CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Coenderstraat 41 eco effectscan Aqua terra

Commissie Ruimte en Verkeer 6 oktober 2022, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake ontwerpverklaring van geen Bedenkingen Coenderstraat 41 (nr. 2238480)5.358 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Eco-effectscan Coenderstraat 41 te Delft

Opdrachtgever SG Architecten te Delft

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk

Eco-effectscan Coenderstraat 41 te Delft

telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Opdrachtgever SG Architecten te Delft

Datum: Rapportnr.: Status:

4 april 2022 22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage

IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55

•

BTW: NL-8105.67878.B01

•

K.v.K. nr. 27240696

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

COLOFON Titel

: Eco-effectscan Coenderstraat 41 te Delft

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79

Opdrachtgever Contactpersoon

: SG Architecten : dhr. H. Gabeler

2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Projectteam Projectmanager Contactpersoon Auteur Veldwerk Kwaliteitsborger

Projectnummer

: dhr. Ing. A.P. Wubben : dhr. M. Verschoor : dhr. M. Amorison : dhr. M. Verschoor : dhr. M. Amorison : mw. L.G. Verschuur BSc

: 22068

Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus.

Datum vrijgave

Status

4 april 2022

Definitief

Vrijgave auteur

Goedkeuring kwaliteitsborger

© 2022 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ......................................................................................................... 5

2

METHODE............................................................................................................ 6

3

PLANGEBIED ....................................................................................................... 8

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING............................................................... 11

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................................. 14

6

CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................... 17

1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3.1 3.2 3.3 3.4 4.1 4.2 4.3

Inleiding .................................................................................................................. 6 Projectbeschrijving ................................................................................................... 6 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ...................................................................... 6 Beoordeling beschermde natuurgebieden .................................................................... 6 Aanwezigheid beschermde planten en dieren ............................................................... 6 Effectbeoordeling en toetsing ..................................................................................... 7

Ligging .................................................................................................................... 8 Bestaande situatie .................................................................................................... 8 Beoogde situatie en activiteiten .................................................................................. 9 Veldbezoek ............................................................................................................. 10 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. 11 Ecologische verbindingszones ................................................................................... 12 Houtopstanden........................................................................................................ 13

5.1 Vaatplanten ............................................................................................................ 14 5.2 Vogels.................................................................................................................... 14 5.3 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................... 14 Vleermuizen ...................................................................................................................... 15 5.4 Amfibieën ............................................................................................................... 15 5.5 Reptielen ................................................................................................................ 16 5.6 Vissen .................................................................................................................... 16 5.7 Overige beschermde soorten .................................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Aanleiding ............................................................................................................... 5 Doelstelling.............................................................................................................. 5 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 Verantwoording ........................................................................................................ 5

Gebiedsbescherming ................................................................................................ 17 Soortenbescherming ................................................................................................ 17 Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 18 Geldigheid .............................................................................................................. 18

REFERENTIES .................................................................................................. 19

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

1.2

Doelstelling

1.3

Leeswijzer

1.4

Verantwoording

SG Architecten is voornemens een pand op een binnenterrein in Delft te herinrichten aan de Coenderstraat 41 te Delft. Voor dit project zullen er geen bomen worden gekapt of watergangen gegraven. Voor dit project dienen onder andere de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen op de aanwezige flora en fauna te worden weergegeven. In dit kader is de onderhavige Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova bv in opdracht van SG Architecten.

De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving 1.

In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksmethode en het toetsingskader van de Eco-effectscan beschreven. In hoofdstuk 3 worden het project en het plangebied beschreven. Mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden beschreven in hoofdstuk 4. De resultaten van de inventarisatie en mogelijke effecten op beschermde soorten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en worden eventueel te nemen maatregelen geadviseerd. Bronvermeldingen zijn in de tekst aangegeven met een nummer dat naar het desbetreffende nummer in de referentielijst verwijst.

Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

5

2

METHODE

2.1

Inleiding

2.2

Projectbeschrijving

2.3

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Wet natuurbescherming in het project wordt geborgd.

Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe worden de omvang en de ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.

In de Wet natuurbescherming zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen 1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes (respectievelijk art. 3.1, 3.5 en 3.10). Artikel 3.1-3.4 betreffen regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 3.5-3.9 betreffen regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 3.10-3.11 betreffen regels ter bescherming van niet onder art. 3.5 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet. Alle in de Wet natuurbescherming genoemde soorten zijn strikt beschermd1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het ‘nee, tenzij’-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.

2.4

Beoordeling beschermde natuurgebieden

2.5

Aanwezigheid beschermde planten en dieren

Op basis van provinciale en lokale kaartendatabases wordt de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Het betreft gebieden uit de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden) en gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Indien dergelijke beschermde natuurgebieden binnen een straal van 5 km van het plangebied gelegen zijn of de ingreep een zodanig karakter heeft dat effecten op grotere afstand mogelijk zijn, wordt de wettelijke status beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld of negatieve effecten op de gebieden uitgesloten kunnen worden, zowel door de werkzaamheden zelf als voor eventuele effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op natuurgebieden.

Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van beschermde soorten behorend tot artikel 3.1, 3.5 en 3.10 welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld. De beoordeling van de aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied resulteert in de vaststelling: Niet aanwezig c.q. afwezig; de soort is niet in de omgeving waargenomen of het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor de soort welke in de omgeving waargenomen is; de beoordeling van de afwezigheid wordt uitsluitend in uitzonderingen behandeld; soorten welke op de inventarisatielijst zijn opgenomen en niet worden behandeld, worden per definitie beoordeeld als niet aanwezig c.q.

afwezig; niet uit te sluiten; de soort is in de omgeving waargenomen of kan op basis van betrouwbare bronnen* verwacht worden en het plangebied vormt geschikt biotoop voor verblijfplaatsen of andere functionele onderdelen van de leefomgeving van de soort; aanwezig: de soort is tijdens het locatiebezoek waargenomen of de soort is in het plangebied waargenomen op basis van betrouwbare bronnen*. *Betrouwbare bronnen zijn minder dan 3 jaar oude gegevens van overige ter zake kundigen en de NDFF.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

6

2.6

Effectbeoordeling en toetsing Voor de aanwezige beschermde soorten of beschermde soorten waarvan de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden, worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en de zorgplicht. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen en hun functionele leefomgeving en mogelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 2.1). Tabel 2.1. Toetsingskader per beschermingscategorie. Categorie

Artikel 3.1-3.4 & Artikel 3.53.9 (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)

Artikel 3.10-3.11 (Nationaal beschermde soorten)

Alle planten en dieren (Zorgplicht)

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

Toetsingskader Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. Iedere afzonderlijke provincie heeft algemene soorten uit deze categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht (zorgplicht is wel van toepassing). Indien deze soorten niet zijn vrijgesteld dienen effecten te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden.

In het kader van de zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.

7

3

PLANGEBIED

3.1

Ligging

Het plangebied is gelegen aan de Coenderstraat 41 te Delft, in de gemeente Delft in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied betreft een onbewoond woonhuis, gelegen op een binnenplaats in een stedelijke omgeving. Zie figuur 3.1 voor de ligging en de begrenzing van het plangebied.

Figuur 3.1. Ligging en begrenzing van het plangebied Coenderstraat 41 te Delft (rood omkaderd).

Het plangebied bevindt zich in het oude stadscentrum van Delft. Het wordt omgeven door een eind negentiende-eeuws woningenblok begrensd door de Coenderstraat in het oosten, de Westerstraat in het noordwesten en de Nieuwe Schoolstraat in het zuidwesten.

3.2

Bestaande situatie Het plangebied betreft een woning, bouwjaar 1890 met een oppervlakte van 131 m2. De woning staat op een binnenplaats. De woning heeft twee bouwlagen en heeft uit bakstenen gevels zonder spouwmuur. In het midden van de voorgevel zit een dubbele voordeur met links ervan een raampartij en rechts ervan een dubbele deur naar de kelder. Het gebouw is voorzien van een zg. mansardedak met een zolderverdieping. Het dak is bedekt met stroken bitumen dakbedekking. Aan de voorgevel van het dak zit een dakkapel met een dubbele deur met twee open ruitvormige gaten die een ingang naar binnen vormen. Er missen enkele bakstenen uit de voorgevel, waarachter schuimmateriaal is te zien. Aan de rechter-zijgevel zijn ook wat missende bakstenen, hierachter zitten echter meer bakstenen. De woning is begroeid door verschillende klimopplanten die een derde van de linker zijgevel en circa een kwart van het dak bedekken. De bodem in de tuin is grotendeels verhard maar op een paar plaatsen begroeid met verschillende kruiden (bosrank en overblijvende ossentong), klimop en algemene bomen (platanen en esdoorn). De plataan in de tuin heeft een duivennest in de top van de boom. In de tuin staan twee schuren. Eén schuur staat aan de oostkant van de tuin en is van hout met een asbest golfplaten dak. Deze is bijna volledig bedekt met klimop.

De andere schuur staat aan de zuidwestkant van de tuin en is ook van hout gemaakt. In de tuin ligt een hoop van takken en aan de noordkant van de tuin ten oosten van het woonhuis ligt een circa 0,5 meter hoge stapel van bladeren.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

8

Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2.

Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Foto 1. Linksboven: Het vooraanzicht van het woonhuis Coenderstraat 41. Foto 2. Rechtsboven: de schuur aan de zuidwestkant van de tuin. Foto 3. Links midden: De schuur aan de oostkant van de tuin met de takkenhoop aan de linkerzijde. Foto 4. Rechts midden: steeg aan de linkerzijde van het woonhuis. Foto 5. Linksonder: De kelder van het woonhuis. Foto 6. Rechtsonder: de zolder van het woonhuis.

3.3

Beoogde situatie en activiteiten

De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. De woning aan de Coenderstraat 41 te Delft wordt gerenoveerd, de takken en bladeren worden uit de tuin verwijderd maar de planten en bomen blijven intact.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

9

Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Wet natuurbescherming.

3.4

Veldbezoek

Het plangebied is bezocht in de ochtend van 29 maart 2022. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, bewolkt met een temperatuur van 8°C, windkracht 2 Bft uit het noordoosten. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

10

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk zijn/is.

4.1

Natura 2000-gebieden

Het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ bevindt zich op circa 10 km afstand ten westen van het plangebied, zie figuur 4.1. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.

Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen2. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevindt zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. De meeste negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende infrastructuur uitgesloten. Stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000gebieden kan echter niet op voorhand uitgesloten worden, zie volgende paragraaf. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NO X (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot. In Nederland is in 118 van de 161 Natura 2000-gebieden, de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning 1. Met het aannemen van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, ook wel ‘Stikstofwet’ genoemd, op 9 maart 2021 is een partiële vrijstelling opgenomen in de Wet natuurbescherming voor bouw-, sloop- en aanlegactiviteiten in de bouwsector.

Deze Wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

11

vrijstelling is partieel, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (hierna: “bouwfase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (hierna: “gebruiksfase”). De vrijstelling is tevens partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, zoals de verstoring door licht, geluid en trillingen en oppervlakteverlies van habitatten en effecten op grondwaterstanden. Dit betekent dat in de vergunningverlening van (bijvoorbeeld) een woningbouwproject alleen nog gekeken wordt naar de structurele stikstofemissies en -depositie tijdens de gebruiksfase van het project. Er moet dus nog steeds onderzocht worden wat de gevolgen zijn voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase en de effecten van de bijbehorende depositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Hieruit komt naar voren of er een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: “Wnb”).

Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) artikel 7.19a moeten bij het verrichten van bouwen sloopwerkzaamheden adequate maatregelen getroffen worden om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken als voor het bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is of als er een melding nodig is omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer is dan 10 m3. Deze maatregelen moeten worden beschreven bij een bouwmelding en een sloopmelding. Kortom, een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden (bouwfase) is niet noodzakelijk door de partiële vrijstelling voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden. Er is geen stikstofdepositieberekening nodig voor de gebruiksfase, omdat er geen verandering in gebruik van het plangebied zal optreden ten opzichte van het huidige.

4.2

Ecologische verbindingszones

Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)3, zie figuur 4.2. Het plangebied bevindt zich op circa 2 km van een ecologisch natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier een groenstrook ten noordoosten van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

12

4.3

Houtopstanden In de Wet natuurbescherming geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000 m2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze regel is enkel van toepassing op een bos of bomenrij buiten de bebouwde kom. Er zullen geen bomen worden gekapt. Een meldingsplicht bij de provincie Zuid-Holland is niet noodzakelijk.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

13

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn.

5.1

Vaatplanten

5.2

Vogels

5.2.1

Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als de stedelijke ligging van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht4. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is niet noodzakelijk.

Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als jaarrond beschermde broedende vogels en soorten uit categorie 5.

Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van de Coenderstraat nr. 41 de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen4. De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. Het plangebied is niet geschikt voor de gierzwaluw, omdat het gebouw te laag is en geen geschikte dakbedekking heeft. De gaten die aanwezig zijn, zijn te klein en kunnen niet door gierzwaluwen worden gebruikt. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de gierzwaluw kan redelijkerwijs worden uitgesloten. De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Het plangebied is niet geschikt als broedplaats voor de huismus, maar is eventueel wel foerageer- en/of leefgebied. De klimop in het plangebied is geschikt voor de huismus als foerageergebied. Ten noordwesten van het plangebied rondom de Hugo de Grootstraat zijn de meeste waarnemingen van huismussen gedaan. Rondom de Hugo de Grootstraat zijn meerdere tuinen en hekken met klimop en woningen met dakpandaken waar huismussen onder kunnen broeden. Hierdoor is het plangebied geen essentieel foerageergebied.

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van essentieel foerageeren/of leefgebied van de huismus is niet noodzakelijk. De bomen in het plangebied zijn niet geschikt voor roofvogels en/of uilen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van roofvogels of uilen in de bomen waargenomen en de bomen staan in een te stedelijke omgeving voor deze vogelsoorten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.2.2

Vogels uit categorie 5 Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten: ekster en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen 1. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied. Echter is er in de omgeving voldoende alternatief en zijn er geen nesten aanwezig. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.2.3

Algemene (broed)vogels In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals houtduif, merel en kauw. Het groen in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden 1. Er wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.3

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen1,5. Het voorkomen van strikt beschermde

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

14

zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals huisspitsmuis en egel. Ook kunnen er binnen het plangebied algemene zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat. Voor nationaal beschermde zoogdiersoorten huisspitsmuis en egel geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. De takken- en bladerhopen zijn geschikt voor de egel om een winterslaap in te houden. De takkenen bladerhopen dienen verwijderd te worden buiten de winterslaap periode van circa oktober/november tot april/mei om te voorkomen dat de egel verstoord wordt gedurende zijn winterslaap.

Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren.

5.3.1

Verblijfplaatsen

In het plangebied staan geen bouwwerken die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De bebouwing heeft geen spouwmuur of gaten of kieren die geschikt zijn voor vleermuizen. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. In de aanwezige bomen zijn geen gaten waargenomen die geschikt zijn voor boom bewonende vleermuizen. Ook worden de bomen in het plangebied niet omgehakt. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Om de natuur voldoende ruimte te geven is het advies om de nieuwbouw natuurinclusief te bouwen. De gemeente Amsterdam heeft een brochure beschikbaar met mooie voorbeelden, zie https://openresearch.amsterdam/nl/page/47014/handboek-natuurinclusief-bouwen

5.3.2

Foerageergebied en vliegroute

Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied betreft potentieel een essentieel foerageergebied. Door de hoge bomen en de grote hoeveelheid klimop is het plangebied rijk aan insecten. Deze bomen en de klimop op de schuren zullen behouden blijven waardoor de kwaliteit van het foerageergebied niet achteruit zal gaan. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Wel is het nodig om eventuele bouwverlichting in de avond uit te doen om het foerageergebied niet te verstoren. Sommige vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren, zoals watergangen en bomenrijen, als vliegroute. Andere vleermuizen zijn minder afhankelijk van dit soort structuren 6. Het plangebied bevat geen geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Ook zijn er in de omgeving kwalitatieve vliegroutes, zoals de waterwegen ten oosten en zuiden van het plangebied en de bomenrijen ten oosten van het plangebied. De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op mogelijk aanwezige essentiële vliegroutes. Negatieve effecten op mogelijk aanwezige essentiële vliegroutes kunnen worden uitgesloten.

5.4

Amfibieën Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde amfibieën voorkomen7. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. De groenstroken in het plangebied zijn geschikt voor nationaal beschermde soorten, als bruine kikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

15

5.5

Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen7. Vanwege de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten.

5.6

Vissen In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.7

Overige beschermde soorten

Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers, weekdieren en een kreeftachtige, beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

16

6

CONCLUSIES EN ADVIES In opdracht van SG Architecten heeft Aqua-Terra Nova bv een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project Coenderstraat 41 te Delft. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. De conclusies van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven.

6.1

Gebiedsbescherming

6.2

Soortenbescherming

Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 10 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000gebied kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. • Het plangebied bevindt zich op circa 2 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

In tabel 6.1 zijn de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming per soortgroep aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep

Wet

Geadviseerde vervolgstappen

Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats Categorie 5 soorten Algemene soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11

Aanwezigheid uitgesloten. Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.1

Aanwezigheid uitgesloten.

Wnb 3.1 Wnb 3.1

Verstoring broedende vogels voorkomen. Verstoring broedende vogels voorkomen.

Beschermde soorten

Wnb. 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten.

Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 1.11

Bladerhopen buiten de winterslaapperiode van egels verwijderen.

Verblijfplaatsen

Wnb 3.5

Aanwezigheid uitgesloten.

Vliegroutes en foerageergebied

Wnb 3.5

Licht overstraling zoveel mogelijk vermijden.

Beschermde soorten

Wnb 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten.

Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

Amfibieën

Reptielen Beschermde soorten Vissen Beschermde soorten Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11 N.v.t.

N.v.t. N.v.t. Aanwezigheid uitgesloten.

Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes. Kleur

Betekenis

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

17

6.3

Groen

Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Geel

Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.

Rood

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.

Advies en vervolgstappen De beoogde werkzaamheden betreffen het renoveren van de woning op het stedelijke terrein aan de Coenderstraat te Delft.

6.3.1

Broedvogels

6.3.2

Vleermuizen

Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden.

Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en de toepassing van een scherpe afsnede van de lichtinval.

6.3.3

Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.

6.4

Geldigheid

Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

18

7

REFERENTIES

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Ministerie van Economische zaken. Wet natuurbescherming. (2016). Ministerie van landbouw natuur en voedselkwaliteit. Natura 2000-gebieden. Rijksoverheid. Begrenzing van het Natuurnetwerk en de Natura 2000-gebieden. (2018). FLORON. Zoogdiervereniging. Limpens, H., Twisk, P. & Veenbaas, G. Met vleermuizen overweg. RAVON.

22068/AQT301FF/MA Definitieve rapportage 4 april 2022

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11880912/1