CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

BP boekje Toelichting Regels Bijlagen bij de regels (OUD)

Raadsvergadering 11 juli 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake crisis- en herstelwet omgevingsplan TU Delft Campus Zuid (nr. 2424345)41.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Conclusie

Het stedenbouwkundig plan van PosadMaxwan is een belangrijke onderlegger voor het plan. De belangrijkste uitgangspunten voor de stedenbouwkundige opzet zijn: Een hoogwaardig ingerichte openbare ruimte geeft structuur en identiteit aan het gebied. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 42

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Hoofdroutes voor voetgangers, fietsers, automobilisten en OV-reizigers liggen in brede, groene profielen met in lijn geplante grote bomenrijen. Bebouwing in de clusters wordt georganiseerd rondom groene ruimtes zoals een park of watergang. Er wordt een groenblauw netwerk van biotopen met passende ecologische karakteristieken gerealiseerd. Het gebied wordt ingedeeld in bebouwingsclusters. Hierbinnen wordt het bouwprogramma zodanig geordend dat een maximum aan uitwisseling en synergie bereikt wordt. Gebouwen en kavelinrichting zijn van hoge kwaliteit. Bebouwing heeft een bouwhoogte van maximaal 20 m, langs de A13 25 m. In een deel van het gebied zijn nieuwe hoogteaccenten tot 40 m mogelijk. Duurzame mobiliteit wordt maximaal gestimuleerd door het realiseren van een aantrekkelijk, veilig netwerk van wandel- en fietspaden, goede OV-verbindingen en clustering van parkeren in centraal gebouwde parkeervoorzieningen. De Mekelweg is de centrale stedenbouwkundige as die het gebied verbindt met het overige deel van de campus en de stad in het noorden. De Mekelweg en de Thijsseweg vormen de verbinding naar het buitengebied in het zuiden. De Huismansingel en Heertjeslaan zijn de belangrijkste ontsluitingswegen voor de auto, met aansluiting op de Kruithuisweg richting A13 en A4.

Er zijn geen nieuwe oeververbindingen tussen Campus Zuid en Schieoevers Zuid gepland, maar het plan sluit eventuele toekomstige bruggen niet uit. De Kruithuisbrug en het naastgelegen viaduct verbindt Campus Zuid met station Campus.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 43

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten en onderzoek

5.1

Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen

5.1.1

Natuurinclusief bouwen

5.1.1.1 Kader De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Het doel is de stad te vergroenen en klimaatadaptief te maken. Om een gezonde, toekomst-bestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in de ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem. Om biodiversiteit in de stad te versterken moet bij elk project en/of gebiedsontwikkeling een onderbouwing worden aangeleverd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de eisen die voor de desbetreffende ontwikkeling worden gesteld. Een puntensysteem vormt de basis voor toepassingen op alle (nieuw)bouwprojecten, gebiedsontwikkelingen en renovatieprojecten binnen de gemeente Delft. Het kan daarbij gaan om een grootschalige stedenbouwkundige herstructurering, het realiseren van een woongebouw of brug of het renoveren van een gebouw. Het puntensysteem is in het kader van natuurinclusief bouwen uitgewerkt.

Het maakt duidelijk welk type maatregelen gewenst is binnen de ruimtelijke context in de huidige situatie en de mogelijkheden van de nieuwbouw en renovatie. Dit puntensysteem biedt richting en houvast, maar tegelijkertijd moet er ruimte zijn/blijven voor de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars. Om die reden is in de planregels nog de mogelijkheid gegeven voor de ontwikkelende partij of initiatiefnemer om op vergelijkbare wijze tot eenzelfde resultaat te komen. 5.1.1.2 Natuurinclusief bouwen in het bestemmingsplan Het kader natuurinclusief bouwen dat onlangs is vastgesteld in de gemeenteraad met in de kern van dit kader een puntensysteem waarin voor verschillende maatregelen punten zijn opgenomen. Bij elk bouwproject moet een minimum aantal punten gehaald worden door het nemen van maatregelen uit de lijst. Ontwikkelaars kunnen ook zelf maatregelen aandragen die opgenomen kunnen worden op deze lijst. Het aantal punten dat gehaald moet worden is afhankelijk van de grootte van het project. Indien ontwikkelaars zelf maatregelen aandragen is advies vanuit de gemeente nodig om te bepalen of de maatregelen zinvol zijn en, zo ja, hoeveel punten de maatregelen 'waard zijn'. Zo ontstaat een flexibel kader dat de ambitie voor natuurinclusief bouwen concretiseert.

In de regels van het bestemmingsplan wordt het puntensysteem uit het beleidskader natuurinclusief bouwen voorgeschreven. Het kader natuurinclusief bouwen maakt onderscheid in kleine, middelgrote en grote projecten en heeft daarnaast de categorie gebiedsontwikkeling. Onderstaande tabellen laten zien in welke categorie een project valt en geven aan hoeveel punten gehaald moeten worden.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 44

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Afbeelding 10: Categorieën projecten. Bron: Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, Kader voor ontwikkelingen

Afbeelding 11: Te behalen aantal punten per categorie project. Bron: Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, Kader voor ontwikkelingen 5.1.1.3 Conclusie Het puntensysteem uit het Kader Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is dynamisch verankerd in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. Dit wordt toegepast bij de verdere uitwerking van de deelgebieden. De maatregelen voor duurzaam en natuurinclusief bouwen worden dus uitgewerkt bij het bouwplan.

5.1.2

Klimaatadaptatie

5.1.2.1 Kader De aarde warmt op en het klimaat verandert. De kans op extremen in neerslag, droogte en hitte neemt ook in Delft toe en dit heeft effect op biodiversiteit, bodemdaling en grondwaterstanden. Delft moet zich voorbereiden op de risico's van het veranderende klimaat en hierop de omgeving aanpassen. Dit heet klimaatadaptatie. In 2050 moet Delft waterrobuust en klimaatbestendig ingericht zijn. Op basis van de gemeentelijke klimaatadaptatiestrategie en het provinciale convenant zijn de gewenste maatregelen voor nieuwbouw in de gemeente Delft uitgewerkt in de Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen (zie ook toelichting in paragraaf 3.5.5). Daarbij is een integratie van de verschillende klimaatthema's noodzakelijk om te komen tot een klimaatadaptieve stad. De Delftse beleidsregels gaan in op thema's bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 45

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid en de onderlinge raakvlakken. Hierbij worden algemene ambities toegelicht, de uitgangspunten die gewenst zijn en de randvoorwaarden, die de harde (minimale) eisen vormen. De beleidsregels zijn in 2022 vastgesteld door het college van B&W. Daarmee zijn deze beleidsregels van toepassing op alle nieuwbouwontwikkelingen, gebiedsontwikkelingen en herstructurering, vergelijkbaar met verschillende andere beleidseisen. Bij de plantoetsing wordt door de ontwikkelende partij aangetoond op welke wijze aan de beleidsregels invulling is gegeven. Deze worden door de gemeente beoordeeld, in samenhang met andere eisen. Bij afwijking van de eisen moet dit worden gemotiveerd en aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd. 5.1.2.2 Gewenste ontwikkeling Een toekomstbestendige stad is ook een klimaatadaptieve stad. Natuurinclusieve maatregelen zoals vergroening en watergerichte maatregelen dragen ook bij aan het klimaatadaptief maken van de stad. Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress.

Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend (zie ook de toelichting in paragraaf 3.5.5). Om de warmte-accumulatie in de stad te beperken wordt ernaar gestreefd zo min mogelijk oppervlak te verharden (zowel op percelen van derden als in de openbare ruimte) en zoveel mogelijk water op te nemen en door een groene inrichting te laten verdampen. Verdamping kan en mag ook op andere manier, maar die van groen heeft een meerwaarde bijvoorbeeld voor de biodiversiteit en het opnemen van CO2. Om groen ook in de drogere zomerperiode te kunnen laten functioneren is voldoende watervoorraad nodig (spons). De stad als spons heeft als hoofddoel om het regenwater op te vangen waar het valt en daar ook vast te houden, zodat het door middel van verdamping (meestal en bij voorkeur door planten) wordt teruggegeven. Dit beperkt het watertekort bij droogte en gaat door verdamping hittestress tegen. Daarnaast is meer groen ook van belang voor de gewenste biodiversiteit. Het is van belang dat de nieuwbouw ontwikkeling (met inbegrip van de inrichting van het onbebouwde deel van een perceel) hieraan een bijdrage levert. Voor het bouwproject gelden op het gebied van klimaatadaptatie de volgende drie ambities: 1. afkoppelen van regenwater en daarmee de spons maximaal gebruiken; 2.

maximale verdamping ten behoeve van koeling, waarbij geen kraanwater nodig is; 3. maximale vergroening, minimale verharding. 5.1.2.3 Conclusie De maatregelen voor klimaatadaptief bouwen worden uitgewerkt bij de bouwplannen. De borging van de waterberging vindt plaats via de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De klimaatadaptieve ambities worden meegenomen in het nog op te stellen inrichtingsplan en de bouwplannen voor de verschillende deelgebieden.

5.1.3

Conclusie

De aspecten klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Bestaande situatie

Het plangebied voor het project Delft Campus Zuid ligt in de oksel van de N470 Kruithuisweg en de A13. Deze wegen zorgen mogelijk voor een verhoogde milieubelasting. Omdat men in een stad als Delft verschillende leefmilieus (van levendig tot rustige woonwijk) wil behouden, is Delft in 8 verschillende gebiedstypen ingedeeld. Het plangebied is ingedeeld in het zogenaamde gebiedstype “bedrijventerrein 2”. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 46

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid In dit gebiedstype kunnen zich bedrijven vestigen die te veel hinder veroorzaken om zich in een woonwijk te vestigen, maar niet zodanig dat ze zijn aangewezen op een traditioneel bedrijventerrein. In deze gebieden kunnen zich verschillende type bedrijven zoals innovatieve bedrijven etc. vestigen. Daarnaast kunnen zich bedrijven vestigen die gerelateerd zijn aan de kennisstadstrategie. Dat betekent dat in de bedrijfsvoering relatief veel aandacht voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten of methoden is, er sprake is van het toepassen van nieuwe technologieën, er sprake is van een relatief hoog aandeel van nieuwe producten of diensten in de omzet, er in het totale werknemersbestand een relatief hoog aandeel bestaat van hoger opgeleid personeel en/of er structurele samenwerking met instellingen van hoger onderwijs of met gespecialiseerde onderzoeksinstellingen is. 5.2.2

Beleid en onderzoek

Om de (on)mogelijkheden binnen het plangebied inzichtelijk te maken is onderzoek uitgevoerd naar bedrijven- en milieuzonering. Onderstaand worden de uitgangspunten en uitkomsten van het onderzoek Bedrijven - en milieuzonering (zie bijlage 2 Bedrijven- en milieuzonering) uiteengezet. Voor het onderzoek wordt uitgegaan van de bestaande VNG-handreiking 'Bedrijven- en milieuzonering (editie 2009). De VNG-handreiking 'Bedrijven- en milieuzonering' geeft adviesafstanden voor de thema's geur, geluid, stof en gevaar afhankelijk van de gebiedskenmerken. Op basis van het meest belastende thema zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Het plangebied voor het project Delft Campus Zuid wordt getypeerd als gemengd gebied, aangezien er sprake is van een grote diversiteit aan functies, zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving. Zo zijn binnen het plangebied functies voorzien als bedrijvigheid en onderwijs. Daarnaast ligt het plangebied in de oksel van de N470 Kruithuisweg en de A13. Deze wegen zorgen mogelijk voor een verhoogde milieubelasting. De analyse bestaat uit twee delen; allereerst wordt gekeken naar de effecten van de omgeving op het plangebied. Vervolgens wordt gekeken naar de effecten van de nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied op de omgeving. Effecten omgeving plangebied De contouren van het omliggende gebied overlappen het plangebied aan de westzijde.

Het gaat om de contouren van het bedrijventerrein Schieoevers Zuid. Het ontwikkelen van gevoelige functies aan deze zijde van het plangebied is hierdoor niet direct mogelijk. Aan de westzijde van het plangebied is echter ruimte voor onderwijsfuncties opgenomen. Het vigerende bestemmingsplan maakt zowel bedrijvigheid als onderwijs mogelijk binnen dit gebied, aangezien de functie van het gebied aangeduid is als 'specifieke vorm van bedrijventerrein - onderwijs en onderzoek'. In de voorgenomen plannen krijgt het gebied de bestemming campus, waarbinnen eveneens ruimte is voor onderwijs en onderzoek. Hoewel er in de voorgenomen ontwikkeling een bedrijfscategorie 3.2 is toegekend aan dit gebied, blijft onderwijs een gevoelige functie. Bij de inrichting van het plangebied moet daarom rekening worden gehouden met het exact situeren van de onderwijsgebouwen ten opzichte van de bedrijvigheid. Aan de overige zijden van het plangebied vindt geen overlap van contouren met het plangebied plaats. Wel ligt de contour van het zuidelijke gebied met categorie 3.1 dicht tegen het gebied met de bestemming campus (categorie 3.2) aan. Zoals hierboven beschreven blijft onderwijs, ondanks de hogere categorie, een gevoelige functie en wordt aanbevolen om met de exacte indeling van het gebied rekening te houden met de omliggende bedrijvigheid.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 47

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Afbeelding 12: Milieucontouren plangebied en omgeving

Effect ontwikkelingen plangebied De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen effect op de omgeving rond het plangebied. Omliggende gevoelige bestemmingen vallen buiten de geldende milieucontouren.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 48

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Afbeelding 13: Milieucategorieën in het plangebied

5.2.3

Conclusie

Uit de resultaten blijkt dat het gebied voor onderwijsfuncties aan de westzijde overlapt wordt door contouren van bedrijventerrein Schieoevers Zuid. Aangezien aan dit gebied de functie 'campus' en een relatief hoge categorie (3.2) is toegekend, geldt dat dit niet direct een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Geadviseerd wordt om in de verdere inrichting en uitwerking van het plan rekening te houden met de geldende richtafstanden. De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen effect op de omgeving rond het plangebied. De richtafstanden overschrijden geen gevoelige functies.

5.3

Bodem

5.3.1

Bestaande situatie

Campus Zuid bestaat uit verschillende (lege) kavels (plots) die (her)ontwikkeld kunnen worden. Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Deze beschrijft de algemene bodemkwaliteit. De kaart maakt deel uit van de (Concept) Nota Duurzaam bodembeheer Gemeente Delft 2018. Het plangebied valt in deze bodemkwaliteitskaart in de zones: 04. Industrie/bedrijven vanaf 1960; 07. Lint Wonen/bedrijven 1550-1880; 14. Recreatie; 15. Buitengebied. De bodemkwaliteit van het plangebied is bijna geheel in kaart gebracht. Een deel van het gebied is ooit opgehoogd met grond of zand. In het kader van het plan zijn onderzoeken uitgevoerd om een meer bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 49

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid recent beeld van de bodemkwaliteit te schetsen. 5.3.2

Beleid en onderzoek

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet door bodemonderzoek worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Indien uit onderzoek blijkt dat er sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's (saneringsnoodzaak), dienen deze te worden weggenomen. De locatie is geschikt voor de beoogde functie als blijkt dat er voor die functie geen risico's meer aanwezig zijn (functiegericht saneren). In het algemeen dient de bodemkwaliteit te worden gehandhaafd en waar mogelijk op lokaal niveau te worden verbeterd. De bodemkwaliteit mag in geen geval verslechteren. De vigerende wetgeving (Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit), het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk bodembeleid moet in acht worden genomen. Op 26 mei 2020 heeft Tauw in opdracht TU Delft Campus and Real Estate het 'Vooronderzoek Campus Zuid Delft'' volgens NEN 5725 uitgevoerd op de locatie Campus Zuid in Delft.

Bij actualisatie van het onderzoek naar aanleiding van het wijzigen van het plangebied op 21 maart 2023 (zie bijlage 3 Bodemonderzoek), blijken de conclusies en adviezen zoals geformuleerd in het vooronderzoek ook voor het huidige plangebied te gelden. Het betreffen enkel minder relevante locaties waar een verontreiniging aanwezig is binnen het plangebied en activiteiten gelegen binnen een straal van 25 m van het plangebied of waar vervolgonderzoek wordt geadviseerd Op 27 juli 2020 (zie bijlage 4 Bodemonderzoek PFAS) heeft RHDHV in het kader van de ruimtelijke procedure, grondverzet en contractuele zaken het ''Bodemonderzoek PFAS herontwikkelingslocaties'' uitgevoerd op de herontwikkelingskavels in het plangebied. Hiermee is inzicht gegeven in de aanwezige concentraties PFAS op de herontwikkelingskavels en zijn de verwachte grondverzetmogelijkheden en eventuele beperkingen in grondverzet alvast globaal in kaart gebracht. Daarnaast geven de resultaten een indicatie van de geschiktheid voor de beoogde functies. Uit het vooronderzoek blijkt dat er vrijwel geen verdachte activiteiten voor PFAS worden uitgevoerd op of in de directe omgeving van de herontwikkelingskavels op Campus Zuid. Verwacht wordt dat PFAS zich verspreid heeft via regenval en daardoor diffuus voorkomt met gelijke verdeling (homogeen). De resultaten van het onderzoek bevestigen de verwachting.

PFOS en PFOA zijn diffuus verspreid in lage concentraties aanwezig. De aanwezigheid van deze stoffen in de bodem is te relateren aan de uitstoot van PFAS in het milieu, met name door atmosferische depositie.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 50

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Afbeelding 14: Verspreiding PFAS/PFOS bovengrond TU Campus Zuid Ten behoeve van het plan is voor PFAS redelijkerwijs in kaart gebracht wat de bodemkwaliteit is. De bodemkwaliteit voldoet voor >95% aan de hergebruiksnormen. Bovendien liggen de normen overal onder de risiconormen voor onaanvaardbare risico's. Bij actualisatie van het onderzoek naar aanleiding van het wijzigen van het plangebied op 21 maart 2023 (zie bijlage 3 Bodemonderzoek), is ten aanzien van PFAS geconcludeerd dat de bodem van de onderzoekslocatie diffuus verdacht is voor PFAS. 5.3.3

Gewenste ontwikkeling

Uitgangspunt is dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde functie. De algemene bodemkwaliteit dient te voldoen aan de lokale maximale waarden in combinatie met de bodemfunctie die voor het betreffende gebied zijn vastgesteld. In de praktijk komt het erop neer dat de huidige bodemkwaliteit dient te worden gehandhaafd. Er dient bij voorkeur te worden gewerkt met een gesloten grondbalans (met uitzondering van mogelijk ernstig verontreinigde saneringslocaties). Alle vrijkomende grond dient zoveel mogelijk binnen het gebied te worden hergebruikt op basis van de Nota bodembeheer. Hierdoor wordt het gebruik van grondstoffen en vervoersbewegingen tot een minimum beperkt. Indien grond nodig is, dan dient dit zoveel mogelijk vanuit de regio te worden aangevoerd. 5.3.4

Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan.

5.4

Ecologie

5.4.1

Bestaande situatie

Campus Zuid is een wetenschapspark gelegen binnen de gemeente Delft. Het park is voor een groot deel nog in aanbouw. De bedrijven die op Campus Zuid staan (of komen te staan) hebben veelal binding met de TU Delft. Campus Zuid is ca.110 ha groot en in omvang vergelijkbaar met de historische binnenstad van Delft. Hiervan is nog ca. 50 ha beschikbaar voor ontwikkeling. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vindt in het plangebied een transformatie plaats van polder bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 51

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid naar campus. Ook rondom het plangebied vinden volop ontwikkelingen plaats waardoor het karakter van het plangebied als leefgebied voor planten en dieren steeds verder verandert. Enkele relevante veranderingen zijn de ontwikkeling van infrastructuur (A13), de verstedelijking en ontwikkeling van bedrijventerreinen aan de zuidrand van Delft en ontwikkelingen in het buitengebied zelf zoals de intensivering van landbouw, aanleg van parken, veranderingen in peilbeheer en waterkwaliteit. Binnen Campus Zuid terrein is veel afwisselend groen en water aanwezig. De groene zones van het plangebied bestaan voornamelijk uit kleine bosschages, bomenrijen, grote en kleine waterpartijen, open grasvlakten en oeverzones. Binnen Campus Zuid terrein staan verschillende rijen van populier, plataan, es, linde, eik, conifeer, gewone esdoorn en beuk. Daarnaast staan er ook meerdere solitaire bomen en is er diversiteit aan jonge en oude bomen aanwezig binnen het plangebied. Ook heeft het terrein relatief veel oppervlaktewater en enkele weilanden die worden begraasd door geiten, schapen en pony's. Aan de zuidkant van het bedrijf Deltares is, net buiten het plangebied, een manege gevestigd. Langs de noordkant van het Campus Zuid terrein liggen verschillende sportvelden. Deze sportvelden zijn omringd door populierenrijen en een watergang.

In het plan Technopolis is een aantal groen- en waterstructuren bestemd als ecologische zone: Mekelweg, zone ten noorden van de Watermanweg/Antonie Fockerweg, groene zone langs de Rotterdamse weg, Thijssevaart, Karitaatmolensloot en A13, zoals in afbeelding 13 is weergegeven. In de huidige situatie is het plangebied ook volop in transformatie. Er zijn delen die al jarenlang bebouwd zijn voor onderzoeksinstituten of onderwijsinstellingen en er zijn bedrijven en sportterreinen. In deze gebieden hebben zich typische planten en diersoorten van stad en park gevestigd. Binnen deze gebieden vinden wel regelmatig aanpassingen en verbouwingen plaats. Zo zijn in 2018 sommige beschoeide oevers vervangen door natuurvriendelijke oevers. Delen rond de Huijsmansingel en Heertjeslaan zijn de afgelopen jaren opgehoogd maar zijn deels nog niet bebouwd. Hier heeft zich een nieuwe vegetatie ontwikkeld met bijbehorende fauna. Vooral aan de zuid- en oostzijde zijn ook nog delen waar het oorspronkelijke maaiveld redelijk intact is en liggen weilanden of is bosopslag.

Afbeelding 15: het ecologische raster van Campus Zuid

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 52

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 5.4.2

Beleid en onderzoek

Het plan dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving met betrekking tot het aspect ecologie. Het betreft de Wet natuurbescherming, provinciale wetgeving (Natuurnetwerk Nederland) en het gemeentelijk beleid (Nota Groen 2012-2020 en Bomenverordening Delft 2013).Ter toetsing aan de bovengenoemde wet- en regelgeving is een Eco-effectscan uitgevoerd (zie bijlage 5 Eco-effectscan) en bij de toelichting van het plan toegevoegd. Verder heeft in november 2021 (zie bijlage 7 Natuurwaardenonderzoek Thijsseweg) nog een natuurwaardenonderzoek aan de Thijsseweg plaatsgevonden. Dit onderzoek is in de gewijzigd plangebied nog actueel voor de verhuizing van BlueBirds. Op 1 november 2023 heeft een onderzoek voor het plangebied plaatsgevonden (zie bijlage 8 Wnb onderzoek). In dit rapport wordt ingegaan op het voorkomen van beschermde soorten in en vlak bij het plangebied en in hoeverre de uitvoering van het plan past binnen de kaders van de Wet natuurbescherming (Wnb). In de volgende hoofdstukken worden per beschermde soortgroep en beschermde gebieden de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken samengevat en beschreven wat de impact van het plan is. 5.4.3

Gewenste ontwikkeling

Algemeen Het plan bouwt voort op eerdere plannen en voorziet in een verdergaande ontwikkeling en bebouwing van het plangebied. De hoofdstructuur voor percelen, ecologische structuur en infrastructuur blijft gelijk. Het plan houdt nadrukkelijk rekening met doorlopende ecologische structuren (waterpartijen met brede natuurlijke oevers, boomsingels) die het gebied toegankelijk houden of maken voor veel diersoorten. Op veel plaatsen blijven waterlopen en partijen hetzelfde, op een paar andere plaatsen worden deze lokaal verandert. Slechts enkele sloten worden gedempt en er zal netto meer oppervlaktewater voor terugkomen en eventuele leefgebieden van zwaarder beschermde soorten zullen gecompenseerd worden. In de gebiedsvisie van PosadMaxwan (2019) voor de terreinen van de TU is het versterken van de groene en blauwe structuur een belangrijke drager van het gebied. Hierdoor ontstaan uitstekende vliegroutes voor vleermuizen en wordt de geschiktheid van het gebied als foerageergebied duidelijk versterkt. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt ruim 12 kilometer verwijderd van de meest nabije Natura2000-gebieden (Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapenveld).

Hierdoor kunnen effecten van de uitvoering van het plan en het functioneren van de daardoor toegestane activiteiten geheel uitgesloten worden met betrekking tot directe effecten zoals vernietiging of verstoring door geluid, trillingen, licht, veranderingen in waterstand- en stromingen etc. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of andere beschermde gebieden. Het plangebied is gelegen op circa 1,6 kilometer van een gebied dat onderdeel is van het NNN. Het betreft de Ackerdijkse plassen. Het gebied is gelegen ten zuidoosten van het plangebied. Ook de overige aangewezen NNN gebieden in de nabije omgeving van het plangebied liggen op een afstand van circa 1 kilometer. Tussen het nabijgelegen NNN en het plangebied is waarschijnlijk uitwisseling van diersoorten, waarbij met name moet worden gedacht aan mobiele soorten zoals middelgrote zoogdieren en vogels met een groot leefgebied. Het plangebied kan hierbij de functie hebben als deel van het foerageergebied en het NNN als vaste verblijfplaats/broedbiotoop, of andersom. Directe effecten van de geplande werkzaamheden op beschermde gebieden zijn echter uit te sluiten. Negatieve effecten op het NNN van het realiseren van ontwikkelingen die door het plan mogelijk gemaakt worden, kunnen daarom uitgesloten worden.

In het plan TU Delft Campus Zuid is reeds invulling gegeven aan de vanuit de Groennota gewenste ecologische structuren. Deze structuren hebben ook de functie 'groen' en dienen ook op die wijze ingericht te worden. Indien door een ontwikkeling groen in omvang en/of kwaliteit achteruitgaat of zelfs verdwijnt, is het uitgangspunt dat dit gecompenseerd dient te worden, in de vorm van nieuw groen, verhoging van de kwaliteit van het groen of in de vorm van een bijdrage in de Ecologiereserve (financiële compensatie). Voor de bepaling van de invulling van de compensatieplicht is o.a. van belang de bijdrage en waarde van groen in de stedelijke structuur te bepalen en ook de functie van het groen speelt een rol. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 53

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Tenslotte dienen eventueel te kappen bomen vanaf een bepaalde omvang gecompenseerd te worden. Beschermde soorten De informatie in deze paragraaf is afkomstig van Vos (2017) (zie bijlage 6 Tijdelijke natuur), aangevuld met informatie uit de Quickscans voor deelgebieden (de Wilde, 2018 en 2019) en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) (geconsulteerd op 6 mei 2020). Uit dit bronnenonderzoek blijkt dat er in het plangebied en omgeving geen waarnemingen zijn van beschermde soorten ongewervelden (NDFF). In 2021 zijn tijdens het onderzoek van Bureau Stadsnatuur (2021) enkele exemplaren van de platte schijfhoren op een locatie in de Thijssevaart aangetroffen. Het is daarom niet uitgesloten dat ook op andere geschikte plekken in de waterlopen exemplaren van deze zwaarder beschermde soort voorkomen. Indien in het kader van het bestemmingsplan ingrepen in de watergangen plaatsvinden, dient aanvullend getoetst te worden op het voorkomen van deze soort en indien aanwezig zullen maatregelen en/of een ontheffing van toepassing kunnen zijn. Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten planten, amfibieën, reptielen, vissen, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nestplaats.

Het plangebied bevat voor deze soorten (in potentie) geschikt habitat, zoals bebouwing, bosjes, braakliggende velden en open water. De functie van het plangebied voor deze soorten wordt besproken in de volgende paragrafen. De Wnb geeft bescherming aan alle in Nederland voorkomende planten en diersoorten. Daarom dient bij activiteiten met al deze soorten rekening gehouden te worden en onnodige verstoring of schade dient vermeden te worden. Dit wordt de zorgplicht genoemd. Daarnaast zijn er zwaarder beschermde soorten waarvoor verstoren of doden alleen met een ontheffing mogelijk is. In de volgende paragrafen wordt vooral ingegaan op deze zwaarder beschermde soorten. Bij de uitvoering dient echter te allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor alle overige dieren en planten. Vaatplanten In de NDFF zijn geen beschermde planten aangetroffen uit het plangebied en de omgeving daarvan. Wel zijn een paar Rode Lijstsoorten gevonden (gele kornoelje, kamgras, kleine ratelaar, kluwenklokje en korenbloem). Deze zijn niet beschermd onder de Wnb in Zuid-Holland. Het komt overigens regelmatig voor dat dergelijke wat zeldzamere soorten aangetroffen worden nadat ze gezaaid zijn omdat ze in zaadmengsels voor bloemrijke bermen opgenomen zijn.

In het kader van de zorgplicht kan voor de aanwezige wat zeldzamere planten per situatie overwogen worden deze te verplaatsen als daarvoor geschikte locaties beschikbaar zijn. Omdat de aanwezigheid van deze soorten in de tijd nog flink kan veranderen zal dit per te ontwikkelen locatie nader overwogen worden. Daarbij zal informatie over ervaring met verplanten van de betreffende soorten meegenomen worden in de afwegingen. Vissen In de ruime omgeving is het voorkomen van de grote modderkruiper bekend (Vos, 2017). De habitat in het zuidoostelijk deel van het plangebied is geschikt voor deze vissoort door de aanwezigheid van ondiepe sloten met watervegetatie en een extensief beheer. Er zijn verbindingswateren aanwezig tussen het plangebied en de vindplaats van de grote modderkruiper. Aanvullend onderzoek met DNA heeft de grote modderkruiper niet aangetoond in het plangebied. Verder is de kleine modderkruiper als enige toentertijd beschermde vissoort aangetroffen in het plangebied zelf. Deze vissoort is inmiddels onder de Wnb niet meer beschermd en zal daarom niet verder worden behandeld. Vogels In de NDFF zijn waarnemingen van tientallen soorten vogels opgenomen die hier de afgelopen 5 jaar zijn waargenomen. Regelmatig betreft dit ook broedvogels.

Tijdens veldbezoek in 2016, 2018 en 2019 zijn verschillende soorten broedvogels waargenomen die te verwachten zijn op de overgang van stedelijk naar agrarisch gebied zoals o.a. de torenvalk, zwarte kraai, houtduif, winterkoning, meerkoet, wilde eend, fuut en krakeend. Voor deze soorten heeft het plangebied de functie van broed- en foerageergebied. Daarnaast zijn wintergasten waargenomen zoals de smient en het goudhaantje. Voor deze wintergasten heeft het plangebied alleen een functie als overwinterings- of foerageergebied. Verder zijn ook andere bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 54

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid soorten waargenomen waarvan verschillende mogelijk in het plangebied broeden zoals scholekster, koolmees, pimpelmees, kuifeend, wintertaling, aalscholver, Nijlgans en grote Canadese gans. In bomen aan de Thijsseweg zijn gaten in bomen gevonden. Er zijn waarnemingen uit het plangebied bekend van zowel grote bonte specht als de groene specht. De nesten van deze soorten zijn niet jaarrond beschermd. Het werkelijke aantal vogelsoorten dat voorkomt is natuurlijk groter. Daarom zal per te ontwikkelen locatie nader onderzoek gedaan moeten worden voordat daar activiteiten plaatsvinden om overtreding van de Wnb te voorkomen of gewerkt moeten worden volgens het ecologisch werkprotocol. Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Er komen thans geen jaarrond beschermde nesten voor in het plangebied. In en rond het plangebied worden regelmatig vogelsoorten waargenomen die jaarrond beschermde nesten hebben en in het plangebied zijn geschikte bomen en gebouwen waar nesten gebouwd zouden kunnen worden door verschillende van deze soorten. Het is daarom niet uit te sluiten dat zich gedurende de planperiode van het plan vogels met jaarrond beschermde nesten zullen vestigen in het plangebied. Vernielen of beschadigen van nest-, rust en slaapplaatsen (Wnb art. 3.1.2) of opzettelijk verstoring (Wnb art. 3.1.4) is niet toegestaan.

Voordat bomen gekapt of gebouwen gesloopt worden moet daarom onderzocht worden of daardoor geen jaarrond beschermde nesten verstoord of vernietigd worden. Indien geen nesten aangetroffen worden (en ook geen andere overtredingen plaatsvinden) kunnen de werkzaamheden zonder ontheffing uitgevoerd worden. Aangezien op de meeste bouwpercelen geen gebouwen staan die gesloopt hoeven worden en ook geen bomen staan die geschikt zijn voor vogels met jaarrond beschermde nesten zal dit voor de meeste percelen zeker geen knelpunt zijn. Worden wel nesten aangetroffen dan is een ontheffing in het kader van de Wnb nodig en zullen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen moeten worden voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Door bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met kwetsbare periodes en/of te zorgen voor alternatieve broedlocaties is de verwachting dat ook in deze gevallen het werkzaamheden veelal voortgang kunnen vinden. Overige broedvogels Op veel plaatsen in het plangebied komen tijdens het broedseizoen broedvogels voor. Broedvogels mogen niet verstoord worden en de nesten niet beschadigd. Hiervoor is in de praktijk geen ontheffing mogelijk. Door het treffen van maatregelen kunnen overtredingen van de Wnb voorkomen worden.

De voornaamste maatregelen zijn om voor de sloop van gebouwen nogmaals te controleren op de aanwezigheid van (jaarrond) beschermde nesten en de bouwlocatie voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels en de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. In de praktijk kan door een juiste planning van de werkzaamheden voorkomen worden dat broedvogels verstoord worden. Daardoor zijn alle in het plan toegestane ontwikkelingen mogelijk zonder broedvogels te verstoren. Grondgebonden zoogdieren Op veel plaatsen in het plangebied komen grondgebonden zoogdieren voor. Voor de meeste daarvan geldt een vrijstelling, maar moet in het kader van de zorgplicht wel gezorgd worden dat onnodige verstoring vermeden wordt. Voor de waterspitsmuis geldt dat vernielen of beschadigen van verblijfplaatsen (Wnb art. 3.10.1b) niet zonder ontheffing is toegestaan. Werkzaamheden aan sloten en oevers in het leefgebied van de waterspitsmuis zorgen mogelijk voor (tijdelijke) aantasting van leefgebied en overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van de waterspitsmuis. Voor die gevallen zal een ontheffing nodig zijn. Aan de ontheffing zullen voorwaarden verbonden worden ten aanzien van het voorkomen of mitigeren van effecten en het compenseren van het eventuele verlies van leefgebied.

Het voornaamste risico vanuit het bestemmingsplan voor de waterspitsmuis betreft waarschijnlijk tijdelijke verstoring van de oeverzones als daar bouw- en aanlegwerkzaamheden plaatsvinden. De waterspitsmuis gebruikt meestal maar een zeer smalle strook langs de oever (ordegrootte 1-3 meters) waar verblijfplaatsen zijn, jongen geboren worden en waar prooien opgegeten worden. De soort kan incidenteel ook op veel grotere afstanden van de oever worden gevonden, vooral als jonge dieren op zoek bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 55

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid gaan naar een eigen leefgebied. De waterspitsmuis heeft meestal een territorium langs één oever (of twee oevers bij smalle waterlopen, maar dat is hier niet het geval) van enkele tientallen tot honderden meters. De meest kwetsbare periode is de voorplantingsperiode. Deze loopt van april tot september, door het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden buiten deze periode (daarmee wordt gelijk ook het broedseizoen van vogels vermeden), worden effecten in deze meest kwetsbare periode vermeden. De dieren zijn echter het hele jaar actief dus moet het leefgebied altijd ontzien worden. Als er langs de betreffende oevers niet in het water zelf gewerkt wordt, is het belangrijkste mogelijke knelpunt de omgang met het landleefgebied. De waterspitsmuizen gebruiken vooral de dichtbegroeide zone vlak langs het water, zeker als deze zoals op veel plaatsen in het plangebied vrij steil oploopt naar hogere gronden. Daarom hoeft alleen de zone dicht langs het water vrijgewaard te worden van ingrepen. In de praktijk werkt een duidelijke afrastering van het niet te betreden gebied goed om verstoring ook daadwerkelijk te beperken. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit negatieve effecten ondervindt, moet voorkomen worden dat vervuild water afstroomt naar het oppervlaktewater waar de waterspitsmuis haar territorium heeft.

Dit hoort ook vanuit de waterwet en de watertoets nageleefd te worden dus geeft geen aanvullende eisen vanuit de Wnb. Binnen het bestemmingsplan is al rekening gehouden met het behoud van watergangen en oevers en, in geval van dempen of verplaatsen van watergangen, het realiseren van de compenserende maatregelen die mede ten goede komen aan de waterspitsmuis. Het voorkomen van de beschermde waterspitsmuis zal het uitvoeren van het plan dus niet in de weg staan. Wel zullen tijdig mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen moeten worden indien werkzaamheden aan oevers of watergangen plaatsvinden. In die gevallen zal ook een ontheffing nodig zijn. Vleermuizen Het plangebied wordt door enkele soorten vleermuizen in meer of mindere mate gebruikt als foerageergebied. Er zijn geen verblijfplaatsen bekend en onderzochte gebouwen en bomen lijken niet of nauwelijks geschikt of niet gebruikt te worden als verblijfplaatsen. Dat neemt niet weg dat het niet is uitgesloten dat sommige gebouwen en/of bomen thans of in de toekomst wel gebruikt worden als verblijfplaats. Door het kappen van deze bomen of slopen van gebouwen kunnen eventuele verblijfplaatsen verstoord of vernield worden.

Voordat bomen gekapt of gebouwen gesloopt worden moet daarom nader onderzocht worden of deze geschikt zijn als mogelijke verblijfplaats en daardoor geen verblijfplaatsen verstoord of vernietigd worden. Indien geen verblijfplaatsen aangetroffen worden of de bomen/gebouwen daarvoor niet geschikt blijken (en ook geen andere overtredingen plaatsvinden) kunnen de werkzaamheden zonder ontheffing uitgevoerd worden. Aangezien op de meeste bouwpercelen geen gebouwen staan die gesloopt hoeven te worden en ook geen bomen staan die geschikt zijn voor verblijfplaatsen, zal dit voor de meeste percelen geen knelpunt zijn. Amfibieën Er zijn geen waarnemingen bekend in de NDFF van beschermde amfibieën in het plangebied en de directe omgeving. De meeste amfibieën zijn niet erg mobiel en doordat het plangebied aan meerdere kanten voor amfibieën moeilijk te nemen barrières heeft zoals de A13, de Kruithuisweg en de Schie is het ook niet aannemelijk dat zij het plangebied op afzienbare tijd zullen gaan bereiken. De enige uitzondering hierop is de rugstreeppad. Als er geschikte voortplantingswateren ontstaan in het plangebied, zoals diepe bandensporen of plassen op een bouwlocatie, kan de rugstreeppad vanuit de omgeving het gebied snel koloniseren.

Door het treffen van relatief eenvoudige maatregelen kan voorkomen worden dat tijdelijke poelen ontstaan en wordt voorkomen dat deze soort hinder ondervindt van de werkzaamheden. Er zijn in de NDFF enkele waarnemingen gevonden van de algemene soorten groene kikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander Voor deze soorten geldt een vrijstelling van verbodsbepalingen uit de Wnb in de Provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is de zorgplicht van toepassing. Reptielen Er zijn geen reptielen bekend of aangetroffen in het plangebied of de directe omgeving daarvan. Het plangebied heeft ook geen geschikte habitats voor de meeste in Nederland voorkomende reptielen, met bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 56

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid uitzondering van de ringslang. De habitat in het plangebied is wel geschikt voor de ringslang, omdat er ondiepe sloten met flauwe oevers, oevervegetatie en prooidieren (amfibieën en vissen) aanwezig zijn. Ook deze soort is echter niet bekend uit de NDFF. De ringslang is een heel herkenbare soort die overdag ook goed zichtbaar is. Als deze soort ergens voorkomt waar mensen komen of wonen, worden er vrijwel altijd waarnemingen gemeld. Daarom geldt voor de ringslang meestal dat als er geen waarnemingen zijn, de soort daar ook niet voorkomt. Er is geen populatie ringslangen aanwezig in de regio (RAVON.nl), dus kan uitgesloten worden dat er in het plangebied een populatie ringslangen voorkomt. Vissen Uit de landelijke verspreidingsgegevens worden (strikt) beschermde vissen van de Habitatrichtlijn Bijlage IV niet binnen het stedelijk gebied van Delft verwacht. Uit het oriënterend onderzoek komt naar voren dat binnen het plangebied geen geschikt leefgebied is aangetroffen voor (strikt) beschermde vissen zoals de grote modderkruiper. De aanwezigheid van beschermde vissen is hierdoor redelijkerwijs uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet Natuurbescherming.

Overige beschermde soorten De aanwezigheid van de platte schijfhoren in het zuidoostelijke deel van het plangebied vereist een ontheffing bij werkzaamheden waarbij watergangen gedempt worden of wanneer de oevers of de waterkwaliteit negatief beïnvloed kan worden. Er zijn goede mitigerende en compenserende maatregelen voor deze soort mogelijk door er vooral voor te zorgen dat bestaande watergangen met de juiste kwaliteit behouden blijven en indien dat niet mogelijk blijkt, tijdig te zorgen voor een vervangend leefgebied en door in het juiste seizoen een deel van het slib en de waterplanten van de oude locatie, met de daarin aanwezige platte schijfhorens, te verplaatsen naar de nieuwe locatie. 5.4.4

Conclusie

Conclusies beschermde gebieden Het plangebied ligt dusdanig ver verwijderd van Natura 2000-gebieden dat overtreding van de Wnb als gevolg van externe werking door vrijwel alle storingsfactoren met uitzondering van stikstofdepositie uitgesloten kan worden. Zoals uit paragraaf 5.9.4 blijkt, vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het vaststellen van het plan. Door het treffen van maatregelen zoals het gefaseerd uitvoeren van de plannen en inzetten van materieel met beperkte of geen stikstofuitstoot kan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op daarvoor gevoelige gebieden vrijwel zeker voorkomen worden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en is ook geen onderdeel van Belangrijke weidevogelgebieden of andere beschermde natuurgebieden. Er zijn daarom geen beperkingen vanuit deze beschermingsregimes op de uitvoering van het bestemmingsplan.

Natura 2000

INN

Overige gebiedsbescherming

Aanwezig in plangebied Nee

Nee

Nee

Aanwezig binnen invloedsfeer (externe werking)

Nee

Nee

Nee

Vervolgstappen vereist

Nee

Nee

Nee

Is het plan uitvoerbaar in het kader van gebiedsbescherming

Ja

Ja

Ja

Afbeelding 16: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming

Conclusies beschermde soorten bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 57

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen en deze staan het uitvoeren van het bestemmingsplan dus niet in de weg. Het is echter niet uit te sluiten dat deze de komende jaren in sommige bomen of gebouwen toch zullen gaan voorkomen. Daarom moet voor de kap van bomen of voor de sloop van gebouwen onderzoek gedaan worden naar het bestaan van jaarrond beschermde nesten en vleermuisverblijfplaatsen. Indien toch nesten of verblijfplaatsen aangetroffen worden, dan is door het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen het uitvoeren van het bestemmingsplan naar verwachting toch mogelijk. In het plangebied is met zekerheid het voorkomen van een populatie beschermde waterspitsmuizen en een populatie platte schijfhorens aangetoond. Voor werkzaamheden aan watergangen en oevers is daarom nader onderzoek en mogelijk een ontheffing nodig en zullen eventueel mitigerende en compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Deze maatregelen lijken goed te passen binnen het bestemmingsplan. Essentieel leefgebied in plangebied?

Is er sprake van Is een ontheffing Is het plan een overtreding? noodzakelijk uitvoerbaar? voor het bestemmingsplan?

Jaarrond beschermde soorten

Nee

Nee

Nee

Ja, mits ook voor aanvang van de daadwerkelijke ontwikkelingen opnieuw gecontroleerd wordt of in aan te tasten bomen of gebouwen inmiddels geen nesten aanwezig zijn.

Algemene broedvogels

Ja, verschillende nestgelegenheden verspreid over het plangebied

Nee, mits mitigerende maatregelen worden getroffen

Nee

Ja, mits broedvogels niet verstoord worden

Vleermuizen

Nee, het gebied Nee wordt zeker gebruikt voor vliegroutes en foerageergebied, maar deze zijn niet als essentieel te beschouwen. Er zijn geen verblijfplaatsen bekend in het plangebied

Nee

Ja, mits ook voor aanvang van de daadwerkelijke ontwikkelingen opnieuw gecontroleerd wordt of in aan te tasten bomen of gebouwen inmiddels geen verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Waterspitsmuis

Ja, verschillende waterlopen met onbeschoeide oevers

Nee, tenzij actueel Nee, tenzij er of potentieel ingrepen in het geschikt leefgebied leefgebied aangetast wordt plaatsvinden

Ja, mits buiten geschikt leefgebied en indien in geschikt leefgebied dan met mitigerende en compenserende maatregelen

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 58

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Platte Schijfhoren Ja, in ieder geval Nee, tenzij actueel Nee, tenzij er in de Thijssevaart of potentieel ingrepen in het en verder geschikt leefgebied leefgebied waarschijnljik niet, aangetast wordt plaatsvinden maar dit is nog niet overal onderzocht

Ja, mits buiten geschikt leefgebied en indien in geschikt leefgebied dan met mitigerende en compenserende maatregelen

Overige diersoorten

Ja, mits de zorgplicht in acht genomen wordt

Het plangebied is Nee, mits de leefgebied voor zorgplicht in acht algemene soorten genomen wordt zoogdieren, amfibieën en ongewervelden

Nee

Afbeelding 17: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortenbescherming

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Eindconclusie Vanuit de Wet natuurbescherming voor zowel gebiedsbescherming als soortbescherming zijn geen knelpunten gevonden die het uitvoeren van het bestemmingsplan in de weg staan. Wel zullen soms maatregelen en een ontheffingsaanvraag aan de orde kunnen zijn om overtreden van de wet te voorkomen bij het realiseren van voorgenomen ontwikkelingen.

5.5

Energietransitie en duurzaam bouwen

5.5.1

Bestaande situatie

Het plangebied ligt hoofdzakelijk binnen het grondgebied van de TU Delft. Alle TU Delft eigen gebouwen zijn aangesloten op het eigen netwerk voor gas en elektriciteit van de TU Delft. Alle gebouwen van externen sluiten aan op Stedin. Bij de uitbreiding van de elektriciteitsnetten komen deze in handen van de lokale netbeheer Stedin. Het gasnet wordt niet uitgebreid; alles sluit in het vervolg aan op WKO voor warmte. De TU Delft heeft in het oostelijke deel van het plangebied al een aantal open bodemenergiesystemen gerealiseerd en er meerdere vergund gekregen door de provincie Zuid-Holland. Een aantal van de bronnen ligt buiten dit plangebied. Het plangebied ligt in een interferentiegebied vastgesteld via de 'Verordening gesloten bodemenergiesystemen Gemeente Delft 2015'. In interferentiegebieden geldt een vergunningplicht voor open èn gesloten systemen, ongeacht het vermogen. 5.5.2

Gewenste ontwikkeling

Om op gebouwniveau invulling te geven aan de Delftse duurzaamheidsambities: wordt de realisatie van energieneutrale gebouwen nagestreefd; wordt voor nieuwbouw een gemiddelde GPR-score van ten minste 7,5 met een minimale score van 7 op elk thema gehanteerd; voor utiliteitsbouw is het gebruik van instrument BREEAM-NL ook toegestaan. Voor een optimale energieprestatie geldt dat een combinatie van maatregelen op proces-, gebouw- en gebiedsniveau nodig zijn. Op gebiedsniveau is bodemenergie een optimale oplossing, die ook past bij de realisatie van kantoren en onderwijsgebouwen. Om optimaal gebruik van de ondergrond te regelen en andere belangen te borgen dient aanleg en gebruik plaats te vinden conform de regelgeving uit de verordening en de bijbehorende beleidsregel. Voor maatregelen op proces- en gebouwniveau worden, op een andere wijze dan via het bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 59

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid bestemmingsplan, prestatieafspraken gemaakt. 5.5.3

Conclusie

Voor het plangebied gelden de doelstellingen uit het gemeentelijk klimaatbeleid, het warmteplan, het duurzaam bouwen beleid en de wettelijke regelgeving op gebied van bodemenergiesystemen.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag en transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (zoals LPG en ammoniak). In het kader van de herziening van het plan dient een risicobeoordeling ten aanzien van het aspect externe veiligheid te worden opgesteld. Hiervoor is op 20 oktober 2021 het onderzoek TU Delft Campus Zuid Externe Veiligheid (hierna te noemen: Onderzoek EV) (zie bijlage 9 Externe veiligheid) gedaan. Naar aanleiding van het gewijzigd plangebied is dit onderzoek in een oplegnotitie op 20 juni 2023 geactualiseerd. 5.6.1

Bestaande situatie

5.6.1.1 Risicovolle inrichtingen In het plangebied en in de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele risicovolle inrichtingen zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), die relevant zijn voor het plangebied. Uit het onderzoek EV blijkt dat het gaat om: Reactor Instituut Delft (RID) TU Delft - Logistiek en Milieu EON Benelux Generation B.V. Composite Distributiecentrum Pijnacker MPM International Oil Company Texaco Nederland BV De exacte invloed van de bedrijven op de externe veiligheidssituatie van het plangebied staan verder uitgewerkt in het ''Onderzoek EV''. 5.6.1.2 Transport gevaarlijke stoffen over spoor Binnen 200 meter van het plangebied zijn geen spoorlijnen aanwezig. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen per spoor is gelegen op een afstand van ruim 6.500 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt het transport van gevaarlijke stoffen per spoor geen belemmering met betrekking tot externe veiligheid. 5.6.1.3 Transport gevaarlijke stoffen over water In het Basisnet Water is de Schie aangeduid als zogenaamde 'groene vaarweg' (categorie scheepvaart zonder frequent vervoer) en is daarmee niet relevant voor externe veiligheid. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen over water is gelegen op een afstand van bijna 9.500 meter ten zuiden van het plangebied.

Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt het transport van gevaarlijke stoffen over water geen belemmering met betrekking tot externe veiligheid. 5.6.1.4 Transport gevaarlijke stoffen over weg Het plangebied ligt direct naast de Rijksweg A13 en N470 (Kruithuisweg), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit het eerdergenoemde Onderzoek EV blijkt dat het transport over de A13 en N470 invloed heeft op het plangebied. De transport intensiteiten van deze wegen zijn te lezen in het Onderzoek EV.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 60

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 5.6.1.5 Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Uit het eerdergenoemde Onderzoek EV blijkt dat er zich in het plangebied geen risicorelevante buisleidingen bevinden met een invloed op het plangebied. Op ongeveer 400 meter ten westen van het plangebied loopt wel een buisleiding voor het transport van stikstof met het kenmerk W-521-37. Stikstof betreft geen gevaarlijke stof die relevant is met betrekking tot externe veiligheid. Op ongeveer 650 meter ten westen van het plangebied loopt een buisleiding voor het transport van aardgas met het kenmerk W-521-02. Met 1 % letaliteitafstand (140 meter) valt de aardgas buisleiding buiten het bereik van het plangebied, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen niet relevant is voor de ruimtelijke ontwikkeling binnen Campus Zuid. 5.6.2

Beleid en onderzoek

5.6.2.1 Wet- en regelgeving Externe veiligheid is terug te vinden in beleidsdocumenten en regelgeving zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, etc. Op grond van deze besluiten moet bij het vaststellen van een plan als het onderhavige, worden getoetst op externe veiligheid. Ten eerste moet worden getoetst aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico (PR 10-6) voor kwetsbare objecten. Dit zijn objecten met beperkt zelfredzame personen of met grote aantallen personen, zoals scholen, woningen, ziekenhuizen, grote kantoren, etc. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die zich onbeschermd in de buurt van een risicobron bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met die risicobron. Het Bevi bepaalt dat het plaatsgebonden risico ter plaatse van een kwetsbaar object niet meer mag bedragen dan één op de miljoen per jaar. Het plaatsgebonden risico bepaalt de minimale afstand tussen een risicobron en een kwetsbaar object. Ten tweede moet het zogenaamde groepsrisico worden beschouwd binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen komt te overlijden ten gevolge van een incident met de risicobron.

Anders dan bij het plaatsgebonden risico het geval is, geldt voor het groepsrisico geen grens- of richtwaarde. Wel is in het Bevi de zogenaamde oriëntatiewaarde bepaald, waarmee het berekende groepsrisico moet worden vergeleken. De oriëntatiewaarde geeft dus aan wanneer het groepsrisico een relevante waarde heeft, maar geldt niet als norm. Elke verandering van het groepsrisico dient verantwoord te worden door het bevoegd gezag. 5.6.2.2 Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit het Onderzoek EV blijkt dat Reactor Instituut Delft, MPM International Oil Company, Composite Distributiecentrum Pijnacker (CDP) en TU Delft Logistiek en Milieu relevant zijn voor dit plan. De relevante risicovolle inrichtingen volgens Bevi zijn nader beschouwd. Voor het RID, het CDP en TU Logisitiek en Milieu geldt dat ze bij nadere beschouwing geen relevant risico of belemmering vormen voor het plangebied Campus Zuid. Voor MPM International Oil Company is dit wel het geval. Het plaatsgebonden risico van de opslagen van MPM is, conform het Revi, vastgesteld op een contour van 20 meter. Het invloedsgebied bedraagt 350 meter vanaf beide loodsen. Het plangebied Campus Zuid ligt op grotere afstand dan 20 meter vanaf de opslagen van MPM, tevens blijft deze 20 meter binnen de terreingrens van MPM. Er is dan ook geen knelpunt in relatie tot het plaatsgebonden risico.

Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van MPM van een cirkel met een straal van circa 350 meter. Doordat de verwachte populatie binnen dit invloedsgebied zal toenemen als gevolg van de geplande ontwikkeling, zal naar verwachting het groepsrisico hoger worden. MPM is daarmee als inrichting wel relevant voor de externe veiligheid in het kader van de planontwikkeling. Ten behoeve van het besluit om het plan te herzien, is daarom, conform artikel 13 van het Bevi, een verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Er wordt een besluit genomen die het mogelijk maakt om (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Bepaling Groepsrisico Een belangrijk onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico is de vaststelling van de personendichtheid en de hoogte van het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie. Conform de beschikking van november 2011, wordt het groepsrisico in de huidige situatie acceptabel geacht en ligt bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 61

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid deze beneden de oriëntatiewaarde. Zowel in de huidige situatie als in de beoogde ontwikkeling van de planlocatie geldt een lagere personendichtheid dan 230 personen per hectare voor het plangebied Campus Zuid. De conclusie van de beschikking van november 2011, gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan, blijft dan ook staan. Transport gevaarlijke stoffen over weg Uit het Onderzoek EV blijkt daarnaast ook dat voor de Rijksweg A13 en N470 het groepsrisico berekend moet worden. Hiervoor zijn de wegen in het Onderzoek EV nader beschouwd. Uit deze beschouwing blijkt dat het plaatsgebonden risico van de A13 en N470 geen risico vormen voor het plangebied. Voor het groepsrisico is met RBM II een berekening gedaan om het groepsrisico te bepalen. Voor de A13 geldt dat de toename van het groepsrisico door de beoogde ontwikkeling 2 % bedraagt. Het groepsrisico is gelegen boven 10 % van de oriëntatiewaarde, echter dit was al zo in de huidige situatie. Er kan worden geconcludeerd dat er geen belemmering is voor de beoogde ontwikkeling van de planlocatie. Voor de N470 geldt dat de toename van het groepsrisico door de beoogde ontwikkelingen 1,1 % bedraagt. Het groepsrisico is gelegen boven 10 % van de oriëntatiewaarde, echter dit was al zo in de huidige situatie.

Er kan worden geconcludeerd dat er geen belemmering is voor de beoogde ontwikkeling van de planlocatie. 5.6.3

Gewenste ontwikkeling

De geplande ontwikkeling in dit plan zorgt voor een vergroting van het aantal personen in het plangebied (als gevolg van een hoger bebouwingspercentage) ten opzichte van het oude bestemmingsplan. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsrisico veroorzaakt door risicovolle inrichtingen (zoals MPM International Oil Company) en het transport van gevaarlijke stoffen (zoals over de Rijksweg A13 en N470). Deze negatieve invloed vormt -gelet op de bepaling van het groepsrisico- echter geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de planlocatie. 5.6.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14368447/1