. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 6
van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 de archivaris belast. Met betrekking tot dit toezicht stelt het bestuur een verordening vast, welke aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland wordt medegedeeld. 6. De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 7. In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van de gemeente als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Artikel 25 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na bekendmaking overeenkomstig artikel 22, tweede lid, doch niet eerder dan 1 juli 2016, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 26 Citeerwijze De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie DelftRijswijk.
Gemeenschappelijke Regeling GRB Delft-Rijswijk Pagina 7