CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Geothermie Rotterdamseweg Toelichting

Commissie Ruimte en Verkeer 2 december 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake vaststellen Warmteplan Delft 2021 (nr. 2141783)16.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 4.5: Geluidniveaus in de nacht op geluidgevoelige gebouwen met steeds van links naar rechts de berekende waarden op verschillende oplopende hoogtes en tussen vierkante haken de toetsingswaarde. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 26

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

Uit bovenstaande afbeelding is op te maken dat er in de nachtperiode een overschrijding plaatsvindt op de volgende geluidgevoelige gebouwen: Leeghwaterstraat 13: 56 dB(A); Mekelweg 2: 59 dB(A); Leeghwaterstraat 21: 60 dB(A); Leeghwaterstraat 35: 56 dB(A); Leeghwaterstraat 37 A en B: 58 dB(A); Cornelis Drebbelweg 5: 55 dB(A); Leeghwaterstraat 42: 56 dB(A); Rotterdamseweg 141: 53 dB(A) (Hogeschool Inholland); Landbergstraat 15: 52 dB(A). Dit betreft een onderwijsgebouw van Hogeschool Inholland en verder onderwijsgebouwen van de TU Delft (mede-initiatiefnemer van het project). Zoals bij de avondperiode reeds benoemd, zou kunnen worden overwogen om de normen van de dagperiode te hanteren, aangezien wordt aangenomen dat de activiteiten in de gebouwen (als die al plaatsvinden in de nachtperiode) waarschijnlijk niet verschillen van de dagperiode. Indien de gebouwen in de nachtperiode niet in gebruik zijn, zou kunnen worden overwogen om deze voor deze periode als niet geluidgevoelig te beschouwen. Daarnaast kan ook worden gekeken naar het binnenniveau, conform artikel 19 van het Barmm. Indien in de nachtperiode wordt voldaan aan een binnenniveau van 30 dB(A), wordt voldaan aan de normen.

Mitigerende maatregelen Om de geluidbelasting op geluidgevoelige objecten te reduceren kan worden gekeken naar mitigerende maatregelen. Over het algemeen wordt als eerste gekeken naar maatregelen aan de bron, dan maatregelen in het overdrachtsgebied en als laatste naar maatregelen aan het geluidgevoelige object. Als eerste mitigerende maatregel aan de bronnen is reeds besloten om direct aangesloten te zijn op het elektriciteitsnet. Dit heeft als gevolg dat er geen generatoren worden gebruikt op het boorterrein. Daarnaast zal gedurende de boringen een scherm op de parkeergarage worden geplaatst van minimaal 23 m lengte en 2,5 m hoogte op de zuidwestzijde van de garage.

3. Geluid productiefase Voor het geluid tijdens de productie van aardwarmte is een akoestisch onderzoek verricht. In dit rapport is samenvattend het volgende geconcludeerd. De mijnbouwinrichting bestaat uit de boorlocatie/puttenterrein die reeds eerder wordt ingericht voor de realisatie van twee aardwarmteboringen, verschillende installatie-onderdelen buiten het puttenterrein (zoals leidingstraten, trafo's en een gasdroger) en diverse installaties die in het bestaande gebouw van de WKC worden gerealiseerd. De bouwwerken noodzakelijk voor de productiefase bestaan globaal uit een (inpandig) pomphuis, drie trafo's, een gasstraat en een fakkel. Het pomphuis komt binnen op de begane grond te staan binnen een omkasting. De filterruimte komt op de verdiepingsvloer. De drie trafo's komen buiten te staan aan de kant van de Rotterdamseweg. De inzet van de fakkel is incidenteel. Uitgangspunt is dat deze niet meer dan twaalf dagen per jaar gebruikt zal worden. De inrichting wordt gesitueerd op het geluidgezoneerde industrieterrein TU Centrale. In de omgeving van de locatie bevinden zich verschillende woningen en onderwijsgebouwen.

Equivalente geluidniveau (LAeq) De inrichting van de aardwarmteproductie maakt geen deel uit van het geluidgezoneerde industrieterrein bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 27

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg TU. De maatgevende toetspunten uit de rapporten van de boring en aanleg zijn eveneens voor dit rapport gebruikt om de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten te bepalen. Uit p. 13 van het rapport blijkt dat de berekende waarden van de Hogeschool InHolland op verschillende hoogtes niet de toetswaarden overschrijden.

Maximaal geluidniveau (LAmax) De geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woningen en onderwijsgebouwen is ook berekend met betrekking tot het maximaal geluidniveau (LAmax) voor de geothermie installatie. Uit deze berekeningen blijkt dat het maximale geluidniveau ten hoogste 50 dB(A) is in de dag-, avond- en nachtperiode. De grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) worden derhalve nergens overschreden.

Incidentele bedrijfssituatie Op het dak van het gebouw zal eveneens een fakkel (flare) worden geplaatst. Deze fakkel zal incidenteel worden gebruikt. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt de fakkel niet gebruikt en is er geen sprake van geluid emissies vanuit de fakkel. Die is slechts in geval van storing aan de stookinstallatie of bij onderhoudswerkzaamheden in werking, maximaal twaalf dagen per jaar. De fakkel zal, indien dit voor onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk is, gedurende een zo kort mogelijke periode in werking zijn en wel, behoudens onvoorziene noodomstandigheden uitsluitend tussen 07.00 uur en 19.00 uur. De situatie met de fakkel kan derhalve worden gezien als een incidentele bedrijfssituatie. De geluidbelasting voor de incidentele bedrijfssituatie is uitgerekend voor de situatie dat de fakkel continu aan staat. In de praktijk zal de fakkel veelal echter geen 24 uur achter elkaar aan staan en is de situatie derhalve worst-case beschouwd. Voor de incidentele bedrijfssituatie is geen toetsingskader. Er is gekeken naar de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woningen en onderwijsgebouwen. De geluidbelasting op de onderwijsgebouwen van Hogeschool InHolland is 57 dB(A) in de dag-, avonden nachtperiode.

Kijkend naar de richtwaarden van een 'woonwijk in de stad' (Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998) van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, liggen de berekende waarden hier respectievelijk 7-12-17 dB boven. Zoals genoemd, bestaat er voor de incidentele bedrijfssituatie geen formeel toetsingskader. Het bevoegd gezag zal moeten beoordelen of deze waarden acceptabel zijn voor de incidentele bedrijfssituatie, wellicht mede op basis van de openingstijden van InHolland. De dichtstbijzijnde woning, Rotterdamseweg 208, bestaat conform BAG niet meer en is derhalve niet meegenomen in de berekeningen. De woning met de hoogste geluidbelasting is dan de Rotterdamseweg 256 (toetspunt 2A). In de nacht kan hier met de incidentele geluidbelasting een geluidniveau optreden van 43 dB(A). De waarde van de geluidbelasting ligt reeds ruim onder de grenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode uit het Activiteitenbesluit. Op basis hiervan is de geluidbelasting in de incidentele bedrijfssituatie aanvaardbaar.

4. Akoestisch onderzoek BLVC In de drie voorgenoemde rapportages is getoetst aan de normen die van toepassing zijn op basis van de wet- en regelgeving. De TU Delft heeft echter ook een eigen normering, vastgelegd in het BLVC Kaderplan Campus (2019). Het BLVC Kaderplan Campus is een beleidsdocument dat voorziet in een aantal richtlijnen ten aanzien van de omgevingsaspecten Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie bij de nieuwbouw van vastgoed, de aanleg van infrastructuur en (groot) onderhoud in de buitenruimte op de campus. Dit onderzoek voorziet in de toetsing aan deze interne normen van de TU Delft. Conclusies aanlegfase Tijdens het ‘bouwrijp maken’, ‘inbrengen schroefpalen’ en ‘inrichten’ zullen naar verwachting overschrijdingen van de grenswaarden ten aanzien van het binnenniveau voor zowel het equivalente als het maximale geluidniveau optreden. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 28

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Indien het gestelde uitgangspunt van een geluidwering van 17 dB wordt aangehouden, dan is de verwachting dat de grenswaarden ten aanzien van de tentamenperiodes op de volgende TU Delft gebouwen worden overschreden: a. Bouwrijp maken: TU Delft gebouwen 34, 35 en 45 b. Schroefpalen: TU Delft gebouwen 34 en 45 c. Inrichten: TU Delft gebouwen 31, 32, 34, 35, 36, 45 en 46 Tijdens het ‘inrichten’ zal het equivalente geluidniveau van 49 dB(A) ter plaatse van TU Delft gebouw 34 ook te hoog zijn tijdens (aangepaste) collegetijden. De totale aanlegfase is nog nader te bepalen, het inrichten van het terrein zal maximaal 30 dagen duren. Conclusies boorfase Tijdens de boorfase zullen naar verwachting overschrijdingen van de grenswaarden ten aanzien van het binnenniveau voor zowel het equivalente als het maximale geluidniveau optreden. Indien het gestelde uitgangspunt van een geluidwering van 17 dB wordt aangehouden, dan is de verwachting dat de grenswaarden ten aanzien van de tentamenperiodes op de TU Delft gebouwen 32, 34, 35, 36, 45 en 46 worden overschreden. Tevens zal het equivalente geluidniveau van 54 dB(A), 47 dB(A) en 51 dB(A) ter plaatse van respectievelijk TU Delft gebouw 34, 35 en 45 ook te hoog zijn tijdens (aangepaste) collegetijden. De totale boorfase duurt circa 5 maanden.

Conclusies aardwarmteproductiefase Tijdens de fase ‘representatieve bedrijfssituatie productie’ zullen naar verwachting geen overschrijdingen van de grenswaarden ten aanzien van het binnenniveau voor het equivalente geluidniveau optreden. Indien het gestelde uitgangspunt van een geluidwering van 17 dB wordt aangehouden, dan is de verwachting dat in de ‘incidentele bedrijfssituatie’ de grenswaarden ten aanzien van de tentamenperiodes worden overschreden. Dit zal plaatsvinden bij de TU Delft gebouwen 34, 35 en 45. De incidentele bedrijfssituatie betreft de representatieve activiteiten inclusief gebruikmaking van de fakkel: Op het dak van het gebouw zal eveneens een fakkel (flare) worden geplaatst. Deze fakkel zal incidenteel worden gebruikt. Hoe vaak de fakkel exact zal worden gebruikt is op dit moment niet bekend, uitgangspunt is dat de fakkel niet meer dan twaalf keer per jaar zal worden gebruikt en niet langer dan één etmaal achtereen. De situatie met de fakkel kan derhalve worden gezien als de incidentele bedrijfssituatie. Ten aanzien van de maximale geluidniveaus worden de gestelde grenswaarden niet overschreden.

4.5.2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Landschap en cultuurhistorie

4.6.1

Beoordelingskader

Uit de cultuurhistorische waardenkaart van Zuid-Holland blijkt dat het plangebied in verstedelijkt gebied ligt dat van cultuurhistorische waarde is. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn bebouwing, infrastructuur (wegen) en compacte indelingen. Binnen de grenzen van het plangebied liggen geen belangrijke landschappelijke elementen. Ten westen zijn een gegraven waterloop en twee poldergrenzen gelegen. In het plangebied zijn geen Rijksmonumenten of provinciale monumenten aanwezig. De Warmtekrachtcentrale betreft een gemeentelijk monument: een ketelhuis met pomphuis en transformatorstation, gebouwd ten behoeve van de warmtevoorziening voor de nieuwe onderwijs- en onderzoeksgebouwen van de toenmalige Technische Hogeschool aan de Leeghwaterstraat 36. Er is geen sprake van een Rijksbeschermd of gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Tevens is er geen sprake van werelderfgoed op het plangebied. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 29

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

Afbeelding 4.6: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid-Holland

4.6.2

Conclusie

De ontwikkelingen hebben geen invloed op de cultuurhistorische waarden en geen invloed op de landschappelijke waarden. Bij de inrichting van het plangebied buiten en het gebruik van een deel van het gebouw van de Warmtekrachtcentrale voor de productie van aardwarmte wordt rekening gehouden met de status als gemeentelijk monument. Geconcludeerd wordt dat er voor de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische of landschappelijke waarden.

4.7

Lichthinder

4.7.1

Beoordeling

Ten behoeve van de booractiviteiten is specifiek licht(hinder)onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9 Lichthinder bij boorfase).

Verlichtingssterkte De berekende waarde van de verlichtingssterkte (lux) op de gevels (hoogte 1,8 m) overschrijden de voor stedelijk gebied (E3) gestelde waarde van 10 lux in de dag – en avond uren (07.00 – 23.00) niet. Dit geldt ook voor de waarde van 2 lux gedurende de nachtelijke uren (23:00 – 07:00) en hiermee wordt voldaan aan de normwaarde vastgelegd in de Richtlijn Lichthinder van de NSvV.

Lichtsterkte Voor elk armatuur is de waarde van de lichtsterkte op een hoogte van 1,8 m bepaald. In de dag en bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 30

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg avond situatie (07.00 – 23.00 uur) voldoen de berekende waarden aan de normwaarde van 10.000 cd. In de nachtelijke situatie voldoen de navolgende berekende waarden niet aan de dan geldende normwaarde van 1.000 cd: Locatie 1 woningen (Rotterdamseweg). Schijnwerper 3.14, hoogte 31,7 m, van de boortoren dient te vervallen, meer naar beneden te worden gericht of voorzien te worden van adequate afscherming Locatie 5, 7, 8, 9 en 10. Gezien de functie van deze gebouwen (met name ook in de nachtperiode) en het feit dat deze gebouwen in gebruik zijn door de TU Delft, medeinitiatiefnemer van dit project, is uitgangspunt dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project. Voor de omliggende gebouwen die niet specifiek in de berekening zijn meegenomen kan worden gesteld dat deze geen lichthinder zullen ervaren als de bovenstaande punten in acht worden genomen. 4.7.2

Conclusie

Voor de lichtberekening is een verlichtingsplan gemodelleerd op basis van informatie van de LOC400 boorinstallatie. Na de definitieve keuze dient te worden geverifieerd of het lichtplan van die installatie in lijn is met de uitgangspunten in deze rapportage. Bij afwijking dient een bijgestelde rapportage Lichthinderonderzoek opgesteld te worden ter toetsing.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Beoordeling

Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 414, 2008 en Stb. 434, 2008). Daarmee is de zogenoemde Wet luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Op grond van deze Wet luchtkwaliteit worden wettelijke grenswaarden gesteld aan de concentratie van verschillende verontreinigende stoffen in de lucht. Van deze diverse verontreinigende stoffen zijn over het algemeen stikstofdioxide (NO2) en zogenoemd fijnstof (PM10) maatgevend. De Wet luchtkwaliteit stelt dat bestuursorganen hun bevoegdheden kunnen uitoefenen indien (art.5.16): dit niet leidt tot het overschrijden van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; aannemelijk is gemaakt dat het niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Projecten die de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren worden niet meer getoetst aan de grenswaarden en kunnen zondermeer doorgang vinden. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in het Besluit en de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen). Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.

In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.

Boringen Vermeldenswaardig is dat de energie voor de mobiele boorinstallatie zal worden geleverd uit het elektriciteitsnet. Daarom vinden er in dit kader geen emissies naar de lucht plaats op de locatie.

Verkeer Door de realisatie van de faciliteiten ten behoeve van de toekomstige mijnbouwlocatie neemt het aantal extra aanwezigen op de locatie niet toe zoals toegelicht is in paragraaf 4.8. Hieruit volgt dat de bijdrage bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 31

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg van het extra verkeer ten gevolge van het plan niet in betekende mate is en er geen nader onderzoek nodig is. De toename in verkeersbewegingen door de aanleg van de locatie en het boren is tijdelijk en beperkt van omvang in relatie met luchtverontreiniging. De invloed van de voorgenomen activiteiten op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar. De eventuele invloed van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurgebieden is beschouwd in paragraaf 4.3.

Aardwarmteproductie Het aardgas dat vrijkomt bij de productie van aardwarmte zal worden opgewerkt tot aardgaskwaliteit in een separate unit. Het geproduceerde aardgas wordt via een ondergrondse leiding aangesloten op het aanwezige Stedin aardgasnet, waarmee wordt bespaard op het actuele gebruik van aardgas. In dit kader is er geen sprake van extra emissies. Onder de normale bedrijfsomstandigheden is er geen sprake van emissies naar de lucht vanuit de fakkel. Die is slechts in geval van storing aan de stookinstallatie of bij onderhoudswerkzaamheden in werking, maximaal twaalf dagen per jaar.

In het kader van de ontwikkelingen voor GeoThermie Delft is verder een onderzoek uitgevoerd voor het aspect luchtkwaliteit voor de aardwarmteproductiefase (zie bijlage 10 Luchtkwaliteit). Hierbij is rekening gehouden met de verbranding van aardgas via de fakkel in testen noodsituaties en met extra verkeer. Dit leidt mogelijk tot een verandering van emissies van luchtverontreinigende stoffen zoals genoemd in de Wet milieubeheer. De concentraties van deze luchtverontreinigende stoffen zijn uitgerekend en getoetst ter plaatse van de relevante beoordelingslocaties langs en in de directe omgeving van de GeoThermie Delft. Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een (relevante) toename van de luchtverontreinigende stoffen. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder c Wm).

4.8.2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Verkeer en parkeren

4.9.1

Beoordeling

Het plan is gelegen tussen de Rotterdamseweg, een wijkontsluitingsweg met een vrijliggend fietspad in twee richtingen, en de Leeghwaterstraat, een fietsstraat, die beide onderdeel uitmaken van het hoofdfietsnetwerk in het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. Dit betekent dat de fietsvoorzieningen voldoende ruimte moet bieden om de grote fietsstromen te kunnen verwerken en er zo min mogelijk hinder moet zijn van de overige verkeersdeelnemers. De fietser heeft prioriteit en moet zowel gedurende de bouwfase als in de eindsituatie veilig langs het plangebied kunnen fietsen. De Geothermie ontwikkeling heeft geen noemenswaardige verkeerseffecten, aangezien er niet sprake is van een verkeersaantrekkende werking. Voor verschillende activiteiten die samenhangen met de productie van aardwarmte, waaronder onderhoud aan de installaties, rijden er vrachtvoertuigen en personenvoertuigen van en naar de locatie. In deze situatie wordt rekening gehouden met gemiddeld 4 vrachten per week en 4 personenwagens per werkdag. Op het terrein dient daarom voldoende opstelruimte en parkeergelegenheid aanwezig te zijn en het terrein moet via een veilige in- en uitrit ontsloten worden via de Rotterdamseweg. Daarnaast zal de nieuwe, naastgelegen parkeergarage aan de Rotterdamseweg ervoor zorgen dat een gedeelte van het autoverkeer op de campus zich zal concentreren in de richting van het plan.

Er wordt echter geen toename van de verkeersintensiteiten verwacht op de Rotterdamseweg, omdat de parkeergarage ter vervanging is van openbare parkeerplaatsen die worden opgeheven. Dit heeft daarom geen gevolgen voor de ontwikkeling, zowel gedurende de aanleg- en boorwerkzaamheden als in normale bedrijfssituatie. Niettemin moet de bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 32

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Rotterdamseweg goed toegankelijk en bereikbaar blijven voor een vlotte doorstroming van het autoverkeer. Door de aanleg- en boorwerkzaamheden zal tijdelijk sprake zijn van een toename van met name vrachtverkeer in de nabijheid van de knooppunten en op de wegen van en naar het plangebied. In het kader van de voorbereiding van de uitvoeringsactiviteiten moet in overleg met de wegbeheerders worden nagegaan of/welke specifieke verkeersmaatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld bebording en/of eventuele passeerstroken). Door het treffen van specifieke maatregelen zal eventuele hinder zo veel mogelijk worden tegengegaan. De TU Delft heeft ten aanzien van onder andere de bereikbaarheid het BLVC Kaderplan Campus opgesteld (2017). Dit betreft ook richtlijnen voor (bouw)verkeer. De toetsing aan deze interne normen van de TU Delft en de op basis hiervan te treffen maatregelen dienen later plaats te vinden in onderling overleg tussen de initiatiefnemers en aannemers van het project in het kader van de omgevingsvergunning.

4.9.2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.10.1 Beoordeling Er is een aanmeldnotitie opgesteld ten behoeve van een activiteit als bedoeld in categorie D 17.2 (Diepboringen tbv georthermische boringen) Besluit milieueffectrapportage (verder Besluit-mer) (zie bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije mer). Op 20 december 2019 heeft het ministerie van EZK (zie bijlage 12 Besluit m.e.r.) een Besluit-mer afgegeven, waarbij de conclusie luidde dat voor de voorgenomen activiteiten geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld. Wel dient Hydreco GeoMEC eventueel nader onderzoek te doen naar de mogelijke extra maatregelen die genomen moeten worden indien de realisatie van de nabijgelegen parkeergarage gelijktijdig plaatsvindt met de voorgenomen activiteiten, zodat er geen overschrijding plaatsvindt van de geluidsnormen in de nachtperiode. In deze paragraaf wordt verder nog besproken in hoeverre voor de herziening van het bestemmingsplan (nogmaals) een aanmeldnotitie Besluit mer doorlopen dient te worden, of dat wettelijk volstaan kan worden met die aan het ministerie van EZK.

De m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit (kolom 1) is dus het uitvoeren van de boringen voor geothermie. Er is geen drempelwaarde (kolom 2). bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 33

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg De m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten (kolom 4) betreffen: 1: Vergunning op grond van artikel 40 Mijnbouwwet -> Voor dit project niet van toepassing 2: De instemming op grond van artikel 5a Barm -> Voor dit project niet van toepassing 3: Een ander besluit waarop afdeling 3.4 Awb van toepassing is -> Voor dit project wel van toepassing Op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e sub 3 is het zonder omgevingsvergunning verboden een mijnbouwwerk in werking te hebben. Op grond van artikel 3.10 lid 1 onder c is afdeling 3.4 Awb van toepassing op het verlenen van de vergunning. Het verlenen van de omgevingsvergunning voor de inrichting is hiermee het m.e.r.-beoordelingsplichtige besluit. Een bestemmingsplan zoals opgenomen in kolom 4 is niet zelfstandig m.e.r.beoordelingsplichtig, wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend. De vraag is vervolgens of sprake is van een kaderstellend plan als bedoeld in kolom 3 van het Besluit-mer. Het gaat dan om een structuurvisie of een bestemmingsplan (inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen) op grond van artikel 3.1 of 3.6 Wro. In dit geval is sprake van een herziening van het bestemmingsplan, die wordt vastgesteld op grond van artikel 3.1 Wro. De herziening van het bestemmingsplan is voor zover het betreft de activiteit als bedoeld in categorie D 17.2 niet kaderstellend.

De herziening van het bestemmingsplan zal, voor zover het de boorinrichting betreft (in dit geval de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit) niet meer mogelijk maken dan in de omgevingsvergunning is vergund. Overige activiteiten die in het bestemmingsplan zijn opgenomen zijn niet activiteiten die voorkomen in het Besluit-mer. Op grond daarvan kan op basis van vaste jurisprudentie van de afdeling (onder andere: ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2066) worden gesteld dat de vaststelling van het bestemmingsplan niet zelfstandig m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.10.2 Conclusie De aanmeldnotitie die is opgesteld, en waarop reeds ten behoeve van de omgevingsvergunning een m.e.r.-beoordelingsbesluit op 20 december 2019 door het ministerie EZK is genomen, volstaat in dit geval. Geconcludeerd wordt verder dat er ten aanzien van bodem door de uitvoering van het project geen sprake is van belangrijke gevolgen voor het milieu. Een plan-mer is derhalve niet nodig.

4.11

Water

4.11.1 Beoordeling 4.11.1.1

Bestaande situatie

De watertoets (zie bjilage 13 Watertoets) is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging en om alle wateren. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied betreft circa NAP -0,6 m. De ondergrond bestaat tot een diepte van circa NAP -17 m uit een holocene deklaag. De holocene deklaag bestaat uit afwisselend slecht en goed doorlatende lagen, hierdoor zijn er geen doorlatendheden bekend van de deklaag. Verschillende zandlagen bestaan uit de formaties Kreftenheye, Urk, Stramproy, Waalre en Peize & Waalre. De doorlatendheden in de zandlagen variëren van 25 m/dag tot aan 100 m/dag. De locatie ligt in een beschermingszone van een regionale waterkering. Het plangebied ligt in een peilgebied met een vast peil van NAP -2,16 m. De grondwaterstand bevindt zich circa 1,2 m onder maaiveld. In het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel. De RWZI is in bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 34

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg eigendom van en in beheer bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Volgens de overstromingsrisico kaarten van de klimaatatlas is er in het plangebied sprake van een zeer kleine kans op overstroming.

4.11.1.2

Toekomstige situatie

Dit bestemmingsplan maakt het planologisch mogelijk om op het campus terrein van de TU Delft naast dewarmtekrachtcentrale aardwarmte te gaan produceren. Het gehele projectgebied omvat circa 3.800 m2. Het plangebied is in de huidige situatie circa 94% verhard. Toekomstig neemt deze verharding af met circa 10% door de aanbreng van openbaar groen. Oppervlaktewater Uit de watersleutel volgt dat 7,0 m³ waterberging wenselijk is. Benodigde waterberging conform het Convenant Klimaatadaptief Bouwen bedraagt 140 m3 en is hiermee maatgevend. De restopgave wordt gerealiseerd door de hemelwaterput en goten op het terrein in te zetten voor waterberging (22,3 m³) en door berging te realiseren op het verharde terrein (280 m3). In het plangebied wordt een totale berging gerealiseerd van circa 302 m3 waardoor een bui van 107 mm kan worden geborgen. Doordat de berging geleidelijk wordt geloosd in 24 tot 48 uur wordt voldaan aan de gedefinieerde bergingseis vanuit de Watersleutel en het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Grondwater Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil. Voor een klimaat robuuste inrichting adviseert het waterschap om na te denken hoe wateroverlast voorkomen kan worden.

De hiervoor vereiste hoogteverschillen zijn afhankelijk van de aspecten als de situatie, de beschikbare ruimte en de noodzaak om water op straat te brengen. De bovengrondse inrichting dient bij extreme neerslag in staat te zijn, het deel van de neerslag dat niet afgevoerd kan worden door het hemelwaterriool, af te voeren naar hiervoor aangewezen locaties. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen kelders moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Vuil- en hemelwaterafvoer Afwatering wordt aangesloten op het eigen riool van de TU Delft. Hierover heeft een overleg plaatsgevonden met de rioolbeheerder en gebiedsontwikkelaar van de TU Delft. Vastgesteld is dat de huidige afvoer capaciteit van de riolering volstaat. Voor de toekomstige inrichting dienen de uitgangspunten nader uitgewerkt te worden met de TU Delft. Hiervoor zal een rioleringsplan opgesteld worden. Waterkwaliteit Van belang is dat de waterkwaliteit tijdens tijdelijke (mogelijk bodembedreigende) werkzaamheden wordt gewaarborgd door verontreinigd hemelwater op het terrein op te vangen en tijdelijk op te slaan in tijdelijke opslagvoorzieningen. Neerslag wordt dan middels een tankauto afgevoerd en elders gezuiverd.

Na afronding van de werkzaamheden wordt, na reiniging van het terrein, de waterkwaliteit gecontroleerd en wordt bij de juiste kwaliteit de verbinding met het riool (via een pomp) weer hersteld. Dit is een gebruikelijke wekwijze voor mijnbouwlocaties. De exacte (vergunning)voorwaarden worden uitgewerkt in het kader van de lozingsvergunning. In de toekomstige situatie zorgt het afstromend hemelwater hierdoor niet voor een verslechtering van de kwaliteit van het oppervlaktewater. De uitgangspunten zijn: Microverontreiniging: Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink mogen niet worden gebruikt. Schoon hemelwater kan direct worden afgevoerd. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Waterveiligheid bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 35

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Het plangebied ligt volgens de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland in een beschermingszone van een regionale waterkering. Vanuit het oogpunt van waterveiligheid is het belangrijk de stabiliteit en de hoogte van de kering te waarborgen. De daadwerkelijke werkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone. Voor de inrichting van het plangebied met de aardwarmte installatie, gelegen buiten de kern- en beschermingszone, is geen watervergunning vereist. Juridische borging De benodigde waterberging à 140 m³ dient te worden opgenomen in de uitwerking van het bestemmingsplan. In overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland is bepaald op welke manier de voorziening tijdig beschikbaar is. Vastgesteld is dat: De vasthoudmaatregel wordt gerealiseerd aan de hand van een automatisch regulerende pomp. De voorgenomen bergingscapaciteit met circa 302 m3 groter is dan de benodigde compensatie van 140 m³. De berging niet eerder dan in 24 uur geleidelijk wordt geloosd op de hemelwaterriolering waarbij de berging binnen maximaal 48 uur weer beschikbaar is. De huidige afvoercapaciteit van de riolering volstaat waarop de berging wordt geledigd. Bij de nadere uitwerking van de vasthoudmaatregel wordt voldaan aan de voorwaarden binnen de Richtlijn vasthoudmaatregelen.

4.11.2 Conclusie Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Voldoende berging kan in het plangebied worden gerealiseerd. Mede op basis van de bovenstaande aanbevelingen zal het rioolontwerp worden bepaald. Ook zullen concrete (vergunning)voorwaarden worden uitgewerkt in het kader van de lozingsvergunning.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 36

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

5.1

Systematiek bestemmingen

5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht). Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals gedeputeerde staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft, of een minister voor projecten van nationaal belang. Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden.

5.1.2

Bestemmingsregels

Bestemmingen Gemengd Het plangebied heeft hoofdzakelijk de bestemming 'Gemengd' gekregen. Binnen de bestemming zijn installaties toegestaan voor permanente onttrekking van warmte aan de diepe ondergrond door middel van het oppompen van grondwater, overdracht van warmte, infiltratie van retourwater en bijvangst geassocieerd formatiegas met alle bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen, toegangswegen, nutsvoorzieningen, scheidings- en zuiveringsinstallaties, water en groen. Tevens is een stookinstallatie, ook wel WKK-installatie genoemd, toegestaan. De bestemming Gemengd heeft daarnaast de eerder vigerende bestemming maatschappelijk in dit plan gecontinueerd. Op deze gronden zijn de toegestane hoofdfuncties: onderwijs- en onderzoeksvoorzieningen, kennisintensieve bedrijven en kennisintensieve kantoren. Kantoren zijn binnen deze bestemming toegestaan, voor zover het functiegebonden kantoren betreft, die gerelateerd zijn aan het kenniscentrum TU Delft. Eén en ander zoals bedoeld in het provinciaal beleid. Voor de warmtekrachtkoppelingcentrale is een maatbestemming met milieucategorie 5.1 opgenomen. Om dit bedrijf ligt een geluidcontour, zie ook hieronder bij paragraaf 5.1.3. Gebouwen dienen in ieder geval gebouwd te worden binnen het aangegeven bouwvlak.

Groen Voor de groenstroken binnen het plangebied is de bestemming 'Groen' opgenomen. Op deze gronden mag in principe niet worden gebouwd. Uitzonderingen hierop zijn naast de mogelijkheid van erfafscheidingen ook de mogelijkheid van bouwwerken voor nutsvoorzieningen. Hierbij moet worden gedacht worden aan bouwwerken ten behoeve van de (bovengrondse) leidingstraat.

Leiding - Gas bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 37

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg In het plangebied ligt een planologisch relevante aardgastransportleiding. De belangen, verbonden aan deze leiding, zijn in de regels beschermd via de bestemmingen 'Leiding - Gas'. Op grond van deze bestemming is voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden, een omgevingsvergunning nodig. Het verlenen van de omgevingsvergunning is slechts mogelijk indien de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad.

Waterstaat - Waterkering In het plangebied komt ook een waterkering voor. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' opgenomen. De waterkering ligt langs de Rotterdamseweg. Ter plaatse van deze waterkeringen geldt een beschermende bestemming. De gronden hebben nog een andere secundaire bestemming gekregen, zoals 'Groen', 'Maatschappelijk' of 'Wonen'. Bouwwerken ten behoeve van de andere voor die gronden geldende bestemmingen zijn slechts toelaatbaar met een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels. De omgevingsvergunning wordt verleend als de waterkeringsbelangen hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de waterkering, voordat zij beslist op het verzoek om een omgevingsvergunning.

5.1.3

Algemene regels

Antidubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn.

Voorwaardelijke verplichting Deze regel is opgenomen om het minimaal aantal m2 waterberging die benodigd is in verband met het te realiseren verhard oppervlak te borgen alsmede het in stand houden van die berging.

Algemene aanduidingsregels geluidzone - industrie 1 en 2 In het plangebied liggen twee geluidzones - industrieterrein. Deze zijn opgenomen vanwege het geluidgezoneerd bedrijventerrein Schieoevers en de warmtekrachtcentrale. Voor de gronden die zijn gelegen tussen het geluidgezoneerd bedrijventerrein en de vastgestelde geluidscontour is de aanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen. Met deze algemene aanduiding is bepaald dat op gronden met deze aanduiding geen nieuwe geluidgevoelige bebouwing is toegestaan. Dit met uitzondering van situaties waarbij in het kader van de Wet geluidhinder een hogere waarde voor de geluidgevoelige bebouwing is vastgesteld.

Algemene bouwregels Parkeren In de algemene bouwregels is opgenomen dat gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd indien voorzien wordt in voldoende parkeerruimte ten behoeve van het parkeren van auto's en fietsen of stallen en laden en lossen.

Overige regels Voorrangsregeling In dit artikel is een prioritering aangegeven van de (dubbel)bestemmingen indien er op gronden sprake is van meerdere (dubbel)bestemmingen en de daarbij gepaard gaande belangen. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 38

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot. Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert. Slotregel Hierin is de naam van het bestemmingsplan opgenomen.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 39

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

Hoofdstuk 6

Handhaving

Toezicht en handhaving is iets dat door betrokkenen als onprettig wordt ervaren. De gemeente doet het omdat we in een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving willen wonen, werken en leven. Soms kan het gedrag van individuele burgers of bedrijven dit streven bedreigen en een risico opleveren voor de leefomgeving. Deze risico's willen wij beheersbaar houden. Er is echter altijd een grens aan de middelen die de gemeente daarvan kan en wil inzetten. De rode draad in het gemeentelijke beleid is dat de inschatting van de risico's voor de gebruikers en voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die gesteld worden bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan onderwerpen en gevallen waarin de risico's van niet-naleving het grootst zijn. De concrete doelstellingen en speerpunten worden elk jaar vastgesteld in een jaarplan. De gemeente heeft verschillende instrumenten om het naleefgedrag te beïnvloeden en zo nodig naleving af te dwingen. Het begint met heldere regels waar draagvlak voor is en die bekend zijn bij degenen die door de regels worden geraakt. Daarnaast wordt er risicogestuurd toezicht gehouden.

Indien toezichtactiviteiten leiden tot de constatering van een illegale situatie, bijvoorbeeld omdat de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd, dan wordt beslist of en in hoeverre en met toepassing van welke sanctiemiddelen de gemeente zich zal inspannen om de overtreder te dwingen deze illegale situatie op te heffen. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de (regionale) handhavingsstrategie. Uitgangspunt daarbij is de 'beginselplicht tot handhaving'. Gelet op de beperkte beschikbare capaciteit is het echter niet mogelijk en ook wenselijk - om tegen alle overtredingen handhavend op te treden. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de overige omstandigheden van het geval zal een passende reactie en aanpak worden bepaald. Dat kan onder meer zijn een legalisatietraject, afzien van handhaving, waarschuwing of het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook sprake zijn van een strafrechtelijk traject. Strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van en gebeurt door het Openbaar Ministerie.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 40

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg

Er heeft op 8 december 2020 een (digitale) informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Naast presentaties over de ontwikkeling van dit plangebied, was er ook ruimte voor het stellen van vragen. De vragen zijn in een sheet (zie bijlage 14 Informatiebijeenkomst) samengevoegd en voorzien van een antwoord. In het kader van vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is op 7 oktober 2021 voor gedurende 4 weken het concept-ontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de volgende overlegpartners: 1. Gedeputeerde Staten 2. Ministerie van EZK 3. Rijkswaterstaat 4. Hoogheemraadschap van Delfland 5. KPN 6. Tennet Zuid-Holland 7. Stedin 8. Gasunie 9. Evides Waterbedrijf 10. VWS Pipeline Control b.v. 11. Veiligheidsregio Haaglanden 12. Omgevingsdienst Haaglanden De volgende instanties hebben aangegeven verder geen inhoudelijke reactie te hebben op het concept-ontwerp bestemmingsplan: 1. Gasunie 2. Rijkswaterstaat 3. Tennet De volgende instanties hebben inhoudelijke reacties gegeven op het concept-ontwerp bestemmingsplan: 1. KPN 2. Evides 3. Hoogheemraadschap van Delfland 4. Veiligheidsregio Haaglanden

De overige instanties hebben geen reactie gegeven. De ingekomen overlegreacties zijn hieronder samengevat en beantwoord. 1. KPN Reactie Zowel aan de Rotterdamseweg als Leeghwaterstraat lopen zeer belangrijke voedingstracé ’s van KPN. Uw bijlages in het conceptontwerp geven geen gedetailleerd inzicht in de werkzaamheden die mogelijk uitgevoerd gaan worden. Of er consequenties zijn voor het kabelnet van KPN kan daarom niet op voorhand worden beoordeeld. Beantwoording Er is contact opgenomen met KPN om de werkzaamheden te bespreken en in kaart te brengen hoeverre deze planontwikkeling consequenties heeft voor het kabelnet van KPN. Het proces van de werkzaamheden is met KPN besproken en er zijn door GTD werkafspraken gemaakt met KPN.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 41

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg 2. Evides Reactie Evides waterbedrijf heeft geen bezwaar tegen de conceptontwerpbestemmingsplan. Wel wordt verzocht of (voor een gedeelte gelijk aan de dubbelbestemming gas) ook een dubbelbestemming voor de aanwezige drinkwaterleiding kan worden opgenomen. Een situatietekening is toegevoegd.

Beantwoording Na bestudering van de toegevoegde situatietekening, komen wij tot de conclusie dat dit gedeelte van de drinkwaterleiding een relatief kleine (160mm) waterleiding betreft die de gemeente normaliter niet bestemt. In onze bestemmingsplannen bestemmen we alleen in de volgende gevallen de kabels en leidingen op de verbeelding: leidingen voor het transport van giftige stoffen; leidingen voor het transport van brandbare en/of ontplofbare stoffen; aardgasleidingen met een bedrijfsdruk van 10 bar en hoger; leidingen met een diameter van 50 cm en groter met tenminste een regionale functie, buiten de bebouwde kom; bovengrondse hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; ondergrondse hoogspanningsverbindingen van 150 kV en hoger; afvalwaterpersleidingen met een doorsnee van 400 mm en groter; effluentleidingen van afvalwaterzuiveringinrichtingen 3. Hoogheemraadschap van Delft Reactie De aandachtspunten uit het vooroverleg zijn over het algemeen afdoende in het plan verwerkt. Wel vraagt het Hoogheemraad nog aandacht voor de volgende twee punten: 1. een verzoek dat de wateropgave door middel van een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en het instandhouden van de benodigde berging geborgd wordt; 2. de beschermingszone van de waterkering dient ter bescherming van de kering.

In de waterparagraaf wordt naar een profiel van vrije ruimte gerefereerd, dat als reservering voor toekomstige uitbreiding dient. In dit gebied is daar geen sprake van. De beschermingszone dient gerespecteerd te worden ten behoeve van de stabiliteit en bescherming van de kering. Voor werkzaamheden in deze zone is een watervergunning of -melding noodzakelijk. Wij verzoeken u de nodige tekstuele aanpassingen te maken. Beantwoording 1. De voorwaardelijke verplichting is in de regels als artikel 8 opgenomen. 2. De waterparagraaf en de bijgevoegde watertoets zijn in overleg aangepast.

4. Veiligheidsregio Haaglanden Reactie 1. Op dit moment is in de QRA wel het invloedsgebied van de geothermie-installatie aangegeven maar geen warmtecontouren. Dit is relevant om te kunnen beoordelen hoe groot de eventuele effecten zijn van een mogelijk incident en hier maatregelen voor te kunnen treffen. 2. Op dit moment is in de QRA niet het scenario van rondslingerende scherven naar aanleiding van een ontploffing bij de geothermie-installatie meegenomen. Hier is ervaring mee, recent heeft namelijk een ontploffing plaatsgevonden bij een geothermie-installatie in de gemeente Westland. Scherven kunnen tientallen meters in de omgeving terecht komen. Zeker in een dichtbebouwde omgeving, zoals de TU-campus, kan dit voor risico's zorgen.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 42

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Beantwoording 1. In onderstaande figuren zijn de warmtecontouren van de operationele fase toegevoegd. In het kader van de Barmm (Besluit algemene regels mijnbouw) wordt deze input niet gevraagd bij de vergunningaanvraag vandaar niet opgenomen in QRA report.

De 10 kW/m2 contour betreft het zogenaamde stralingsaandachtsgebied in het kader van de verwachte Omgevingswet. Dit markeert tevens de 1% letaliteit bij een bepaalde blootstellingsduur. 2. Het is correct dat in de genoemde QRA geen scherf-scenario's zijn opgenomen. Een QRA is een sterk gereguleerde berekening: de Handleiding Risicoberekeningen Bevi is het document dat voorschrijft welke scenario's moeten worden gemodelleerd en hoe. Explosies komen daarin wel voor, maar effecten door scherfwerking niet. Het is voorgeschreven en noodzakelijk om bij het opstellen van een QRA de genoemde handleiding te volgen. Het afwijken van de handleiding is niet toegestaan. Het staat dus niet vrij om naar eigen inzicht scenario's weg te laten of toe te voegen. Bij de geothermie-installatie in de gemeente Westland waar naar wordt verwezen door VRH wordt gesproken over een uitstroom van water en gas die tot ontbranding is gekomen. In de pers wordt ook genoemd een “(relatief kleine) explosie”. Scherven kunnen ontstaan indien bij een (relatief kleine) explosie materialen fragmenteren en wegslaan ten gevolge van de explosie. M.b.t. externe veiligheid kan hiervan hoofdzakelijk sprake zijn bij formatiegas voerende kunststofleidingen buiten gebouwen in de open lucht.

Bij geothermie projecten worden soms ook in de open lucht GRE leidingen toegepast, mogelijk is dat in de situatie van het incident aan de orde. Bij het Delft Geothermie project zullen alle formatiegas voerende buitenleidingen in staal worden uitgevoerd. Installaties waarin zich brandbare gassen bevinden (zoals bij GeoThermie Delft) moeten op basis van arbeidsomstandigheden een explosieveiligheidsdocument/systeem hebben. In dit document wordt aangegeven op welke punten in de installatie mogelijk explosieve gassen of dampen kunnen vrijkomen, wat het risico is van dit vrijkomen en welke maatregelen zijn genomen om dit risico te mitigeren. Zoals gezegd, gaat het hier om kleine emissies van brandbare gassen. De geothermie installatie in Delft zal bij in bedrijfstelling een dergelijk explosie veiligheidssysteem hebben. Het incident waar VRH naar verwijst zal binnen de branche vereniging G-NL uitvoerig worden geëvalueerd, de uitkomsten van deze evaluatie zal GeoThermie Delft betrekken bij de opstelling van haar explosieveiligheidsdocument. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 43

bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg

7.2

Zienswijzen

PM

7.3

Financiële uitvoerbaarheid

7.3.1

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag, via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Maar ook kan het gemeentelijke kostenverhaal anderszins geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst over grondexploitatie met de initiatiefnemer/ontwikkelaar, als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening of door kostenverhaal via de grondprijs. De reikwijdte van de exploitatieplanplicht en het daaruit voortvloeiende kostenverhaal, volgt uit de omschrijving van bouwplannen zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. 7.3.2

Wat zit er in het plan

De ontwikkelingen die op grond van het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt betreffen ontwikkelingen als genoemd in artikel 6.2.1 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening. De gemeentelijke kosten bestaan voor deze wijzigingen onder andere uit de proces-, onderzoeks- en apparaatskosten ten behoeve van het aanpassen van de bestemming op deze locatie. 7.3.3

Gevolgen

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst afgesloten met GTD. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd. Dit betekent dat geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. In de anterieure overeenkomst is tevens geregeld dat eventuele te honoreren verzoeken tot planschade op GTD worden verhaald.

bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (concept) 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10832813/1