CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage4 CE Delft 190304 Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft 2013-2018 Def

Commissie Ruimte en Verkeer 27 mei 2021, gemeente DelftBij agendapunt: College van B&W – afdoening motie ZonneEnergie (nr. 2114282)6.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ø

Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft 2013-2018

Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft 2013-2018

Delft, CE Delft, december 2019 Publicatienummer: 19.190304.164 Gemeenten / Monitoring / Kooldioxide / Emissies / Energieverbruik Dit rapport is opgesteld door: Chris Jongsma, Thijs Scholten en Lonneke Wielders

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Inhoud

2

Inhoud

2

1

Inleiding

3

2

CO2-emissies

4

3

Energieverbruik 3.1 Elektriciteit 3.2 Gasverbruik 3.3 Warmte 3.4 Verkeer 3.5 Conclusies energieverbruik

6 6 8 11 12 13

4

Hernieuwbare energieproductie 4.1 Hernieuwbare elektriciteit 4.2 Warmte 4.3 Conclusie hernieuwbare energieproductie

14 14 15 16

5

Balans energieneutraal

18

6

Bibliografie

19

A

Werkwijze Klimaatmonitor o.b.v. CBS-gegevens A.1 Gas- en elektriciteitsverbruik A.2 Transport A.3 Stadswarmte woningen A.4 WKO bodemenergie utiliteitsbouw

21 21 22 23 23

B

Omrekenfactoren

24

C

Emissiekentallen C.1 Gebruikte kentallen C.2 Elektriciteit

25 25 25

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

1

Inleiding In dit rapport wordt de CO2-uitstoot, het energieverbruik (zowel fossiel als hernieuwbaar) en de productie van hernieuwbare energie van 2013 tot en met 2018 op het grondgebied van de gemeente Delft gepresenteerd. Voor het overzicht van de CO2-uitstoot werd in voorgaande monitoringsrapportages altijd gebruik gemaakt van de verbruiksgegevens (elektriciteit en aardgas) uit de database Energie in beeld (Stedin ; Enexis ; Liander, sd). Deze bron is vanaf 2018 niet meer beschikbaar. In deze rapportage is daarom voor het eerst volledig gebruik gemaakt van de verbruiksgegevens van de Klimaatmonitor (Rijkswaterstaat, 2019). In de vorige monitoringsrapportage (CE Delft, 2017) is de Klimaatmonitor al geïntroduceerd en hebben we de cijfers van de Klimaatmonitor vergeleken met de cijfers van Energie in Beeld. De cijfers van de Klimaatmonitor komen anders tot stand en wijken hierdoor af. De cijferreeksen in deze rapportage zijn daarom ook voor historische waarden geüpdatet met cijfer van de Klimaatmonitor. Dit was andere jaren ook een goed gebruik omdat zowel de Klimaatmonitor als Energie in Beeld voortdurend werken aan het verbeteren van de kwaliteit van de verbruiksgegevens in deze databases. Hierdoor worden met enige regelmaat ook cijfers met terugwerkende kracht bijgesteld of in andere categorieën ingedeeld.

De Klimaatmonitor adviseert dan ook om alleen de meest actuele versie te gebruiken, ook voor de historische gegevens over voorgaande jaren. Zie Bijlage A voor een toelichting op de rekenwijze van de Klimaatmonitor. In deze monitoringsrapportage wordt voor het eerst ook de ontwikkeling van de productie van hernieuwbare energie in de gemeente Delft weergeven, evenals het verbruik van hernieuwbare energie. In een energieneutrale gemeente wordt in de energievraag volledig voorzien door hernieuwbare bronnen. Dit vraagt om een verbreding van de monitoringsrapportage. De gegevens voor verkeer zijn dit jaar ook overgenomen uit de Klimaatmonitor. In de voorgaande rapportages waren de cijfers gebaseerd op de voertuigkilometers uit het verkeersmodel van de gemeente. Op basis hiervan werden de CO 2-emissies uitgerekend. Omdat nu ook energieverbruik van belang is, en omdat er geen update beschikbaar is van de verkeerskilometers, vormt de Klimaatmonitor een betere bron. Omdat in de monitor nu meer aandacht is voor energieverbruik en energieproductie zijn alle energiecijfers weergegeven in de eenheid TJ (Terra-Joule) in plaats van de eenheden kWh en m3. Hierdoor is de omvang van energieverbruik en energieproductie in verschillende categorieën beter met elkaar vergelijkbaar. In Bijlage B zijn omrekenfactoren te vinden om de TJ-eenheid te relateren aan kubieke meters gas of kWh elektriciteit.

Opmerking bij de tabellen: kolomtotalen kunnen een kleine afwijking hebben ten opzichte van de som van de in de kolom gepresenteerde waardes als gevolg van afrondingen.

3

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

2

CO2-emissies Bij het energieverbruik uit fossiele bronnen ontstaan CO2-emissies. Het gaat dan om aardgasverbruik, het verbruik van elektriciteit van het elektriciteitsnet en het verbruik van brandstoffen voor verkeer. In dit hoofdstuk brengen we het energieverbruik en de emissies van deze energiedragers in beeld. Naast fossiele energiebronnen wordt er in Delft ook gebruik gemaakt van hernieuwbare energiebronnen zonder CO2-emissies, hiervan geven we ook het energieverbruik weer, voor zover deze informatie beschikbaar is in de Klimaatmonitor. In de volgende tabellen en figuren zijn totale CO2-emissiecijfers gegeven voor het particuliere en zakelijke (niet-duurzame) energieverbruik, en voor verkeer, met daarbij de onderliggende energieverbruiken. Een verschil met de voorgaande rapportage is dat het gas- en elektriciteitsverbruik van grootverbruikers nu wel is meegenomen omdat de cijfers van de Klimaatmonitor gebruikt worden. Vooral het verbruik van DSM heeft een grote invloed op de cijfers ten opzichte van voorgaande rapportages. Ter illustratie, de CO2emissie van DSM bedroeg in 2018 circa 52 kton (NEa, 2019). Deze gegevens werden in de voorgaande rapportage buiten beschouwing gelaten omdat DSM niet binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente ligt.

Een ander verschil met de voorgaande rapportage is dat voor verkeer nu ook de mobiele werktuigen, binnen- en recreatievaart en de omliggende snelwegen zijn meegenomen, voorheen was dit alleen wegverkeer exclusief snelwegen. De CO2-emissies van deze sector zijn in deze paragraaf daarom opgesplitst in ‘wegverkeer excl. snelwegen’ en ‘verkeer en vervoer overig’. De laatste categorie is gearceerd weergegeven. Figuur 1 - Ontwikkeling CO2-uitstoot per sector 2013-2018 (kton CO2/jr)

CO2-emissie Delft (kton CO2) 700 600

kton CO₂

500 Verkeer en vervoer overig 400

Wegverkeer excl. snelweg Warmte

300

Gas Elektriciteit

200 100 0 2013

4

2014

2015

2016

2017

2018

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Tabel 1 - CO2-emissies 2013-2018 (kton CO2/jr) Sector

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Elektriciteit

241

252

264

256

237

246

Gas

216

217

209

210

211

204

0

1

2

3

3

3

149

145

141

144

144

144

waarvan wegverkeer excl. snelwegen

47

49

49

50

50

50

waarvan verkeer en vervoer overig (snelwegen, binnen- en recreatievaart en mobiele werktuigen)

102

97

92

94

94

94

Totaal

607

615

616

613

595

597

Warmte Verkeer en vervoer*

*

De CO2-emissies van verkeer en vervoer omvatten ten opzichte van de vorige monitoringsrapportage ook mobiele werktuigen, binnen- en recreatievaart, en snelwegen. Deze additionele emissies zijn in Figuur 1 en Figuur 2 gearceerd weergegeven. De cijfers voor verkeer en vervoer van 2018 zijn nog niet gepubliceerd, we hanteren daarom dezelfde waarden als 2017. In Figuur 1 zijn deze emissies om die reden ook gearceerd opgenomen.

Opvallend is dat de post ‘particulier’ fors kleiner is dan de post ‘zakelijk’. De particuliere emissies en de emissies door verkeer en vervoer (wegverkeer) variëren jaar-op-jaar aanzienlijk minder dan de zakelijke emissies. De totale CO 2-emissies zijn sinds 2015 gedaald, maar in 2018 wel weer iets gestegen ten opzichte van 2017. In Figuur 2 is de onderverdeling naar energiedrager weergegeven. De emissies komen voor 41% toe aan het elektriciteitsverbruik, voor 34% aan het gasverbruik en 25% aan verkeer en vervoer inclusief snelwegen. Figuur 2 - Ontwikkeling CO2-uitstoot per sector 2011-2018, naar energiedrager (kton CO2/jr)

CO2-emissie Delft (kton CO2) 700 600

97

92

94

47

49

49

50

400

125

124

123

126

300

91

94

86

84

182

195

207

59

57

57

2013

2014

2015

102

kton CO₂

500

94

94

50

50

128

120

83

84

181

191

56

56

55

2016

2017

2018

200 200

100 0

Verkeer en vervoer overig Wegverkeer excl. snelweg Warmte Gas zakelijk Gas particulier Elektriciteit zakelijk Elektriciteit particulier

In de volgende paragrafen gaan we in op het energieverbruik in de vorm van elektriciteit, gas en warmte en voor verkeer en vervoer in de gemeente Delft.

5

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

3

Energieverbruik

3.1

Elektriciteit De volgende figuren tonen de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik bij particulieren (Figuur 3) en de zakelijke markt. Ook is het (geschatte) elektriciteitsverbruik uit eigen zonnepanelen op daken van woningen en bedrijven weergegeven (verbruik ‘achter de meter’). Figuur 3 - Ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik particulier in TJ/jr in de periode 2013-2018

Elektriciteitsverbruik particulier (TJ) Verbruik van het elektriciteitsnet 500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0

Verbruik uit eigen zonnepanelen

442

431

428

426

427

422

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Het elektriciteitsverbruik van particulieren is lichtelijk gedaald sinds 2013 (circa 5%). De CO2-emissies (zie Figuur 2) van het elektriciteitsverbruik zijn sterker gedaald (met circa 7%) dan het elektriciteitsverbruik zelf1.

________________________________ 1

De verklaring hiervoor is dat de emissiefactor van elektriciteit (d.w.z. de hoeveelheid CO2 die vrijkomt bij de productie van 1 kWh), gedaald is in de periode 2013-2017 (zie Bijlage C). (Het emissiekental is van 2013 tot 2015 toegenomen door een verhoogde inzet van kolencentrales. Vanaf 2016 zijn de kolencentrales minder gaan produceren of biomassa gaan bijstoken en in 2017 zijn twee oude kolencentrales geheel uit gebruik genomen).

6

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Figuur 4 - Ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik zakelijk in TJ/jr in de periode 2013-2018

Elektriciteitsverbruik zakelijk (TJ) Verbruik van het elektriciteitsnet 1.600 1.400

Verbruik uit eigen zonnepanelen

1.366

1.394

1.406

1.458

1.439

2013

2014

2015

2016

2017

1.521

1.200 1.000 800 600 400 200 0 2018

Waar het particuliere elektriciteitsverbruik al geruime tijd een lichte daling laat zien, is het zakelijk elektriciteitsverbruik van 2013-2018 met 11% toegenomen. Om de variatie in elektriciteitsverbruik beter de kunnen duiden, is het elektriciteitsverbruik per sector in de jaren 2013-2018 weergegeven in Figuur 5. Hieruit blijkt dat de industrie een groot aandeel heeft in het totale zakelijk elektriciteitsverbruik en dat hier ook de grootste absolute variaties optreden. De totale CO2-uitstoot voor zakelijk elektriciteitsverbruik volgt de trend van elektriciteitsverbruik in de industrie, maar hierin is een minder sterke stijging te zien (circa 5%) wederom vanwege de daling van het emissiekental van elektriciteit gedurende deze periode.

7

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Figuur 5 - Weergave van het zakelijke elektriciteitsverbruik per sector in TJ/jr in de periode 2013-2018

600

Zakelijk elektriciteitsverbruik (TJ) naar sector 2013-2018 500

400

2014 200

2016 100

0

SBI B - Winning van delfstoffen

SBI C - Industrie

SBI D - Productie en distr. Van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde…

SBI E - Winning en distr. Van water; afval- en afvlawaterbeheer en sanering

SBI F - Bouwnijverheid

SBI G - Groot- en detailhandel, reparatie van auto's

SBI H - Vervoer en Opslag

SBI I - Logies-, maaltijd- en drankverstrekking (Horeca)

SBI J - Informatie en communicatie

SBI K - Financiële activiteiten en verzekeringen

SBI L - Exploitatie van en handel in onroerend goed

SBI M - Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische…

SBI N - Administratieve en ondersteunende dienstverlening

SBI O - Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen

SBI P - Onderwijs

SBI Q - Gezondheids- en welzijnszorg

SBI R - Kunst, amusement en recreatie

SBI S - Overige dienstverlening

SBI U - Extraterritoriale organisaties en lichamen

2018

SBI A - Landbouw, bosbouw en visserij

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

8

Gasverbruik 3.2

2013 300

2015

2017

De volgende figuren tonen de ontwikkeling van het gasverbruik bij particulieren (Figuur 6) en de zakelijke markt (Figuur 7). Tot slot toont Figuur 7 het zakelijke gasverbruik per sector.

Figuur 6 - Ontwikkeling van het gasverbruik2 particulier in TJ/jr in de periode 2013-2018

Gasverbruik particulier (TJ)

1.800

1.614

1.658

1.600

1.519

1.494

1.472

1.481

2015

2016

2017

2018

1.400 1.200 1.000 800 600 400 200

0 2013

2014

Ten opzichte van 2013 is zowel het gasverbruik bij particulieren (-8%) als bij bedrijven (-4%) gedaald. De CO2-emissies zijn evenveel gedaald (zie Figuur 2).

________________________________ 2

Hierbij is een temperatuurcorrectie toegepast, zodat het verbruik jaar op jaar is te vergelijken onafhankelijk van weerseffecten.

9

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Figuur 7 - Ontwikkeling van het gasverbruik zakelijk in TJ/jr in de periode 2013-2018

Gasverbruik zakelijk (TJ)

2.000

1.500

1.000

500

0

2.224

2.262

2013

2014

2015

2016

2017

2013 600

0

SBI B - Winning van delfstoffen

SBI C - Industrie

SBI D - Productie en distr. Van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde…

SBI E - Winning en distr. Van water; afval- en afvlawaterbeheer en sanering

SBI F - Bouwnijverheid

SBI G - Groot- en detailhandel, reparatie van auto's

SBI H - Vervoer en Opslag

SBI I - Logies-, maaltijd- en drankverstrekking (Horeca)

SBI J - Informatie en communicatie

SBI K - Financiële activiteiten en verzekeringen

SBI L - Exploitatie van en handel in onroerend goed

SBI M - Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische…

SBI N - Administratieve en ondersteunende dienstverlening

SBI O - Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen

SBI P - Onderwijs

SBI Q - Gezondheids- en welzijnszorg

SBI R - Kunst, amusement en recreatie

SBI S - Overige dienstverlening

SBI U - Extraterritoriale organisaties en lichamen

2018

SBI A - Landbouw, bosbouw en visserij

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

10

2.185

2018

2.196

2.126

2.214 2.500

Figuur 8 - Weergave van het zakelijke gasverbruik per sector in TJ/jr in de periode 2013-2018

Zakelijk gasverbruik (TJ) naar sector 2013-2018 1.400

1.200

1.000

800

400

2014

2015

200

2016

2017

Net als bij het zakelijk elektriciteitsverbruik wordt ook het zakelijk gasverbruik gedomineerd door de bijdrage van de industrie. De industrie is daarmee ook verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van de CO2-uitstoot.

3.3

Warmte Naast het verbruik van gas en elektriciteit wordt er ook (rest)warmte verbruikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. Soms gaat het hierbij om individuele technieken, zoals houtstook in woningen3, in de meeste gevallen om collectieve technieken zoals stadsverwarming. Voor het verbruik van stadsverwarming in Delft zijn schattingen4 in de Klimaatmonitor beschikbaar, maar het is niet bekend wat de warmtebron is en welk deel hiervan duurzaam is. Voor het merendeel zal dit gaan om warmte die met wijkcentrales op aardgas wordt geproduceerd, een aantal buurten worden voor een deel voorzien van duurzame (rest)warmte van AWZI Harnaschpolder. Aangezien het aandeel duurzaam onbekend is, wordt gebruik gemaakt van de algemene emissiefactor voor stadswarmte, gebaseerd op opwekking in een WKK. Figuur 9 - Ontwikkeling van de warmtevraag2 vanuit stadsverwarming in TJ/jr in de periode 2013-2018

Ontwikkeling stadsverwarming (TJ) 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 2013

2014

2015

2016

2017

2018

________________________________ 3

In de Klimaatmonitor zijn cijfers beschikbaar voor houtstook in woningen, maar deze cijfers zijn niet

meegenomen in deze rapportage. Deze cijfers in de Klimaatmonitor zijn gebaseerd op een modelmatig verdeling van het nationale totaal over gemeenten op basis van het aantal vrijstaande woningen (vraag) en het oppervlakte bos (aanbod). Dit is een ruwe toedeling die niets zegt over de werkelijke situatie in Delft, daarom zijn ze in overleg met de gemeente buiten beschouwing gelaten. De waarden zijn voor Delft ook alle jaren gelijk (ca. 5 TJ). Je zult in deze cijfers heel moeilijk impact van lokaal beleid zien. In de Klimaatmonitor staat ook een schatting van het gebruik van houtskool bij barbecues opgenomen, deze laten we ook buiten beschouwing. 4 De schatting in de Klimaatmonitor is gemaakt op basis van het percentage warmtewoningen in Delft volgens het CBS, waarbij is aangenomen dat de warmtevraag van deze woningen gelijk is aan die van woningen op aardgas in Delft. Het betreft dus niet het daadwerkelijke warmtegebruik in Delft, maar een benadering hiervan op basis van beschikbare lokale cijfers over warmtewoningen en gemiddelde warmtevraag van aardgaswoningen. In Bijlage A is een toelichting van de Klimaatmonitor op deze benadering opgenomen.

11

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

In het geval van hernieuwbare warmte uit bekende warmtebronnen zit deze energieconsumptie nog niet verwerkt in de cijfers voor elektriciteit en gas. In Figuur 10 is de ontwikkeling van de productie van hernieuwbare warmte uit WKO-bodemwarmte bij utiliteitsbouw weergegeven. Het gaat om open warmte/koudeopslagsystemen (WKO) die geregistreerd staan in het Landelijk Grondwater Register en databronnen van Provincies. Dit is gelijk aan de consumptie van deze warmte, omdat deze warmte alleen lokaal verbruikt wordt. In Paragraaf 4.2 gaan we verder in op de productie van hernieuwbare warmte. Figuur 10 - Ontwikkeling van de productie hernieuwbare warmte in TJ/jr in de periode 2013-2018

Ontwikkeling productie hernieuwbare warmte (TJ) 45 40 35 30 25 20 15 10

5 0 2013

3.4

2014

2015

2016

2017

2018

Verkeer In Figuur 11 is het energieverbruik van verkeer en vervoer weergegeven 5, voor zover dit uit brandstoffen afkomstig is (diesel, benzine, LPG en aardgas). Voor 2018 is er nog geen data beschikbaar, daarom is deze gelijkgesteld aan de data van 2017. Het energieverbruik van elektrische voertuigen is niet apart weergegeven omdat deze data niet beschikbaar is. Dit elektriciteitsverbruik is reeds verwerkt in het verbruik van woningen (indien de auto’s thuis geladen worden) en bedrijven (indien de auto’s op bij bedrijven op aan publieke laadpalen worden geladen). De vorige rapportage maakte gebruik van een eigen berekening op basis van aantallen vervoerskilometers en emissiekentallen. Dit rapport maakt gebruik van de gegevens uit de Klimaatmonitor, die direct worden weergegeven in energieverbruik en CO2-emissie. ________________________________ 5

De sector zeescheepvaart en visserij is weggelaten omdat Delft geen zeehaven heeft en voor deze categorie dus geen uitstoot gealloceerd krijgt. Ook railverkeer is niet opgenomen, het dieselverbruik in deze categorie is nihil.

12

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Snelwegen zijn in tegenstelling tot de voorgaande rapportages ook weergegeven, ze zijn daarom gearceerd weergegeven. Figuur 11 - Ontwikkeling van het energieverbruik voor verkeer en vervoer in TJ/jr in de periode 2013-2018

Energieverbruik verkeer en vervoer (TJ)

2500

Wegverkeer snelweg

Mobiele werktuigen

Binnen- en recreatievaart

9

9

146

141

1254

10

9

9

9

156

155

156

156

1182

1104

1129

1129

1129

644

669

670

685

692

692

2013

2014

2015

2016

2017

2018

TJ

2000

Wegverkeer overig

1500

1000

500

0

Het totale energieverbruik van verkeer en vervoer is tot en met 2015 gedaald om in 2016-

2018 weer licht te stijgen. Het merendeel van het energieverbruik voor verkeer en vervoer komt voort uit wegverkeer.

3.5

Conclusies energieverbruik Het energieverbruik van particulieren is over de periode 2013-2018 licht gedaald. Dit kan verschillende oorzaken hebben zoals verbeterde woningisolatie, zonneboilers en efficiëntere (warmte)technieken. Het verbruik van de zakelijke sector is een stuk grilliger dan dat van particulieren. De fluctuaties in verbruik zijn groter en er is geen duidelijke trend te zien. Het energieverbruik voor verkeer en vervoer vertoont een daling tot 2015 en daarna weer een lichte stijging. De fluctuatie wordt dus veroorzaakt door het aantal voertuigkilometers. De emissie per kilometer is namelijk voor al het wegverkeer gelijk gebleven sinds 2014 (CBS, 2019). Voertuigen zijn dus gemiddeld sinds 2014 niet zuiniger geworden. Een mogelijke verklaring is dat er steeds meer onzuinige SUV’s rond rijden (IEA, 2019) en ondanks de sterke relatieve groei van het aantal elektrische auto’s is hun aantal vooralsnog zeer gering.

13

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

4

Hernieuwbare energieproductie Binnen de gemeentegrenzen van Delft wordt op verschillende manieren duurzame energie geproduceerd, zowel in de vorm van warmte als elektriciteit. Niet alle hernieuwbare energie is op gemeenteniveau bekend, zoals de hoeveelheid zonnewarmte dat met zonneboilers wordt opgewekt. We beperken ons in deze rapportage tot de gegevens over hernieuwbare energieproductie zoals die in de Klimaatmonitor bekend zijn.

4.1

Hernieuwbare elektriciteit In Delft wordt er hernieuwbare elektriciteit opgewekt met zonnepanelen. Van waterkracht of windturbines is geen sprake, andere vormen van hernieuwbare elektriciteitsproductie zijn niet bekend vanuit de Klimaatmonitor. In 2018 is er in totaal 10 MW aan geregistreerde zonnepanelen in Delft opgesteld, dit komt overeen met zo’n 35.000 panelen van 275 Wattpiek. Tezamen produceerden zij ruim 31 TJ elektriciteit in 2018. Dit is een verviervoudiging ten opzichte van 2013 6. In Figuur 12 is de ontwikkeling van de productie van zonnestroom in Delft weergegeven. Figuur 12 – Ontwikkeling productie zonnestroom in Delft in TJ/jr

Ontwikkeling productie (bekende) zonnepanelen (TJ) 35 30 25 20 15 10 5 0 2013

2014

2015

2016

2017

2018

________________________________ 6

We rekenen met een constante productiefactor van 875 kWh/kWpiek zodat jaarlijkse weersinvloeden niet worden meegenomen en de productie jaar-op-jaar goed is te vergelijken.

14

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

4.2

Warmte De hernieuwbare warmte in Delft bestaat voornamelijk uit het verbruik van WKO bodemenergie. Andere vormen van hernieuwbare warmte, zoals zonnewarmte of buitenluchtwarmte in combinatie met warmtepompen zijn niet vanuit de Klimaatmonitor bekend. Er zijn dus geen cijfers bekend over de omvang van deze warmteproductie. Houtstook bij woningen (biomassa) is niet meegenomen omdat hiervan geen goede cijfers beschikbaar zijn voor Delft, zie voetnoot 3 in Paragraaf 3.3. Voor WKO bodemenergie is een benadering van het verbruik van bodemwarmte in de utiliteitsector bekend vanuit de Klimaatmonitor. Het gaat om open warmte/koudeopslagsystemen (WKO) die geregistreerd staan in het Landelijk Grondwater Register en databronnen van Provincies. Voor gesloten bodemenergiesystemen zijn geen gegevens in de Klimaatmonitor beschikbaar. Toch zijn er in Delft wel veel gesloten WKO-systemen geregistreerd (WKOtool.nl en Landelijk Grondwater Register). Voor 2018 ging het om 157 geregistreerde systemen7 bij panden die volgens de Basisadministratie Adressen en Gebouwen in 2018 in gebruik zijn genomen. Voor de komende jaren is een verdere stijging te zien. Voor monitoringsdoeleinden valt hier op dit moment onvoldoende informatie uit te halen.

Het melden van gesloten WKO-systemen is pas sinds 2013 verplicht, bovendien wordt alleen de warmtevraag waarop het systeem is ontworpen geregistreerd en niet de cijfers over de daadwerkelijke hoeveelheid onttrokken warmte per jaar. We hebben deze systemen daarom niet meegenomen in de monitoring. Ook zijn er in Delft buurten waar warmtenetten voorzien in de warmtebehoefte. Voor het merendeel zal dit gaan om warmte die met wijkcentrales op aardgas wordt geproduceerd, een aantal buurten worden voor een deel voorzien van duurzame (rest)warmte van AWZI Harnaschpolder. Het is niet precies bekend welk deel van de warmteproductie hernieuwbaar is, daarom komt dit niet terug in onderstaande cijfers. In Figuur 13 is te zien dat het WKO-warmte is toegenomen ten opzichte van 2013. In 2018 waren er 19 open WKO-systemen vergund, terwijl dit er in 2013 nog 11 waren. De warmteproductie was voor 2013 circa 25 TJ, terwijl dit in 2018 is opgelopen naar 40 TJ. Naast open WKO-systemen zijn er ook gesloten WKO-systemen vergund, hiervan zijn echter geen goede cijfers voor handen.

________________________________ 7

Deze systemen zijn volgens de registraties ontworpen om te voorzien in een warmtevraag van circa 6 TJ. Dit is inclusief de inzet van de bijbehorende warmtepomp en dus niet alleen de hernieuwbare warmte die uit de bodem wordt onttrokken.

15

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Figuur 13 - Ontwikkeling van de productie hernieuwbare warmte in TJ/jr in de periode 2013-2018

Ontwikkeling productie hernieuwbare warmte (TJ) 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 2013

4.3

2014

2015

2016

2017

2018

Conclusie hernieuwbare energieproductie De hoeveelheid hernieuwbare energie in Delft is voor de periode 2013 tot 2018 weergegeven in Figuur 14. Het toont de hoeveelheid hernieuwbare energie voor zover hiervan cijfers bekend zijn in de Klimaatmonitor. Ten opzichte van 2013 is in 2018 de hoeveelheid hernieuwbare energie in Delft toegenomen met ruim 40%. Zonnestroom is in die periode sterk toegenomen, ook bodemwarmte uit open-WKO nam toe.

16

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Figuur 14 - Ontwikkeling hernieuwbare energie in Delft 2013-2018 in TJ/jr

Ontwikkeling hernieuwbare energie in Delft (TJ) 80

elektriciteit

warmte

70 60 50 40 30 20 10 0 2013

17

2014

2015

2016

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

2017

2018

5

Balans energieneutraal Het energieverbruik uit Hoofdstuk 3 en de hoeveelheid geproduceerde hernieuwbare energie uit Hoofdstuk 4, kunnen tegen elkaar afgezet worden. Dit vormt een beeld van de mate waarin Delft in haar eigen energie kan voorzien en dus de mate waarin Delft al energieneutraal is. We hebben dit uitgedrukt als een percentage dat aangeeft welk aandeel de hernieuwbare energie vormt binnen het totale energieverbruik. Dit is weergegeven in Figuur 15. In 2018 is ten opzichte van 2013 het aandeel hernieuwbare energie in het energieverbruik toegenomen van 0,4% naar 0,9%. Dit komt doordat zowel het totale energieverbruik is gedaald, als de totale hoeveelheid hernieuwbare energie in Delft is toegenomen. Figuur 15 - Aandeel hernieuwbare energie in energieverbruik 2013-2018 in procenten

Aandeel hernieuwbare energie in energieverbruik (%) 1,0% 0,9% 0,8% 0,7%

%

0,6% 0,5%

0,9%

0,4% 0,3% 0,2%

0,6%

0,7%

0,7%

0,8%

0,4%

0,1% 0,0% 2013

18

2014

2015

2016

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

2017

2018

6

Bibliografie CBS, 2018. Rendementen en CO2-emissie elektriciteitsproductie 2017. [Online] Available at: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2018/04/rendementen-en-co2-emissieelektriciteitsproductie-2017 [Geopend 25 11 2019]. CBS, 2019. Parkemissiefactoren CO2. [Online] Available at: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/7063/table?dl=A0B9 [Geopend 4 12 2019]. CE Delft, 2012. CO2-uitstoot 2011gemeente Delft (Jaarlijkse update), Delft: CE Delft. CE Delft, 2013. Expertbijlage CO2-monitoring gemeente Delft - 2012 (maatwerk voor de gemeente), Delft: CE Delft. CE Delft, 2016. STREAM Goederenvervoer 2016, Delft: CE Delft. CE Delft, 2017. Energieneutraal in 2050, Inzicht in de opgave, https://www.ce.nl/publicaties/download/2338: CE Delft. Harmelink consulting ; AgentschapNL ; CBS ; ECN ; PBL, 2012. Berekening van de CO2emissies, het primair fossiel energiegebruik en het rendement van elektriciteit in Nederland, sl: AgentschapNL ; CBS ; ECN ; PBL. IEA, 2019. Commentary: Growing preference for SUVs challenges emissions reductions in passenger car market. [Online] Available at: https://www.iea.org/newsroom/news/2019/october/growing-preference-forsuvs-challenges-emissions-reductions-in-passenger-car-mark.html [Geopend 27 11 2019]. NEa, 2014. CO2-uitstoot [ton] 2008-2012, Gemeente: Delft (spreadsheet), Den Haag: Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). NEa, 2019.

Emissiecijfers 2013-2018. [Online] Available at: https://www.emissieautoriteit.nl/documenten/publicatie/2019/04/04/emissiecijfers-20132018 [Geopend 4 12 2019]. Rijkswaterstaat, 2019. Klimaatmonitor. [Online] Available at: https://klimaatmonitor.databank.nl/Jive [Geopend 2019]. Rijkswaterstaat, lopend. Klimaatmonitor ; data van 2017. [Online] Available at: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/Dashboard/ [Geopend 20 mei 2019]. RVO, 2018. Monitor Energiebesparing Gebouwde Omgeving 2017. [Online] Available at: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2018/12/Monitor%20Energiebesparing%20gebouwde %20omgeving%202017.pdf [Geopend 27 11 2019].

19

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

Stedin ; Enexis ; Liander, sd Energie in Beeld (vanaf eind 2018 niet meer beschikbaar). [Online] Available at: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/energie-in-beeld [Geopend 2019].

20

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

A

Werkwijze Klimaatmonitor o.b.v. CBS-gegevens De Klimaatmonitor maakt gebruik van gegevens uit verschillende bronnen, waarvan het CBS de voornaamste is. Daar waar de Klimaatmonitor afwijkt van het CBS, is in deze paragraaf aangegeven welke methode de Klimaatmonitor hanteert. De teksten zijn overgenomen uit de Klimaatmonitor.

A.1

Gas- en elektriciteitsverbruik CBS publiceert het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik van alle woningen (afgerond op 50 eenheden) en het totaal aantal woningen. Rijkswaterstaat (de Klimaatmonitor) bepaalt de totale gas- en elektriciteitsverbruiken door het gemiddelde verbruik van alle woningen te vermenigvuldigen met het totale aantal woningen in de gemeente per 1 januari van een bepaald jaar. Cijfers voor totaal energieverbruik die gebruik maken van ‘totaal aantal woningen’ kunnen om een aantal redenen afwijken van het werkelijke totaal: 1. In het totaal aantal woningen kunnen ook woningen aanwezig zijn die leeg staan. Deze woningen hebben een lager dan gemiddeld energieverbruik en worden dus deels ten onrechte meegeteld in het totaal. Dit aantal leegstaande woningen en hun (lagere) energieverbruik is per gemeente niet bekend. Er kan dus niet voor het lagere energieverbruik van leegstaande woningen worden gecorrigeerd. 2. In het totaal aantal woningen kunnen ook woningen aanwezig zijn die geen aardgas verbruiken, maar bijvoorbeeld propaangas of een warmtepomp. Deze woningen kunnen een ander energieverbruik hebben dan de woningen die aardgas verbruiken, wat kan leiden tot een afwijking naar boven of beneden.

Echter, omdat deze woningen wel energie en soms zelfs fossiel gas (maar met een iets andere energie-inhoud dan aardgas) verbruiken, is deze afwijking klein en daardoor minder relevant. Er kan niet voor deze afwijking worden gecorrigeerd, omdat de aantallen woningen en hun alternatieve energieverbruik niet bekend zijn. 3. Gedurende het jaar kunnen woningen worden gebouwd en gesloopt. Deze gegevens worden verwerkt in het woningaantal per 1 januari van het volgende jaar. Gedurende het jaar zijn deze mutaties niet per gemeente bekend. 4. De afronding op 50 eenheden door CBS zelf kan ook leiden ook tot een afwijking van het werkelijke totaal. Voor aardgas is de afrondingsfout in Nederland 1,8% (afronding op 50 is een maximale afwijking van 25 op een gemiddeld gasverbruik van 1.400), voor elektriciteit 0,8% (afronding op 50 is een maximale afwijking van 25 op een gemiddeld elektriciteitsverbruik van 3.050). Deze afrondingsfout kan per jaar en per gemeente leiden tot een onderschatting of een overschatting. Bovenstaande situaties (1) en (2) kunnen leiden tot een overschatting van het totaalverbruik van met name aardgas. Situatie (1) kan leiden tot een overschatting van het verbruik van elektriciteit.

Situatie (2) heeft geen invloed op de berekening van het verbruik van elektriciteit, ervan uitgaande dat praktisch alle bewoonde woningen zijn aangesloten op het elektriciteitsnet en elektriciteit verbruiken en/of uitwisselen met het net, al is het maar voor verlichtingsdoeleinden. Situatie (3) kan leiden tot een onderschatting van het energieverbruik omdat gemiddeld gesproken de woningvoorraad groeit. Netto kan een overschatting van het totaal gasverbruik over blijven van gemiddeld ca. 3%, volgens CBS. Deze overschatting wisselt per gemeente en is afhankelijk van het aantal leegstaande, nieuwgebouwde en gesloopte woningen gedurende het jaar in die bepaalde gemeente. Voor het elektriciteitsverbruik zijn de over- en onderschatting van gelijke ordegrootte. De berekeningsmethode en de oorzaken van mogelijke onder- en overschatting blijven door de jaren heen gelijk. Ook is er sowieso al een vergelijkbare afrondingsfout in

21

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

de gepubliceerde gemiddelden aanwezig vanwege situatie (4). Daarom heeft het hanteren van deze berekeningsmethode weinig of geen significante invloed op de gepresenteerde trends in gas- en elektriciteitsverbruik. In het totaal aantal woningen zijn ook woningen aanwezig die geen aardgas verbruiken maar warmte geleverd krijgen via een warmtenet (‘warmte-woningen’). In gemeenten waar warmtewoningen zijn, is dat door CBS al verdisconteerd in het gemiddelde aardgasverbruik van alle woningen. Daardoor leidt dit niet tot een afwijking in de berekende totale gasverbruiken in die gemeenten volgens de methode zoals bovenstaand beschreven. CBS publiceert het percentage warmtewoningen, mits hoger dan 5% van het totaal aantal woningen in de betreffende gemeente. Dit percentage wordt door CBS afgerond op 1 cijfer achter de komma. Rijkswaterstaat (de klimaatmonitor) gebruikt dit percentage om het aantal warmtewoningen te berekenen, door dit percentage te vermenigvuldigen met het totaal aantal woningen in die gemeente. Vervolgens trekt Rijkswaterstaat (de klimaatmonitor) het aantal warmtewoningen af van het totaal aantal woningen om een schatting van het aantal gaswoningen op aardgas (‘gaswoningen’) te verkrijgen. Deze schatting van de ‘gaswoningen’ wijkt af van het werkelijke aantal, omdat een gering aantal woningen geen aardgas verbruikt, maar ook geen warmtelevering krijgt.

Voorbeelden zijn woningen die propaangas of een warmtepomp gebruiken voor ruimteverwarming. In feite geeft het aftrekken van de warmtewoningen van het totaal aantal woningen, het aantal woningen weer dat geen warmte geleverd krijgt. De afwijking van het daadwerkelijk aantal gaswoningen is naar schatting van Rijkswaterstaat (de klimaatmonitor) qua ordegrootte vergelijkbaar met de afrondingsfout die al ontstaat door het afronden van het gepubliceerde percentage warmtewoningen op 1 cijfer achter de komma. Daarnaast wijkt de schatting van het aantal gaswoningen af in gemeenten waar het percentage woningen met warmtelevering minder dan 5% is, omdat in die gemeenten door CBS geen percentage warmtewoningen wordt gepubliceerd. Deze afwijking kan oplopen tot 5%.

A.2

Transport De Emissieregistratie levert op basis van emissieberekening per emissieoorzaak een landelijk CO2-emissietotaal op. Deze CO2-emissies worden door de Emissieregistratie ook verdeeld over gemeenten. Om deze verdeling te berekenen selecteert de Emissieregistratie voor elke emissieoorzaak de meest optimale verdeelsleutel. Denk hierbij aan verkeersintensiteit (voertuigkilometers) voor emissies uit wegverkeer. Emissieregistratie publiceert CO2-emissies per gemeente en voor Nederland als geheel en hoeveelheden verbruikte voertuigbrandstof (bijvoorbeeld benzine, diesel, LPG) en energie-inhoud voor Nederland als geheel. Rijkswaterstaat gebruikt gegevens van de Emissieregistratie om het lokale energieverbruik voor verkeer en vervoer (dat niet door de Emissieregistratie zelf gepubliceerd wordt) te bepalen. Rijkswaterstaat berekent hiertoe eerst emissiefactoren en energie-inhouden op basis van: — De totale hoeveelheid verbruikte energie van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie. — De totale hoeveelheid verbruikte voertuigbrandstof van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie. — De totale CO2-emissie van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie.

22

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

— Rijkswaterstaat berekent de emissiefactoren door de CO2-emissie en de hoeveelheid verbruikte voertuigbrandstof op elkaar te delen. Rijkswaterstaat berekent de energieinhoud door de totale hoeveelheid verbruikte energie en de hoeveelheid verbruikte voertuigbrandstof op elkaar te delen. Rijkswaterstaat deelt vervolgens de door de Emissieregistratie gepubliceerde CO2emissie per gemeente per vervoersmodaliteit (bijvoorbeeld wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart) door deze emissiefactoren om te komen tot de hoeveelheden verbruikte voertuigbrandstof per gemeente per vervoersmodaliteit (bijvoorbeeld liters benzine). Daarnaast vermenigvuldigt Rijkswaterstaat de op deze manier verkregen hoeveelheden verbruikte voertuigbrandstof per gemeente met de berekende energieinhoud om te komen tot de hoeveelheid verbruikte energie (bijvoorbeeld TJ’s energieinhoud van die benzine) per gemeente per vervoersmodaliteit.

A.3

Stadswarmte woningen CBS publiceert het gemiddeld gasverbruik van alle woningen en het totale aantal woningen. CBS publiceert ook het percentage warmtewoningen in een gemeente waar dat percentage hoger is dan 5%. Rijkswaterstaat voert de volgende berekeningen uit: — berekening van het aantal warmtewoningen door het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met het percentage warmtewoningen; — schatten van het aantal met aardgas verwarmde woningen (‘gaswoningen’) door het aantal woningen met warmtelevering af te trekken van het totaal aantal woningen; — berekenen van het gemiddeld gasgebruik van ‘gaswoningen’ door het totaal gasgebruik te delen op het aantal woningen met aardgas; — omrekenen van het gemiddeld gasgebruik van ‘gaswoningen’ naar de energie-inhoud van dat aardgas; — extrapoleren van deze energie-inhoud naar de warmtewoningen door deze energieinhoud te vermenigvuldigen met het aantal warmtewoningen. Bij deze extrapolatie gaat Rijkswaterstaat er impliciet van uit dat het energiegebruik van de gaswoningen in een gemeente vergelijkbaar is met het energiegebruik van de warmtewoningen. In werkelijkheid kunnen tussen deze groepen woningen echter verschillen bestaan, die leiden tot verschillen in energiegebruik.

Voorbeelden zijn: — de warmtewoningen kunnen gemiddelde ouder of jonger zijn dan de gaswoningen, bijvoorbeeld als de warmtewoningen recent gebouwd zijn en de gaswoningen niet; — de warmtewoningen kunnen gemiddelde groter of kleiner zijn dan de gaswoningen, bijvoorbeeld als de warmtelevering vooral bij appartementencomplexen plaatsvindt en de gaslevering vooral aan grondgebonden woningen. Rijkswaterstaat gebruikt deze schatting, omdat de daadwerkelijke warmteleveringen bij Rijkswaterstaat niet bekend zijn. Sommige gemeenten in Nederland beschikken zelf wel over de daadwerkelijke warmteleveringen, omdat ze deze, al dan niet vertrouwelijk, hebben ontvangen van de warmteleverancier(s) op hun grondgebied.

A.4

WKO bodemenergie utiliteitsbouw Het vergund debiet onttrokken grondwater wordt gebruikt om het Nederlands totaal te verdelen naar gemeenten. Tot 2015 was het Landelijk Grondwater Register (LGR) hiervoor de belangrijkste bron, aangevuld met Provinciale gegevens. In 2016 was het LGR onvoldoende bijgewerkt om hier bruikbare gegevens van te benutten en zijn daarom alleen de Provinciale registers gebruikt. Als gevolg hiervan zijn de gegevens van 2016 slecht vergelijkbaar met de jaren daarvoor en is de kwaliteit van de gegevens beperkt.

23

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

B

Omrekenfactoren Onderstaande omrekenfactoren zijn bedoeld om een gevoel te krijgen van hoe verschillende eenheden en energiedragers zich tot elkaar verhouden (Bron: Klimaatmonitor). Tabel 2 - Energie-inhoud van energiedragers/brandstoffen

Elektriciteit

Eenheid

Energie

1 kWh

3,60 MJ

1 mln kWh

3,60 TJ

1 m3

31,65 MJ

Aardgas (onderwaarde)

1 mln m3

31,65 TJ

Benzine

1 liter

32,88 MJ

Diesel

1 liter

35,73 MJ

LPG

1 liter

23,90 MJ

Tabel 3 - Overzicht eenheden

24

1 KiloJoule (kJ)

1.000 Joule

1 MegaJoule (MJ)

1.000.000 Joule

1 GigaJoule (GJ)

1.000.000.000 Joule

1 TeraJoule (TJ)

1.000.000.000.000 Joule

1 PetaJoule (PJ)

1.000.000.000.000.000 Joule

100 TeraJoule TJ

— —

3,2 mln m3 aardgas ≈ verbruik 2.000 huishoudens 27,8 mln kWh elektriciteit ≈ verbruik 8.000 huishoudens

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

C

Emissiekentallen

C.1

Gebruikte kentallen Om de CO2-emissie te kunnen bepalen op basis van het energieverbruik zijn de volgende emissiekentallen gebruikt. In de volgende paragraaf geven we meer uitleg over de emissiefactor voor elektriciteit. Tabel 4 - Kentallen energie

C.2

Sector

Eenheid

2013

2014

2015

2016

2017

Elektriciteit

kg CO2/kWh

0,481

0,503

0,529

0,495

0,453

2018 0,4538

Aardgas

kg CO2/m3

1,79

1,79

1,79

1,79

1,79

1,79

Warmte (o.b.v. gas)

kg CO2/GJ

35,97

35,97

35,97

35,97

35,97

35,97

Elektriciteit Voor het emissiekental van elektriciteitsverbruik maken we gebruik van de notitie ‘Berekening van de CO2-emissies, het primaire fossiel energiegebruik en het rendement van elektriciteit in Nederland CBS’ et al. (2012). Deze notitie bevat een aantal methodieken en hulpmiddelen om duidelijkheid te scheppen in kentallendiscussies, en is in feite te beschouwen als de nieuwe standaard voor CO2-verslaglegging en het in kaart brengen van de CO2-effecten van energiebesparingsmaatregelen of teruglevering van hernieuwbare elektriciteit. De cijfers uit deze notitie, voor het eerst verschenen in september 2012, worden jaarlijks geüpdatet. Het kental conform de ‘integrale mix’ uit CBS et al. gaat uit van de landelijke productiemix, en bevat ook de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Het voordeel is dat het kental (hoeveelheid CO2 per kWh) naar beneden gaat als het aandeel hernieuwbare energie omhoog gaat. Ontwikkelingen in de binnenlandse productie van hernieuwbare energie worden dus zichtbaar in de CO2-uitstoot van de gemeente. N.B. Het is niet mogelijk om binnen Delft opgewekte duurzame elektriciteit in mindering te brengen op de CO2-emissies van het elektriciteitsverbruik, dan zou immers een dubbeltelling ontstaan.

Het blijft uiteraard wel mogelijk om de opwekking binnen de gemeente apart aanschouwelijk te maken, zonder deze in mindering te brengen. Er is nog geen kental voor 2018 gepubliceerd, naar verwachting volgt het kental begin 2020. Het kental voor 2018 is daarom identiek aan de waarde voor 2017, dat is een aanname.

________________________________ 8

25

Het emissiekental voor 2018 is nog niet gepubliceerd, we hanteren daarom dezelfde waarde als in 2017.

190304 - Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft – December 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9993121/1