CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

BP boekje Toelichting Regels bijlagen bij de Regels

Commissie Ruimte en Verkeer 18 januari 2024, gemeente DelftBij agendapunt: College van B&W - Ontwerp crisis- en herstelwet (Chw) omgevingsplan TU Delft Campus Zuid, ontwerpbesluit hogere grenswaarden (nr. 2349795)40.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Onderdeel (6) “overstromingen” is niet nader uitgewerkt in de beleidsregel want dit is belegd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. De toetsing aan het convenant met betrekking tot het watersysteem vindt plaats in paragraaf 5.12. Op bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 26

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid de overige aspecten binnen klimaatadaptatie wordt ingegaan in paragraaf 5.1.

3.5.6 Beleidsregel klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeilng en herstructurering De beleidsregel vormt een concretisering en uitwerking van zowel de gemeentelijke Klimaatadaptatie Strategie als het provinciale Convenant Klimaatadaptief Bouwen voor de Delftse situatie. Als gevolg van klimaatverandering neemt de kans op extremen in neerslag, droogte en hitte ook in Delft toe en zijn er ook effecten op biodiversiteit, bodemdaling en grondwaterstanden. Bij de beschrijving van de ambities en eisen is de thematische indeling uit het convenant Klimaat Adaptief Bouwen aangehouden: 1. Extreme neerslag, 2. Droogte, 3. Hitte 4. Bodemdaling. Het thema Biodiversiteit uit het convenant is voor Delft in een apart beleidsdocument uitgewerkt (Nota Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, zie paragraaf 3.5.4 en 5.1), dat in 2021 door het college en de gemeenteraad is vastgesteld. Het thema Overstroming uit het convenant is geïntegreerd in het thema Wateroverlast (zie ook paragraaf 5.12). Conclusie Deze planontwikkeling past binnen de ambities en randvoorwaarden van de beleidsregel. 3.5.7

Monumentenbeleid 2007-2017

Een belangrijk onderdeel in het gemeentelijke monumentenbeleid zoals opgenomen in de beleidsnota Monumentenbeleid 2007-2017 is het in de ruimtelijke planvorming benoemen en waar mogelijk beschermen van cultuurhistorische waarden: van gebouwen, objecten en (deel)structuren. Het beleid voor de periode vanaf 2017 moet nog opgesteld worden, maar zal wat betreft ruimtelijke ordeningsaspecten zoveel mogelijk het huidige beleid voortzetten. Wel is er op 19 november 2020 een Erfgoednota 2020-2030 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin staan vier programmalijnen centraal: (1) De Delftse collectie: basis op orde Programma (2) Delfts erfgoed van en voor iedereen Programma (3) Erfgoed als pijler bij gebiedsontwikkeling en (4) Monumenten duurzaam ontwikkeld. Hiervoor stelt de gemeente onder andere gebiedsvisies op waarin inzichtelijk is welke cultuurhistorische waarden op een plek leidend zijn. De toetsing met betrekking tot cultuurhistorie wordt gedaan in paragraaf Hoofdstuk 7 Cultuurhistorie. Conclusie Deze planontwikkeling past binnen het beleid. 3.5.8

Visie Openbare Ruimte Delft (2009)

In de Visie Openbare Ruimte Delft (VORD) is beleid voor de openbare ruimte vastgelegd. Het is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 15 september 2009. Hierin is de zone langs de A13 aangewezen als doorlopende drager. De doorlopende drager is een volledig (te maken) en fijn vertakt netwerk over heel de stad, dat ruimtelijk continue is, altijd te gebruiken en altijd in gebruik. Inzet van deze Visie Openbare Ruimte Delft is de water- en groenstructuur in de wijk (weer) zichtbaar en beleefbaar te maken en te gebruiken voor het langzaamverkeernetwerk door de stad, voor kindvriendelijke routes en voor informele sport en recreatie in de directe woonomgeving. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 27

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Conclusie Het plan is in overeenstemming met de VORD. 3.5.9

Nota Groen 2012-2020

In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid stelt eisen aan de afweging tussen ruimteclaims die bij ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvindt. Het uitgangspunt is dat aantasting van groene en ecologische waarden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Een evenwichtige verhouding tussen groen en bebouwing is belangrijk voor een goed woon- en leefklimaat in de stad. Het gaat daarbij niet alleen om de natuurwaarden zelf maar ook om de betekenis van het groen voor een goed woon- en werkklimaat. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. Bij ruimtelijke plannen wordt aangegeven op welke wijze de belangen zijn gewogen en wat daarvan de uitkomst is. Verder wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Indien er gecompenseerd wordt, staat in de plantoelichting hoe en waar dit gebeurt.

Als besloten wordt niet te compenseren, wordt toegelicht waarom dat niet gebeurt. Uit de beleidsnota blijkt verder dat gestreefd wordt naar het omvormen van harde oevers naar een natuurvriendelijke inrichting, tenzij dat om stedenbouwkundige, technische of financiële redenen niet wenselijk is. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze Nota aan. 3.5.10 Nota bouwhoogten Delft De Nota bouwhoogten van oktober 2005 bevat een analyse en onderbouwing van de maximaal toelaatbare bouwhoogten in Delft. Daarbij is rekening gehouden met onder andere het stadsbeeld van Delft en het zicht op de kerktorens in de historische binnenstad. De nota is niet bedoeld als absolute norm voor hoogbouw, maar als leidraad bij het ontwikkelen van hoogbouw in Delft. Indien in een gebied nieuwe bebouwing wordt voorgesteld die hoger is dan 40 meter, is nader onderzoek naar de wenselijkheid en effecten van deze hoogbouw voorwaarde. Op basis van de criteria uit de nota en criteria zoals is opgenomen in het plan in artikel 30 is het planologisch mogelijk de bestaande maximale bouwhoogte te wijzigen naar maximaal 40 meter en in bepaalde gevallen zelfs naar maximaal 70 meter. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze Nota aan. 3.5.11 Nota detailhandel 2012-2020 De gemeente Delft gaat terughoudend om met detailhandelsontwikkelingen buiten de hoofdstructuur.

Dit wordt uitgewerkt in de Nota Detailhandel 2012-2020 die nog steeds de beleidslijn vormt voor de hoofdwinkelstructuur (Centrum, In de Hoven, Leeuw&stein). Daarnaast is er in 2021 een 'Beleidslijn Wijkcentra Delft' vastgesteld. Hierin worden zes uitgangspunten vastgesteld voor de wijkcentra in Delft. Een beperkte toevoeging van (kleinschalige) detailhandel kan in dit gebied een bijdrage leveren aan de verlevendiging van de TU Campus en versterking van de ontwikkeling van de TU Delft Campus Zuid. Slechts in uitzonderingsgevallen staan we nieuwe detailhandel toe, onder voorwaarden en mondjesmaat. Hoofdstuk 2 Inhoudelijke bepalingen, Lid 3 van de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland biedt mogelijkheden om in bepaalde gevallen nieuwe detailhandel buiten de bestaande centra te faciliteren. Het gaat daarbij - met relevantie voor het onderhavige plan - onder meer om: kleinschalige detailhandel tot een bruto oppervlakte van 200m2, zoals buurt- en gemakswinkels, waarbij qua locaties gedacht kan worden aan het stationsgebied en de TU Campus; productiegebonden detailhandel op bedrijventerrein; bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, benzinestations, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 28

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid aard van deze voorzieningen of locaties; de aflevering van door consumenten bestelde producten op een bedrijfslocatie waar deze producten worden geassembleerd en/of geproduceerd. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze Nota aan. 3.5.12 Delftse Horecanota 2000 De horecasector is een belangrijk onderdeel van het geheel aan voorzieningen. Ze is er in de eerste plaats voor de inwoners, maar ook voor bezoekers zoals toeristen, zakenmensen en winkelend publiek dat van buiten de stad komt. Zonder horeca zou het verblijfsklimaat sterk aan kwaliteit inboeten. Een goed ontwikkelde horecasector staat garant voor levendigheid en verblijfskwaliteit. In 2017 werd ervan uitgegaan dat de Delftse hotelmarkt in de periode van 2016 tot 2021 met ongeveer dertig procent (225) kamers kon groeien. Omdat een uitbreiding met 400 kamers (vooral in de Spoorzone) werd voorzien, wordt met de realisatie van die initiatieven de beschikbare marktruimte al ver overstegen. Dat leidde tot een terughoudende beleidslijn in 2021. De nieuwe beleidsregels komen erop neer dat er pas na 2027 marktruimte ontstaat voor toevoeging van hotelkamers (zie verder paragraaf 4.3). Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze Horecanota aan.

3.5.13 Ruimtelijk-economische visie Delft 2030: Ondernemen en werken in Delft Het gemeentelijk ruimtelijk economisch beleid is verwoord in de ruimtelijk-economische visie Delft 2030 "Ondernemen en werken in Delft" en is op 8 maart 2018 door de raad vastgesteld. Op verschillende economische deelonderwerpen is richtinggevend beleid ontwikkeld, waaronder voor toerisme, binnenstad en detailhandel. De notitie economische strategie Delft uit 2015 biedt daarbij eveneens een beleidsmatige basis. De beleidskeuzes die hieruit voort zijn gevloeid, zijn op hoofdlijnen meegenomen in de Ruimtelijke-economische visie Delft 2030. Daar waar ingehaald door actuele ontwikkelingen, zijn ze aangescherpt. De visie constateert dat de economie weer groeit, ook die van Delft. Volgens de prognoses van het UWV en Centraal Planbureau komen er de komende jaren banen bij en stijgt het aantal vacatures. Tegelijkertijd zien we dat de verhouding tussen groei van de werkgelegenheid en stedelijke groei in Delft steeds meer uiteenloopt: de stad groeit, maar het aantal banen groeit niet mee naar verhouding. Technologische ontwikkelingen zorgen tevens voor een verschuiving van taken en competenties. Het is essentieel dat mensen die de arbeidsmarkt betreden, beschikken over de vaardigheden om nieuwe technologie te ontwikkelen, te beheren of toe te passen.

De technologische vooruitgang gaat echter ook gepaard met een arbeidsmarkt die steeds dynamischer van aard is en leidt tot het verdwijnen van banen aan de onderkant van het middensegment. Daarnaast heeft Delft binnen de context van een verder geïntegreerde metropoolregio een uitstekende uitgangspositie om zich door te ontwikkelen van kennisstad tot technologiehoofdstad van Nederland: een hightech capital. De ingrediënten voor groei van werkgelegenheid en welvaart zijn ruimschoots aanwezig, zowel binnen Delft als in de regio. Tenslotte zit voor Delft de sociaaleconomische uitdaging in het verzilveren van het arbeids- en ondernemerspotentieel. Dat betekent voor Delft enerzijds de huidige bedrijven koesteren en anderzijds dat er groeiruimte nodig is voor met name de vele creatieve en technologie-georiënteerde bedrijven die de stad zelf voortbrengt. Bedrijven die in Delft kunnen doorgroeien zorgen uiteindelijk ook voor meer investeringen, bestedingen en werkgelegenheid op alle niveaus. De gemeente Delft zet in op het realiseren van 10.000 extra banen in de periode 2018-2040. Hiervoor is onder meer circa 100.000m2 aan extra bedrijfsruimte nodig, met name voor de innovatieve maakindustrie. Het beter benutten van bestaande ruimte en het kiezen voor bedrijvigheid die past bij het DNA en het karakter van de stad, biedt een stevige basis voor deze groei.

Investeren in goed onderwijs, gemeentelijke dienstverlening, bereikbaarheid en een vernieuwd woningaanbod is daarbij eveneens van vitaal belang. Daarnaast vergt het blijvende aandacht en sturing om ervoor te zorgen dat iedereen die kan werken, ook kan blijven meedoen – en hiervoor wordt gefaciliteerd. Goede afstemming en aansluiting tussen bedrijfsleven, onderwijs en arbeidsmarkt is daarbij een essentiële schakel. Conclusie bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 29

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze Visie aan. 3.5.14 Actieprogramma Ondernemen en werken in Delft Dit actieprogramma volgt op de ruimtelijk-economische visie Delft 2030 en is in november 2019 door het college vastgesteld. Het actieprogramma omvat de concrete acties die zijn uitgevoerd en nog wroden uitgevoerd om de hoofddoelstellingen uit de ruimtelijk-economische visie te realiseren. Specifiek voor dit plangebied is een aantal doelen beschreven, zoals: De gemeente verkent samen met de TU Delft Campus en DSM (als grootste grondeigenaren) hoe de Biotech Campus Delf en de TU Delft Campus op passende wijze versneld tot ontwikkeling kunnen brengen. Met oog en aandacht voor de belangen van DSM en de TU Delft; Verder is het uitgangspunt de campusontwikkeling te versnellen. Doelstelling is om hier meer onderzoek en bedrijvigheid te laten landen, passend bij het ontwikkelprofiel van de locaties. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij deze doelen van het Actieprogramma aan. 3.5.15 Mobiliteitsprogramma Delft 2040 (MPD) Het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid is vastgelegd in het MPD. Dit mobiliteitsprogramma is vastgesteld in 2021.

Het mobiliteitsbeleid zet in op een mobiliteitstransitie: we willen het mobiliteitssysteem veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft, terwijl de stad op een gezonde manier kan doorgroeien. Belangrijke pijlers van het mobiliteitsbeleid zijn: 1. Ruimte geven door ruimte te maken: a. Meer verblijfsruimte (zoals pleinen en groen) en minder ruimte voor verplaatsen; b. Meer ruimte voor de voetganger en de fiets; c. Ruimte maken door minder autoritten; d. Ruimte maken door minder autoparkeren. 2. Meer schone en actieve/gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. 3. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen, zodat lopen aantrekkelijker wordt en de fiets en het openbaar vervoer in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. 4. Openbare ruimte verbeteren. 5. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma, zoals deelmobiliteit en nieuwe vervoermiddelen. 6. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. 7. Verbeteren van de verkeersveiligheid. Bij de verdere uitwerking is het niet mogelijk of nodig om overal in de stad dezelfde maatregelen te nemen. We kiezen voor maatwerkoplossingen: de plek in de stad bepaalt de mobiliteitsaanpak. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij dit Mobiliteitsprogramma aan.

3.5.16 Nota Parkeernormen 2018 De gemeente Delft heeft op 24 april 2018 de nota Parkeernormen 2018 vastgesteld. In deze nota staat hoe voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte bij bouwontwikkelingen (nieuwbouw, verbouw of functiewijziging). Het parkeerbeleid van de gemeente is erop gericht om binnen haar mogelijkheden voor alle doelgroepen in de stad voldoende parkeerplaatsen beschikbaar te hebben en om eventuele schaarste aan parkeerruimte op een zo goed mogelijke wijze te verdelen. Bij allerlei nieuwe bouwontwikkelingen hanteert de gemeente een breed scala aan parkeernormen om ervoor te zorgen dat het parkeren van auto's in de nabije toekomst mogelijk is. In de nota Parkeernormen 2018 wordt beschreven hoe de gemeente de parkeernormen in de praktijk inzet. De nieuwe parkeernormen zijn aangepast aan de hedendaagse inzichten. De parkeernormen hebben als basis de parkeerkencijfers van het landelijke kenniscentrum CROW. Deze kencijfers zijn op basis van landelijk onderzoek tot stand gekomen en geven een zo goed mogelijke indicatie van de bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 30

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid werkelijke parkeerbehoefte bij de onderscheiden functies. De nota Parkeernormen 2018 is een toekomstvast, gebiedsgericht en flexibel parkeernormenbeleid. Toekomstvast, zodat voorkomen wordt dat de omgeving van een bouwontwikkeling wordt opgezadeld met een parkeerprobleem. Gebiedsgericht om zo efficiënt mogelijk om te gaan met schaarse ruimte en flexibel zodat rekening gehouden kan worden met lokale omstandigheden. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning zullen bouwplannen getoetst worden aan de Nota Parkeernormen 2018 en aan de hand daarvan zal worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen er per ontwikkeling nodig zullen zijn. Voor een deel van het plangebied geldt de Nota Parkeernormen 2018, voor het TU-gebied geldt de Parkeervisie TU Campus 2018. Conclusie De Nota is voor een deel van het plangebied van toepassing. 3.5.17 Parkeervisie TU Campus 2018 In 2016 heeft het College van Burgemeester en Wethouders de Parkeervisie Campus TU vastgesteld. In 2018 is met diverse wijzigingen op de versie uit 2016, de Parkeervisie Campus TU 2018 vastgesteld. De Parkeervisie TU Campus draagt bij aan het bereiken van de doelstellingen uit de campusvisie: het creëren van een parkachtig en autoluw binnengebied met een prettige en veilige omgeving voor fietsers en voetgangers.

Om dit doel te bereiken, zijn in de oorspronkelijke parkeervisie 2016 drie onderdelen uitgewerkt: Aangepaste loopafstanden ten opzichte van de Nota Parkeernormen 2013 (400 meter bewoners (tegenover 150 à 200 meter in de Nota Parkeernormen) en 800 meter voor werknemers (tegenover 200 à 800 meter in de Nota Parkeernormen). Specifieke parkeernormen, omdat uit onderzoek van Arcadis en Spark is gebleken dat de gemeentelijke normen voor onderwijsfuncties niet goed toepasbaar zijn op de functies op de campus. Minimalisering uitwijkgedrag/ bescherming omgeving tegen overlast. Bij toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunningen op de TU Campus werd deze parkeervisie leidend. Op basis van nieuwe inzichten en de wens om op een meer flexibele wijze te kunnen omgaan met het parkeervraagstuk op de langere termijn is er behoefte ontstaan aan een aanpassing van de parkeervisie. Voorliggende Parkeervisie Campus TU Delft 2018 voorziet in deze aanpassingen en vervangt daarmee de parkeervisie uit 2016 als toetsingskader voor bouwaanvragen op de TU campus ten aanzien van parkeren. De Parkeervisie Campus TU Delft 2018 is daarnaast, in tegenstelling tot de parkeervisie uit 2016, een integraal document.

Het heeft niet alleen betrekking op het parkeervraagstuk van TU-gerelateerde functies, maar bevat ook het parkeerbeleid ten aanzien van alle overige functies die in de Nota Parkeernormen 2018 zijn opgenomen. Zodoende is de parkeervisie ook van toepassing op functies die op de campus worden ontwikkeld in het kader van bijvoorbeeld de verlevendiging van de campus, maar niet specifiek TU- of onderwijsgerelateerd zijn. Ook deze functies moeten dan voldoen aan de parkeernormen, de restcapaciteit en het voorkomen van overlast voor de omgeving. In deze parkeervisie wordt allereerst het kader aangegeven waarbinnen het parkeervraagstuk van de TU Campus zich afspeelt: de gebiedsontwikkeling, de bereikbaarheid van de campus en de parkeerstrategie. Vervolgens worden de beleidsregels geformuleerd. De beleidsregels vormen het feitelijke toetsingskader voor aanvragen van een omgevingsvergunning. Voor het plangebied Chw Omgevingsplan TU Delft Campus Zuid geldt dus ten dele de Nota Parkeernormen 2018 en ten dele de Parkeervisie TU Campus 2018.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 31

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Afbeelding 8: Parkeervisie TU Campus 2018. De rode lijn begrenst het gebied van de Parkeervisie. Conclusie De Parkeervisie is voor een deel van het plangebied van toepassing. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 32

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 3.5.18 Waterstructuurvisie (2006) Om de wateropgave op een goede wijze in Delft vorm te geven, is de Waterstructuurvisie opgesteld. De Waterstructuurvisie geeft aan waar de benodigde waterberging kan worden gerealiseerd zodat de algehele waterhuishouding verbeterd. Dat betekent dat niet bij alle ontwikkelingen in de praktijk oppervlaktewater moet worden gerealiseerd, en dat bij sommige ontwikkelingen meer oppervlaktewater moet worden gerealiseerd dan theoretisch bepaald. In de visie worden kansen gesignaleerd voor nieuwe verbindingen en ecologische zones ter plaatse van het kabeldistrict en de gebieden direct ten noorden en zuiden hiervan. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 5.12 Water. Conclusie Deze planontwikkeling past binnen de visie. 3.5.19 Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000) Het Waterplan is gericht op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer. Vanuit een integrale visie op duurzaam stedelijk waterbeheer en rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten) beschrijft het Waterplan de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn. Duurzaam waterbeheer richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen.

Gezond wil zeggen: een watersysteem met een waterkwaliteit en een ecologische kwaliteit die past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse. Veerkrachtig betekent dat verstoringen door bijvoorbeeld extreme regenval of incidentele verontreiniging relatief gemakkelijk kunnen worden opgevangen en dat systemen zich relatief gemakkelijk kunnen herstellen van ecologische verstoringen, zoals achteruitgang of (lokaal) zelfs volledig verdwijnen van soorten. Binnen de mogelijkheden die gezonde en veerkrachtige watersystemen bieden wordt een duurzaam gebruik van watersystemen (onder meer recreatie en scheepvaart) zoveel mogelijk bevorderd. Bij duurzaam waterbeheer worden water, ecologie en ruimtelijke ordening in samenhang bezien, gebruikmakend van de 'natuurlijke' karakteristieken en de ligging van de watersystemen in het omringende landschap. Het betekent dat wordt aangesloten bij natuurlijke processen (water als ordenend principe) en bestaande ecologische structuren, en dat hiermee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij herinrichting van woonwijken en bij nieuwbouw. In het Waterplan Delft werken gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland samen aan een duurzaam stedelijk waterbeheer in Delft. Om dit te bereiken hebben beide partijen een watersysteemanalyse uitgevoerd.

Op basis van de watersysteemanalyse zijn maatregelen geformuleerd om knelpunten op te lossen en waterplan doelstellingen in te vullen in samenhang met het waterbeleid 21ste eeuw en het rioleringsbeleid. In het Waterplan hebben Gemeente en Hoogheemraadschap de intentie uitgesproken om voor bestaande wateropgaven mee te liften met ruimtelijke ontwikkelingen. Conclusie Het Waterplan is op het plangebied van toepassing. 3.5.20 Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan 2022-2026(vGRP) Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast beschrijft het gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) hoe we de aankomende jaren (vanaf 2022 tot en met 2026) invulling zullen geven aan onze watertaken en hoe dit bijdraagt aan onze ambities. Daarmee geeft het vGRP ook een onderbouwing van de rioolheffing. Afvalwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Traditioneel doet de gemeente dit door het aanleggen en onderhouden van een rioleringsstelsel. Dat stelsel vervoert, in tegenstelling tot de decentrale voorzieningen, afvalwater van huishoudens en bedrijfspanden naar de waterzuivering.

De laatste jaren is er ook aandacht voor decentrale waterzuivering, waarbij afvalwater lokaal gezuiverd en hergebruikt of geloosd wordt. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 33

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Hemelwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (regen, sneeuw en hagel) dat op openbaar terrein terecht komt. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking en vertraagde afvoer van hemelwater. Er zijn verschillende manieren waarop gemeentes invulling geven aan deze inspanningsverplichting. Afkoppelen is niet altijd wenselijk, zo zijn gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit in principe niet geschikt voor afkoppelen aangezien bij afkoppelen de afvoer naar het oppervlaktewater toeneemt. Uitgangspunt is het gescheiden inzamelen en afvoeren van hemelwater. Het hemelwater gescheiden van de vuile afvalwaterstroom verwerken is een meer duurzame invulling van de zorgplicht dan gemengd inzamelen. Het gemengd inzamelen en verwerken van hemelwater en vuilwater is een erfenis uit het verleden die vooral in de oudere delen van de stad nog vaak voorkomt. Nadeel van gemengde verwerking is dat schone waterstromen vuil worden en dat de kans groter is dat de openbare ruimte en inwoners met vuil afvalwater in aanraking komen. De gemeente anticipeert op klimaatveranderingen zodat het risico op wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk wordt beperkt.

Het rioleringsstelsel is en wordt ontworpen om bij normale neerslag het water te kunnen afvoeren. Hiertoe wordt de landelijke richtlijn aangehouden voor de berekening van benodigde capaciteit. Bij extreme buien kan wateroverlast ontstaan. Dit betekent dat er mogelijk een aantal keren per jaar enige tijd water op straat blijft staan. Grondwaterzorgplicht De verantwoordelijkheden van de gemeente op het gebied van grondwater zijn genuanceerder dan de andere twee zorgplichten: er geldt een inspanningsverplichting ('zoveel mogelijk') in plaats van de resultaatverplichting (afvalwater) of de inspanningsverplichting (hemelwater) wanneer perceeleigenaren hemelwater redelijkerwijs niet kúnnen afvoeren naar het oppervlaktewater of de bodem (hemelwaterzorgplicht). In het kort stelt de grondwaterzorgplicht de gemeente niet verantwoordelijk voor de grondwaterstand. De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Wel is de gemeente in sommige gevallen verantwoordelijk voor het zo veel mogelijk beperken van structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast (te hoge) of -onderlast (te lage grondwaterstand). De gemeente is verplicht haar grondwaterzorgplicht na te komen om structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast zo veel als mogelijk te beperken. Zij kan hierop worden aangesproken.

Conclusie Het Plan is op het plangebied van toepassing. 3.5.21 Beleid hogere waarden Wet geluidhinder In het kader van ruimtelijke plannen of reconstructies van geluidbronnen worden onderzocht wat de geluidsbelasting aan de gevels van de aanwezige geluidsgevoelige functies is. Als de in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt overschreden, maar de uiterste toegestane grenswaarde niet en maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen niet doelmatig zijn of deze overwegende bezwaren ontmoeten, dan is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen: een zogenaamde hogere waarde. Voorwaarde is wel dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. In het rapport 'beleid hogere waarden wet geluidhinder' (geactualiseerd april 2013) is het gemeentelijk beleid opgenomen met betrekking tot deze hogere waarden. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij het Beleid aan.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 34

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 3.5.22 Warmteplan Delft 2021 In december 2021 heeft de gemeenteraad van Delft de Transitievisie Warmte (Warmteplan Delft 2021) vastgesteld. Het Warmteplan is een visie document en geeft voor de bestaande bebouwde omgeving een eerste inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen per buurt. Per CBS buurt is door CE Delft met behulp van het model CEGOIA het warmte alternatief met de laagste nationale kosten berekend. Het CEGOIA-model berekent de nationale kosten van duurzame warmteopties. Dit is een eerste modelmatige benadering op basis van kentallen. Op basis van deze modelberekeningen komt voor dit plangebied een warmtenet als voorkeurstechniek voor de bestaande situatie naar voren. De warmtetechniek voor de bestaande bebouwing van een buurt is niet per se de meest logische oplossing voor de nieuwbouw in diezelfde buurt. Voor de nieuwbouw ontwikkelingen in dit plangebied zijn - gelet op de grootschalige bebouwing en de gefaseerde uitgifte van gronden - bodemenergie systemen het meest geëigende en duurzame alternatief voor verwarming zonder aardgas. Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij het Warmteplan aan.

3.5.23 Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018 In het kader van het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeente Delft haar gebiedsspecifiek beleid vastgelegd in de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. De gemeente Delft wil duurzaam omgaan met licht vervuilde grond door hiervoor meer en betere toepassingsmogelijkheden te creëren zonder risico’s voor mens en milieu. Op deze wijze wordt bij ontwikkelingen bijgedragen aan een toekomstgericht en duurzaam Delft. Het verlopen van overgangsregelingen voor Bodemkwaliteitskaarten, een toename van onderzoeksgegevens en inzicht in de bodemkwaliteit bood aanleiding het duurzaam bodembeleid te herzien. Deze Nota Bodem geeft aan hoe vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Delft mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures gelden. De beoogde effecten van de Nota zijn het behalen van milieuvoordeel door het toepassen van regionale circulariteit, klimaatmitigatie en het creëren van een bodem die een gezonde leefomgeving voor mens en dier biedt. Daarnaast zijn financieel voordeel, kortere doorlooptijden en het vergroten van aanbod en toepassingsmogelijkheden van grond beoogde effecten.

Deze worden behaald doordat: gebruik gemaakt kan worden van de bodemkwaliteitskaart om de kwaliteit van de bodem te bepalen in plaats van deze per keer te moeten onderzoeken en keuren; licht verontreinigde grond vaker hergebruikt kan worden, waardoor deze minder vaak gereinigd of gestort wordt. Dit leidt tot een verandering van een lineaire economie naar een circulaire; gebiedseigen grond zoveel mogelijk weer toegepast kan worden; beter en sneller kan worden voorzien in de beoogde grondbehoefte bij locatieontwikkelingen in relatie tot de hoeveelheid vrijkomende grond; ? de aankoop van primaire grondstoffen (zoals zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (zoals grond van een grondbank) vermindert; de aankoop van primaire grondstoffen (zoals zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (zoals grond van een grondbank) vermindert; transportkosten en –afstanden geminimaliseerd worden (vermindering van energieverbruik en uitstoot van CO2 en fijnstof). Gemeentelijk beleid Als de landelijke generieke regels voor het toepassen van grond in Delft worden toegepast, blijken de volgende knelpunten op te treden: gebieds- of zone eigen grond kan onvoldoende ter plaatse worden hergebruikt; er zijn te weinig hergebruiks- en toepassingsmogelijkheden voor in de gemeente Delft vrijgekomen licht vervuilde grond.

Deze knelpunten zijn in deze Nota Bodem opgelost met eigen gebiedsspecifiek beleid. Randvoorwaarde hierbij is dat er geen risico’s optreden voor mens en milieu. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. Het gaat zowel om strenger beleid als soepeler beleid, dan de generieke normen en uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast wil de gemeente meer werk-met-werk maken. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 35

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Het gebiedsspecifiek beleid bestaat uit: uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van de waterbodemkwaliteitskaart van het Hoogheemraadschap van Delfland. lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die nog past bij de bodemfunctie. De lokale maximale waarden zijn een lichte versoepeling ten opzichte van de standaard landelijke waarden, zodat iets viezere grond, zonder risico’s, toch toegepast mag worden. een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij toe te passen van grond. Het betreft beleid voor het toepassen van grond in jongere woonwijken en in recreatie-landelijk gebied. Daarnaast is in de Nota opgenomen hoe moet worden omgegaan met diverse specifieke of afwijkende situatie die kunnen voorkomen bij grondverzet. Verder gaat deze Nota in op veiligheid, bouwen en bouwstoffen, de procedures rondom grondverzet en wordt beknopt de toezicht en handhaving van grondstromen beschreven. De Nota is in werking getreden op 13 oktober 2018. Het aspect 'bodem' komt aan de orde in hoofdstuk 5.3, Conclusie De ontwikkelingen waarin het plan voorzien sluiten bij de Nota aan.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 36

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid

Hoofdstuk 4

Functies

4.1

Voorzieningen

4.1.1

Bestaande situatie

Het Campus Zuid-gebied dat voorheen werd aangeduid als TU Delft Science Park maakt onderdeel uit van de universitaire campus. Op Campus Zuid komen onderwijs, onderzoek en valorisatie samen. Daarnaast biedt het een plek voor kennisintensieve bedrijvigheid met een sterke oriëntatie op technologische innovatie. Ruim 200 nationale en internationale bedrijven zijn er gehuisvest. In de periode 2005-2021 hebben verschillende bedrijven zich gevestigd op TU Delft Campus Zuid. Het gaat dan om de incubator YES!Delft, gebouw voor scale ups NextDelft, Exact, bedrijfsverzamelgebouw Radex, 3M, Holland PTC, Datacentergroup,Applikon, ABB, Oldelft en TNO. Metrology Tower heeft zich gevestigd in het voormalige faculteitsgebouw van Geodesie. Er zijn diverse plannen in voorbereiding voor vestiging van nieuwe bedrijven. Het totale TU-campusgebied wordt de komende jaren getransformeerd tot een verbonden, duurzaam en dynamisch stadsdeel. Campus Zuid zelf vormt op dit moment samen met het voormalige 'Calvé-terrein' op Delft Noord (eigendom van DSM) en de Spoorzone (eigendom Ballast Nedam & OBS/gemeente) nog de enige grootschalige greenfield-ontwikkellocatie voor (hoogwaardige kennisintensieve) bedrijvigheid in Delft. In totaal werken er op Campus Zuid circa 2.800 mensen. Op dit moment is er geen sprake van gevestigde detailhandel dan wel zelfstandige horeca in het onderhavige gebied. 4.1.2

Gewenste ontwikkeling

4.1.2.1 Lokale context Delft heeft de ambitie uitgesproken om zich door te ontwikkelen van kennisstad tot stad van technologie en innovatie (Ruimtelijk Economische Visie Delft 2030). Dit door –naast de inzet op toerisme- het beleid en investeringen op ruimtelijk economisch vlak te concentreren rondom de sectoren technologie en toerisme. Voortbouwend op de Delftse parels waaronder de levendige historische binnenstad en het unieke ecosysteem van op technologie gerichte onderwijsinstellingen, onderzoeksinstituten en bedrijvigheid. 4.1.2.2 Regionale context Het onderhavige terrein maakt deel uit van een bredere regionale context van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en de provincie Zuid-Holland. De MRDH heeft zich als doelstelling opgelegd om meer werkgelegenheid, hogere economische groei en behoud van de internationale concurrentiepositie te bewerkstelligen. De economische trends vormen vervolgens de context waarin werkzaamheden uitgevoerd wordt. Deze vijf trends zijn metropoolvorming, het toenemend belang van kennisontwikkeling in de economie, de opkomst van de nieuwe maakindustrie, ecologisering van de economie en het toenemende belang van aantrekkelijk stedelijk leven voor de economie. De MRDH streeft naar het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat, met focus op het voorzieningenniveau, binnen en buiten het stedelijk gebied.

Binnen de verdere ontwikkeling en integratie van de MRDH wordt het van toenemend belang dat sub regio's en conurbaties zich differentiëren en op basis van specifieke eigen kracht het geheel der regiodelen versterken. Zo ontstaan ruimtelijk economische clusters die innovatie en werkgelegenheid bevorderen. De specifieke unieke toegevoegde economische waarde die Delft voor de regio heeft bestaat uit het sterke cluster van technologie georiënteerde kennis-/onderzoeksinstellingen en aanverwante bedrijvigheid. De vele innovaties en bedrijven die hieruit voortvloeien zijn van grote betekenis voor de werkgelegenheid en het (internationale) vestigingsklimaat in de regio. Uiteindelijk moet het gebied, als onderdeel van de campus, verder uitgroeien tot het concentratiepunt van op technologie en innovatie georiënteerd(e) onderwijs, kennisinstituten en aanverwante bedrijvigheid in Delft en de regio.

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 37

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 4.1.3

Conclusie

De bestaande functies en voorzieningen zijn grosso modo onderverdeeld in drie zones en bestemd overeenkomstig het huidige gebruik; De gebouwen, die verwant zijn aan de Technische Universiteit Delft zijn bestemd tot Campus; Het centrumgebied is bestemd tot Gemengd-1; Het sportgebied voor de verplaatsing van de honkbalvereniging BlueBirds. In het gehele plangebied zijn vrijwel alle activiteiten in de milieucategorieën 1, 2 en 3.1 met recht toegestaan. Bij de functie Campus tot en met milieucategorie 3.2.

4.2

Kantoren en bedrijven

4.2.1

Bestaand beleid

4.2.1.1 Rijksbeleid Het locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen is gedecentraliseerd naar de provincie. Voor zover het om (binnen)regionale vraagstukken gaat, is hiervoor – binnen de kaders van de provinciale verordening Ruimte – beleid op metropoolregio niveau geformuleerd. Door het locatiebeleid te decentraliseren kan in de afweging regionaal maatwerk worden geregeld. De ontwikkeling van nieuwe kantoorgebouwen en bedrijventerreinen dient getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragrafen 3.1.3 en 3.2.3) . Overheden moeten op grond van de Ladder voor alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren dat er behoefte bestaat aan de ontwikkeling en dat deze behoefte niet op bestaande locaties of in bestaand vastgoed opgevangen kan worden. De Ladder speelt daarmee een toenemende rol in ruimtelijk beleid, specifiek in hoe om te gaan met het kwantitatief en kwalitatief in evenwicht brengen van vraag en aanbod. 4.2.1.2 Provinciaal en regionaal beleid Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland wil een toonaangevende provincie zijn met een goed woon-, werk- en leefklimaat. Voor een goede kantorenmarkt is het noodzakelijk dat vraag en aanbod van kantoren kwalitatief en kwantitatief in balans is, er voldoende ruimte is voor kantoorwerkgelegenheid op de juiste plekken.

Dit vraagt aan de ene kant om een aantal sterke kantorenclusters en aan de andere kant ook (beperkte) ruimte voor kleine kantoren met een lokale reikwijdte. Het huidige kantorenbeleid is dan ook gericht op het concentreren van kantoren op de juiste plek, het reduceren van plancapaciteit op kansarme plekken en het bevorderen van transformatie van leegstaande kantoren. In de Omgevingsvisie en het Programma ruimte heeft de provincie dit uitgewerkt in een kantorenstructuur. Daarbij is onderscheid gemaakt in locaties met (inter)nationale reikwijdte, provinciale reikwijdte, regionale reikwijdte en lokale reikwijdte. Ook is daarbij aangegeven welke strategie daarbij hoort. Daarnaast worden ook nog bijzondere locaties onderscheiden, zoals scienceparken en de Internationale zone in Den Haag. Uitgangspunt is dat nieuwe kantoren alleen worden toegelaten binnen: - Locaties met een (inter)nationale reikwijdte: grootstedelijke toplocaties/centrumlocaties; - Locaties met een provinciale reikwijdte: OV-knooppuntlocaties en centrum/(intercity)stationslocaties; - Bijzondere locaties zoals opgenomen in het programma Ruimte Binnen de bijzondere locaties zijn kantoren toelaatbaar voor zover passend bij het profiel van deze locaties.

Op bestuurlijk niveau kunnen hierover nadere afspraken worden gemaakt zo staat beschreven in meest recente herziening van het programma ruimte en mobiliteit van de provincie Zuid-Holland. Bijzondere locaties Voor uitzonderingskantoren die geen onderdeel uitmaken van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties als BioScience Park (Leiden), TU Delft Campus Zuid (Delft), Estec en Space Business Park bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 38

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid (Noordwijk)) of locaties zoals Erasmus Hoboken (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag), wordt geadviseerd vooral te kijken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke bestemming/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur. De meeste kantorenlocaties zijn gelegen bij een station. De begrenzing van de locaties op de bij de provinciale verordening behorende kaart is veelal aangegeven door middel van een cirkel. De cirkel geeft de invloedssfeer aan van het station en is indicatief. In het bestemmingsplan kan dit exact worden begrensd op basis van logische loop- en fietsroutes en natransport met ov vanaf het station. De bijzondere locaties kennen een exacte begrenzing. Deze zijn dus niet via een cirkel aangeduid, maar door een gedetailleerde begrenzing van het gebied. Regionaal beleid Met het regionale kantorenbeleid wordt gestuurd op het kwalitatief versterken van bestaande voorraad en het onttrekken van incourant aanbod en plancapaciteit. Vigerend beleid: Agenda Kantoren MRDH 2015-2025, Strategie werklocaties MRDH 2019-2030. Vanuit de regio gelden drie strategische opgaven: 1. Versterken grootstedelijke toplocaties, 2. Optimaliseren van snelweglocaties OV-knooppunten, 3.

Herbestemmen van incourante locaties. Regionale afspraak is om tot bijna een 1.000.000 m2 kantoorruimte te reduceren in 2023 door bestaande meters te verdunnen en plancapaciteit te verlagen (ten opzichte van januari 2017). Dit gebeurt grotendeels buiten de grootstedelijke toplocaties (Den Haag Beatrixkwartier / Rotterdam Central Business District) en verdunnen geldt voor locaties langs snelwegen en op monofunctionele bedrijventerreinen. Gemeenten dienen in 2020 eigen kantorenvisies op te stellen om inzichtelijk te maken hoe ze om denken te gaan met hun locaties, voorraad en plancapaciteit. Regionale opgave voor Delft Voor Delft geldt de regionale afspraak dat we in de periode 2019-2022, 8.076 m2 uit de kantorenvoorraad halen (o.b.v. voorraad 2017 van 256.817 m2), waarvan 4.300 m2 uit Spoorzone en 3.776 m2 uit Delftse Poort. Daarnaast moeten de totale plancapaciteit met 97.000 m2 verlaagd worden. Dit laatste is mede gebaseerd op de plancapaciteit die nog in het oude bestemmingsplan voor Schieoevers stond. TU Delft Campus staat in de regionale strategie werklocaties vermeld als bijzondere locatie die niet concurreert met andere kantorenlocaties gegeven de specifieke doelgroep die ze bedient. RHDHV past binnen de TU Delft Campus als uitzonderingslocatie. Voor TU Delft Campus Zuid geldt dat de locatie specifiek is gericht op technologische (onderzoeks)bedrijven en -organisaties.

4.2.1.3 Lokaal beleid In algemene zin geldt dat Delft zich sterk maakt voor vitale winkel- en werklocaties, een levendige binnenstad, en een even zo levendige campus, die alle bijdragen aan de leefbaarheid en het verblijfsklimaat van de stad. De ruimtelijke impact hiervan is de Delftse inzet om: detailhandelsaanbod te concentreren op kansrijke locaties ingegeven door o.a. goede ontsluiting en voldoende economisch draagvlak met mogelijk een afnemend aantal buurtwinkelcentra tot gevolg; de kantorenvoorraad te verkleinen en te verduurzamen ; en tegelijkertijd te sturen op de realisatie van 100.000m2 bvo aan extra maakruimte voor smart industry bedrijven (Onderzoek, Ontwikkeling, Design, Prototyping en kleinschalige schone Productie). Dit om de vele innovatieve bedrijven die Delft voortbrengt, ook in de stad te kunnen laten doorgroeien. De ruimtelijke koers impliceert het sturen op ruimtelijke ontwikkelingen en gericht investeren in de fysiekeen kennisinfrastructuur, in co-creatie met provincie, regiogemeenten en private partners. De lokale beleidslijn ten aanzien van kantoren ligt besloten in de ruimtelijk economische visie Delft 2030. Deze beleidslijn ligt in verlengde van regionaal/provinciaal beleid. Delft zet hiermee in op vernieuwing en verduurzaming van de kantorenvoorraad.

Substantiële nieuwe kantoorontwikkelingen (1000m2+) worden hoofdzakelijk geconcentreerd rondom de stationsgebieden (primair Nieuw Delft, secundair station Delft Campus). De TU Delft Campus heeft hierbij een status aparte, zowel op lokaal bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 39

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid als op regionaal niveau omdat het een specifiek vestigingsmilieu biedt, een sciencepark label heeft, een hele specifieke doelgroep bedient en daarmee buiten de voorraadramingen en sturingsmaatregelen valt. 4.2.2

Gewenste ontwikkeling

In het ruimtelijk economisch beleid van de regio en de gemeente neemt het doorontwikkelen van de kenniseconomie in Delft een belangrijke plaats in. TU Delft Campus Zuid wordt in dit verband als een belangrijk brandpunt gezien voor zich nieuw te vestigen of verder te ontwikkelen kennisintensieve (technologische) bedrijvigheid. Het plan dient de vestiging van deze bedrijvigheid te faciliteren. Hoewel kennisintensieve bedrijvigheid onder meer een kantoorachtige verschijningsvorm kent, zijn zelfstandige kantoren zonder een technologische kennisintensieve component in hun bedrijfsvoering in het plangebied niet gewenst. Vandaar dat alleen functiegebonden kantoren planologisch mogelijk gemaakt. 4.2.3

Conclusie

Het plan biedt maximale mogelijkheden voor de vestiging van kennisintensieve bedrijvigheid. Het biedt geen ruimte aan zelfstandige kantoren, alleen functiegebonden kantoren worden planologisch mogelijk gemaakt.

4.3

Horeca en detailhandel

4.3.1

Horeca

4.3.1.1 Lokaal beleid Hotels In 2017 werd een beleidslijn voor hotels opgesteld. Op basis van de geprognosticeerde ontwikkeling van de vraag (zowel toeristisch als zakelijk) werd in 2017 berekend dat de omvang van de Delftse hotelmarkt in de periode van 2016 tot 2021 met ongeveer dertig procent (225 kamers) kon groeien. Omdat een uitbreiding met 400 kamers (vooral in de Spoorzone) werd voorzien, wordt met de realisatie van die initiatieven de beschikbare marktruimte al ver overschreden. Dit leidde tot een terughoudende beleidslijn in 2021. De nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld op basis van een marktanalyse die in 2020 is uitgevoerd. Er wordt niet langer gesteld dat de Delftse hotelmarkt ruimte biedt voor een forse groei van het aantal kamers in de stad. Integendeel. De volgende uitgangspunten voor hotelontwikkeling worden tot eind 2027 gehanteerd: 1. In principe geen medewerking verlenen aan nieuwe initiatieven voor hotelontwikkelingen; 2. Bij uitzondering ruimtelijke medewerking verlenen aan nieuwe initiatieven als er sprake is van een uitzonderlijk en uniek nog niet in de Delftse markt bestaand hotelconcept dat aantoonbaar een duidelijke meerwaarde voor de stad en zijn bezoekers oplevert; 3.

Medewerking te verlenen aan beperkte uitbreidingen – van maximaal 10 kamers – van bestaande kleinschalige (familie)hotels, vooral gericht op het in stand houden van het kwetsbare aanbod van kleinschalige (familie)hotels. Voorwaarden horeca In dit plan wordt zowel ondergeschikte als ondersteunende horeca planologisch mogelijk gemaakt. Ondergeschikte horeca is een niet zelfstandige horecafunctie, welke ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie en kan binnen de functies Bedrijf, Gemengd-2, Gemengd-3, Sport alsmede bij de tijdelijke functie Cultuur en Ontspanning. Ondersteunende horeca is een niet zelfstandige horecafunctie, welke ondergeschikt is aan en ten dienste staat van de hoofdfunctie dan wel op zichzelf ondersteunend aan (een van) de hoofdfuncties van de (bedrijven)campus. Het verschil met ondergeschikte horeca zit in de nuance dat ondersteunende horeca hoofdzakelijk gericht is op de bedrijvencampus in plaats van dat deze ondergeschikt is aan een bepaald hoofdgebouw. Ondersteunende horeca is dus gebiedsondersteunend aan de bedrijvencampus. Ondersteunende horeca wordt dan ook planologisch mogelijk gemaakt binnen de functies Campus en Gemengd-1 onder de volgende voorwaarden: 1. primair gericht op de (bedrijven)campus; bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 40

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 2. waarbij niet tot nauwelijks gemotoriseerde verkeersaantrekkende werking van uitgaat; 3. zowel inpandig als onderdeel van een mixed use gebouw dan wel in de vorm van een paviljoen; 4. indien inpandig, bedragen de horeca-activiteiten niet meer dan 25% van het totale bvo (brutovloeroppervlak) van het betreffende gebouw; 5. indien in een gebouw in de vorm van een paviljoen, is de maximale bouwhoogte 5 meter. Voor zowel het uitoefenen van ondergeschikte horeca als ondersteunende horeca geldt dat het bvo gebruikt ten behoeve van die functie(s) niet meer mag bedragen dan 25% van het totale bvo van de hoofdfunctie(s) met een maximum bvo van 250 m². 4.3.2

Detailhandel

4.3.2.1 Provinciaal beleid Het provinciale beleid ten aanzien van de detailhandel is verwoord in de provinciale Omgevingsvisie en verankerd in de Omgevingsverordening. Middels de uitvoeringsprogramma's Ruimte en Mobiliteit stelt de provincie Zuid-Holland richtlijnen op, waar de gemeenten zich aan moeten houden op het gebied van ruimtelijke ordening en het uitgeven van winkelvloeroppervlak. Als een gemeente nieuwe detailhandelsontwikkelingen wil vastleggen in een bestemmingsplan, is daarvoor een goede motivering en onderbouwing nodig. De gemeente heeft de plicht om de actuele regionale behoefte aan de nieuwe detailhandel aan te tonen en de (regionale) ruimtelijke effecten van uitbreidingsplannen op andere winkelgebieden in kaart te brengen. Ook moet de gemeente met buurgemeenten afstemming realiseren. De in 2015 ingestelde onafhankelijke Adviescommissie Detailhandel toetst of de gemeentelijke plannen voor nieuwbouw op een juiste manier zijn gemotiveerd en of de eventuele regionale vraag deugdelijk is onderbouwd. Binnen deze kaders hebben de gemeenten speelruimte om hun eigen detailhandelsbeleid op te stellen. Het provinciale beleid heeft als doelstelling de detailhandelsstructuur te versterken en de dynamiek in de sector te bevorderen.

Uitgangspunt is dat nieuwe detailhandel gevestigd moet worden in de bestaande winkelgebieden in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijk gebonden winkelcentra. Detailhandel op bedrijventerreinen wordt zoveel mogelijk geweerd. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk voor enkele branches (zogenaamde 'perifere detailhandel') die niet of niet goed inpasbaar zijn in de winkelcentra en niet essentieel zijn voor de kwaliteit van deze centra. Artikel 6.13 van de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland biedt mogelijkheden om in bepaalde gevallen nieuwe detailhandel buiten bestaande centra te faciliteren. Het gaat daarbij - met relevantie voor het onderhavige plan- onder meer om: Kleinschalige detailhandel In de vorm van een gemakswinkel bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, benzinestations, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; Lid 4 uit dezelfde Omgevingsverordening stelt daarbij de volgende voorwaarden; Het plan voorziet uitsluitend in de nieuwe ondergeschikte detailhandel, als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat.

Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de nieuwe detailhandel, als bedoeld in het derde lid onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het derde lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto vloer oppervlak. Dit plan biedt alleen de planologische mogeljkheid aan ondergeschikte detailhandel, mits dat het bvo gebruik per bedrijf ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en niet meer bedraagt dan 200 m2. 4.3.2.2 Regionaal beleid Het regionale detailhandelsbeleid is vervat binnen de Agenda Detailhandel MRDH 2016-2021. Regionaal detailhandelsbeleid zorgt ervoor dat ontwikkelingen binnen de regio op elkaar zijn afgestemd en bijdragen aan een gezonde winkelstructuur met een goed vestigingsklimaat voor ondernemers en een goed voorzieningenniveau voor de consument. Het regionale detailhandelsbeleid binnen de MRDH is dan ook gericht op het voorzien in de ruimtebehoefte van (potentiële) detailhandelsgebruikers op de schaal van de MRDH als geheel, door het realiseren van de juiste hoeveelheid en kwaliteit op de juiste plaats. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 41

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Belangrijk uitgangspunt hierbij is het versterken van de bestaande identiteit en de positionering van de winkelgebieden ten opzichte van elkaar. Dit betekent de juiste functie op de juiste plek voor de consument, waarbij wordt gestreefd naar onderscheid en complementariteit van winkelgebieden om zo de (boven)regionale aantrekkingskracht te versterken. Alle plannen van meer dan 2.000 m2 in bedoelde bestaande en nieuwe winkelconcentraties en ontwikkelingen op perifere locaties groter dan 1.000 m2 worden getoetst en afgestemd binnen de MRDH. Inzake detailhandelsinitiatieven heeft de MRDH een adviserende functie richting de provincie. De provincie vraagt aan gemeenten om ontwikkelingen regionaal af te stemmen. 4.3.2.3 Lokaal beleid Het Delftse detailhandelsbeleid is gebaseerd op de lokale Nota Detailhandel 2012-2020. Dit door de raad vastgestelde beleid vormt tevens de basis voor het onderdeel detailhandel binnen de ruimtelijk economische visie Delft 2030. De gemeente kiest voor een toekomstbestendige detailhandelsstructuur waarbinnen drie 'parels' (Historische binnenstad als belevingcentrum, In de Hoven als volwaardig stadsdeelcentrum, en Leeuw & Stein als locatie voor perifere detailhandel) de hoofdstructuur bepalen. Deze hoofdstructuur wordt ondersteund door een aantal buurtwinkelcentra.

In 2021 is aanvullend een 'Beleidslijn Wijkcentra Delft' is vastgesteld. Op basis van een rapport van BSP zijn er zes uitgangspunten vastgesteld voor de wijkcentra in Delft. 1. Bij voorkeur heeft elke Delftenaar minimaal één wijkcentrum in de eigen wijk tot zijn of haar beschikking; 2. Vasthouden aan de fijnmazige voorzieningenstructuur in Delft; 3. Versterking dan wel planologisch mogelijk maken van de realisatie van een nieuw wijkcentrum lijkt, gegeven de substantiële stedelijke ontwikkeling die Delft doormaakt, wenselijk. Als voorkeurslocaties gelden Professor Schoenmaker Plantage (als het ruimtelijk past) en Schieoevers-Noord; 4. Elk wijkcentrum telt bij voorkeur minimaal één volwaardige supermarkt; 5. Bij voorkeur heeft het wijkcentrum een centrale locatie in de wijk; 6. Geen onderscheid maken tussen buurt- en wijkcentra enerzijds en solitaire supermarkten anderzijds. Inzetten op concentratie van aanbod van detailhandel impliceert dat de gemeente met het oog op de toekomst inzet qua beleid en investeringen concentreert op de drie parels en een beperkt aantal in het rapport benoemde buurtwinkelcentra. In algemene zin geldt dat slechts beperkte uitbreiding van winkelvloeroppervlak mogelijk wordt gemaakt en dat deze uitbreiding zich in principe beperkt tot de 'parels' en de genoemde wijkcentra. 4.3.3

Conclusie

Het onderbrengen van een gemakswinkel of (zelfstandige) horecavoorziening op een werklocatie of campusterrein kan een meerwaarde hebben voor het gebied en haar gebruikers. Het uitgangspunt is daarbij wel dat dergelijke horeca-inrichtingen uitsluitend zijn toegestaan voor zover deze ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie van het betreffende gebied. Voorwaarde is dat op de werk-/campuslocatie zelf voldoende draagvlak aanwezig is voor een duurzame (i.e. bestendige) exploitatie en voor zover de vestiging van dergelijke functies ruimtelijk inpasbaar en getoetst aan zijn hiervoor genoemde voorwaarden. De gemeente Delft gaat terughoudend om met detailhandelsontwikkelingen buiten de hoofdstructuur. Slechts onder voorwaarden wordt nieuwe (ondersteunende) detailhandel toegestaan.

4.4

Sport

4.4.1

Bestaande situatie

De bestaande situatie kent in het plangebied nog geen sport(voorzieningen). 4.4.2

Gewenste ontwikkeling

De gemeente voert al geruime tijd gesprekken met de sportverenigingen (huurders van gemeentelijke sportvoorzieningen) en de TU Delft over mogelijke verplaatsing van de sportaccommodaties. De hockeyvereniging en honk- en softbalvereniging aan de Kruithuisweg kampen met een capaciteitstekort. Om dit op te lossen is de gemeente gestart met de voorbereidingen voor het uitplaatsen van de honk- en softbalvereniging naar een nieuwe locatie binnen het plangebied aan de Thijsseweg. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 42

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 4.4.3

Conclusie

Ten aanzien van de bestaande situatie wordt in dit plan ruimte gecreëerd ten behoeve van sport. Het gaat daarbij om: de realisatie van een nieuwe sportpark ten behoeve van honk - en softbal (incl. opstallen) op het gemeentelijk grondgebied tussen Deltares en Metrology Tower (Thijsseweg); om multifunctioneel gebruik (bijv. paramedisch, gepaste horeca, welzijnsactiviteiten) van maatschappelijke voorzieningen mogelijk te maken en te stimuleren is het wenselijk de verenigingsaccommodaties (clubgebouwen) een meer verbrede functie krijgen.

4.5

Landschap en openbare ruimte

4.5.1

Bestaande situatie

Het gebied Campus Zuid is ca. 110 ha groot en is in omvang vergelijkbaar met de historische binnenstad van Delft. Campus Zuid ligt in een veenpolderlandschap. De oorspronkelijke polderverkaveling onder het gebied bestond uit smalle, lange kavels in oost-westrichting. Min of meer haaks hierop liep en loopt de Schie als afwateringskanaal naar de Maas. De naoorlogse universiteitscampus heeft een orthogonale structuur die de richting volgt van het oorspronkelijke polderlandschap rond de Jaffalaan. In de polderverkaveling zat ten zuiden van de huidige sportparken een hoekverdraaiing. Met de groei van de TU naar het zuiden toe is de polderrichting uit het noordelijk deel aangehouden, ook belangrijke routes zoals de Schoemakerstraat en de Mekelweg volgen deze richting. Bij de Karitaatmolensloot, die de zuidrand van het gebied markeert, is de oorspronkelijke polderrichting nog herkenbaar.

Afbeelding 9: Historische kaart van Delft waarop de polderverkaveling nog duidelijk zichtbaar is. In geel de contouren van Campus Zuid. Bron: Kadaster / Topotijdreis

bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (ontwerp) 43

bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 4.5.2

Gewenste ontwikkeling

De universiteitscampus is een plek die uitnodigt tot ontmoeting waardoor kruisbestuiving kan plaatsvinden tussen studenten, wetenschappers, werknemers van bedrijven en bezoekers. Omdat de TU Delft campus bijna 3 km lang is, wordt er gewerkt met clusters. Binnen de clusters staat de voetganger centraal, tussen de clusters en tussen campus en stad is de fiets het belangrijkste vervoermiddel. Campus Zuid is een volwaardig onderdeel van de universiteitscampus met een academisch cluster, diverse bedrijfsclusters en een aantal stedelijke voorzieningen zoals sportparken en studentenhuisvesting. Het gebied ligt aan de zuidelijke stadsrand van Delft en vormt daarmee de overgang tussen stad en buitengebied. In 2019 is een (nieuw) stedenbouwkundig plan gemaakt door bureau PosadMaxwan voor de terreinen die in eigendom zijn van de TU Delft en de gemeente. 4.5.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13598090/1