De circulaire bouwstandaard van Delft - CO2-arm en toekomstbestendig
Tekst van het document
De circulaire bouwstandaard van Delft CO2-arm en toekomstbestendig
De circulaire bouwstandaard van Delft
Inhoudsopgave Deel I. Kaders en instrumentarium voor Circulair Bouwen
3
1 Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Doel van het beleid Afbakening
4 5 5
2 Context
6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
6 6 7 7 8 8
Europees beleid Nationaal beleid en wetgeving Regionaal beleid Lokaal beleid Ontwikkelingen in de markt Circulair bouwen in Delft
3 Wat willen we bereiken? 3.1 3.2 3.3
Hoofddoelen randvoorwaarden en botsproeven Opzet van het beleid, meegroeien met ontwikkelingen
4 Indicatoren en instrumentarium 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Minimaliseren van de CO2-uitstoot van materialen en gebouwen Minimaliseren van nieuwe eindige grondstoffen Bewust bouwen voor de toekomst Overzicht indicatoren Keuzelijst kleinere projecten
5 Implementatie, borging en toetsing 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Reikende hand Borging in overeenkomsten, contracten en andere afspraken Toetsing Afwijken Overgangsperiode Monitoren, evalueren en actualiseren
6 Financiële onderbouwing 6.1 6.2 6.3
Investeringskosten voor bouwprojecten Kosten implementatie Kosten uitvoering
10 10 10 11
12 12 12 13 13 14
15 15 15 17 18 18 18
19 19 19 19
Deel II. Prestatie-eisen circulaire bouwstandaard 2026
21
1 Nieuwbouwprojecten
22 1
De circulaire bouwstandaard van Delft
2 Bestaande bouw (renovatie- en transformatieprojecten)
23
3 Keuzelijst kleinere projecten
24
4 Afwegingskader voor slopen
25
5 Prestatie-eisen circulair slopen
26
2
De circulaire bouwstandaard van Delft
Deel I. Kaders en instrumentarium voor Circulair Bouwen
3
De circulaire bouwstandaard van Delft
1 Inleiding Deze nota geeft de kaders weer van het beleid ‘Circulair en CO2-neutraal bouwen en wonen’ en vervangt het bestaande beleid Duurzaam Bouwen uit 20151. Naast het formuleren van ambities op het gebied van circulair bouwen, beschrijft deze nota welke instrumenten worden ingezet om deze ambities waar te maken. Ter ondersteuning is een achtergronddocument opgesteld dat apart beschikbaar is. De nota is als volgt opgebouwd: 1. Inleiding 2. Context 3. De gewenste situatie 4. Indicatoren en instrumentarium 5. Realisatie en implementatie 6. Financiële paragraaf
1.1 Aanleiding De aanleiding om het huidig beleid te herzien is vierledig. Ten eerste heeft Delft ambities op het gebied van de circulaire economie en klimaat. In 2050 willen we CO2 neutraal en volledig circulair zijn. Bij de energietransitie richten we ons op de directe CO2 uitstoot als gevolg van ons energiegebruik. Met onze ambities voor een circulaire economie richten we ons op het gebruik van minder grondstoffen en duurzame grondstoffen. Dit doen we onder andere om de CO2 uitstoot als gevolg van ons grondstoffengebruik te verminderen. Minder CO2 uitstoot is een gemeenschappelijk doel van de energietransitie en de circulaire economie. Onze doelen voor de circulaire economie zijn opgenomen in de visie “op weg naar een circulair Delft in 2050”, onze ambities voor de energietransitie in de “Routekaart Delft Klimaatneutraal 2050”. Ten tweede constateren we dat de afgelopen jaren grote stappen zijn gezet in het bouwen van energiezuinige en zelfs energieneutrale gebouwen. Hierdoor is de CO2 uitstoot als gevolg van het gebruik van nieuwe gebouwen fors verlaagd. Aan de CO2 uitstoot als gevolg van de bouwfase (grondstofwinning, productie materialen en het bouwen zelf) is echter weinig veranderd. In het advies Bouwen met Toekomst2 uit 2025 schrijft de Rli hierover het volgende.
“Van de totale Nederlandse CO2 -uitstoot is circa 11% afkomstig van het materiaalgebruik in de gebouwde omgeving en voor een belangrijk deel is dit afkomstig van woningbouw. Het terugdringen van deze CO2 uitstoot is dus essentieel voor het halen van de Nederlandse klimaatdoelen.” Daar komt bij dat verlaging van de CO2 uitstoot als gevolg van de bouwfase de CO2 emissies op korte termijn terugdringt, dit is essentieel om aan de klimaatdoelen van Parijs te kunnen voldoen.
1 2
https://delft.raadsinformatie.nl/document/9014666/1 Bouwen met toekomst Raad voor de leefomgeving en de infrastructuur
4
De circulaire bouwstandaard van Delft
De CO2-uitsoot als gevolg van de bouw is visueel weergeven in figuur 1. Hier is te zien dat er bij de bouw evenveel CO2 wordt als tijdens ruim 50 jaar aan energieverbruik in dat gebouw. Figuur 1: CO2 uitstoot a.g.v. de bouw en gebruik (bron: W/E adviseurs)
Ten derde heeft Delft beleid voor duurzaam bouwen dat inmiddels 10 jaar oud is en niet meer aansluit bij de opgaven en kansen van deze tijd. Onderwerpen als losmaakbaarheid, biobased bouwen, hergebruik van materialen krijgen in dit beleid onvoldoende aandacht. Het is daarom van belang dat dit beleid wordt herzien. Een laatste meer praktische aanleiding om het beleid te herzien is het besluit van de gemeenteraad voor een circulaire gebiedsontwikkeling van de Kop van de Buitenhof. In het masterplan3 is opgenomen dat circulariteit een cruciale ambitie is. Genoemd worden onder andere biobased bouwen, modulair en demontabel bouwen en bouwen met hergebruikte materialen. Om deze ambitie waar te maken, is behoefte aan duidelijke beleidsmatige kaders en instrumenten. Waar staat Delft voor en wat is realistisch om van marktpartijen te vragen? De actuele vraag voor de Kop van de Buitenhof hebben we aangegrepen om tevens het beleid te actualiseren.
1.2 Doel van het beleid Het doel van dit beleid is het minimaliseren van de milieubelasting van gebouwen, onder meer door verantwoord om te gaan met grondstoffen. Dit wordt bereikt door het formuleren van realistische, meetbare prestatie-eisen op het gebied van circulariteit en CO2 -reductie.
1.3 Afbakening Dit beleidsdocument beschrijft de circulaire ambities voor alle gebouwen binnen de gemeentegrenzen die worden gebouwd, gerenoveerd of getransformeerd. Dit betreft zowel publieke als private projecten. Dit beleid is dus niet van toepassing op het gebruik van materialen of bouwactiviteiten voor andere toepassingen (bijvoorbeeld wegen, kades, bruggen etc.).
3
https://delft.raadsinformatie.nl/document/14056195/1 (p. 47)
5
De circulaire bouwstandaard van Delft
2 Context In dit hoofdstuk schetsen we ontwikkelingen in Europa, Nederland en onze regio. Hierbij gaat het zowel om wet- en regelgeving als vrijwillige afspraken.
2.1 Europees beleid De Energy Perfomance of Building Directive IV van de Europese Unie beoogt een duurzame gebouwde omgeving te realiseren. Deze richtlijn verplicht lidstaten om per 2026 niet alleen de CO2 -uitstoot tijdens de gebruiksfase, als gevolg van energiegebruik, maar ook de uitstoot in de bouwfase (productie van materialen en constructie) te reduceren. Deze Whole Life Carbon (WLC) benadering wordt naar verwachting in 2028 verplicht voor grotere gebouwen (>1000 m2) en voor alle overige gebouwen vanaf 20304.
2.2 Nationaal beleid en wetgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de duurzaamheid van zowel nieuwbouw als bestaande bouw, met als doel de milieubelasting van gebouwen te verminderen en bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen. Een beperkte mate van circulariteit is in het Bbl geregeld door middel van de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). De MPG is een maatstaf die de milieubelasting van materialen, die in een gebouw worden gebruikt, kwantificeert in schaduwkosten (uitgedrukt in euro’s). Bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning is het verplicht om een MPG-berekening in te dienen. De maximale MPG voor woningbouw is 0,8/m2 en voor kantoren 1,0/m2. De MPG is beperkt omdat aspecten als aanpasbaarheid, losmaakbaarheid en hergebruik hier niet in terug komen. Daarnaast zijn experts van mening dat de huidige norm voor de MPG (0,8/m2) weinig ambitieus is. Een score van 0,5/m2 wordt haalbaar geacht. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft in het advies Bouwen met toekomst benadrukt dat de realisatie van 100.000 woningen per jaar in combinatie met de huidige milieuproblematiek alleen haalbaar is als de bouw fundamenteel duurzamer wordt ingericht. Daarin wordt aangegeven dat er op een andere manier nieuwbouw gerealiseerd moet worden om beide opgaves te realiseren.
“Een snelle omslag naar duurzaam bouwen is nodig om te voldoen aan de regels en normen die de EU vanaf 2030 gaat stellen in het kader van het klimaatbeleid. De tijd dringt dus. Als er in Nederland te lang woningen gebouwd blijven worden met conventionele materialen, bestaat de kans dat ons land in een nieuwe bouwcrisis terechtkomt.” De Rli geeft aan dat er al beproefde methodieken zijn om duurzaam te bouwen. Het advies benadrukt de noodzaak van overheidssturing, ook op gemeentelijk niveau. “Een klein deel van de partijen in de bouwketen werkt op dit moment al hoofdzakelijk met duurzame materialen. Een grotere groep zet substantiële stappen om te komen tot een duurzaam materiaalgebruik. Het merendeel van de bedrijven wacht echter af.
4
Kamerbrief Minister VRO, 14 juli 2025
6
De circulaire bouwstandaard van Delft
Zij hebben behoefte aan meer overheidssturing. Die sturing is er op dit moment nog nauwelijks.”
2.3 Regionaal beleid De Provincie Zuid-Holland benoemt circulair bouwen als speerpunt in haar Omgevingsverordening. In de omgevingsverordening is opgenomen: “De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: …. c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;” Het streven is het sluiten van de materialenkringloop en het stimuleren van circulaire toepassingen. Als meetinstrument wordt verwezen naar Het Nieuwe Normaal (zie 2.5).
2.4 Lokaal beleid Deze beleidsnotitie vervangt het Beleid Duurzaam Bouwen. Zij vormt samen met onder meer de Beleidsregel Klimaatadaptatie, Beleidsregel Natuurinclusief bouwen en de Energiestrategie Delft module Nieuwbouw het kader voor duurzame nieuwbouw in Delft. Het Delfts beleid is samengevat in “10 principes voor bouwen”. Principe “3. Delft is verbonden met natuur” en principe “4.Delft is duurzaam en energieneutraal” geven hier invulling aan. Op de gemeentelijke website zijn deze principes en bijbehorende documenten te vinden5. Voor dit beleid is ook de Woonvisie 2023-2028 relevant, waarin is aangegeven dat er voor 2040 in Delft 15.000 woningen gebouwd moeten worden. Snelheid is dus een belangrijk element. Ook is aangegeven om meer in te zetten op collectief wonen waarin producten delen met elkaar bevorderd dient te worden. Citaat Woonvisie 2023-2028: “De gemeente zet in op het bevorderen van circulair slopen, transformeren en bouwen en een hoge duurzaamheidsambitie bij nieuwbouw. Dit op basis van het al bestaande Beleid Duurzaam Bouwen en de Leidraad Energieontwerp en Uitvoeringsagenda circulaire economie (beide verwacht in 2024). Bij transformatie heeft het de voorkeur niet te slopen. Bij sloop heeft een circulaire werkwijze de voorkeur, zodat materialen en onderdelen ergens anders ingezet kunnen worden.
(…) Bij nieuwbouw worden bij voorkeur secundaire materialen en/of biobased materialen ingezet.” Tot slot staat in de Omgevingsvisie Delft dat Delft in 2040 “functioneert als een circulair systeem voor grondstoffen”. Omdat de bouwsector verantwoordelijk is voor 50% van het gebruik van grondstoffen in Nederland ligt hier een grote opgave.
5
10 principes voor bouwen | Gemeente Delft
7
De circulaire bouwstandaard van Delft
2.5 Ontwikkelingen in de markt Niet alleen overheden werken aan circulair bouwen, ook de markt ontwikkelt zich. We zien dat de koplopers in de markt inmiddels een zeer hoog niveau van circulair bouwen halen. In de volgende paragraaf laten we drie koploperprojecten in Delft zien. Ook elders in het land zijn veel circulaire projecten te vinden, zoals bijvoorbeeld Sawa in Rotterdam (foto op omslag). Een ander deel van de markt zien we de goede richting opgaan en hogere circulaire ambities realiseren dan vijf jaar geleden. Zo zien we diverse ontwikkelaars die zich committeren aan convenanten als het Convenant Houtbouw Metropoolregio Amsterdam én het convenant toekomstbestendig bouwen. Het grootste deel van de markt heeft behoefte aan meer standaardisering van ambities. Hiervoor hebben verschillende marktpartijen, woningbouwcorporaties, adviseurs en overheden zich verenigd in Het Nieuwe Normaal. Doel van Het Nieuwe Normaal is het ontwikkelen van een nieuwe standaard voor duurzaam en circulair bouwen, gebaseerd op bewezen technieken. Hiervoor zijn gerealiseerde projecten geëvalueerd, op basis van deze evaluaties is een door de partijen gedragen ambitie geformuleerd. Het Nieuwe Normaal vormt ook de basis onder het convenant toekomstbestendige woningbouw dat door veel gemeenten en marktpartijen is ondertekend en gesteund wordt door de provincie Zuid-Holland.
2.6 Circulair bouwen in Delft Dat een deel van de markt klaar is voor circulair bouwen zien we ook in Delft. In Nieuw Delft zijn diverse woningen met hout gebouwd. Inmiddels zien we dat ook bij grotere projecten een hoog niveau van circulariteit wordt bereikt. We tonen hier drie projecten die voor 2030 worden opgeleverd. De Hoven Blok 6
Wat: Waar: Circulair:
70 middenhuur appartementen met commerciële ruimte in de plint In de Hoven, Troelstralaan Een CLT-constructie in plaats van beton 8
De circulaire bouwstandaard van Delft
Urban Woods
Wat: Waar: Circulair:
102 middenhuur appartementen Tweemolentjeskade Een CLT-constructie, modulaire opbouw én aanpasbar en demontabel
33 bovengronds
Wat: Waar: Circulair:
33 middenhuurwoningen Nieuw Delft – Nieuwe Gracht Uitvoering in CLT en houten achtergevel en préfab installaties.
9
De circulaire bouwstandaard van Delft
3 Wat willen we bereiken? In dit hoofdstuk beschrijven wij de gewenste eindsituatie. Dat doen we door hoofddoelen en randvoorwaarden te formuleren.
3.1 Hoofddoelen We hebben drie hoofddoelen. 1. Minimaliseren van de CO2-uitstoot van materialen en gebouwen We zetten in op het minimaliseren van de CO2 uitstoot, nu én in de toekomst. Minimaliseren van de CO2 uitstoot nu betekent dat we vooral de CO2-uitstoot van de gebruikte materialen moeten beperken. Minimaliseren van de CO2 uitstoot in de toekomst betekent dat we energiezuinige woningen moeten realiseren. Met de BENG6-regelgeving vanuit het Rijk is het bouwen van energiezuinige woningen voldoende geborgd. De focus ligt daarom op het verminderen van de CO2 uitstoot als gevolg van het materiaalgebruik. 2. Minimaliseren van het gebruik nieuwe eindige grondstoffen De wereldwijde behoefte aan grondstoffen neemt in rap tempo toe. Dit leidt tot schaarste en de winning en verwerking van grondstoffen heeft een grote milieuimpact. Daarom stuurt de gemeente op een verantwoorde herkomst van bouwmaterialen. Wij willen materialen zo lang mogelijk in omloop houden door sloop te voorkomen en materialen opnieuw te gebruiken (binnen of buiten Delft). Daarnaast willen we het gebruik van natuurlijke materialen (biobased, bijvoorbeeld hout) stimuleren. 3. Bewust bouwen voor de toekomst Hoe beter we nu nadenken over onze toekomstige behoeften, hoe minder nieuwe materialen gebruikt worden in de toekomst.
Door bewust over de toekomst na te denken en daarop ontwerp- en materiaalkeuzes te baseren, hoeft er in de toekomst in Delft minder gerenoveerd en gesloopt te worden. Gemeente Delft zet in op waardenbehoud van de materialen en gebouwen, bijvoorbeeld door aanpasbaar en losmaakbaar te bouwen.
3.2 randvoorwaarden en botsproeven Om tot concrete ambities en indicatoren te komen is een aantal randvoorwaarden van belang: • Betaalbaarheid. Anders kan er niet meer gebouwd worden in Delft voor de diverse doelgroepen. • Aansluiten bij andere gemeenten & landelijke en regionale ontwikkelingen. Dit maakt het eenvoudiger voor ontwikkelaars, zodat ze niet in elke gemeente voor een nieuwe verassing te komen te staan. • Geen vertraging. De opgave is groot, dit beleid mag niet tot vertraging leiden bij de bouw van woningen, scholen, voorzieningen en andere gebouwen. Bij voorkeur zou het tot versnelling moeten leiden.
6
BENG, Bijna Energie Neutraal Gebouw
10
De circulaire bouwstandaard van Delft
•
•
Geen strijdigheid met bestaand beleid. We willen dat het circulair bouwen beleid in de kern niet conflicteert met ander beleid (bijvoorbeeld klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen, mobiliteit, etc.). Op projectniveau spelen vaak extra randvoorwaarden of belangen (zoals bijvoorbeeld beperkte ruimte en omgevingsfactoren), waardoor op dat niveau doelen aangepast kunnen worden. Sturen op doelen, niet op maatregelen. Om innovatie mogelijk te maken en een eerlijk speelveld voor iedereen te creëren sturen we op doelen en niet op maatregelen.
Op basis van deze randvoorwaarden is een eerste set aan indicatoren en ambities opgesteld. Deze zijn besproken met marktpartijen, woningbouwcorporaties en relevante afdelingen binnen de gemeente. Het belangrijkste dat daaruit naar voren kwam: 1. Zonder beleid blijven traditionele bouwmethoden dominant; 2. Technisch is circulair bouwen haalbaar én de investeringskosten nemen steeds verder af; 3. De voorgestelde instrumenten zijn bekend en toepasbaar; 4. Probeer niet alles te regelen maar kies voor een beperkt aantal indicatoren; 5. Bij kleinere woningen zijn ambities moeilijker te realiseren doordat er relatief meer materiaal en installatie nodig is.
3.3 Opzet van het beleid, meegroeien met ontwikkelingen We zien dat er veel ontwikkeling is op het gebied van circulair bouwen en vinden het belangrijk dat ons beleid meegroeit met deze ontwikkelingen. Innovaties en lagere kosten door schaalvergroting maken ambities die nu nog onrealistisch zijn in de toekomst mogelijk wel haalbaar. Daarom kiezen we ervoor in deze nota de uitgangspunten van het beleid te beschrijven en te bepalen welke indicatoren en instrumenten we gebruiken om onze ambities te bepalen en te meten. In een apart besluit laten we de hoogte van de indicatoren (prestatie-eisen) vaststellen. Minimaal eens in de drie jaar onderzoeken we of het nodig is de prestatie-eisen bij te stellen. Deel II van dit document geeft de prestatie-eisen weer die gelden vanaf 2026.
11
De circulaire bouwstandaard van Delft
4 Indicatoren en instrumentarium Op basis van onze drie hoofddoelen, de randvoorwaarden en de gesprekken met diverse partijen zijn we tot een raamwerk met indicatoren gekomen. Het raamwerk is te vinden in de laatste paragraaf.
4.1 Minimaliseren van de CO2-uitstoot van materialen en gebouwen Voor dit doel gebruiken we 3 indicatoren. Voor de materiaalgebonden CO2 uitstoot gebruiken we de MPG-2. Deze indicator maakt inzichtelijk hoeveel CO2 er is uitgestoten bij de productie van materialen en het bouwen, dit wordt ook ‘upfront carbon’ genoemd. Deze indicator wordt uitgedrukt in kg CO2 per m2 BVO. Deze indicator is afkomstig uit Het Nieuwe Normaal. De hoogte van deze indicator is gerelateerd aan de grenswaarden die er nog zijn om CO2 uit te stoten conform het klimaatakkoord van Parijs. Daarom wordt deze indicator ook wel de Paris Proof indicator genoemd. Uit de consulatie met marktpartijen en experts blijkt dat de materiaalgebonden CO2 uitstoot bij kleinere woningen hoger is. Bij kleine woningen zijn relatief veel woning scheidende wanden, installaties en sanitaire voorzieningen nodig. Meer materiaal leidt tot een hogere uitstoot van materiaalgebonden CO2. Voor kleinere woningen hanteren we daarom een aangepaste prestatie-eisen. Voor de CO2 uitstoot tijdens de gebruiksfase sluiten we aan de BENG-norm. Deze is wettelijk vereist en wordt altijd getoetst bij vergunningaanvragen. Voor de gecombineerde CO2 uitstoot van materialen, bouw, gebruik en sloop gebruiken we de “Whole Life Carbon” benadering.
Door de Whole Life Carbon benadering borgen we een juiste balans tussen operationele en materiaalgebonden emissies. Dit biedt de mogelijkheid om één integrale afweging te maken van de CO2 prestatie van een gebouw over de hele levensduur. Hierbij gaat het om een integrale aanpak van energiezuinigheid, energieopwekking én lage uitstoot van bouwmaterialen. De Whole Life Carbon benadering wordt onderdeel van een nieuwe EU-richtlijn (zie hoofdstuk 2.1). Op dit moment is de Whole Life Carbon benadering nog niet voldoende ontwikkeld om in Delft een prestatie te vragen, maar deze kan al wel worden berekend.
4.2 Minimaliseren van nieuwe eindige grondstoffen Voor dit doel hanteren we de indicator herkomst materialen, hebben we een afwegingskader voor wel of niet slopen opgesteld en werken we met een materialenpaspoort. De indicator herkomst materialen maakt inzichtelijk wel percentage aan materialen (massa) een duurzame herkomst heeft. Een duurzame herkomst is gedefinieerd als 12
De circulaire bouwstandaard van Delft
hergebruikte materialen of biobased materialen. Deze indicator is afkomstig uit Het Nieuwe Normaal. Het afwegingskader voor slopen is er op gericht dat initiatiefnemers alleen overgaan tot sloop als ze kunnen aantonen dat er geen realistisch alternatief mogelijk is waarbij (een groot deel van) het gebouw behouden blijft. Daarnaast gaat het afwegingskader in op verantwoord slopen en het vrijgekomen materiaal zo te behandelen dat het geschikt is voor hergebruik, reparatie of recycling. Dit kader is ontwikkeld voor de gemeente Delft en gebaseerd op vergelijkbare instrumenten bij andere gemeenten. Een materiaalpaspoort legt vast welke (nieuwe) materialen en producten in een gebouw zijn toegepast, inclusief informatie over herkomst, samenstelling, losmaakbaarheid, milieuprestaties en herbruikbaarheid. Dit stimuleert waardenbehoud van materialen en maakt hergebruik gemakkelijker. Het materiaalpaspoort dient door een gediplomeerde partij opgesteld te zijn en door de gebouweigenaar gearchiveerd te worden. Ook dient deze bij de gemeente aangeleverd te worden.
4.3 Bewust bouwen voor de toekomst Voor dit doel gebruiken we 3 indicatoren. Losmaakbaarheid: Gebouwen zijn opgebouwd uit verschillende materialen, producten en elementen die met elkaar verbonden zijn. De mate waarin deze verbindingen verbroken kunnen worden, zodat een onderdeel de functie kan behouden en hoogwaardig hergebruik mogelijk is, bepaalt de mate van losmaakbaarheid. Een verbinding met schroeven is bijvoorbeeld goed losmaakbaar, een verbinding met lijm niet. Om losmaakbare materialen zo effectief mogelijk toe te passen wordt de mate van losmaakbaarheid gebaseerd op de levensduur en onderhoudscyclus van de materialen. Deze indicator is afkomstig uit Het Nieuwe Normaal. Adaptief vermogen: Dit gaat over de vraag of een gebouw aangepast kan worden naar aanleiding van veranderende behoeften in de samenleving, bijvoorbeeld een andere manier van werken of een ander onderwijssysteem. Een mogelijkheid om het adaptief vermogen te vergroten is bijvoorbeeld door de indeling van een gebouw flexibel te maken. Adaptief vermogen is vooral van belang voor de ‘niet wonen’ functies. Deze indicator is afkomstig uit Het Nieuwe Normaal. Hergebruikpotentie: De keuze voor het soort materiaal dat gebruikt wordt bepaalt mede de mogelijkheden voor hergebruik of recycling in de toekomst.
Hergebruik of recycling zorgt ervoor dat materialen langer gebruikt kunnen worden waardoor er minder behoefte aan nieuwe grondstoffen is. Deze indicator is afkomstig uit Het Nieuwe Normaal.
4.4 Overzicht indicatoren In onderstaande tabel is een overzicht van de benoemde indicatoren. De bijbehorende prestatieniveaus van 2026 zijn gegeven in deel II ‘Prestatie-eisen circulaire bouwstandaard 2026’.
13
De circulaire bouwstandaard van Delft
Tabel 4.1 – overzicht circulaire indicatoren Indicatoren Materiaalgebonden CO2-uitstoot (MPG-2) Herkomst materialen Hergebruikpotentie Losmaakbaarheid Adaptief vermogen Whole Life Carbon (WLC) Afwegingskader voor slopen Materialenpaspoort
4.5 Keuzelijst kleinere projecten Voor kleinere nieuwbouw- en/of verbouwprojecten met een kleinere omvang gelden in principe dezelfde eisen als voor alle andere ontwikkelingen. De bewijslast voor deze projecten is echter niet proportioneel als alle indicatoren berekend moeten worden. Voor kleinere ontwikkelingen krijgt de initiatiefnemer daarom de mogelijkheid om te kiezen uit een keuzelijst met circulaire maatregelen. Dit geldt voor nieuwbouwwoningen van 1 t/m 4 woningen, verbouwing en renovatie van 1 t/m 4 woningen of renovatie en transformatie van utiliteitsbouw met maximaal 500 m2 BvO. De keuzelijst bestaat uit maatregelen die zijn gekoppeld aan punten. In deel II Prestatie-eisen circulaire bouwstandaard 2026 zijn de maatregelen, de punten per maatregel en het minimaal te behalen aantal punten opgenomen. Initiatiefnemers van kleine projecten zijn niet gebonden aan deze maatregelen. Ze kunnen er ook voor kiezen de indicatoren met bijbehorende ambitieniveaus uit tabel 4.1 te gebruiken. Hieronder is een eerste versie van de tabel met maatregelen opgenomen.
Tabel 4.2 – keuzelijst circulaire toepassing kleinere projecten Toepassing Voldoet aan de Paris Proof (MPG-2) eis uit het reguliere raamwerk Maak een houten hoofddraagconstructie Behaal minimaal 60% (massa) hergebruikpotentie van de toegepaste inkomende materialen Behaal minimaal 50% (massa) verantwoorde herkomst van de toegepaste inkomende materialen Gebruik uitsluitend biobased isolatiemateriaal Toepassen van circulaire installaties Opstellen materialenpaspoort
14
De circulaire bouwstandaard van Delft
5 Implementatie, borging en toetsing In dit hoofdstuk beschrijven we de instrumenten die we inzetten om onze ambities te realiseren: • We bieden een reikende hand om initiatiefnemers op weg te helpen • We leggen ambities vast in overeenkomsten, contracten en andere afspraken • We toetsen of onze ambities gerealiseerd worden • We monitoren de gerealiseerde ambities en stellen het beleid zo nodig bij
5.1 Reikende hand Circulair bouwen is voor sommige initiatiefnemers gesneden koek en voor anderen helemaal nieuw. Dat betekent dus ook dat onze ambities soms nieuw zijn en ontwikkelaars mogelijk dilemma's tegenkomen waarbij de circulaire ambities ogenschijnlijk botsen met andere eisen en wensen. Na vaststelling van het beleid organiseren we een bijeenkomst voor alle initiatiefnemers die actief zijn in Delft (ontwikkelaars, woningbouwcorporaties, aannemers en architecten) waarin we het nieuwe beleid presenteren. We nemen partijen mee in onze ambities, wat ze betekenen, hoe je er invulling aan kunt geven en welke dilemma's je mogelijk tegenkomt. Afhankelijk van de behoefte kan een dergelijke bijeenkomst herhaald worden. Het is onvermijdelijk dat initiatiefnemers dilemma's tegenkomen bij het realiseren van onze ambities. Het is ook onmogelijk om al deze dilemma's vooraf in beeld te hebben en vooraf te bepalen hoe we met deze dilemma's omgaan. Dilemma's kunnen bijvoorbeeld gaan over circulaire ambities in relatie tot brandveiligheid, klimaatadaptatie, geluid, betaalbaarheid, etc. Een eerste versie van dit beleid is hierop getoetst (H3.2) en we weten dat onze ambities haalbaar zijn, ook in combinatie met andere wensen en eisen.
Per individuele casus kunnen er echter als gevolg van bijvoorbeeld locatie, programmering of gekozen bouwmethode toch dilemma's ontstaan waardoor ambities dreigen te sneuvelen. Er is de eerste twee jaar budget beschikbaar om bij een aantal van dit soort dilemma's te laten onderzoeken hoe de ambities wel gerealiseerd kunnen worden. Hierbij werken we samen met de faculteit bouwkunde van de TU-Delft. De resultaten stellen we beschikbaar voor andere initiatiefnemers. Soms zal onderzoek niet nodig zijn en kunnen we initiatiefnemers direct op weg helpen door ze te koppelen aan partijen uit ons netwerk, zoals bijvoorbeeld Cirkelstad.
5.2 Borging in overeenkomsten, contracten en andere afspraken Er kunnen zich in relatie tot dit beleid verschillende situaties voordoen: 1. De gemeente is opdrachtgever voor nieuwbouw of renovatie 2. De gemeente geeft grond uit aan private partijen of woningbouwcorporaties
15
De circulaire bouwstandaard van Delft
3. Initiatiefnemers zijn eigenaar van de grond en voor de ontwikkeling is een aanpassing van het bestemmings- of omgevingsplan nodig 4. De initiatiefnemer is eigenaar van de grond en de ontwikkeling past binnen het vigerende bestemmings- of omgevingsplan. 5. We maken prestatieafspraken met de woningbouwcorporaties Ad.1 Gemeente is opdrachtgever Over het algemeen is hiervoor een aanbestedingstraject nodig. De eisen en wensen voor circulair bouwen worden opgenomen in het programma van eisen bij de aanbesteding. Daarnaast kunnen partijen uitgedaagd worden om tot een hogere ambitie te komen door circulair bouwen op te nemen in de gunningscriteria. Hierbij kunnen de indicatoren uit het paragraaf 4.4 gebruikt worden. Om dit financieel mogelijk te maken is het wenselijk dat bij investeringen met een restwaarde gerekend kan worden. Hiervoor is het nodig dat financiële verordening aangepast wordt (zie H6). Ad.2 De gemeente geeft grond uit aan ontwikkelaars Bij gronduitgifte aan private ontwikkelaars zal sprake zijn van een programma van eisen en een set aan ambities. Dit beleid vormt daarvoor de basis en kan naar aanleiding van project specifieke omstandigheden aangescherpt worden. Partijen leggen zich bij inschrijving vast de ambities van de gemeente te realiseren. De prestatie-eisen uit deel II zullen als leidraad gehanteerd worden en ten minste als minimum worden gevraagd.
Daarnaast kunnen partijen uitgedaagd worden om tot een hogere ambitie te komen door circulair bouwen op te nemen in de gunningscriteria. Dit gaan we in ieder geval doen bij de gronduitgifte bij de Kop van de Buitenhof. Ad.3. Wijziging van bestemmings- of omgevingsplan Hier kennen we twee soorten projecten. Ten eerste de bouwprojecten waarbij één kavel wordt ontwikkeld. Voorbeelden zijn de Urban Woods aan de Tweemolentjeskade en de ontwikkeling op de hoek van het Zuideinde en de Abtswoudseweg. Ten tweede de gebiedsontwikkelingen zoals bijvoorbeeld Kabeldistrict en Nieuwe Haven. In het eerste geval leggen we de prestatie-eisen vast in het Plan UitwerkingsKader (PUK). Dit beleid is daarvoor het uitgangspunt. Het PUK wordt over het algemeen onderdeel van de anterieure overeenkomst. Daarmee zijn de prestatie-eisen privaatrechtelijk geborgd. In het tweede geval wordt geen PUK, maar een aantal plandocumenten opgesteld, zoals een ontwikkel- en / of masterplan. Het beleid circulair bouwen wordt meegenomen bij de visievorming en landt in de plandocumenten. Uiteindelijk leidt ook dit tot een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partijen en worden de prestatie-eisen privaatrechtelijk geborgd. Voor projecten waar de gemeente opdrachtgever en een wijziging van bestemmingsof omgevingsplan nodig is loopt dit proces anders (zie ad.1).
16
De circulaire bouwstandaard van Delft
Ad.4 De ontwikkeling past binnen het vigerende bestemmings- of omgevingsplan. Plannen voor dit soort ontwikkelingen worden direct ingediend in het omgevingsloket en getoetst door afdeling Bouw en bijzonder onderzoek (BBO). Er is bij dit soort projecten geen tijd meer om over uitgangspunten of ambities te overleggen. BBO toetst hierbij alleen op het bestemmings- of omgevingsplan en het BBL. In de meeste gevallen zal het hierbij om kleinere projecten of verbouwingen gaan en is het aandeel op de CO2-uitstoot en het gebruik van grondstoffen beperkt. Hier kunnen we alleen door middel van inspiratie invloed uitoefenen op de circulaire prestaties van een project, bijvoorbeeld door ons netwerk te koppelen aan de initiatiefnemer; door voorbeeldprojecten mee te geven en via het energieloket of lokale partners als 015 duurzaam. Ad.5 Prestatieafspraken met corporaties We maken jaarlijks prestatieafspraken met de woningbouwcorporaties die in Delft actief zijn. Daarin nemen we ook ambities op over verschillende duurzaamheidsthema's. Voor circulair bouwen vormt dit beleid de basis voor de prestatieafspraken.
5.3 Toetsing Om te kunnen zien of bouwprojecten (de eerste 3 varianten uit vorige paragraaf) aan de prestatie-eisen voldoen is toetsing nodig. Hierbij kiezen we voor de volgende aanpak. Verantwoording Bij elk initiatief verwachten we dat de initiatiefnemer een verantwoording opstelt waarin zijn aangeven hoe zij ervoor zorgen dat ze aan de prestatie-eisen voldoen. Bij initiatieven waarvoor een gemeentelijk projectgroep is aangesteld is dit de gebruikelijke werkwijze.. Jaarlijks laten we enkele van deze verantwoordingen door een externe partij beoordelen waarbij meer verdieping mogelijk is. Ook bij twijfel over de juistheid vragen we om een externe beoordeling. Snelle toets Er is een checklijst die helpt bij het snel beoordelen van kleine en middelgrote plannen (H4.5). In de checklist zijn maatregelen / technieken opgenomen die nodig zijn om de ambities te halen of die er juist mee conflicteren. Met behulp van deze checklist krijgen we een snelle indicatie of een project aan de ambities voldoet of niet. Bij grote projecten en gebiedsontwikkeling vragen we een externe deskundigen voor de beoordeling van de ingediende plannen. Bij gemeentelijke initiatieven zoeken we aan de voorkant een onafhankelijke adviseur die ons hierin begeleid. Steekproefsgewijze toetsing en evaluatie Jaarlijks laten we een aantal bouwprojecten steekproefsgewijs beoordelen door een expert.
Ook bij twijfel over de juistheid van ingediende claims vragen we een expert om een beoordeling. Deze beoordelingen gebruiken we ook om het beleid te evalueren.
17
De circulaire bouwstandaard van Delft
5.4 Afwijken Er kan een reden zijn om af te wijken van de gestelde prestatie-eisen. Dit zal vooral het geval zijn bij een gebouw dat zo afwijkt van de standaardbouwwerken dat vooraf niet duidelijk is of dit binnen onze ambities past. Onze ambities zijn gebaseerd op het Nieuwe Normaal. Om tot deze ambities te komen hebben de partners binnen het Nieuwe Normaal een groot aantal projecten geëvalueerd. Hierdoor zijn we redelijk zeker dat de ambities haalbaar zijn. Deze evaluaties zijn uitgevoerd voor de standaard functies (wonen, onderwijs, kantoor etc.). Voor bijzondere functies zoals bijvoorbeeld een zwembad of ijsbaan zijn onvoldoende referentieprojecten beschikbaar om prestatie-eisen op te baseren. In dit soort gevallen zal met de initiatiefnemer onderzocht worden welke ambitie passend is. Deze situatie doet zich in het begin van de planvorming, eventueel aangepaste ambities worden opgenomen in PUK’s. We spreken dan van maatwerk.
5.5 Overgangsperiode De prestatie-eisen uit het beleid gaan 3 maanden na vaststelling van het beleid in. Het beleid is vanaf dan van toepassing op nieuwe overeenkomsten, gronduitgiftes, aanbestedingen etc. Projecten waarvoor nog geen afspraken over circulair of duurzaam bouwen zijn vastgelegd geven we met deze drie maanden voldoende tijd om dit nieuwe beleid te verwerken. Afspraken die voor de ingangsdatum zijn gemaakt blijven gewoon geldig en worden niet aangepast. De initiatiefnemer dient aan te tonen dat er afspraken gemaakt zijn. Afhankelijk van het resultaat van de evaluaties zullen we de komende jaren de ambitieniveaus meerdere keren aanpassen. Wanneer nieuwe ambitieniveaus vastgesteld worden gaan deze steeds drie maanden naar vaststelling in. Wij stellen daarnaast voor dat in overeenkomsten wordt opgenomen dat steeds drie jaar na herziening van de ambitieniveaus bij een lopende overeenkomst de nieuwe ambitieniveaus gelden (die dan al weer 3 jaar oud zijn). Zo zorgen we ervoor dat we bij ontwikkelingen die langere tijd lopen ambitieus blijven en niet achterlopen.
5.6 Monitoren, evalueren en actualiseren Vanaf 2026 start de gemeente met het monitoren van de prestatie-instrumenten bij nieuwe ontwikkelingen. Het doel van deze monitoring is om te zien of er circulair gebouwd wordt in Delft, maar ook om te zien hoe goed de instrumenten aansluiten bij de drie hoofddoelen. Na twee jaar evalueren we het beleid. Het monitoren en evalueren pakken we als volgt aan. Ten eerste houden we per project bij welke afspraken er gemaakt worden en wat er uiteindelijk gerealiseerd wordt. Ten tweede voeren we gesprekken met betrokkenen zoals, gemeentelijke projectleiders, gemeentelijke opdrachtgevers en ontwikkelaars. Ten derde kijken we naar externe ontwikkelingen; hoe ontwikkeld Het Nieuwe Normaal zich en welke regelgeving komt er vanuit Europa. Tot slot kijken we bij de evaluatie wat dit beleid betekent voor de betaalbaarheid van nieuw gemeentelijk vastgoed en renovatie van gemeentelijk vastgoed. Op basis van bovenstaande bepalen we of aanpassing van de ambities wenselijk is. 18
De circulaire bouwstandaard van Delft
6 Financiële onderbouwing 6.1 Investeringskosten voor bouwprojecten De ervaring leert dat circulair bouwen op dit moment nog vaak tot meerkosten leidt. Dit verschil in kosten (zo’n 2 – 7%) valt binnen de spreiding van aanbiedingen bij aanbesteding van een bouwproject. De exacte meerkosten zijn afhankelijk van de ervaring van de bouwer. Bij bouwbedrijven met veel ervaring zijn de meerkosten lager. In zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat door schaalvergroting en meer ervaring in de markt de meerkosten steeds verder zullen dalen. Eventuele meerkosten voor bouwwerken als gevolg van dit beleid zijn voor rekening van bouwende partijen en hun opdrachtgevers. In een beperkt aantal gevallen (maatschappelijk vastgoed) is de gemeente de opdrachtgever en zijn er dus mogelijk meerkosten voor de gemeente. Circulaire projecten hebben echter een hogere restwaarde. Gangbaar is dat maatschappelijk vastgoed wordt afgeschreven naar nul. Door gebruik te maken van duurzame materialen, bij het ontwerp rekening te houden met hergebruik en losmaakbaar te bouwen hebben een gebouw of onderdelen daarvan aan het eind van deze afschrijvingstermijn nog een restwaarde. Door met restwaarde te rekenen nemen de kapitaallasten af waardoor de benodigde investeringsruimte aan de voorkant ontstaat om circulaire maatregelen te kunnen dekken7.
Verschillende gemeenten maken al gebruik van deze methode die ook door accountants getoetst is. De daadwerkelijke restwaarde kan per activum verschillen en wordt daarom bij raadsvoorstellen vooraf reëel beoordeeld en in projectbegrotingen inzichtelijk gemaakt. In de integrale herziening van de gemeentelijke Financiële Verordening, die de raad in het eerste kwartaal van 2026 kan verwachten wordt dit ook verwerkt.
6.2 Kosten implementatie Naast de investeringskosten bij bouwprojecten zijn er kosten voor de implementatie van het beleid. Uitgaven zijn nodig voor het organiseren van een aantal bijeenkomsten (intern en extern) en onderzoeken van dilemma’s. Voor 2026 wordt dit geschat op € 25.000,= en komt dit ten laste van het beschikbare budget circulaire economie binnen het programma Duurzame Stad.
6.3 Kosten uitvoering De kosten voor de uitvoering van het beleid komen ten laste van projecten. De advisering bij bouwprojecten en gebiedsontwikkeling is vergelijkbaar met de advisering die ten behoeve van het beleid duurzaam bouwen 2015 werd gedaan. Incidenteel zal er extra expertise nodig zijn, daarnaast zijn middelen nodig voor monitoring en evaluatie en zo nodig bijstelling van de prestatie-eisen.
7
ALB_rapportage_A4liggend_methodiek-onderwijs_DEF.pdf
19
De circulaire bouwstandaard van Delft
De jaarlijkse kosten (excl. de reguliere inbreng in projecten) bedragen vanaf 2027 ca. € 10.000,- en komen ten lasten van het beschikbare budget circulaire economie binnen het programma Duurzame stad.
20
De circulaire bouwstandaard van Delft
Deel II. Prestatie-eisen circulaire bouwstandaard 2026 Dit deel geeft de prestatie-eisen voor circulair bouwen die gelden vanaf 2026 voor: 1. nieuwbouwprojecten, zowel woningen als utiliteitsbouw; 2. renovatie en transformatie projecten in de bestaande bouw, zowel woningen als utiliteitsbouw; 3. kleine projecten is een keuzelijst opgesteld om te voorkomen dat de administratieve last bij deze projecten te groot wordt; 4. voorkomen van sloop, waarvoor het afwegingskader slopen is opgesteld; 5. slopen, om er voor te zorgen dit zorgvuldig en circulair gebeurt.
21
De circulaire bouwstandaard van Delft
1 Nieuwbouwprojecten Indicator
Type gebouw
Prestatieniveau
Materiaalgebonden CO2-uitsoot
Eéngezinswoningen (>80 m2)
Max.
167
(MPG-2)
Meergezinswoningen (>80 m2)
Max.
184
Eéngezinswoningen (<80 m2)
Max.
175
Meergezinswoningen (<80 m2)
Max.
193
Kantoor
Max.
209
Retail
Max.
216
Industrie
Max.
201
Eengezinswoningen
Min.
35%
% massa biobased, hergebruikt
Meergezinswoningen
Min.
30%
of gerecycled materiaal
Utiliteit
Min.
35%
Eengezinswoningen
Min.
70%
% massa geschikt voor
Meergezinswoningen
Min.
70%
recycling of hergebruik
Utiliteit
Min.
75%
Utiliteit
Min.
55%
Utiliteit
Min.
40%
Whole Life Carbon (WLC)
Eengezinswoningen
Max.
10
Tot 2028 alleen inzichtelijk maken**
Meergezinswoningen
Max.
12
Bijeenkomst
Max.
19
Kantoor
Max.
14
Logies
Max.
35
Overig
Max.
25
Kg CO2-eq/m2 BVO
Herkomst materialen
Hergebruikpotentie
Losmaakbaarheid* % losmaakbaar Adaptief vermogen % adaptief
Kg CO2-eq/m2 BVO*jr
*Alleen van toepassing in businesscase met restwaarde. **De WLC wordt vanaf 2028 opgenomen in Europese wetgeving. Daarvoor is alleen inzichtelijk maken voldoende
22
De circulaire bouwstandaard van Delft
2 Bestaande bouw (renovatie- en transformatieprojecten) Indicator
Type gebouw
Prestatieniveau
Prestatieniveau
renovatie*
transformatie*
Materiaalgebonden
Eéngezinswoningen (>80 m2)
Max. 84
Max. 167
CO2-uitsoot (MPG-2)
Meergezinswoningen (>80 m2)
Max. 84
Max. 184
Kantoor
Max. 105
Max. 209
Retail
Max. 105
Max. 216
Industrie
Max. 84
Max. 201
Eengezinswoningen
Min. 35%
Min. 35%
% massa biobased,
Meergezinswoningen
Min. 30%
Min. 30%
hergebruikt,
Utiliteit
Min. 35%
Min. 35%
Eengezinswoningen
Min. 70%
Min. 70%
% massa recycling,
Meergezinswoningen
Min. 70%
Min. 70%
hergebruik
Utiliteit
Min. 75%
Min. 75%
Losmaakbaarheid**
Utiliteit
-
Min. 55%
KG CO2-eq/m2 BVO
Herkomst materialen
rerecycled Hergebruikpotentie
% *Dit betreft enkel de inkomende materialen, berekend over het gehele BVO van de nieuwe situatie. ** Voor gemeentelijk vastgoed van belang bij rekenen met restwaarde.
23
De circulaire bouwstandaard van Delft
3 Keuzelijst kleinere projecten Bij kleine projecten vraagt de verantwoording van alle prestatie-eisen soms onevenredig veel werk. Kleine projecten kunnen daarom ook gebruik maken van onderstaande keuzelijst met maatregelen. Kleine projecten zijn gedefinieerd als: • Nieuwbouw: 1 – 4 woningen, utiliteitsbouw, maximaal 500m2 BVO • Renovatie en transformatie 1 – 4 woningen, utiliteitsbouw, maximaal 500m2 BVO Met de gezamenlijke maatregelen moeten 10 punten gescoord worden. Een initiatiefnemer kan er altijd voor kiezen in plaats van de keuzelijst gebruik te maken van de prestatie-eisen. Maatregel
Punten
Voldoet aan de Paris Proof (MPG-2) eis uit het reguliere raamwerk
10
Maak een houten hoofddraagconstructie
8
Behaal minimaal 60% (massa) hergebruikpotentie van de
5
toegepaste inkomende materialen Behaal minimaal 50% (massa) verantwoorde herkomst van de
5
toegepaste inkomende materialen Gebruik uitsluitend biobased isolatimateriaal
3
Toepassen van circulaire installaties
3
Opstellen materialenpaspoort
2
24
De circulaire bouwstandaard van Delft
4 Afwegingskader voor slopen Indien een particulier, ontwikkelende partij of andersoortige partij voornemens is een of meerdere gebouwen met een totaal BVO groter dan 250m2 in gemeente Delft te slopen, dient onderstaand keuzeplan doorlopen te worden. Dit stappenplan stuurt op het zoveel mogelijk behouden van bruikbare bebouwing in gemeente Delft. Stap 1. Technische en bouwkundige staat
Actie Technische en bouwkundige staat dient onderzocht te worden.
2. Constructieve adaptiviteit
Gebouwflexibiliteit moet berekend worden volgens ‘methode adaptief vermogen gebouwen 2.1’ Behoefte naar een nieuwe functie in de omgeving dient onderzocht te worden. Mogelijkheden naar verduurzaming tot wettelijke gestelde eisen dienen onderzocht te worden. Financiële haalbaarheid van de transformatie dient onderzocht te worden
3. Vraag en marktperspectief
4. Inpasbaarheid van installaties en duurzaamheid
5. Financiële haalbaarheid
6. Cultuurhistorische of architectonische waarde
Cultuurhistorische, architectonische of stedenbouwkundige waarde dient onderzocht te worden.
Vraag: Is de bouwkundige staat van het (fundering en constructie) casco van het gebouw in redelijke tot goede staat, zodanig dat transformatie haalbaar is? Is de structuur van het gebouw geschikt voor aanpassing aan andere functies?
Antwoord Ja -> stap 2 Nee -> stap 6
Is er in de omgeving behoefte aan een nieuwe functie die past binnen de bestaande bebouwing? Kunnen nieuwe installaties (klimaat, ventilatie, elektra) goed worden geïntegreerd?
Ja -> stap 4 Nee -> stap 6
Is transformatie financieel haalbaar of vergelijkbaar met nieuwbouw op dezelfde locatie? Heeft het gebouw cultuurhistorische, architectonische of stedenbouwkundige waarde?
Ja -> Transformatie of renovatie is verplicht Nee -> stap 6 Ja -> Transformatie of renovatie met aangepaste businesscase (subsidies of aangepaste functie) Nee -> circulaire sloop met sloopmelding
Gebouwflexibiliteit ≥ 37% -> stap 3 Gebouwflexibiliteit < 37% -> stap 6
Ja -> stap 5 Nee -> stap 6
25
De circulaire bouwstandaard van Delft
5 Prestatie-eisen circulair slopen Bij alle sloopprojecten groter dan 500 m2 dient het onderstaand aangegeven percentage van de totale massa van het materiaal zo behandeld te worden dat het geschikt is voor hergebruik, reparatie of recycling. Materiaal
Eis*
Glas
Minimaal 90% van de totale massa van het glas uit het sloopproject
Beton
Minimaal 90% van de totale massa van het beton uit het sloopproject
Metalen
Minimaal 95% van de totale massa van de metalen uit het sloopproject
Hout
Minimaal 90% van de totale massa van het hout uit het sloopproject
*Voor een nadere toelichting op de gestelde eisen wordt verwezen naar de productbladen zoals deze staan op www.sloopcirculair.nl/productbladen. In deze productbladen staat de manier van aantonen en de uitzonderingen beschreven.
26
De circulaire bouwstandaard van Delft
Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Delft Postbus 78, 2600 ME Delft Telefoon 14015 Internet www.delft.nl December 2025
27