CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

College van B en W inzake Burgerkamer 15 juli 2021

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 2 september 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Vaststelling Nota Participatie in Delft 2022 en Verordening participatie en uitdaagrecht Delft (2134649)6.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Open brief per email verzonden

Aan het college van B & W

betreft

Amersfoort, 15 juli 2021

: – verzoek voor het instellen van een Burgerkamer – inname collegestandpunt

zeer geacht College,

In onze samenleving staat democratische en bestuurlijke vernieuwing op de maatschappelijke agenda. Het denk- en discussieplatform ‘We Have a Dream’ (WHD) heeft in haar programma onder dit thema “Burgerkamers” opgenomen, als middel om aan de behoefte van burgers en bestuur aan meer democratisering en betrokkenheid met het openbaar bestuur te voldoen. Teneinde u inzage te geven in de motivering en achtergrond, zend ik u ter kennisname bijgaand een hoofdstuk (2) uit mijn boek (“Verkiezingen en democratie, het moet niet gekker worden”) aangaande dit onderwerp. Ook zend ik u hierbij de link naar het voorstel zoals dat is opgenomen op de website van WHD: https://wehavedreams.nl/burger-versus-overheid-burgerkamers/ Verder wil ik u graag op het volgende attenderen: Bij het Rathenau Instituut, dat zich al ruim 30 jaar met onderzoek en debat over de impact van wetenschap, innovatie en technologie op de samenleving bezighoudt, is, op verzoek van het Europees Parlement, onderzoek gedaan naar de condities en impact dat (digitale) burgerparticipatie op de politiek heeft (Korthagen et al, 2017). In literatuuronderzoek zijn 400 publicaties meegenomen over (digitaliserings-)processen in de democratie, haar effecten en de gedocumenteerde lessen over succes en falen.

Een belangrijke conclusie uit de literatuur is dat initiatieven weliswaar vaak een maatschappelijke waarde hebben – bijvoorbeeld een gevoel van gemeenschap onder deelnemers – maar dat een concrete bijdrage aan beleid of politiek vaak mist. Dat kan leiden tot onvrede bij deelnemers en betrokken politici en beleidsmakers. In het onderzoek hebben zij 22 lokale, nationale en Europese initiatieven voor digitale participatieprocessen geanalyseerd en vergeleken.

pagina 1 van 14

Op die manier meenden de onderzoekers condities te identificeren die zorgen dat de inbreng van burgers substantieel bijdraagt aan politiek of beleid, om zo onvrede – en daarmee vergroting van de kloof tussen burger en politiek – te voorkomen. De gemeenteraad is een in politieke partijen verdeeld gremium. De Burgerkamer daarentegen is apolitiek. De gemeenteraad vertegenwoordigt in theorie de bevolking, maar door de opsplitsing in politieke partijen vertegenwoordigt de raad niet meer dan 1,3% van de bevolking. We kunnen dus stellen dat de burger – 98,7 % – zich kennelijk niet wenst te laten vertegenwoordigen door een politieke partij. Wij zijn in de samenleving inmiddels tot de conclusie gekomen dat onderschatting daarvan een gevaar inhoudt voor de democratie. Terecht of niet, het is een feit. Aan dat gegeven blijken de laatste decennia grote gevaren te kleven voor een samenleving. De burger zal een maatschappelijke ‘uitlaatklep’ moeten hebben, de noden en voorstellen zullen gehoord moeten worden. Anno 21ste eeuw is een politiek gremium zoals we dat tot heden vorm hebben gegeven, niet meer voldoende, zijnde verre van een vertegenwoordigende afspiegeling. Overigens staan wij daar zeker niet alleen in. Vele onderzoeken onderstrepen deze behoefte, ook wetenschappelijke bureaus van politieke partijen.

In onze samenleving staat democratische en bestuurlijke vernieuwing op de maatschappelijke agenda Niet alleen burgers verlangen naar meer democratie. De aanvankelijke actiegroep Code Oranje is hier een goed voorbeeld van. Dit was een groep van enkele honderden burgemeesters, wethouders, ondernemers, raadsleden, wetenschappers en actieve burgers die zich zorgen maken over de staat van de huidige politieke democratie. Hun pleidooi is om burgers meer invloed en zeggenschap te geven en meer kennis en kunde uit de samenleving te betrekken bij politiek en bestuur. Zo willen ze een burgerakkoord in plaats van een regeerakkoord en stadscongressen waar burgers in plaats van raadsleden bij elkaar komen om tal van zaken in de gemeente te bespreken. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zit op hetzelfde spoor, hoewel ze zich gematigder opstelt. Zij stelden in 2016 een ontwikkelagenda Lokale Democratie 2017-2022 op, waarin een van de pijlers meer inspraak, zeggenschap en ruimte voor eigen initiatieven van burgers is. De VNG wil daarbij uitgaan van democratie op maat waarbij differentiatie tussen gemeentes nodig zijn om tot oplossingen te komen. Zij pleiten daarom voor meer experimenteerruimte. Bij de uitwerking worden wij, indien u dat wenst, graag betrokken. Ook ben ik gaarne bereid u e.e.a. toe te lichten. Wij vernemen graag het collegestandpunt.

met vriendelijke groet, team WHD ter kennisname c.c.

pagina 2 van 14

– pers – hoofdstuk 2 uit boek “Verkiezingen in een democratie; het moet niet gekker worden” (boekscout)

2.

DE BURGERKAMER

Burger moet van klant weer burger en kiezer worden

In deze serie overwegingen, die moeten leiden tot WHD-voorstellen voor democratische hervormingen, past, hoezeer op het eerste gezicht ook onlogisch, een beschouwing over een neoliberale/rechts-populistische erfenis: de overheid moet als een bedrijf worden gezien en burgers zijn dan dientengevolge klanten.

‘De kloof tussen burger en politiek kan niet worden gedicht door staatkundige vernieuwing alleen’, stelde prof. J.A. van Kemenade al vijfentwintig jaar geleden vast. We hadden reeds geconstateerd dat het van wezenlijk belang is dat de functie van politieke partijen en de mentaliteit bij de overheid opnieuw tegen het licht worden gehouden. Ik acht het ontoereikend democratische hervormingen door te voeren en tevens de mentaliteit/cultuur van de overheid ongemoeid te laten. Ook de rechterlijke macht moet ‘humaniseren’ en ‘democratiseren’ omdat rechtspaak rechtstreeks aan het vertrouwen in de staat appelleert, ook al is deze relatie overigens ten dele juist. Voorts zal de overheid een bevredigend plan moeten lanceren om het vreemdelingenvraagstuk op te lossen; een massieve splijtzwam in de samenleving. Herstel van vertrouwen is repareren van al hetgeen tot wantrouwen en onvrede heeft geleid. Vertrouwen is in hoofdzaak gerelateerd aan de overheid.

Er is sprake van een veranderende opstelling van burgers ten opzichte van de overheid. Het gezag en het belang van de overheid lijken voor velen bepaald minder vanzelfsprekend dan enkele decennia geleden. Dat blijkt uit de groeiende zware criminaliteit en ongehoorzaamheid, de vaak ronduit slordige naleving van gedragsregels en het wegvallen van sociale controle, de niet zelden voorkomende gevallen van fraude, de agressie tegen politie-, brandweer- en ambulancepersoneel, misbruik of oneigenlijk gebruik in de sfeer van belastingen, sociale zekerheid, subsidies en vergoedingen. En, niet in het minst, uit de alom klinkende roep om het terugtreden van de overheid op vele gebieden. Die alom aanwezige rechtse roep tot terugtreding van de overheid roept enkele vragen op. Allereerst dient de vraag te worden gesteld waar, ten behoeve van wie en tot hoever de overheid eigenlijk moet terugtreden. Dit in het licht van de oorspronkelijke bedoelingen van de rechts- en verzorgingsstaat, namelijk de garantie van veiligheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, bestaanszekerheid en toegankelijkheid van essentiële voorzieningen voor alle burgers.

Bovendien kan de vraag worden gesteld of het terugtreden van de overheid wel in alle gevallen leidt tot een grotere vrijheid van de burgers, dan wel tot nieuwe afhankelijkheid van niet publiek gestuurde of gecontroleerde organisaties en van machtsverhoudingen in de vrije markt.

pagina 3 van 14

Van Kemenade stelt, dat naast de burger, bovenal het openbaar bestuur zelf verantwoordelijk is voor de vervreemding tussen overheid en burgers. De overheid is voor velen vooral de kostbare supermarkt van publieke diensten en er is sprake van een politiek-bureaucratisch complex, van een ondoorzichtig en ingewikkeld netwerk van ambtenaren, commissies, colleges, mandaten, regels en intern overleg, dat die supermarkt beheert. Een voor de burger ondoorzichtig en ingewikkeld samengesteld geheel, waarin inspraak, politieke sturing, verantwoordelijkheid en macht niet of nauwelijks meer te onderscheiden zijn. De overheid is voor velen niet meer de politieke arena waarin publiekelijk argumenten worden gewisseld, belangen worden afgewogen, standpunten worden verwoord en ten slotte tot een vergelijk wordt gekomen, maar is een overheidsbedrijf dat je verplicht tot productafname waarvoor flink betaald moet worden, dat zijn eigen voorwaarden kan formuleren en geen garantie op kwaliteit levert. Daardoor is het niet verwonderlijk dat velen de politiek, de rechtspraak en de overheid zowel afzonderlijk als gezamenlijk als 'één pot nat' zien, en politici niet meer als hun vertegenwoordigers beschouwen, maar als onderdeel van de overheidsmachinerie.

De burger ziet het openbaar bestuur niet meer als iets van zichzelf, maar als een partij waar je helaas mee te maken hebt en je niets in te brengen hebt. Op papier natuurlijk wel, maar in de praktijk wordt de burger administratief en juridisch murw geslagen. Mede door de neoliberale negatieve kijk op een overheid, inhoudende een bemoeizuchtig, bureaucratisch belastinggeld verslindend noodzakelijk kwaad, is de gelijkwaardige, op diensten rechthebbende burger steeds meer gedegradeerd tot klant, betaler van de monopolistische overheid en niet meer betrokken als medeverantwoordelijke voor de publieke zaak, als kiezer in de meest letterlijke zin. Dat de overheid er voor en van ons allemaal is, is al lang een nietszeggend fictief beeld, dat de toegebrachte schade probeert te herstellen. Het beeld dat burgers hebben van ons openbaar bestuur, wordt niet bepaald door hetgeen er in de Haagse kantoorkolossen en aanverwante beleidscircuits wordt bedacht. Beeldbepalend zijn in plaats daarvan de contacten die mensen hebben wanneer ze langsgaan bij Burgerzaken om een paspoort aan te vragen of aangehouden worden door een politieagent en een bekeuring krijgen voor een verkeersovertreding. Een klant is iemand die betaalt voor geleverde producten of verleende diensten. Een klant kan weglopen als het product of de dienst niet bevalt. Zo werkt het in de markt. De overheid kent geen klanten.

Vele overheidsdiensten worden gefinancierd door de overheid, zoals bijvoorbeeld gezondheidsorganisaties en jeugdzorg. Wanneer mensen niet zelf betalen voor aan hen verleende diensten, zijn ze geen klant. Sociale zaken bijvoorbeeld is een gemeentelijke dienst. Het is geen winkel, en de inwoners die voor hulp aankloppen, zijn daarom geen klanten. Ze betalen nergens voor en hebben ook geen keuze. Daarbij komt, dat ze als inwoners mede-eigenaar zijn van de overheidsdienst die Sociale Zaken is. Je kunt geen klant van je eigen dienst zijn, hooguit gebruiker. Wethouder Arjo Klamer schrijft in Binnenlands Bestuur: “Een van mijn eerste daden als wethouder

was het verzoek aan mijn ambtenaren niet meer te spreken over klanten als het over inwoners gaat die bij ons met een hulpvraag komen. Hoe loyaal mijn ambtenaren ook zijn, het werd me al snel duidelijk hoe diep “de klant” geworteld is hun dagelijkse omgangstaal. Ze verontschuldigen zich nu als ze de term gebruiken. Ik kan ze het moeilijk kwalijk nemen. Markttermen beheersen ambtenarenspraak. Economentaal, want dat is het praten in markttermen, moge flink klinken, en het mag ooit een goed alternatief zijn geweest voor bureaucratische taal, ze klopt niet.

pagina 4 van 14

Als “klant” een ongepaste term is, dan is “klantmanager” dat nog meer. Want klantmanagers hebben niet alleen geen klanten, ze managen ook niet. Reclamebedrijven hebben “accountmanagers”, overheden zouden ze niet moeten willen. De gemeentelijke organisatie is geen “concern” en de overheid levert geen “producten”. De overheid kan ook niet “vraaggericht” werken, zoals mijn ambtenaren willen suggereren. Neoliberale praat kwam in zwang in de jaren tachtig toen de overheid vast leek te draaien in haar eigen bureaucratie”.

Het kwam al eerder naar voren: het beeld van de burger als koning-klant gaat op een aantal punten mank, wanneer het gaat om dienstverlening door overheden. Prof dr M.J.W. van Twist vat het als volgt samen: • Burgers zijn in veel gevallen onvrijwillig klant van de overheid: niemand zit uit zichzelf te wachten op een bekeuring of een belastingaanslag; • Burgers die voor dienstverlening een beroep doen op de overheid, zijn niet zelden ‘klanten zonder keus’, dus: ‘captives’ van de overheid. Of je dat nu wilt of niet, voor een bouwvergunning of een rijbewijs kun je nergens anders terecht dan bij de overheid.

Het beeld van de overheid als een klantgerichte instelling is al evenmin zonder meer toepasbaar bij publieke dienstverlening aan burgers: • Overheden worden in hun handelen gedreven door publieke belangen die soms ingaan tegen het individueel belang van de burger als klant: solidariteit, gelijkheid; • Overheden zijn doorgaans sterk gebonden aan regels: onderhandelen over de prijs van een auto is eenvoudiger dan onderhandelen over de hoogte van een uitkering of de duur van een gevangenisstraf.

Dit alles neemt niet weg dat de overheid in zijn relatie tot de burger op een aantal punten kan en moet worden aangesproken op regels en normen voor klantvriendelijkheid die ook (zouden moeten) gelden voor bedrijven. Die zijn weliswaar belangrijk maar ook weinig wereldschokkend. Ze hebben betrekking op: • de fysieke bereikbaarheid van medewerkers; • de snelheid waarmee de telefoon wordt opgenomen; • het tempo waarin e-mails worden beantwoord; • de begrijpelijkheid van de informatie op het net; • de gebruiksvriendelijkheid van websites; • et cetera.

pagina 5 van 14

De conclusie is dan ook dat de overheid als bedrijf bestempelen en burgers als klanten, een van de meest onzinnige ondoordachte flauwekul is dat rechtse politici hebben bedacht. Dat rechts Nederland nog nimmer een serieuze poging heeft ondernomen deze wonderbaarlijke gedachte te onderbouwen, is daar een bewijs van.

WHD is van mening dat er een georganiseerd project dient te komen waarbij alle overheidsdienaren verplicht scholing krijgen. Ook dienen overheidsdienaren die in contact staan met burgers, getoetst te worden op geschiktheid (klantgerichte mentaliteit, psychologische effecten van overheidscontact, didactische vaardigheden, empathisch vermogen, hulp). Moet bijvoorbeeld een burger geholpen worden bij een belastingaangifte? De overheid legt een informatieverplichting op maar laat de noodzakelijke hulp daarbij over aan commerciële bureaus.

Zonneklaar moet zijn dat communicatie met burgers niet langer een afgeleide activiteit is, maar tot de kern van de beleidsvoering en dienstverlening van de overheid behoort. Communicatie met de burger behoort een primaire bezigheid te zijn die superieur is aan ander werk (beleid maken, administratie, diensten organiseren, vergaderen). Ziet men de communicatie tussen overheid en burger niet langer als een afgeleide of storende aangelegenheid, maar als de kern van de publieke dienstverlening, dan kan en zal dit uiteindelijk niet zonder consequenties in organisatorisch opzicht blijven. Niet langer zijn dan de diverse leveringen en diensten vanzelfsprekend structurerend voor de indeling van een organisatie. Ingegeven door de gedachte dat men de burger niet onnodig moet belasten wanneer hij gebruik wil maken van diverse zaken en diensten, ligt het voor de hand te streven naar een integratie van processen vanuit de beleving van de burger (één loketgedachte). Als de overheid de burger is gaan zien als een hobbel, die genomen moet worden, opdat zij hun mooie plannen kunnen uitvoeren, dan zal ook semantiek of marktdenken niet helpen de afstand te overbruggen. Wie niet in de uitkomst geïnteresseerd is, hoeft ook geen vragen te stellen.

Jean-Marie Guéhenno: Tegenwoordig is burgerschap niet meer

dan een praktisch middel waarvan we ons bedienen om onvrede over de leiders te uiten

door: H. Tjeenk Willink In de epiloog van zijn boek uit 1993 (!) ’Het einde van de democratie’, waarin de komst van een mondiale ’netwerkmaatschappij’ en de ondergang van de nationale staat wordt aangekondigd, stelt Jean-Marie Guéhenno: ”Twee eeuwen lang hebben we gedacht dat vrijheid de vrucht is van de

politiek en dat de politiek de vorm van de vrijheid bepaalt. We wilden burgers zijn. Maar tegenwoordig is burgerschap niet meer dan een praktisch middel waarvan we ons bedienen om onvrede over de leiders te uiten. We hebben de basis verloren waarop onze waardigheid van vrije mensen berustte: het verlangen om (als burgers) een politiek lichaam te vormen. De gevolgen van dit verlies zijn veel subtieler dan die van de oude vormen van tirannie en geven ons het gevoel dat we langzaam, pijnloos en onherstelbaar leegbloeden.”

pagina 6 van 14

Individueel staatsburgerschap

Dit betoog van Guéhenno is om ten minste twee redenen voor Nederland interessant. Allereerst refereert hij aan een individueel staatsburgerschap dat in Nederland weinig is ontwikkeld. ”Het verlangen om als burgers een politiek lichaam te vormen” werd nooit algemeen gedeeld. De leer van de volkssoevereiniteit is na de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 nooit meer in een Nederlandse Grondwet vastgelegd. Aan de opvoeding tot individuele staatsburger wordt, ook in het onderwijs, weinig aandacht besteed. Daarnaast beperkt Guéhenno het burgerschap tot de relatie met de staat. Ook dat lag in Nederland anders. In het verzuilde staatsbestel stond niet de politieke betrokkenheid bij de staat voorop, maar de betrokkenheid bij een sociale groep, protestanten (in grote verscheidenheid), rooms-katholieken, socialisten en liberalen (een zuil tegen wil en dank). Toen die betrokkenheid als gevolg van de individualisering aan kracht inboette, werd dat als bevrijding ervaren. Met die individualisering ontwikkelde zich echter niet automatisch de individuele burger, de ’citoyen’. ’Citoyenneté’ ontstaat vanuit een gemeenschappelijk gevoelde publieke verantwoordelijkheid, onafhankelijk van iemands afkomst of levensbeschouwing. Die gemeenschappelijkheid stuit af op het wij-zij-denken.

Dat is problematisch, nu Nederland van een land van minderheden een land is geworden waarin ’de’ (veronderstelde) meerderheid ’de’ (veelkleurige) minderheid minder tolereert. Essentieel in een democratie is respect voor minderheden. Een tweede voorwaarde voor een individueel staatsburgerschap is de erkenning door de staat. Die erkenning is onmogelijk als de staat geen duidelijk zicht meer heeft op de burgersamenleving en burgers als klanten worden beschouwd, en als zij hun eigen leven als onderneming moeten runnen, maar een zicht op de eigen toekomst in de burgersamenleving ontberen. Oproepen aan burgers om hun gedrag te veranderen, zullen nauwelijks effect hebben als het bedrijfsmatige denken binnen het openbaar bestuur zelf niet verandert. In de staatsburger wordt het beeld van de staat zichtbaar. Maar ook het omgekeerde is waar. In de staat behoort ook het beeld van de burger zichtbaar te zijn. Tijdens de verzuiling reflecteerde de staat de groepsgewijze georganiseerde burgersamenleving. Het openbaar bestuur was zich bewust van zijn afhankelijkheid van de maatschappelijke organisaties, het Particulier Initiatief (en vice versa). Dat besef nam af, toen ook binnen de maatschappelijke organisaties het marktdenken dominant werd, die organisaties zelf marktpartijen werden of met handen en voeten werden gebonden aan de eisen die het openbaar bestuur stelt.

De betrokken en participerende burger die meer wil zijn dan klant, herkent zich niet meer in de staat noch in de maatschappelijke organisaties. Tegelijkertijd herkennen velen zich ook niet meer in de politieke partijen die in wisselende coalities het bestuur vormen. Zij worden als verlengstuk van het openbaar bestuur gezien.

Wederzijds gebrek aan vertrouwen

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat veel burgers het gevoel hebben greep te missen op de ontwikkelingen in de eigen omgeving waarvoor het openbaar bestuur de verantwoordelijkheid claimt en zij niet (meer) geloven dat hun volksvertegenwoordigers wel invloed hebben op de gang van zaken in eigen land en de ontwikkelingen in Europa. Er is wederzijds een gebrek aan vertrouwen: vertrouwen in elkaars competentie; vertrouwen in de bereidheid de grondbeginselen van de democratische rechtsorde (rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, democratische legitimatie en publieke verantwoording, effectiviteit en efficiency) te respecteren.

pagina 7 van 14

Waarom zouden burgers het bestuur vertrouwen als ze het gevoel hebben dat ze door de bestuurders niet vertrouwd worden? Waarom zouden ze hun volksvertegenwoordigers nog kiezen als ze geen vertrouwen hebben dat gekozen volksvertegenwoordigers daadwerkelijk politieke controle uitoefenen op het bestuur? Dat wederzijdse vertrouwensprobleem is sinds 2002 niet dichter bij een oplossing gekomen. Dat kan ook niet, omdat volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren, publieke en private functionarissen elkaar gevangen houden.

’Decentraal moet, tenzij het alleen centraal kan’

Om problemen te kunnen oplossen, moeten die problemen eerst zo concreet mogelijk worden gedefinieerd en moeten de probleemhebbers het gevoel hebben dat met hun ervaringen en inzichten eerst bij de analyse en vervolgens bij het formuleren van de oplossing rekening is gehouden. Waar de burgers de probleemhebbers zijn, ligt het voor de hand het aangrijpingspunt voor de oplossing niet op centraal, maar allereerst op lokaal niveau te zoeken. In het Nederlandse staatsbestel heeft altijd een sterke nadruk gelegen op het lokale bestuur. ’Decentraal moet, tenzij het alleen centraal kan’ is niet alleen een voortzetting van die traditie, maar ook de uiting van het besef dat op decentraal niveau de vertrouwensrelatie tussen burger en bestuur gemakkelijker te herstellen en te onderhouden is. Daarom is de allesoverheersende bemoeienis van de landelijke politiek bij en met de plaatselijke verkiezingen ook zo schadelijk. Het is een miskenning van het belang van de lokale democratie, ook voor het functioneren van het openbaar bestuur op landelijk niveau. Vaak wordt vergeten dat er in het Nederlandse staatsbestel wel een hiërarchie van normen bestaat (wetten gaan boven gemeentelijke verordeningen), maar geen hiërarchie van besturen. Het Rijk is niet de baas van (en in) de provincies of de gemeenten. Het lokale bestuur heeft zijn eigen politieke legitimatie.

Lokaal bestuur en centraal bestuur vormen elkaars tegenwicht.

Ook binnen het lokaal bestuur is het marktdenken dominant geworden

Op lokaal niveau is de wederzijdse afhankelijkheid van overheid en burgers beter zichtbaar dan op landelijk of Europees niveau. Ook binnen het lokaal bestuur is het marktdenken echter dominant geworden. Ook in gemeenten worden burgers als ’praktijkdeskundigen’ en ’medebestuurders’ vaak genegeerd. Daarmee komt de gemeente als habitat van de burger, zijn woonplaats, in het gedrang. Juist op lokaal niveau gaat het om meer dan functioneel bestuur. Functioneel bestuur doorbreekt vaak bestaande gemeenschappen in buurt, dorp of stad. Dat wordt vaak onvoldoende beseft. De betekenis van het lokale, de eigen identiteit van een lokale gemeenschap, wordt verwaarloosd. De ene stad of het ene dorp is de (het) andere niet. Een Amsterdammer wil niet in Den Haag wonen (en vice versa) vanwege het karakter van de eigen stad. Hoe kan dat karakter worden bewaard? Op nationaal niveau groeit het bewustzijn dat er met het vervagen van de grenzen van de staat een grotere behoefte is aan een herdefiniëring van de betekenis van de natie. Maar geldt dat mutatis mutandis niet nog sterker voor de eigen kenmerken van lokale gemeenschappen?

pagina 8 van 14

Kunnen burgers zich nationale burgers voelen als ze zich niet meer thuis voelen in eigen stad, dorp of buurt? Kunnen ze zich thuis voelen in eigen stad, dorp of buurt als ze het gevoel hebben dat hun oordeel er toch niet toe doet?

Constitutioneel patriottisme

De burger in de moderne democratische rechtsstaat heeft niet één identiteit. Hij is niet alleen staatsburger. Hij is ook burger van zijn gemeente, van de Europese Unie, van het Koninkrijk. Als staatsburger kan hij zijn vertegenwoordigers op de verschillende niveaus kiezen, maar hij kan ook deelnemen aan het publiek debat - via inspraakprocedures en betogingen, in de media en op internet - over ’kwesties’ van publiek belang op het niveau van de gemeente, de staat, de Unie, het Koninkrijk. Hij kan ook deelnemen aan de ’burgersamenleving’ waarin hij met anderen kan samenwerken in het publiek belang. Om dit ’republikeinse burgerschap’ te kunnen uitoefenen zijn hem in de Grondwet de klassieke vrijheidsrechten gegarandeerd, zoals de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en levensovertuiging, van vereniging en vergadering. De Grondwet bevat ook de sociale grondrechten, een opsomming van ’de kernverantwoordelijkheden’ van de staat. Een belangrijk deel van de Grondwet is gewijd aan de staatkundige instituties die in de loop van de geschiedenis hun vorm hebben gekregen. Klassieke en sociale grondrechten en de staatkundige instituties vormen het fundament van burger én staat.

Niet voor niets bepleit Habermas ’een constitutioneel patriottisme’, waaronder hij verstaat de gehechtheid aan de mensenrechten, de algemene rechtsbeginselen, de grondrechten, plichten en procedures die in het constitutioneel bestel zijn opgenomen. Alleen als dat gemeenschappelijke fundament vanwege de staat – door politici, bestuurders en ambtenaren - zelf wordt onderhouden, zullen de vele lovenswaardige initiatieven om bij de burgers meer besef voor de Grondwet te wekken, effectief kunnen zijn. De democratische rechtsstaat is kwetsbaar in een wereld waarin grenzen vervagen. Die kwetsbaarheid dwingt niet alleen tot verruiming van de democratische rechtsorde buiten de Nederlandse grenzen (Europa), maar ook tot versterking van de betrokkenheid van burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven bij de handhaving van de democratische rechtsorde. Handhaving van de democratische rechtsorde is immers een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Condities voor burgerschap

Betrokkenheid van burgers moet van onderop worden ontwikkeld, in eigen stad of buurt of bij de eigen school. De voorwaarden zijn bekend: versterk de kleinschalige verbanden, ga uit van vragen, oplossingen en activiteiten van de burgers zelf en bied daarvoor ruimte, accepteer dat uitkomsten (daardoor) per provincie, stad of straat verschillend kunnen zijn, wees als overheid normerend en stimulerend en toon als bestuurders waardering voor de eigen inbreng van burgers. Essentie van het burgerschap, als publiek ambt, is het eigen initiatief. Burgers bepalen zelf hoe zij hun publieke ambt vervullen. Vrijheid en variatie zijn voor democratie immers essentieel. Een door het bestuur ’gecertificeerd burgerschap’ is een contradictie. Het kweekt geen burgers, maar onderdanen. Dit betekent echter niet dat het bestuur slechts aandacht kan vragen voor de betekenis van actief burgerschap en verder maar moet afwachten of en in hoeverre burgers pagina 9 van 14

daaraan invulling geven. Het kan langs verschillende wegen burgerschap concreet bevorderen en doet dat ook. Enkele voorbeelden.

Burgerschap komt tot bloei bij een breed gedragen besef onder burgers dat de samenleving hen niet ’overkomt’, maar juist door henzelf collectief en individueel gemaakt wordt en dat hun handelen of niet handelen dus de kwaliteit van een samenleving mede bepaalt. Hierin liggen de drijfveren voor gezamenlijk vrijwilligerswerk, maar ook voor individuele hulp aan medeburgers thuis of op straat. Het bestuur kan aan dat besef bijdragen door zichzelf betrokken te tonen. Burgers verwachten van het bestuur dat het de betrouwbare instantie is waar zij terecht kunnen voor informatie, dienstverlening en begrip voor hun persoonlijke problemen; de instantie die voor problemen waarschuwt en deze probeert te voorkomen. Een betrokken bestuur heeft niet alleen oog voor doelmatigheid en doeltreffendheid, maar biedt ook ruimte aan medewerkers om zich daadwerkelijk voor burgers in te zetten. Een betrokken bestuur kan een actief burgerschap ’uitlokken’ en daarmee ook de integratie van burgers met een andere culturele achtergrond stimuleren. Burgerschap wordt bevorderd door het uitdragen van de kernwaarden van de democratische rechtsstaat.

Dit gebeurt dagelijks zowel door de mensen die in de frontlinies van het openbaar bestuur opereren – de politieagent en de UWV-medewerker - als door beroepsmatige gezagsdragers, zoals de leraar en de sportleider, maar ook door andere burgers die opkomen voor publieke belangen, individueel of via groepen of buurtinitiatieven. Ook die vormen van burgerschap hebben een ’steun in de rug’ nodig, alleen al door ruimte te bieden, belangstelling te tonen en vertrouwen te geven. Het aldus investeren in de democratische rechtsstaat is belangrijker dan het fixeren van de aandacht op kengetallen en prestatie-indicatoren. Burgerschap wordt ook bevorderd als het openbaar bestuur de burgersamenleving (civil society) weer ’herontdekt’ en erkent als aanvulling op de staat én als noodzakelijk tegenwicht tegen de staat. Staat en burgersamenleving zijn wederzijds van elkaar afhankelijk. ”Het gaat om de ruimte die de overheid aan burgers laat om hun publieke verantwoordelijkheid te organiseren, in verenigingen, in de wijk, in maatschappelijk instellingen”. Zonder actieve burgersamenleving wordt de legitimiteit van de staat aangetast”. Het is van belang dat de overheid zich openstelt voor de ideeën en eigen initiatieven van burgers, hun wensen en kritiek, en daarmee rekening houdt bij de ontwikkeling van beleid. Die ruimte en die relatie moeten, zo blijkt uit de praktijk, worden verbeterd.

Burgers hebben nu vaak het gevoel dat er wel over hen wordt beslist, maar niet door of namens hen. Internetconsultatie maar ook vormen van inspraak en het inrichten van ’burgerjury’s’ kunnen behulpzaam zijn bij het in kaart brengen en analyseren van behoeften en vragen, en bij het vinden van oplossingen. De nieuwe media zijn weliswaar geen tovermiddel, maar geven in combinatie met de hogere ontwikkelingsgraad van de bevolking wel mogelijkheden tot verhoging van de kwaliteit van het overheidsbeleid en grotere zichtbaarheid van de burger als staatsburger. Meer invloed van burgers op de beleidsvorming is dan ook gewenst uit een oogpunt van bevordering van burgerschap. Burgerschap kan slechts bestaan in een staat die bij zijn eigen optreden van ’constitutioneel patriottisme’ blijk geeft. Alleen zo kan voorkomen worden dat burgers en burgerschap ”langzaam, pijnloos en onherstelbaar leegbloeden”.

Uit: ‘De werkelijkheid van de burger’ van Herman Tjeenk Willink - (Uit het Jaarverslag van de Raad van State van 2009)

pagina 10 van 14

WHD voorstel: Burgerkamers (Derde Kamer)

Veel politieke partijen zijn niet meer de bron van inspirerende visies en mogelijke oplossingen die ze ooit waren, maar blijken ook niet (meer) in staat om de werkelijke problemen aan te pakken. Naast versnippering, waardoor meerderheden steeds moeilijker te vormen zijn, heeft het waarschijnlijk ook te maken met de diepe geworteldheid van systemen en structuren, hetgeen de nodige visie en moed vereist om zaken aan te pakken. In een sterk gepolariseerd politiek klimaat begrijpelijk en verklaarbaar maar wel funest voor een samenleving die verder moet. Bovendien laten politieke gremia zich tegenwoordig voortdurend ‘buitenspel’ zetten door electorale overwegingen en lobbyisten. Door dergelijke ontwikkelingen is het inhoudelijke politieke debat de laatste jaren verschraald, terwijl het aantal complexe vraagstukken waarmee partijen en politici te maken hebben, alleen maar groeit en bevredigend beleid op veel terreinen uitblijft, niet in de laatste plaats door structurele organisatorische problemen binnen de overheid zelf.

De werkelijke pijnpunten van onze democratie hebben kortom te maken met het verouderde politieke stelsel, het jarenlang bezuinigen op ambtelijke deskundigheid, de benadering van de overheid als een bedrijf, de oppervlakkigheid van politieke partijen (doorwrochte analyses en voorstellen inzake digitalisering en dataverzameling bijvoorbeeld ontbreken) en de kwaliteit van politici.

Hervorming: horizontalisering democratie

Teneinde een aantal gewenste doelen te realiseren, waarover hieraan voorafgaand (en in andere hoofdstukken) is gesignaleerd, wil WHD ‘volks- of burgerkamers’, te starten bij gemeenten. Deze kamers bestaan uit burgers, aangevuld met ambtenaren en raadsleden/wethouders, en hebben hoofdzakelijk als doel door burgers aangedragen onderwerpen te bespreken. Iedere burger kan een behandelingsverzoek indienen bij deze gemeentelijke Burgerkamer. Burgers hebben stemrecht, gemeenteraadsleden, ambtenaren en of wethouders adviesrecht, of een minderwaardig stemrecht. In die Kamers kunnen standpunten worden aangenomen, die, indien dit vereist is, ter bekrachtiging moeten worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Indien de gemeenteraad het standpunt van de Burgerkamer niet wenst over te nemen, moet een ‘Beroepsraad’ een eindoordeel vellen, waarin tevens rechters plaatshebben. Een besluit van de Burgerraad krijgt daarmee rechtskracht. Omdat de gemeenteraad het hoogste orgaan is en blijft in de gemeente, en een Burgerkamer in de visie van WHD ondersteunend en aanvullend is en niet vervangend, moet een besluit weliswaar overgenomen worden door de gemeenteraad, maar is de burger niet meer afhankelijk, zoals in het huidige systeem, of een fractie de zaak wel passend vindt in hun programma, of dat andere, partijpolitieke overwegingen een rol spelen. pagina 11 van 14

WHD ziet zo'n raad uitdrukkelijk niet als alternatief voor maar als aanvulling op de gekozen volksvertegenwoordiging. Burgerkamers halen de verdere besluitvorming dus niet weg bij politici, die voortdurend belobbyd worden en kleine meningsverschillen opblazen voor electoraal gewin, maar behandelen zaken waar het gekozen gremium niet aan toegekomen is, of niet ziet of niet van belang acht. Burgerkamers vergroten het draagvlak voor ingrijpende besluiten, zoals corona- of klimaatmaatregelen, omdat een representatieve groep burgers ze zelf heeft opgesteld en er een discussie plaatsvindt tussen deskundigen/beslissers (ambtenaren, techneuten, adviseurs, raadslieden en of wethouders) en de ‘gewone’ burger, die normaliter deze input mist. Het burgerkamerproces wordt, anders dan de gemeenteraad, op geen enkele manier verstoord door allerlei lobby- en actiegroepen die vinden dat hun belangetjes belangrijker zijn dan die van anderen. Ook politieke spelletjes die de kwaliteit en de integriteit van het beleidsproces verstoren, zijn uitgesloten. De raadgevende ambtenaren of wethouders kunnen, naar eigen inzicht, wisselen, afhankelijk van het onderwerp en hun expertise. De samenstelling van de Burgerkamer kan eveneens wisselen, per zaak, evenals van de zijde van de ambtenarij.

Burgers kunnen zich voor de Burgerkamer per onderwerp digitaal publiekelijk inschrijven op basis van hun interesse of expertise. Teneinde ‘theater’, willekeur, incompetentie en andere excessen te voorkomen, wordt de Burgerkamer niet gekozen, maar kunnen geïnteresseerde burgers zich daarvoor aanmelden. Voor toelating geldt een (summiere) geschiktheidstoets. Alleen de voorzitter en secretaris worden benoemd voor een bepaalde periode, om kwaliteit en continuïteit te waarborgen.

burgerkamers zijn een uitstekende vorm van van het democratische proces

horizontalisering

De procesbehandeling gebeurt is drie hoofdfases:

1. Informatiefase. In deze fase krijgen de burgers begrijpelijke informatie over het onderwerp vanuit zo veel mogelijk perspectieven. Ze krijgen die informatie deels in de vorm van teksten, deels in de vorm van lezingen van wetenschappers, ervaringsdeskundigen, en andere belanghebbenden. Burgers mogen ook zelf om aanvullende documenten en sprekers vragen. Alle informatie wordt online gezet en alle lezingen zijn via livestreams te volgen,

pagina 12 van 14

zodat ook de rest van de samenleving weet op welke informatie de deelnemers zich baseren.

2.

Beraadslaging. De Kamer beraadt en discussieert.

3.

Besluit. De kamer besluit en stuurt het besluit naar de volksvertegenwoordiging.

4. Indien de volksvertegenwoordiging het voorstel niet wenst over te nemen of wijzigingen wil aanbrengen volgt er een gemeenschappelijke zitting. Indien dit niet tot overeenstemming leidt gaat het voorstel naar de beroepskamer.

Het idee ‘burgerkamer’ krijgt vooral kritiek op het onderdeel ‘uitloten’, verwijzend naar de willekeur waarop de tot op heden gerealiseerde raden worden samengesteld. Burgers krijgen een uitnodiging om zitting te nemen, terwijl velen daar absoluut geen zin in hebben, anderen gebruiken de burgerraad om politici uit te schelden en nog een paar van dit soort ongewenste excessen. Die kritiek is terecht, waardoor WHD aanmelding voorstaat in plaats van uitloting.

Tenslotte vindt WHD dat Burgerkamers ook door fracties of gemeenteraden kunnen worden ingezet als adviesorgaan. Daarmee wordt het draagvlak voor besluiten vergroot en is er een rechtstreekse link met ‘de burgerij’.

participatieve democratie De politiek neigt al naar dit model. Met name rond thema’s waarover de bevolking ernstig verdeeld is, zijn burgerfora een welkom smeermiddel. Zo werd in Ierland enkele jaren geleden een burgerpanel geformeerd om tot nieuwe abortuswetgeving te komen. En na de beruchte GeleHesjes-protesten in Frankrijk besloot president Emmanuel Macron een panel met daarin 150 burgers om klimaatadviezen te vragen.

In het Friese Heerenveen bijvoorbeeld, kreeg een burgerraad opdracht om naar eigen inzicht plannen te ontwikkelen voor vernieuwingen in het centrum van deze gemeente. Maar ook Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Groningen bouwen – samen met het ministerie van BZK en de Vereniging Nederlandse Gemeenten – aan een ‘participatieve democratie’, inclusief digitale varianten.

Een succesvol experiment met een burgerpanel over kinderopvang uit 2017 lag aan een Belgische burgerraad (Ostbelgien) ten grondslag. In dat jaar stelden 27 ingelote burgers na uitvoerige debatten en informatiedagen met experts een advies op aan de deelstaatregering over een nieuw model voor de kinderopvang. De politici van de regering waren dermate onder de indruk van de inzet en de adviezen van de burgers dat Ostbelgien nu geschiedenis schrijft. De deelstaat met 76.000 inwoners is namelijk het eerste gebied ter wereld waar burgers permanente inspraak krijgen op de (semi-)nationale politiek. Kenmerkend is hoe serieus burgers hun taak nemen. pagina 13 van 14

burgers hoeven zich niet druk te maken om herkozen te worden en kunnen daardoor vrijer debatteren en beslissen

Ook filosofen roepen op tot de vorming van een nieuwe klasse van burgerpolitici. Zoals Joke Hermsen (in haar recente boekje ‘Het tij keren’) en Daan Roovers. De laatste zei eerder dit jaar in een interview met NRC: ‘Het is hoog tijd voor (democratische) vernieuwing. Hoe kunnen we ervoor

zorgen dat het beleid een afspiegeling is van de opvattingen van de bevolking? Moeten we niet toch gaan denken aan directere vormen van democratie?’

Voordelen

1) Het verschil met het huidige stelsel is, dat de Burgerkamer apolitiek is en niet afhankelijk van een politieke fractie. Een Burgerkamer is ‘gedepolitiseerd’, en dat is een enorm pluspunt. Scoringsdrift zet immers de toon in de moderne politiek. 2) Anders dan in de huidige situatie, weet een burger bij een Burgerkamer dat zijn verzoek wordt behandeld, aangezien de Burgerkamer een acceptatieplicht t.a.v. het aangedragen onderwerp heeft (behoudens zaken die tegen een wet ingaan, niet tot de competentie van de gemeente horen, enz.) 3) Met deze werkwijze wordt directe betrokkenheid van de burgers gerealiseerd, heeft iedere burger de zekerheid dat een geaccepteerde aanvraag wordt behandeld. In de behandeling worden bestuur en burger inhoudelijk samengebracht, waardoor het wederzijdse begrip en inzicht wordt geoptimaliseerd. Door de beslissingsbevoegdheid is er sprake van horizontalisering van de macht. 4) Burger, politiek en bestuur (ambtenarij) komen samen. De directe uitwisseling van standpunten en belangen levert betrokkenheid en wederzijds begrip op. 5) De uit betrokken inwoners bestaande organen kunnen verschillende tekortkomingen van gekozen politieke gremia compenseren. 6) Met name rond thema’s waarover de bevolking ernstig verdeeld is, zouden burgerfora een welkom smeermiddel kunnen zijn.

7) Het is zowel democratisch als doeltreffend om burgers zelf aan de slag te laten gaan met plaatselijk beleid, op allerlei gebied. 8) Fracties of gemeenteraden kunnen de Burgerkamer als adviesorgaan inzetten waardoor er een directe link is met de ‘burgerij’. 9) Met Burgerkamers wordt tegemoet gekomen aan de brede wens van de bevolking om meer inspraak en betrokkenheid.

pagina 14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10419370/1