DRK-Rapport Duurzame participatie
Tekst van het document
Duurzame participatie Onderzoek naar de energietransitie in de gemeente Delft
Juli 2024
INHOUDSOPGAVE Rapport
4
Inleiding Conclusies Aanbevelingen Bestuurlijke reactie
6 6 9 13
Bijlage 1: Onderzoeksresulaten
17
1.
Inleiding
17
1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6.
Aanleiding Onderzoeksvragen Normenkader Aanpak Begrippenkader Leeswijzer
17 17 18 20 20 21
Onderzoeksresultaten deel I
23
Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie?
23
2.
Opzet van het beleid
24
2.1. Beleidsstukken en doelstellingen 2.1.1. Doelstellingen 2.1.2. Verhouding tot regionale doelen 2.1.3. Vertaling naar acties en maatregelen 2.1.4. Beschikbaarheid van middelen 2.2. Analyse 2.2.1. Ambities en doelen 2.2.2. Uitwerking en middelen 2.2.3. Governance 2.3. Toetsing aan het normenkader
24 24 26 27 31 33 33 34 36 36
Doelrealisatie
39
3.1. Ligt de gemeente Delft op koers om haar doelen te behalen? 3.1.1. Uitvoering van acties en maatregelen 3.1.2. Doelrealisatie: tussentijdse mijlpalen en uiteindelijke doelen 3.1.3. Aanvullende benodigde maatregelen 3.2. Analyse 3.2.1. Uitvoering 3.2.2. Doelrealisatie | Tussentijdse mijlpalen 3.2.3. Ligt de gemeente Delft op koers? 3.3. Toetsing aan het normenkader
39 39 41 45 46 46 47 49 50
3.
2
4.
Rol van de raad
52
4.1. Hoe is de rol van de raad vormgegeven? 4.2. Analyse 4.2.1. Informatievoorziening en afspraken 4.2.2. Informatiebehoefte 4.2.3. Handvatten en sturing 4.3. Toetsing aan het normenkader
52 52 52 53 54 54
Onderzoeksresultaten deel II
56
Dragen de opzet en de uitvoering van participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? 56 5.
6.
7.
Opzet van participatie
57
5.1. Hoe is participatie opgezet? 5.1.1. Doelen en aanpak 5.1.2. Afspraken met de raad 5.2. Analyse 5.3. Toetsing aan het normenkader
57 57 62 62 64
Uitvoering van participatie
65
6.1. Hoe is de participatie uitgevoerd? 6.2. Analyse 6.2.1. Warmteplan 6.2.2. Keuze voor de eerste buurt 6.2.3. Informatie richting participanten 6.3. Toetsing aan het normenkader
65 65 65 66 66 67
Effecten van participatie
69
7.1. Wat zijn de effecten van participatie volgens participanten en gemeente? 7.1.1. Concrete resultaten 7.1.2. Meerwaarde 7.2. Analyse 7.3. Toetsing aan de norm
69 69 69 70 72
Bijlage I.I | Overzicht geïnterviewde personen
73
3
Rapport
4
Inleiding De Delftse Rekenkamer (DRK) heeft onderzoek gedaan naar de energietransitie in de gemeente Delft. De energietransitie gaat over de besparing van energie, opwek van energie en warmte (de transitie naar aardgasvrije woningen/gebouwen) en het overkoepelende doel van minder CO2-uitstoot. De energietransitie is een belangrijk onderwerp voor de gemeente. Het kabinet heeft de doelstelling dat Nederland in 2050 klimaatneutraal is. Het wil daarvoor in 2030 55% CO2-reductie realiseren ten opzichte van 1990. In lijn met dit beleid streeft de gemeente Delft naar klimaatneutraliteit in 2050 en 55% CO2-reductie in 2030. Het onderzoek bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste zoomt het onderzoek in op participatie, dus hoe de gemeente burgers en bedrijven bij de energietransitie betrekt. Participatie speelt namelijk een belangrijke rol bij de energietransitie. Daarnaast kijkt het onderzoek of de gemeente Delft op koers ligt om de gestelde beleidsdoelen te bereiken (realisatie). In dit onderzoek staan daarmee twee vragen centraal: 1. Draagt de opzet en uitvoering van de participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? 2. Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie (duurzame opwek, besparing, warmte en CO2-uitstoot)? Bij de eerste vraag kijkt dit onderzoek naar het warmteplan én het warmte-uitvoeringsplan in de Multatulibuurt.
Elke gemeente maakt een Warmteplan om vóór 2050 aardgasvrij te zijn. De Multatulibuurt is eind 2022 door het college geselecteerd als eerste buurt met een eigen uitvoeringsplan. De DRK wil op basis van de ervaringen in deze buurt een bijdrage leveren aan de participatie in de wijken die nog zullen volgen. Het onderzoek is uitgevoerd door TwynstraGudde op basis van documentanalyse en interviews. Hieronder volgen de conclusies en aanbevelingen. Deel II bevat de nadere onderbouwing en beantwoording van verdere deelvragen (onderzoeksbijlage).
Conclusies Hieronder staat het algemene beeld, dat daarna wordt uitgewerkt in een aantal subconclusies op terrein van participatie en realisatie. Algemene beeld
In algemene zin rijst uit dit onderzoek een vrij positief beeld over de energietransitie in de gemeente Delft, zowel op terrein van participatie als realisatie. Zo was de participatie bij het Warmteplan duidelijk opgezet. Over het algemeen waren participanten tevreden. Bij de participatie in de Multatulibuurt werd de ‘Delfts Doen’-aanpak losgelaten, omdat deze niet goed bleek te werken voor energie- en warmteprojecten. De uiteindelijke invulling van de participatie is door gemeente én stakeholders over het algemeen als succesvol beoordeeld. Dat kwam mede door de intensieve aanpak van de gemeente. Deze intensieve aanpak is wel lastig uit te breiden naar andere wijken, zeker als er meer wijken tegelijkertijd een participatietraject gaan doorlopen.
6
De gemeente ligt verder op schema om de mijlpalen die zij heeft gesteld voor CO2uitstoot en warmte te behalen. Dat is een mooi resultaat en ook te danken aan de eigen inspanningen. De haalbaarheid van de mijlpalen op opwek en besparing is wel risicovol. Voor het uiteindelijke doel, CO2-neutraliteit in 2050, ligt de gemeente dus wel op koers. De routekaart die de gemeente heeft ontwikkeld, biedt de raad naar verwachting welkome mogelijkheden om in de toekomst (bij) te sturen. Participatie
1. De participatie voor het Warmteplan was goed opgezet, de terugkoppeling kon beter. De participatie bij het Warmteplan was opgezet op basis van de aanpak van ‘Delfts Doen’. Dit is een concrete en duidelijke aanpak, maar er bestonden verschillende verwachtingen onder deelnemers. Dit betrof vooral in hoeverre participanten inbreng hadden in de keuze voor de eerste buurt. De gemeente baseerde de keuze voor de eerste wijk op de resultaten van het warmteplan en een stadsanalyse, maar deze keuze was niet voldoende inzichtelijk voor sommige inwoners. Ook had een aantal participanten graag een explicietere terugkoppeling gezien van de resultaten van de participatie: zowel wat er is opgehaald als wat daarmee is gedaan. Desondanks waren participanten over het algemeen tevreden over de wijze waarop de participatie is georganiseerd en hoe zij hierbij zijn betrokken. 2. De participatie in de Multatulibuurt was intensief én volgens stakeholders en gemeente succesvol. De aanpak is lastig om op te schalen naar andere buurten. De aanpak van participatie in de Multatulibuurt was laagdrempelig en gefocust op de informatievoorziening. Voorbeelden in de aanpak zijn het deur-tot-deur geven van informatie, ambtenaren die aanwezig zijn in het buurthuis en de workshops die georganiseerd werden over de plannen voor riolering. Deze aanpak wordt breed gewaardeerd door stakeholders en gemeente.
Delft is volgens een aantal stakeholders een voorbeeldgemeente. De aanpak in de Multatulibuurt was succesvol maar intensief en tijdrovend. Dat de aanpak succesvol was kwam mede doordat er door de gemeente veel tijd in de participatie is geïnvesteerd. Zowel de stakeholders als de gemeente zouden een vergelijkbare aanpak als de Multatulibuurt willen voor andere buurten. Volgens de gemeente is dit echter moeilijk voor alle wijken toe te passen door de benodigde snelheid en inzet van capaciteit. 3. De Delfts Doen-aanpak werd in de Multatulibuurt losgelaten. Warmteuitvoeringsplannen vragen om een andere participatieaanpak, vastgesteld door de raad. De Delfts Doen-aanpak werkt voor warmte-uitvoeringsplannen niet goed omdat deze aanpak meer is gericht op omgevingsplannen. In de Multatulibuurt werd deze aanpak dan ook losgelaten. Een vernieuwde participatieaanpak is nodig, waarbij succesfactoren – zoals de aanwezigheid van ambtenaren of de deur-tot-deur informatievoorziening – uit eerdere wijken worden meegenomen. Dat geldt ook voor knelpunten bij participatie – zoals de hierboven al genoemde afhankelijkheid van expertise en de organisatiekracht van inwoners. Hier gaan we bij de aanbevelingen uitgebreider op in. Bij het vaststellen van een nieuwe participatieaanpak is het belangrijk om ook de rol van de raad mee te nemen.
De raad heeft een besluitvormende rol gehad bij het warmteplan maar had geen expliciete rol bij de participatie. Zo droeg de raad bijvoorbeeld geen specifieke aandachtspunten of kwaliteitseisen aan waaraan het participatietraject moest voldoen.
7
Realisatie
1. De gemeente is goed op weg om tussentijdse mijlpalen te behalen voor CO2-uitstoot en warmte, maar de realisatie van mijlpalen op opwek en besparing is risicovol. De gemeente hanteert concrete doelen voor de energietransitie. De gemeente is voor CO2-uitstoot en warmte goed op weg om mijlpalen te behalen. Dat is deels ook te danken aan een toegenomen inzet van middelen en capaciteit, vooral op warmte. De realisatie van mijlpalen voor opwek en besparing blijft nog achter. Besparing moet nu op gang komen met het isolatieplan en op opwek wordt nu niet intensief ingezet. Op deze aspecten is de komende jaren extra inzet nodig om de doelen te bereiken. Voor het overkoepelende doel - CO2-neutraliteit in 2050 – ligt de gemeente met de huidige plannen – en dankzij externe factoren – op koers. De gemeente hanteert verder concrete en heldere doelen. Alleen over de doelstellingen omtrent opwek en warmte doen we een aanbeveling voor aanscherping. 2. De raad wordt conform afspraak geïnformeerd, maar de informatievoorziening is nog niet toereikend om voldoende strategisch te sturen. Informatie over risico’s die voortkomen uit bijvoorbeeld onzekere middelen en afhankelijkheden tussen projecten ontbreekt nog. De raad stuurt zelf niet expliciet op de inhoud van de informatievoorziening.
De raad heeft met het college afspraken gemaakt over de vorm en frequentie van de informatievoorziening (halfjaarlijkse rapportages), maar niet over de inhoud ervan. Aanvullend wordt de raad via de raadswerkgroep Energietransitie geïnformeerd. Tegelijkertijd is het beeld dat belangrijke sturingsinformatie nog ontbreekt, bijvoorbeeld over de afhankelijkheden tussen projecten in het Warmtenet. De voortgang op WarmtelinQ is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van voortgang voor de geothermiebron. Dit zijn projecten waarop ook moet worden samengewerkt met externe partijen, wat zorgt voor (onoverkomelijke) afhankelijkheid. Het is van belang dat de raad goed op de hoogte is van deze risico’s en afhankelijkheden om hierop tijdig te kunnen sturen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de (onzekere) beschikbaarheid van (onder meer Rijks)middelen. 3. De routekaart stelt de gemeente in staat om inzichtelijk te maken wat de verwachte impact is op de doelen en brengt de raad naar verwachting meer in positie om strategisch te sturen. De gemeente heeft recent een nieuwe routekaart gepubliceerd, die tijdens de uitvoering van dit onderzoek nog in ontwikkeling was. Daarin zijn de concrete doelstellingen vertaald in acties en maatregelen, inclusief de verwachte impact. Hiermee heeft de raad meer mogelijkheden om te sturen op doelrealisatie.
Eerdere monitoring gaf alleen inzicht in de uitvoering, zonder koppeling naar de doelen. Dit kwam ook doordat de raad nog beperkt zijn informatiebehoefte heeft aangegeven. De koppeling tussen acties en doelen brengt de raad nu naar verwachting meer in positie om strategisch te sturen en waar nodig te prioriteren in de uitvoering.
8
Aanbevelingen Op grond van de conclusies volgt hieronder een aantal aanbevelingen. Zoals ook uit de conclusies blijkt, rijst uit het onderzoek dus een vrij positief beeld van de energietransitie in de gemeente. Om die reden zijn de aanbevelingen eerder gericht op het plaatsen van accenten in het beleid en de uitvoering dan op ingrijpende herzieningen ervan. Participatie
1. Ontwikkel als raad een gemeentebrede aanpak voor participatie, waarmee elke keer heldere uitgangspunten kunnen worden meegegeven aan het college (aanbeveling aan de raad). De ambtelijke organisatie werkt aan een nieuwe visie op participatie. Borg voor een lerende aanpak daarbij dat achteraf per traject de succesfactoren en de knelpunten worden geëvalueerd en dat de raad vooraf kan aangeven welke uitgangspunten of waarden (kwaliteitscriteria voor participatie) voor dat traject specifiek van belang zijn. Daarbij kan gedacht worden aan democratische waarden zoals inclusie en transparantie. In het kader aan het eind van dit hoofdstuk worden zes democratische waarden meegegeven die de raad kan meenemen in het gesprek met het college. 2. Maak als raad en college in 2024 afspraken over de rol van de raad bij participatie én de ruimte voor inwoners (aanbeveling aan de raad en het college). De aanpak in de Multatulibuurt was succesvol maar tegelijkertijd intensief en tijdrovend. Weeg daarom goed af welke aanpak in de volgende buurten haalbaar is. Bij participatie kan onder inwoners verder de verwachting ontstaan dat hun input leidend is. Gelet op het belang van inwoners in de transitie, moet vooraf duidelijk zijn waarover inwoners per wijk kunnen meepraten. Anders kan het beeld ontstaan dat participatie ‘voor de bühne’ is.
Dat vermindert de bereidheid van inwoners om te participeren en uiteindelijk ook het draagvlak voor de transitie. Om dat te voorkomen is het belangrijk dat de raad met het college spreekt over de rol van de raad én de invloed van bewoners in participatietrajecten. 3. Verantwoord bij participatietrajecten expliciet hoe informatie tot stand komt en hoe de inbreng van participanten heeft doorgewerkt (aanbeveling aan het college). Voor verschillende participanten was niet voldoende inzichtelijk welke input de gemeente heeft opgehaald en hoe deze is verwerkt in het uiteindelijke warmteplan. Maak daarom als gemeente een overzicht van de input en geef aan hoe en waar deze is verwerkt. Licht ook toe waarom bepaalde input niet kon worden meegenomen. Maak de verwerking daarmee transparant en navolgbaar. Het is aan te bevelen dat niet enkel op papier te doen, maar (ook tijdens het traject) te bespreken met participanten. Zorg daarbij ook dat participanten voldoende zicht hebben op de onderliggende informatie en cijfers. Als wordt geïnformeerd over de kosten van een bepaalde warmteoplossing, dient transparant te worden gemaakt hoe deze kosten zijn opgebouwd. Ga met geïnteresseerde participanten in gesprek over de mate waarin de gemeente zekerheid kan geven over genoemde kosten of verwachte planningen.
Ook de gemeente heeft te maken met onzekerheden en het is van belang dat participanten en inwoners weten waar nog onzekerheden over bestaan.
9
Realisatie
1. Heroverweeg in 2024 de formulering van de doelstelling voor opwek en warmte en het uitgangspunt van betaalbaarheid (aanbeveling aan de raad). We bevelen aan om het doel voor opwek anders te formuleren om het beter aan te laten sluiten op de doelen van de Regionale Energiestrategie (RES). De gemeente zet nu namelijk in op het aandeel duurzame energie in het totaal, terwijl de RES inzet op een absolute hoeveelheid energie. Dit is een mismatch. De raad zou er daarom voor kunnen kiezen een andere formulering te hanteren voor opwek van energie, bijvoorbeeld een absolute hoeveelheid (x GWh in 2030) of een percentuele stijging (x procent meer opwek in 2030 dan in een bepaald referentiejaar). Andere gemeenten, zoals Breda of Den Bosch, hanteren dergelijke formuleringen. Daarmee kan de raad ook beter aansluiten op ontwikkelingen in het domein. Door de verschuiving naar warmtepompen is het namelijk juist de verwachting dat de vraag naar elektriciteit gaat stijgen. Een doel als percentage van het energieverbruik kan daarmee een vertekend beeld geven van de realiteit. Verder hanteert de gemeente Delft betaalbaarheid als uitgangspunt voor isolatie en warmte, maar hanteert geen expliciete doelstellingen. Als de raad op betaalbaarheid wil sturen, is onze aanbeveling om het gesprek aan te gaan over zo’n doelstelling.
Zo kan betaalbaarheid (en dan met name betaalbaarheid voor inwoners) ook nadrukkelijk worden meegewogen bij besluitvorming door de raad. 2. Rapporteer als college in 2024 waar mogelijk over de (kwantitatieve) impact van de projecten op de doelen (aanbeveling aan het college). Met de routekaart heeft het college een nieuw instrument om de beoogde impact van de activiteiten op de doelen inzichtelijk te maken. Het is van belang dat deze impact ook in de realisatiecijfers zichtbaar wordt gemaakt, als verdere uitwerking van de routekaart. Een stijging in opwek of een reductie in aardgasaansluitingen moet in de rapportages te koppelen zijn aan specifieke projecten of externe factoren. Koppel deze impact ook aan kosten en opbrengsten van de verschillende activiteiten, zodat inzichtelijk wordt hoe efficiënt een investering is: hoeveel GWh-opwek heeft deze euro gerealiseerd? Het is vanzelfsprekend niet de verwachting (en bedoeling) dat voor alle projecten een dergelijke koppeling gemaakt kan worden. Ook kan niet voor alle projecten een causaal verband worden gelegd met stijgingen in opwek of besparing. Zorg er dan ook als college voor dat – waar dat wel mogelijk is – modelmatig en met bandbreedtes inzichtelijk wordt gemaakt wat de verwachte impact is. Bijvoorbeeld: we verwachten dat met project x voor het Open Warmtenet y huizen worden aangesloten.
Of: we verwachten dat er met subsidie x voor zonnepanelen y nieuwe panelen worden gelegd en daarmee z GWh opwek wordt gerealiseerd. Vervolgens kan gericht worden gemonitord wat de gerealiseerde, geaggregeerde resultaten zijn. Met betrekking tot de routekaart bevelen we de raad verder ook aan na te gaan of in het raadsbesluit ter vaststelling van de routekaart voldoende expliciet is gemaakt dat de monitoring en sturing vanaf nu plaatsvinden op basis van de routekaart.
10
3. Maak afspraken over de informatiebehoefte en maak hiervoor gebruik van de raadswerkgroep (aanbeveling aan de raad). Maak als college in 2024 in ieder geval de afhankelijkheden en risico’s inzichtelijk van de verschillende activiteiten en externe factoren (aanbeveling aan het college). Veel activiteiten in de energietransitie hangen met elkaar samen. Het realiseren van het ene project is randvoorwaardelijk voor het andere. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de projecten omtrent het Open Warmtenet, WarmtelinQ en de geothermiebron. Deze risico’s en afhankelijkheden zijn nog niet goed inzichtelijk voor de raad. Het is aan te raden om deze risico’s expliciet te maken richting de raad, door ze op te nemen in de halfjaarrapportage of bijvoorbeeld in een factsheet waarin de effecten van de risico’s op de koers uiteen worden gezet. Daarmee wordt geborgd dat de raad goed zicht heeft op de projecten - op voldoende strategisch niveau -, de risico’s die hiermee gepaard gaan en de wijze waarop de gemeente met deze risico’s omgaat. Tot nu toe ontving de raad vooral informatie op uitvoeringsniveau. In de eerdere aanbevelingen wordt aangegeven dat de raad ook informatie dient te ontvangen over de gerealiseerde impact van projecten. Daarbij is het van belang dat de raad niet téveel informatie ontvangt.
De laatste aanbeveling is dan ook om in de raadswerkgroep te bespreken welke sturingsinformatie de raad nodig heeft of welke informatie juist te operationeel is. Daarbij kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de raad op specifieke, impactvolle projecten – zoals het warmtenet – frequenter wil worden geïnformeerd.
11
Kader - Het gesprek voeren over participatie De raad kan verschillende democratische waarden meenemen bij het ontwerpen van een nieuwe participatieaanpak. De waarden kun je per stuk, per traject, meer of minder prioriteit geven als raad: • • • • • •
inclusie: is de vorm zo toegankelijk mogelijk voor betrokkenen? deliberatie: is de manier van gesprek, discussie en besluitvorming zuiver? transparantie: is het transparant wie, wanneer, waar en hoe over spreekt en besluit? zeggenschap: zijn de checks & balances op orde, (hoe) gaat verantwoordelijkheid samen met zeggenschap? efficiency: hoeveel geld, tijd en energie vraagt het? democratische vaardigheden: is iedereen voldoende toegerust om mee te doen, verantwoording te dragen voor het besluit en voor de uitvoering?
Per geval kunnen verschillende waarden van belang zijn. Je kunt niet op elke democratische waarde 100% scoren, het is altijd gemankeerd. Het is de kunst om de variatie aan vormen zo te maken dat de democratische kwaliteit zo hoog mogelijk is, gegeven de situatie en mogelijkheden. Hiermee kan de raad aan de slag gaan aan de hand van dit essay (uit tijdschrift Bestuurswetenschappen, 2018): Gemeenteraadslid in de meervoudige democratie: hoe dan?! Er is ook al veel geschreven over participatie en het opstellen van een participatievisie en -aanpak, bijvoorbeeld door: • het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie: de 15 bouwstenen van de lokale democratie; • het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (energieparticipatie.nl); • het programma Aardgasvrije Wijken: de handreiking participatie wijkaanpak aardgasvrij. De leerportalen, handreikingen en andere hulpmiddelen van bovenstaande initiatieven hebben ook specifieke hulpmiddelen voor raadsleden. Het is van belang dat in een nieuwe participatievisie en -aanpak ervaringen en succesfactoren worden meegenomen uit eerdere participatietrajecten. Zo kan worden geleerd uit eerdere ervaringen en is de gemeente voor het succes van participatie minder afhankelijk van specifieke personen in de organisatie met ervaring.
Op basis van de nieuwe aanpak kan de raad vervolgens keuzes maken over de intensiviteit van het participatietraject, in de zin van: aanwezigheid in de wijk of het aantal momenten of de manier waarop geparticipeerd kan worden. Daarbij zorgt een minder intensief traject voor snelheid en ruimte om in meerdere buurten aan de slag te gaan; dit kan echter afbreuk doen aan de toegankelijkheid, betrokkenheid, invloed en de transparantie. Een zwaarder traject vergt meer de capaciteit en tijd, maar draagt doorgaans ook bij aan toegankelijkheid, betrokkenheid, laagdrempeligheid en transparantie. Een lichter traject werkt in de ene wijk, terwijl er in een andere wijk een zwaarder traject verstandig is.
12
Programma's en Projecten
Bestuurlijke reactie
bezoekadres: Stationsplein 1 2611 BV Delft IBAN NL21 BNGH 0285 0017 87 t.n.v. gemeente Delft Behandeld door Ellen Speetjens
Retouradres : Postbus 78, 2600 ME Delft
Telefoon 06 51808293 espeetjens@delft.nl
Aan de Delftse Rekenkamer
Internet www.delft.nl Telefoon 14015
Datum
Onderwerp
27-06-2024
Bestuurlijk wederhoor Duurzame participatie
Ons kenmerk
5889502 Uw brief van
23-05-2024 Uw kenmerk
DRK2024-04 Bijlage
Geachte heer/mevrouw, Het college heeft kennisgenomen van het rapport van de Delftse Rekenkamer ‘Duurzame participatie – onderzoek naar de energietransitie in de gemeente Delft.’ Graag spreekt het college haar complimenten uit aan de Rekenkamer voor de volledigheid, diepte en kwaliteit van het onderzoek dat is uitgevoerd. De Rekenkamer heeft een positief beeld van de energietransitie in gemeente Delft. De aanbevelingen zijn gericht op het plaatsen van accenten in het beleid en de uitvoering, niet zozeer op ingrijpende herzieningen ervan. Dat is voor de gemeente een mooie bevestiging van de aanpak van de energietransitie. Algemeen beeld De energietransitie is landelijk afgelopen jaren in een stroomversnelling gekomen. De fase van opstarten, pilots en koplopers is grotendeels voorbij. De doorgroei is ingezet naar de fase van realiseren en de aanpak opschalen. Als gemeente voeren we de regie om die realisatie op hoge snelheid en met voldoende kwaliteit plaats te laten vinden. De energietransitie zal nog vele jaren duren en de Rekenkamer heeft al vroeg in deze transitie dit onderzoek uitgevoerd. Het college waardeert dit omdat het inzichtelijk heeft gemaakt dat Delft goed gepositioneerd staat voor de fase van realisatie en opschalen. En het blijft van belang komende jaren om in gesprek te blijven over de dilemma’s die de energietransitie met zich mee brengt.
Hoe combineren we het bouwen van vele nieuwe trafo-kasten met een goede ruimtelijke inpassing? Hoe zorgen we in Delft voor de betaalbaarheid van schone warmte als hier landelijk de financiële ondersteuning nog niet voor op orde is? Het college ziet dat het cruciaal is dat de raad nauw betrokken blijft bij de energietransitie. Participatie De Rekenkamer constateert dat de invulling van participatie in het eerste warmte-uitvoeringsplan over het algemeen door stakeholders als succesvol is beoordeeld. Dat is een mooie bevestiging van de Delftse integrale aanpak van de overgang van gas naar schone warmte. Wel is deze intensieve aanpak lastig uit te breiden naar meerdere buurten tegelijk omdat hij arbeidsintensief en kostbaar is. Dit wordt landelijk nu ook geconstateerd. In
13
Datum
27-06-2024 Ons kenmerk
5889502
opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de Raad Openbaar Bestuur (ROB) de benodigde uitvoeringslasten van gemeenten voor de energietransitie tot 2030 in beeld gebracht. Dit advies ligt bij het ministerie en moet gaan leiden tot een besluit over bekostiging voor de periode 2026-2030. Juist dit onderdeel – uitvoeringsplannen opstellen en uitvoeren – springt daarbij in het oog. Het onderzoek van de ROB schat in dat de benodigde mankracht in gemeente Delft hiervoor oploopt tot circa 35 fte (nu 3 fte). Hierover is een landelijke uitspraak nodig. Het college werkt aan de opzet van volgende uitvoeringsplannen en zal deze aanpak na de zomer met de raad bespreken. Komende jaren is het juist bij dit onderdeel van de transitie van belang om te leren. De overgang van gas naar schone warmte heeft immers impact op een huishouden en is een kans om een buurt integraal te verbeteren en te verduurzamen. Die ambitie houdt het college graag vast. Aanbeveling 1. De raad krijgt de aanbeveling om een gemeentebrede aanpak voor participatie te ontwikkelen en zo heldere uitgangspunten meegeven aan college. Het college geeft graag mee dat er een gemeentebrede aanpak ligt met de nota ‘Participatie in Delft’ is en de verordening ‘Participatie en uitdaagrecht Delft’. De aanbeveling om een lerende aanpak te borgen onderschrijft het college.
In dat kader meldt het college dat zij het participatiebeleid evalueert en naar verwachting in Q4 de evaluatie kan delen met de raad. Daarnaast loopt het uitvoeringsplan 'Samen maken we de stad' met vier lijnen: • We staan in contact met 'alle' Delftenaren • We geven initiatieven uit de stad meer ruimte (vanuit het besef dat niet alles kan) • We betrekken bewoners intensief en tijdig bij de energietransitie en fysieke plannen in de wijk • We willen de verbinding tussen student en stad vergroten. Specifiek voor de energietransitie ligt er vanuit de raad geen participatieaanpak. Mocht de raad een aanpak willen ontwikkelen, geeft het college graag een aantal aandachtspunten mee: 1. De methodiek en intensiteit van participatie voor warmteuitvoeringsplannen zal moeten samenhangen met de nieuwe Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (wgiw, vastgesteld door de Tweede Kamer in april 2024, nog niet door de Eerste Kamer). Hierin worden richtlijnen meegegeven over zorgvuldige participatie bij de overgang naar schone warmte. Zo borgt de wgiw dat inwoners de mogelijkheid krijgen om op tijd de overstap naar schone warmte te maken. 2. Het college werkt aan de opzet van volgende warmteuitvoeringsplannen en zal deze aanpak na de zomer met de raad bespreken. 3. Komende jaren zullen alle gemeenten in Nederland door dit leertraject gaan.
Delft zal niet de enige zijn die gaat leren hoe “een lichter traject” eruit ziet zoals de Rekenkamer onderaan pagina 11 suggereert. Het college ziet graag dat we samenwerken met andere gemeenten. Aanbeveling 2.
2/4
Datum
27-06-2024 Ons kenmerk
5889502
De raad en het college krijgen de aanbeveling om afspraken te maken over de rol van de raad bij participatie en de ruimte voor inwoners. Het college herkent dat hierover heldere afspraken nodig zijn. Het is zinvol om deze afspraken expliciet met elkaar te maken. Het college herkent ook het tweede deel van de aanbeveling: dat inwoners de juiste verwachtingen moeten meekrijgen bij participatie. Echter, een gesprek tussen college en raad vindt het college hier niet de juiste methodiek voor. Verwachtingsmanagement dient plaats te vinden tijdens de gesprekken met inwoners. Dit is een onderdeel van het vak van de Delftse ambtenaren. Het college herkent niet dat er in de energietransitie op grote schaal verkeerde verwachtingen bij inwoners zijn gewekt. Dat laat onverlet dat verwachtingsmanagement altijd aandacht behoeft bij participatie. Aanbeveling 3. Het college krijgt de aanbeveling om bij participatietrajecten expliciet te verantwoorden hoe informatie tot stand komt en hoe de inbreng van participanten heeft doorgewerkt. Het college neemt deze aanbeveling over. Herkenbaar is dat de keuze voor de eerste wijk niet voldoende inzichtelijk was voor sommige inwoners. Een nieuw inzicht is dat door participanten bij het opstellen van het Warmteplan de terugkoppeling als onvoldoende werd ervaren. Het college zal bekijken hoe zij de kwaliteit van de terugkoppeling kan verbeteren.
Wel is het college van mening dat het proces goed was opgezet. Participanten ontvingen terugkoppeling op hun input bij het vaststellen van de notulen van voorgaande participatiebijeenkomsten. Daarnaast is het Warmteplan ter inzage gelegd en hier is een nota van beantwoording voor opgesteld en vastgesteld door de raad. Realisatie Aanbeveling 1. De raad krijgt de aanbeveling om de doelstelling voor opwek en warmte te herformuleren. Deze stap heeft de raad gemaakt met het opstellen van de Routekaart. Hierin staan de tussentijdse mijlpalen benoemd voor 2030. Bij de volgende versie van de Routekaart is het van belang om de mijlpalen van 2040 te benoemen. De Rekenkamer refereert aan doelstellingen in verouderde documenten (Nota ‘Delft Energieneutraal 2050’ uit 2013, nota ‘Bouwen aan een duurzaam Delft’ uit 2017). Het college stuurt vanaf nu op de Routekaart Delft Klimaatneutraal 2050 en hierin staan doelstellingen voor opwerk en warmte die aansluiten bij de doelstellingen van de Regionale Energie Strategie (RES). Het college herkent dat het helderheid biedt wanneer de raad expliciet besluit dat Delft vanaf nu koerst op de doelstellingen uit de Routekaart. Daarnaast krijgt de raad de aanbeveling om het uitgangspunt van betaalbaarheid te formuleren. Het college ondersteunt deze aanbeveling.
Wel waakt het college graag voor een academische exercitie: uitgangspunten voor betaalbaarheid zijn met name zinvol wanneer het over de concrete transitiestappen gaat zoals isoleren, zonnepanelen aanschaffen of aansluiten op een warmtenet. Daarnaast geeft het college mee dat VNG en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek laten uitvoeren om te komen tot landelijke kaders voor betaalbaarheid. Naar verwachting is dit onderzoek rond de zomer gereed. Aanbeveling 2.
3/4
Datum
27-06-2024 Ons kenmerk
5889502
De Rekenkamer doet de aanbeveling aan het college om waar mogelijk over de (kwantitatieve) impact van de projecten op de doelen te rapporteren. Deze aanbeveling onderschrijft het college. Graag benadrukt het college de nuancering die de Rekenkamer hierbij maakt. Dit kan niet voor alle projecten. Bij de uitwerking van deze aanbeveling zal het college de afweging maken in hoeverre werken met modellen en bandbreedtes voldoende toegevoegde waarde heeft versus de benodigde inzet op een dergelijke rapportage. Het college nuanceert daarnaast de verwachting dat scherp inzichtelijk kan worden hoe efficiënt een investering is – inzicht in GWh-opwek of CO2-besparing per euro. Ook dit zal met modellen en bandbreedtes werken. Aanbeveling 3. Het college krijgt de aanbeveling om de afhankelijkheden en risico’s inzichtelijk te maken van de verschillende activiteiten en externe factoren. Deze aanbeveling neemt het college over. Daarnaast krijgt de raad de aanbeveling om afspraken te maken over de informatiebehoefte. Het college onderschrijft deze aanbevelingen en heeft hier geen aanvulling op. Vooruitblik De energietransitie zal nog vele jaren duren. Een transitie vraagt om een lerende aanpak. De huidige werkwijze van de Rekenkamer, de raad en het college van openheid en een lerende blik is zeer waardevol.
Dat is de werkwijze die het college graag behoudt, ook in andere evaluatiemomenten met de gemeenteraad. Het college spreekt de intentie uit dat we gezamenlijk dit proces bewaken waarbij openheid en samen leren de kern is die we samen willen blijven waarmaken. Graag blijft het college komende jaren in gesprek met de raad over de energietransitie: over de strategie en het tijdig bijsturen daarvan, over de snelheid of het wegvallen daarvan, en hoe we de gezamenlijke verantwoordelijkheid invulling geven om Delft klimaatneutraal te maken. Hoogachtend, het college van burgemeester en wethouders van Delft,
4/4
Bijlage 1: Onderzoeksresulaten 1.
Inleiding
1.1. Aanleiding De energietransitie is een belangrijke opgave, in de wereld, Europa, Nederland en Delft. Het kabinet heeft de doelstelling om in 2050 klimaatneutraal te zijn, en wil daarvoor in 2030 55% CO2-reductie realiseren (ten opzichte van 1990; er wordt daarbij ingezet op 60%). In lijn met dit beleid streeft de gemeente Delft naar klimaatneutraliteit in 2050 en 55% CO2reductie in 2030. De energietransitie is voor de gemeente een belangrijk onderwerp. Daarom heeft het ook de aandacht gekregen vanuit de rekenkamer. In het recente verleden heeft de Delftse Rekenkamer geen onderzoeken uitgevoerd naar de energietransitie of het bredere duurzaamheidsbeleid van de gemeente. Daarom is besloten om een rekenkameronderzoek in te stellen, met als doel om: - Meer zicht aan de raad geven op de resultaten van het beleid, om vanuit daar aanbevelingen te doen voor de verdere invulling van de energietransitie. - Meer zicht geven aan de raad op de resultaten van participatie, om vanuit daar lessen te trekken voor participatie in volgende buurten. Daarbij ligt enerzijds de focus op het brede beleid en anderzijds - inzoomend op het warmteplan en de uitvoering hiervan - op de eerste buurt, de Multatulibuurt.
De scope is hierbij afgebakend tot de energietransitie, te weten besparing van energie, opwek van energie en warmte (de transitie naar aardgasvrije woningen/gebouwen) en het overkoepelende doel van minder CO2-uitstoot. Andere aspecten van duurzaamheid - denk aan klimaatadaptatie, mobiliteit, afval of circulariteit - worden in dit onderzoek niet meegenomen. 1.2. Onderzoeksvragen Uit bovenstaande aanleiding en doel komen twee onderzoeksvragen voort, waaraan deelvragen zijn gekoppeld. 1. Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie (duurzame opwek, besparing, warmte en CO2-uitstoot)? a. Hoe is het beleid ten aanzien van de energietransitie opgezet en uitgewerkt? i. Zijn er concrete doelen geformuleerd? ii. Hoe verhouden deze doelen zich tot de regionale doelen? iii. Zijn de doelen consistent en volledig vertaald in activiteiten en maatregelen? iv. Zijn er voldoende middelen (capaciteit, expertise, geld) beschikbaar om de activiteiten en maatregelen uit te voeren? b. Worden de doelen conform planning gerealiseerd? i. Worden de afgesproken acties en maatregelen uitgevoerd conform planning en binnen de daartoe vastgestelde budgetten? ii. Leidt de uitvoering van de acties en maatregelen aantoonbaar tot het realiseren van tussentijdse mijlpalen?
17
iii. Is het aannemelijk dat de doelen gerealiseerd gaan worden? iv. Is inzichtelijk wat er (aanvullend) nodig is om de doelen te realiseren? c. Vult de raad zijn kaderstellende en controlerende rol in c.q. kan de raad zijn kaderstellende en controlerende rol invullen? i. Welke afspraken zijn gemaakt over de informatievoorziening aan de raad? ii. Wordt de raad conform deze afspraken geïnformeerd en stuurt de raad proactief op een goede informatievoorziening? iii. In hoeverre biedt de informatievoorziening de raad voldoende handvatten om waar nodig bij te sturen op de opzet en de uitvoering van het beleid en maakt de raad proactief gebruik van deze handvatten? 2. Draagt de opzet en uitvoering van de participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? a. Hoe is de participatie bij de totstandkoming van het warmteplan, bij de keuze voor de Multatulibuurt en de totstandkoming van het warmte-uitvoeringsplan Multatulibuurt opgezet? i. Zijn de doelen en de aanpak van de participatie van tevoren concreet uitgewerkt? ii. Is met de raad afgesproken welke rol de raad heeft ten aanzien van de participatie? iii. Is voor de participanten (participerende inwoners, bedrijven en organisaties) duidelijk hoe de gemeente de participatie wil aanpakken, wat het doel van de participatie is en wat met de input uit de participatie gedaan wordt? b.
Hoe is de participatie uitgevoerd? i. Is de participatie conform opzet uitgevoerd? ii. Is voor de participanten duidelijk wat met de input uit de participatie is gedaan? iii. Is de raad ten aanzien van de participatie conform afspraken betrokken? c. Hoe en in welke mate draagt de participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? i. In welke mate en in welke vorm geven participanten aan dat de participatie heeft bijgedragen aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? ii. In welke mate en in welke vorm geeft de gemeente (onderscheidenlijk raad, college, organisatie) aan dat de participatie heeft bijgedragen aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? 1.3. Normenkader De verschillende deelvragen zijn uitgewerkt in een normenkader. Alle onderzoeksvragen hebben hierin een plek gekregen.
18
Vraag
Aspect
Norm
Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie?
Opzet beleid
• • • •
Doelrealisatie
• • • •
Rol van de raad
• •
• Dragen de opzet en de uitvoering van de participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie?
Opzet participatie
• • •
Uitvoering participatie
• • •
Effecten participatie
• •
Er zijn heldere en concrete doelen geformuleerd ten aanzien van de energietransitie. Het is helder en inzichtelijk hoe de lokale doelen zich verhouden tot de regionale doelen. De doelen zijn consistent en volledig vertaald in activiteiten en maatregelen. Er zijn voldoende middelen beschikbaar om de activiteiten uit te voeren. De acties en maatregelen worden conform planning en binnen vastgestelde budgetten uitgevoerd. De uitvoering van de acties en maatregelen leidt aantoonbaar tot de realisatie van tussentijdse mijlpalen. Het college ligt op koers om de doelen te realiseren. Het inzichtelijk wat (aanvullend) nodig is om de doelen te realiseren. De raad heeft heldere afspraken gemaakt met het college over informatievoorziening De raad wordt conform gemaakte afspraken door het college geïnformeerd en de raad stuurt proactief op een goede informatievoorziening De informatie geeft de raad voldoende handvatten om bij te sturen en de raad maakt proactief gebruik van deze handvatten De doelen en de aanpak van participatie zijn helder en concreet uitgewerkt. Met de raad zijn duidelijke afspraken gemaakt over de rol van de raad bij de participatie. Het is voor participanten duidelijk hoe de gemeente participatie wil aanpakken, wat het doel is en wat er met de input gedaan wordt. De participatie is conform opgezet uitgevoerd.
Participanten zijn geïnformeerd over wat er met hun input is gedaan. De raad is conform afspraak betrokken bij de participatie. Participanten zien dat hun participatie heeft bijgedragen aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie. De gemeente (raad, college en ambtelijke organisatie) ziet dat participatie heeft bijgedragen aan betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie.
19
Aan het eind van elk inhoudelijk hoofdstuk vindt een toetsing plaats op de normen. Daarbij wordt de volgende categorisering gebruikt. Groen Aan de norm wordt grotendeels of volledig voldaan. Oranje Aan de norm wordt gedeeltelijk voldaan. Rood Aan de norm wordt niet of nauwelijks voldaan. 1.4. Aanpak De aanpak van dit onderzoek bestaat uit de volgende stappen: 1. Startgesprek. In deze stap zijn werkafspraken gemaakt met de rekenkamer en de ambtelijke organisatie over de onderzoeksopzet, de planning en de aanlevering van documenten en contactgegevens. 2. Documentenonderzoek. In deze stap is een eerste beantwoording gegeven van de deelvragen middels een studie van de beschikbare beleidsdocumenten, P&C-stukken en onderliggende rapportages en uitvoeringsstukken. 3. Interviews en raadssessie. In deze stap zijn interviews afgenomen met betrokken ambtenaren en bestuurders. Ook hebben gesprekken plaatsgevonden met externe samenwerkingspartners en inwoners. De namen van de te spreken samenwerkingspartners, inwoners en ambtelijk betrokkenen zijn aangedragen door de ambtelijke organisatie. In bijlage I is een overzicht opgenomen van geïnterviewde personen. Ook vond in deze stap een sessie plaats met een afvaardiging van de gemeenteraad. 4. Rapportage en afronding. In deze stap is het rapport opgesteld. Vervolgens is het rapport voorgelegd voor ambtelijk en bestuurlijk wederhoor. 1.5.
Begrippenkader Deze begrippenlijst geeft uitleg over de veelgebruikte termen rondom de energietransitie. Aardgasvrij
Broeikasgassen
Biomassa
CO2-neutraal CO2-uitstoot
Energieneutraal
Een andere energiebron voor opwekking van elektriciteit en warmte in plaats van aardgas. De term wordt meestal gebruikt om aan te geven dat in een woning of wijk geen aardgasaansluitingen (meer) zijn. Bij de opwekking van energie komen broeikasgassen vrij (uitstoot/emissie) door verbranding van fossiele brandstoffen. Bij energie is dat voornamelijk CO 2. Er zijn andere broeikasgassen (methaan, lachgas) die vrijkomen bij andere bronnen, zoals landbouw. Biomassa verwijst naar alle planten en dieren op aarde (zowel dood als levend). Biomassa is een belangrijke bron voor het opwekken van groene stroom of duurzame warmte. Wanneer we het hebben over energie uit biomassa, dan bedoelen we dus energie uit planten(resten) en dieren(resten). Uitstoot bij de opwekking van energie wordt gecompenseerd door opname van CO2 zodat de netto CO2-emissie nul is. CO2-uitstoot is het vrijkomen van koolstofdioxide CO2 in de lucht. Mensen en dieren stoten CO2 uit. De afgelopen 150 jaar is de uitstoot van CO 2 sterk gestegen. Onder andere omdat mensen fossiele brandstoffen (zoals aardgas) zijn gaan verbranden voor industrie en vervoer. Een begrip dat te maken heeft met de opwekking en het gebruik en van energie in een bepaald gebouw of bepaald gebied. Als er evenveel energie wordt opgewekt als gebruikt is het gebied of gebouw energieneutraal.
20
Energiebesparingsplicht
Energiecoöperatie Energietransitie
Hernieuwbare energie
Klimaatakkoord (2019)
Klimaatneutraal Nationaal Isolatie Programma Netcapaciteit Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) Regionale Energiestrategie (RES)
Transitievisie Warmte (TVW) TWh GWh Warmtenet
Warmtetransitie
De plicht voor bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder uit te voeren. Deze plicht is vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Een groep inwoners die samen duurzame energie opwekken, energie besparen en stappen zetten om de wijk te verduurzamen. Delft vat onder energietransitie het nemen van energiebesparende maatregelen en het opwekken van energie via natuurlijke bronnen. Daarbij wordt gekeken naar het besparen van energie, het opwekken van energie en het aardgasvrij maken van woningen/gebouwen. Energie opgewekt met behulp van hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen. De meest voorkomende bronnen zijn windenergie, zonneenergie, biomassa, biogas. In Delft is vooral zonne-energie van belang. Het is een overeenkomst tussen veel organisaties en bedrijven in Nederland en de overheid om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. Daarmee wordt de opwarming van de aarde beperkt. Het belangrijkste doel is om de CO 2uitstoot in 2030 met 49% te verminderen ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Proces waardoor geen (netto) emissie optreedt van broeikasgassen. Alle CO2 die in de lucht komt, wordt hier weer uitgehaald. Het doel van het Nationaal Isolatieprogramma is om 2,5 miljoen woningen te isoleren in de periode tot en met 2030.
De nadruk ligt daarbij op de 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G). Hoeveel elektriciteit er door een net getransporteerd kan worden. In het Programma Aardgasvrije Wijken doen 66 gemeenten mee met de proeftuinen voor aardgasvrije wijken. Zij krijgen een bijdrage van de Rijksoverheid om te starten met en gezamenlijk te leren van het aardgasvrij maken van een wijk. Er zijn 30 Regionale Energiestrategieën in Nederland; 30 regio’s waarin gemeenten, provincies, netbeheerders, waterschappen, bedrijven, inwoners en maatschappelijke organisaties samenwerken aan het uitwerken van de energietransitie. Delft maakt deel uit van de RES-regio Rotterdam-Den Haag. Een visiedocument dat elke gemeente moest opstellen voor eind 2021. Hierin staat per wijk een tijdspad en plan beschreven voor een duurzame oplossing voor de warmtevraag. In Delft heeft deze visie de titel Warmteplan gekregen. Terawattuur: 1.000.000.000.000 wattuur (tera is miljoen keer miljoen), eenheid van energie. Gigawattuur: 1.000.000.000 wattuur (giga is een miljard), eenheid van energie Een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt. Het warme water verwarmt huizen en andere gebouwen. Een warmtenet kan gebruik maken van verschillende bronnen, zoals geothermie of restwarmte van afvalverbranding. De overgang van aardgas naar andere verwarmingsmethoden voor gebouwen.
Dit betekent in Nederland dat de warmtevoorziening in zo’n zeven miljoen huishoudens en de overige gebouwde omgeving moet worden aangepast.
1.6. Leeswijzer Deze nota van bevindingen bestaat uit twee delen: de analyse van het huidige beleid voor de energietransitie en de analyse van de aanpak en de resultaten van participatie. Elk hoofdstuk in de nota van bevindingen bestaat uit een beschrijving, een analyse en een toetsing aan het normenkader. De volgende inhoudelijke hoofdstukken komen aan bod.
21
Deel I. Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie? Hoofdstuk 2. Opzet van het beleid. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid van de gemeente Delft, en de wijze waarop dit is uitgewerkt in acties en maatregelen. Hoofdstuk 3. Doelrealisatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag of Delft met de realisatie op koers ligt. Hoofdstuk 4. Rol van de raad. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de rol van de raad in de energietransitie en de informatievoorziening aan de raad. Deel 2. Dragen de opzet en de uitvoering van de participatie bij aan een betere planvorming, uitvoering en doelrealisatie? Hoofstuk 5. Opzet van participatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de aanpak van participatie bij het warmteplan en het eerste warmte-uitvoeringsplan in de Multatulibuurt is vormgegeven. Hoofdstuk 6. Uitvoering van participatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de participatie is uitgevoerd. Hoofdstuk 7. Effecten van participatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beleefde effecten van participatie door participanten en gemeente.
22
Onderzoeksresultaten deel I Ligt de gemeente Delft op koers met de realisatie van de energietransitie?
23
2.
Opzet van het beleid
In dit hoofdstuk wordt het Delftse beleid beschreven (§2.1). Vervolgens wordt de opzet van het beleid geanalyseerd (§2.2) en vindt de toetsing aan de normen plaats (§2.3). De onderzoeksperiode loopt van het eerste beleidsstuk uit 2013 tot en met de routekaart, die recentelijk ter vaststelling aan de raad is verzonden. Er wordt in dit hoofdstuk gekeken naar zowel informatie die eerder aan de raad is aangeboden als de informatie in de routekaart. 2.1.
Beleidsstukken en doelstellingen
2.1.1. Doelstellingen De eerste nota omtrent de energietransitie stamt uit 2013. Sindsdien zijn er verschillende beleidsstukken vastgesteld, elk met doelstellingen en maatregelen. In deze paragraaf worden de doelstellingen uit de verschillende beleidsstukken toegelicht. Daarbij wordt toegelicht hoe de doelstellingen elkaar hebben opgevolgd. Nota Delft Energieneutraal 2050 In 2013 heeft de Delftse gemeenteraad de nota Delft Energieneutraal 2050 vastgesteld.1 In deze nota is de ambitie opgenomen dat Delft in 2050 energieneutraal is. Oftewel: in 2050 is de hoeveelheid gebruikte energie gelijk aan de hoeveelheid duurzaam opgewekte energie. Om deze langetermijn-ambitie te kunnen realiseren, heeft de raad met de nota een de volgende tussendoelen opgesteld voor 2020 en 2030: - Doelen voor 2020: o In 2020 is de emissie (uitstoot) van CO2 35% gedaald ten opzichte van 1990. o In 2020 is het aandeel duurzame energie ten minste 15% van het totale energiegebruik van Delft. o In 2020 wordt 35% minder energie gebruikt dan in 1990. - Doelen voor 2030: o In 2030 is de emissie van CO2 55% gedaald ten opzichte van 1990.2 o In 2030 is het aandeel duurzame energie ten minste 25% van het totale energiegebruik van Delft. o In 2030 wordt 50% minder energie gebruikt dan in 1990.
Daarnaast heeft de gemeente Delft tot doel om in 2050 aardgasvrij te zijn, in lijn met de – later vastgestelde – nationale doelstellingen uit het Klimaatakkoord. Deze doelstellingen zijn vooral gericht op de kwantitatieve reductieopgave. Daarbij zijn geen doelstellingen geformuleerd voor de meer kwalitatieve kant, denk aan doelstellingen omtrent betaalbaarheid. De ambtelijke organisatie geeft hierover aan dat er geen aparte doelstelling is geformuleerd voor betaalbaarheid, maar dat betaalbaarheid wel als uitgangspunt wordt gehanteerd in bijvoorbeeld het isolatieplan.
1
Nota Delft Energieneutraal 2050, vastgesteld in 2013. Dit was eerst 50%, maar is in lijn met het kabinet verhoogd naar 55%. Er wordt daarbij ingezet op 60% reductie. 2
24
Coalitieakkoord 2022-2026 In het coalitieakkoord is de doelstelling omtrent CO2-uitstoot aangescherpt naar “55% minder uitstoot in 2030” (ten opzichte van 1990).3 Ook zijn andere doelen voor de komende collegeperiode opgesteld omtrent de energietransitie. - Uitwerken van het warmteplan op buurtniveau, samen met inwoners. Daarbij wordt de koppeling gemaakt met de sociale agenda en per buurt wordt het meest geschikte alternatief voor aardgas bepaald. - Met minimaal één wijk komen tot een breed gedragen plan voor warmte, isolatie, duurzame lokale energieopwekking en vergroenen van de wijk. - Blijven inzetten op realisatie van het Open Warmtenet Delft, waarbij alle instrumenten worden ingezet die de gemeente tot haar beschikking heeft. De doelen vanuit de nota Delft energieneutraal 2050 hebben verder plek gekregen in beleidsnota’s als het isolatieplan, de omgevingsvisie en de verduurzaming van het gemeentelijke vastgoed. Ook hebben deze doelstellingen een plek gekregen in de prestatieafspraken die zijn gemaakt met woningcorporaties. Bouwen aan duurzaam Delft Verder heeft de gemeente in november 2017 een duurzaamheidsstrategie vastgesteld, de nota Bouwen aan een duurzaam Delft.4 In deze nota zijn vier pijlers opgenomen om de fysieke leefomgeving toekomstbestendig en duurzaam in te richten, naar de ambitie uit de Agenda Delft 2040.
De vier pijlers zijn: groen, blauw en gezond, circulaire economie, klimaatadaptief, en Delft energieneutraal. Voor de pijler Delft energieneutraal zijn doelstellingen en maatregelen opgenomen voor 2040, 2030, 2025, 2020 en 2018. Voor de komende jaren zijn de doelstellingen en maatregelen als volgt: - In 2025 woont 80% van de huishoudens met minder dan 150% sociaal minimum in een woning met energielabel B. o Verbrandingsmotoren zijn verdwenen uit de binnenstad. o Eerste 5.000 woningen aangesloten op het lokaal, open warmtenet. - In 2030 gebruikt Delft 50% minder energie dan in 1990. Het aandeel duurzame energie bedraagt minimaal 25% van het totale Delftse energiegebruik. - In 2040 worden de volgende maatregelen genomen: o Energieneutrale woning is de norm, ook in bestaande voorraad. o Leiding door het Midden wordt gevoed door middel van duurzame restwarmte, geothermie. o Personenmobiliteit 100% op hernieuwbare energie. Actualisering: routekaart 2050 De gemeente heeft een routekaart richting 2050 opgesteld, als actualisering voor de nota Delft energieneutraal 2050 en Bouwen aan duurzaam Delft. De doelen die in deze visies zijn opgenomen, zijn verouderd en worden geactualiseerd. De ambtelijke organisatie geeft aan dat de routekaart geen nieuwe doelen bevat (zie toelichting in §2.1.3).
3 4
Coalitieakkoord 2022-2026. Nota ‘bouwen aan een duurzaam Delft’, november 2017.
25
Warmteplan In 2021 heeft de Delftse gemeenteraad het Warmteplan 2021 vastgesteld.5 In het warmteplan wordt de visie van de gemeente Delft uiteengezet op het aardgasvrij maken van gebouwen en het vinden van nieuwe manieren om te verwarmen. Het Warmteplan wordt uitgewerkt tot warmte-uitvoeringsplannen per buurt. Er ligt een opgave om 62.000 woningen en 15.500 woningequivalenten aardgasvrij te maken. De gemeente heeft daarbij als tussendoel geformuleerd om in 2030 minstens 20% van de woningen aardgasvrij te verwarmen. Dit is in lijn met de nationale doelstelling uit het Klimaatakkoord. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze doelstelling niet gericht is op het aardgasvrij maken van 20% van de bestaande woningen. Het doel is erop gericht dat in totaal 20% van de woningen aardgasvrij is. Dit kan ook worden behaald door bijvoorbeeld veel nieuwe woningen te bouwen zonder aardgasaansluiting. Binnen de RES heeft de gemeente op regionaal niveau de Regionale Structuur Warmte vastgesteld, de naam van het onderdeel warmte uit de RES. De komende tijd wordt dit verder uitgewerkt tot een Lokale Energiestrategie, wat de basis gaat vormen voor het Omgevingsprogramma warmte. 2.1.2. Verhouding tot regionale doelen De gemeente Delft maakt deel uit van de RES-regio Rotterdam Den Haag.
In de RES 1.0 zijn de ambities opgenomen van de regio richting 2030, waarmee wordt bijgedragen aan de landelijke doelen uit het Klimaatakkoord. De raad heeft de RES in 2021 vastgesteld. De RES formuleert de volgende doelstellingen omtrent warmte, elektriciteit, brandstoffen en energiesystemen.6 Warmte - Inzetten op besparing, isoleren en lage(re)temperatuurverwarming (20% of meer besparing in de gebouwde omgeving; 30% of meer besparing in de glastuinbouw (ten opzichte van 2021)). - Inzetten op de beschikbare rest- en aardwarmte en een toekomstbestendige energiemix. - Samenwerken aan een optimale regionale warmtestructuur met de laagste maatschappelijke kosten. - Regie bij de gemeenten. - Uitwerken toekomstbeeld langs de zeven sleutelprogramma’s.7 - Inzetten op passende wet- en regelgeving en financiële instrumenten om randvoorwaarden te borgen.
5
Warmteplan 2021. Regionale Energiestrategie regio Rotterdam-Den Haag, maart 2021. 7 Dit zijn programma’s – opgestart in 2021 – die ondersteund worden vanuit de RES en bijdragen aan het behalen van het richtinggevende toekomstbeeld. Te denken valt aan de ontwikkeling van het geothermiegebied Den Haag-Delft, WarmtelinQ en warmtesystemen in Westland, Oostland en VoornePutten. 6
26
Elektriciteit - Inzetten op 2.8-3.2 TWh duurzame opwek als bijdrage aan de nationale opgave. o Hiervan is 0,847 TWh reeds gerealiseerd ten tijde van de vaststelling van de RES (maart 2021). o Hiervan zit 0,42 TWh in de harde pijplijn of de pijplijn op basis van het windconvenant ten tijde van de vaststelling van de RES (maart 2021). - Inzetten op plekken met behoud of versterking van ruimtelijke kwaliteit; tevens beschouwen we de haalbaarheid vanuit netimpact, de bredere haalbaarheid en het draagvlak. - Zeer stevig inzetten op zonne-energie op daken en parkeerplaatsen (stedelijk gebied), benutten van waterbassins in de glastuinbouw voor zonnepanelen en aanvullende windturbines op basis van de draagkracht van het landschap. o 40% van het geschikte dakoppervlak benutten voor zonne-energie. o 347 bassins in 10 jaar met 35.000 (drijvende) panelen. o 28 windturbines realiseren uit het SER Energieakkoord (windconvenant) en voor 27 windturbines draagkracht in het landschap zoeken. - Opwekking van duurzame elektriciteit in de natuur doen we niet. - Uitwerken van grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit in integrale gebiedsgerichte aanpakken met participatie van de belanghebbenden. Brandstoffen - Zo hoogwaardig mogelijk inzetten van schaarse duurzame brandstoffen.
- Voor de warmtetransitie eerst inzetten op vraagreductie en, waar passend, op realisatie van regionale warmte-infrastructuur; inzet van brandstoffen in woningen en gebouwen in de periode tot 2030 is het sluitstuk van de warmtetransitie. - Duidelijkheid bieden aan initiatiefnemers, hun activiteiten actief ondersteunen en benodigde acties uitwerken. Energiesysteem - Streven naar energie-efficiëntie en energiebesparing. - Streven naar balans tussen energievraag en energieproductie. - Rekening houden met de eigenschappen van nieuwe energiebronnen en de (on)mogelijkheden van opslag en omzetting. In de RES is geen uiteenzetting opgenomen van de doelen voor elke individuele gemeente. Er zijn dan ook geen afspraken gemaakt over het gedeelte wat Delft moet gaan realiseren op haar grondgebied. Dit is vooral relevant voor doelen in de regio omtrent opwek. De doelen voor de andere aspecten zijn niet kwantitatief en daardoor niet ‘vertaalbaar’ naar het lokale niveau. 2.1.3. Vertaling naar acties en maatregelen Programma Energietransitie Voor de uitvoering van de nota Delft Energieneutraal 2050 is een uitvoeringsprogramma vastgesteld voor de periode 2017-2020. Sinds 2020 zijn de activiteiten ondergebracht binnen het Programma energietransitie. Voor 2023 wordt daarin gewerkt vanuit drie
27
‘werkstromen’: Stadsbreed in Beweging, techniek en warmte-uitvoeringsplannen. Voor 2023 staan de volgende projecten op de rol.8 Werkstroom Stadsbreed in Beweging - Communicatiecampagne Delft wordt Groen. - Aanpak energiearmoede. - Verduurzaming bedrijvenkring Schieoevers. - Isolatieplan. - Onderzoek luchtwarmtepompen. Techniek - Open Warmtenet Delft. - Geothermie Delft. - Warmtepompcentrale. - WarmtelinQ. - Hoogspanningsstation Kerkpolderweg. Warmte-uitvoeringsplannen - Multatulibuurt. Een deel van deze projecten (WarmtelinQ, geothermie en Open Warmtenet) was eerder ook opgenomen in het uitvoeringsprogramma 2017-2020. Per project is uiteengezet: - De beoogde planning voor het project. - De risico’s en welke beheersmaatregelen worden getroffen. - Hoe wordt samengewerkt met externe partijen. - Hoe communicatie en participatie worden vormgegeven. - Welke raakvlakken er zijn met andere projecten in het programma en andere domeinen. Routekaart 2050 De gemeente heeft een routekaart gemaakt waarin de impact van de verschillende projecten en plannen op de doelstellingen uiteen is gezet.9 De routekaart is recentelijk ter vaststelling aangeboden aan de raad. In het raadsvoorstel is daarbij het volgende opgenomen: “Met de Routekaart Delft Klimaatneutraal 2050 wordt in principe geen nieuw beleid geformuleerd. Het brengt bestaande beleids- en uitvoeringsplannen bij elkaar.
Het is daarmee het richtinggevende document voor de Delftse energietransitie.” In de routekaart is ook gekeken naar de impact van externe ontwikkelingen op de doelen. Dat resulteert in de volgende visualisatie.
8 9
Programma energietransitie halfjaarrapportage Q1 en Q2 2023. Routekaart 2050.
28
Figuur 1. Routekaart 2050. De figuur laat zien hoe de verschillende ‘transitiepaden’ effect hebben op de doelstelling voor CO2-uitstoot, inclusief de prognose richting 2030 (60% reductie in uitstoot) en de prognose richting 2050 (100% reductie; klimaatneutraliteit). Uit de figuur is te zien dat projecten en plannen die nu worden uitgevoerd, naar verwachting 47 kiloton CO2 besparen. Dit zijn projecten in de transitiepaden industrie/commerciële dienstverlening en mobiliteit, en plannen in de transitiepaden wonen en publieke dienstverlening. Uit de grafiek is op te maken dat de gemeente verwacht in 2050 nog restemissies te hebben die buiten de invloedsfeer liggen van de gemeente. Ook is op te maken dat er richting 2030 en 2050 beleidsvoornemens zijn waar nog geen middelen en mensen voor gereserveerd zijn.