CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 AEF-Rapportage toekomstbestendig JeugdzorgPlus

Commissie Sociaal Domein en Wonen 7 september 2023, gemeente DelftBij agendapunt: 2324343 Voorstel van het college aan de raad inzake vaststelling verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024 én 2317225 College van B&W - raadsinformatiebrief Delftse jeugd(hulp) eerste kwartaal 202311.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: d. Kortere trajecten Hypothese: Wanneer de instroom gelijk blijft, maar trajecten gemiddeld korter worden, wordt het aantal benodigde bedden lager. Bewijslast: in hoofdstuk 3 zagen we al dat de uitstroom minder snel afgenomen is, dan de instroom. Dit impliceert dat de duur toegenomen is. De plaatsingscommissie heeft ook gegevens van de verdeling van duur van trajecten. Deze zijn in de figuur hieronder weergegeven. Verdeling van duur

Op basis van deze verdeling, kunnen we een gemiddelde duur bepalen. Daarvoor nemen we het gewogen gemiddelde van de duur. Het resultaat hiervan is in de tabel hieronder weergegeven. Jaar

Duur (mnd)

Jaar

Duur (mnd)

2016

6,0 2019

7,4

2017

6,8 2020

8,5

2018

7,3 2021*

6,5

100%

De gemiddelde duur is tot en met 2020 dus eerder toe- dan afgenomen. Voor 2021 is het moeilijk conclusies te trekken, maar de bevinding in hoofdstuk 3 suggereert dat de ingezette beweging eerder versterkt is.

80% 60% 40%

Conclusie: de duur neemt eerder toe dan af. Deze hypothese kan geen verklaring vormen voor de afname van het aantal jeugdigen.

20% 0% 2016

2017 0-3m

47

3-6m

2018

2019

2020

6-12m

12-18m

18-24m

*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen tellen niet op tot 100%.

2021*

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (1/2) Hypothese: wanneer plaatsingen gemiddeld langer duren, kan dit ertoe leiden dat trajecten effectiever zijn en dat er dus minder sprake is van terugval. Dit zou kunnen leiden tot een kleiner benodigd aantal plekken (twee kortere ineffectieve trajecten duren samen langer dan één langer effectief traject).

Bewijslast: in de onderstaande figuur is het aantal plaatsingen per kwartaal weergegeven, uitgesplitst naar type. Type instroom per kwartaal

100 50 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4

48

2018

Nieuw

Hernieuwd

2019

2020

Hernieuwd na onttrekking

Lopend gemiddelde aandeel hernieuwde plaatsingen op totaal 37% 36% 35% 34% 33% 32% 31% 30% 29%

150

2017

Dit laat zien dat alle typen plaatsingen in de loop van de tijd afnemen. We bekijken dit nader door het aandeel hernieuwde plaatsingen (al dan niet na onttrekking) op het totaal aantal plaatsingen (excl. overplaatsingen) te bepalen. Dit aandeel verschilt erg van moment op moment. We nemen daarom het lopend gemiddelde over 4 kwartalen. Dit is in onderstaande afbeelding weergegeven.

2021 Overplaatsing

*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.

Q1

Q2

Q3

2017

Q4

Q1

Q2

Q3

2018

Q4

Q1

Q2

Q3

2019

Q4

Q1

Q2

Q3

2020

Q4

Q1 2021

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (2/2) Bewijslast (vervolg): dit aandeel neemt over de tijd dus enigszins toe: het aandeel herplaatsingen op het totaal aantal plaatsingen wordt dus groter in de loop der tijd. Wanneer we het aantal herplaatsingen als maat voor de terugval hanteren, dan kan zien we meer, in plaats van minder terugval.

Conclusie: deze hypothese kan de afname niet verklaren.

49

*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (1/3) Hypothese: GI’s maken (al dan niet als gevolg van het maatschappelijk debat over gesloten plaatsingen) een steeds scherpere inschatting van wanneer er gesloten hulp nodig is, en wanneer niet. Er worden daardoor ook minder aanvragen gedaan. Bewijslast: de figuur op pagina 32 toont aan dat het de afgenomen instroom is, die de afname in het aantal bezette plekken verklaart. Dit komt niet omdat kinderrechters meer machtigingen afgeven (zie hypothese g. verderop). Dus komt het door minder aanvragen voor machtigingen. Om deze hypothese nader te toetsen, kijken we onder andere naar de ontwikkeling van de maatregelen die ingezet worden voor gesloten plaatsing. De verdeling van plaatsingen in JeugdzorgPlus over de verschillende maatregelen over de tijd, is in de afbeelding rechts weergegeven. Daaruit is op te maken dat zo’n 80% van alle plaatsingen in JeugdzorgPlus op grond van een (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) of (voorlopige) voogdijmaatregel zijn.

50

Verdeling plaatsingen naar maatregel 100% 90% 80%

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% h1

h2

h1

h2

h1

h2

h1

h2

h1

h2

2017

2017

2018

2018

2019

2019

2020

2020

2021

2021

OTS

VOTS

Voogdij

JR

DM

Voorlopig Voogdij

Vrijwillig (14)

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (2/3) Absoluut aantal ingezette (V)OTS'en Bewijslast (vervolg): Deze maatregelen worden uiteraard ook in andere contexten ingezet dan voor plaatsingen in JeugdzorgPlus. Wanneer de totale inzet ervan gelijk blijft, maar specifiek voor de inzet van JeugdzorgPlus daalt, kan dit bewijslast voor deze hypothese zijn: daar worden immers naar alternatieve vormen gekeken.

1400

In de afbeelding rechts is het aantal ingezette (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) in het landsdeel Zuid-West in de loop van de tijd weergegeven, uitgesplitst naar (V)OTS’en ten behoeve van JeugdzorgPlus en overige (V)OTS’en*. Beide laten een daling zien. Om dat beter te kunnen vergelijken, geven we de relatieve ontwikkeling ten opzichte van het eerste halfjaar van 2017 weer in de figuur rechtsonder. Het aantal (V)OTS’en ten behoeve van JeugdzorgPlus is een stuk harder gedaald (49%) dan de overige (V)OTS’en (19%).

0

1200 1000 800

Totaal begonnen OTStrajecten (excl. voor jh+)

600

Plaatsingen jh+ agv (V)OTS

400 200

Relatief aantal ingezette (V)OTS'en 120% 100% 80%

Totaal begonnen OTStrajecten (excl. voor jh+)

60% 40%

Plaatsingen jh+ agv (V)OTS

20% 0% h1

h2

2017

51

h1

h2

h1

2018

*Bron van het totaal aantal OTS’en is CBS statline, OTS’en t.b.v. jeugdhulp komt uit de administratie van het landsdeel. Er zijn dus twee afzonderlijke bronnen gebruikt, met alle aandachtspunten voor onderlinge vergelijking vandien.

h2

2019

h1

h2

2020

h1

h2

2021

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (3/3) Absoluut aantal ingezette Voogdijmaatregelen Bewijslast (vervolg): Iets vergelijkbaars kunnen we doen met het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen. Die zijn veel kleiner in aantal en kennen daardoor meer schommelingen (zie afbeelding rechtsboven op de pagina). Om goed te kunnen vergelijken, nemen we een lopend gemiddeld over een heel jaar en zetten dit vervolgens af tegen de gemiddelde waarde over 2017. We zien dan iets vergelijkbaars als bij de (V)OTS’en: in de betreffende periode neemt het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen ten behoeve van JeugdzorgPlus met 49% af, terwijl de overige (voorlopige) voogdijmaatregelen slechts met 7% afnemen. Conclusie: Deze hypothese is plausibel kan de daling verklaren.

200 Totaal begonnen voogdijtrajecten (excl. voor jh+)

150 100

Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij

50 0

Relatief aantal ingezette (voorlopige) voogdijmaatregelen (lopend gemiddelde) 120% 100% 80%

Totaal begonnen voogdijtrajecten (excl. voor jh+)

60% 40%

Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij

20% 0% h1

h2

2017

52

h1

h2

2018

h1

h2

2019

h1

h2

2020

h1 2021

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom lager: g. kinderrechters machtigen minder snel voor gesloten jeugdhulp. Hypothese: als gevolg van het maatschappelijk debat willen kinderrechters steeds minder machtigingen voor gesloten jeugdhulp afgeven. Doordat aanvragen voor gesloten jeugdhulp toch afgewezen worden, vragen GI’s ook minder vaak aan. Bewijslast: een aanvraag die een GI doet, maar niet goedgekeurd wordt door een kinderrechter, wordt met een ‘intrekking’ aangeduid. In de afbeelding rechts is het aandeel intrekkingen op het aantal aanvragen (minus overplaatsingen) weergeven. Om minder schommelingen te zien, hebben we hier een lopend gemiddelde over een jaar weergegeven.

Zou het eerste deel van deze hypothese waar zijn, dan zouden we meer intrekkingen verwachten. In de plaats daarvan zijn het er minder; het aandeel neemt af van maximaal zo’n 10% naar minder dan 4%. Het tweede deel van de hypothese lijkt daarmee ook niet erg plausibel: het ligt niet voor de hand dat dergelijke kleine percentages afwijzingen 53

*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.

demotiverend werken. Conclusie: het eerste deel van deze hypothese kan de afname niet verklaren. Het tweede deel is niet plausibel. Percentage intrekkingen op aantal verzoeken rechtbank (lopend gemiddelde) 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 2017

2018

2019

2020

2021

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | h. minder inzet vanwege minder plekken (drijver van verminderde instroom) Hypothese: doordat er minder JeugdzorgPlus-plaatsen zijn, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Het is goed denkbaar dat GI’s vanuit de wetenschap dat het aantal bedden beperkt is, genoodzaakt zijn om heel bewuste keuzes te maken voor wie deze ingezet kunnen worden. Er zijn dan ook enkele gesprekspartners dat deze hypothese aandraagt als mogelijke verklaring.

54

Bron: PM

Ter nuancering hierop: de JeugdzorgPlus-aanbieders hebben in principe een leveringsplicht en daarnaast is er in principe de mogelijkheid om uit te wijken naar andere regio’s, dus de vraag is hoe sterk bovengenoemde prikkel doorwerkt bij de GI-medewerkers. Conclusie: het is waarschijnlijk dat dit een (van de) drijvers voor verminderde aanvragen is.

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | i. er zijn alternatieven beschikbaar (drijver van verminderde instroom) Hypothese: Doordat er meer alternatief aanbod is, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Deze specifieke drijver wordt beperkt genoemd door gesprekspartners. Dat is ergens ook goed te begrijpen. Er zijn immers vormen van aanbod die zich als alternatief positioneren, maar hu gezamenlijke capaciteit is onvoldoende om de verminderde instroom opgevangen te hebben. Jeugdigen zijn voor een groot deel in het reguliere aanbod terecht gekomen. Daarbij is het goed denkbaar dat de wetenschap dat dit een mogelijkheid is, meespeelt in de afwegingen die de GI’s maken.

55

Bron: PM

Conclusie: het is mogelijk een (van de) drijvers voor verminderde aanvragen.

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | j. maatschappelijk debat over zo min mogelijk gesloten (drijver verminderde instroom) Hypothese: het maatschappelijk debat over zo min mogelijk inzet van gesloten, heeft als gevolg dat er minder JeugdzorgPlus ingezet wordt. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen. Er is naar aanleiding van het maatschappelijke debat wel breed overeenstemming over dat JeugdzorgPlus zo min mogelijk (en minder dan voorheen) ingezet moet worden. Veel gesprekspartners (waaronder de GI’s en plaatsingscoördinatie) noemen dit dan ook als drijver. Conclusie: het is waarschijnlijk de prominentste drijver voor verminderde aanvragen.

56

Bron: PM

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | k. wens om maatschappelijke kosten lager te maken (drijver minder instroom) Hypothese: gemeenten sturen op lagere kosten en dus op minder JeugdzorgPlus. Bewijslast: veel gemeenten kampen met financiële tekorten op hun jeugdhulpbudget. In die zin kan dit als drijver fungeren. Tegelijkertijd kunnen gemeenten niet in directe zin op de inzet van JeugdzorgPlus sturen, omdat kinderrechters machtigingen afgeven en GI’s deze aanvragen. Er zijn twee manieren waarop dit toch mee kan spelen. Gemeenten kunnen enerzijds indirect sturen op de uitgaven, via de afbouw van JeugdzorgPlus-plekken. Daar is weliswaar sprake van productiefinanciering (in plaats van een vast aantal in te kopen plekken), maar gemeenten maken met aanbieders wel afspraken over de capaciteit. Een tweede mogelijkheid is dat gemeentelijke toegangen uit zichzelf al vaker indicaties van open aanbod afgeven.

57

Bron: PM

Tegelijkertijd wordt in gesprekken aangedragen dat sommige van de ingezette alternatieven door hun intensiteit juist meer kosten dan JeugdzorgPlus. Conclusie: in zoverre dit een drijver is, werkt deze slechts op een indirecte manier door.

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | l. Verplaatsing naar LTA of JJI (gevolg minder instroom) Hypothese: Jeugdigen stromen vaker in bij LTA-aanbod of een JJI in plaats van bij JeugdzorgPlus. Bewijslast: Bij hypothese c. hebben we inzicht in de ‘bestemming’ van plaatsingen gebruikt. Daar hebben we een derde categorie ‘landelijke specialistische instellingen’ (LTA) niet weergegeven. In de afbeelding rechts is deze uitgezet tegen het aantal plaatsingen bij aanbieders die door het landsdeel gecontracteerd zijn. Dit is hiernaast, uitgesplitst per kwartaal, weergegeven. In de tabel hieronder staat op basis hiervan de relatieve ontwikkeling tussen ‘17 en ‘21 weergegeven. Bestemming

2021 tov 2017 (%)

Landelijk specialistisch

-9,3%

Landsdeel Zuid-West

-46,5%

Hieruit is op te maken dat het aantal plaatsingen in het LTA minder gedaald is dan het aandeel plaatsingen bij LTA-aanbieders. 58

*In 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.

Aantal plaatsingen per 'bestemming' 160 140 120 100 80 60 40 20 0 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 Q1 Q2 Q3 Q4 2017

2018

2019

Landelijk specialistisch

2020

2021

Landsdeel ZW

Tegelijkertijd laat bovenstaande figuur zien dat het totale aantal plaatsingen in het LTA vanuit het landsdeel veel kleiner is dan plaatsingen in JeugdzorgPlus. Het kan de afname in absolute zin dus niet verklaren. Conclusie: mogelijk klopt de hypothese wel, maar deze kan de afname niet (of althans slechts in zeer beperkte mate) verklaren.

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | l. Verplaatsing naar LTA of JJI (gevolg minder instroom) (2/2) Bewijslast (vervolg): Voor de JJI’s ontbreekt er een meerjarige en actuele monitor, maar is/was er wél sprake van stijging van de instroom. De jaarlijkse instroom was nog redelijk stabiel net onder de 1.500 tussen 2013 en 2017. In 2018 en 2019 was deze een stuk hoger (resp. ongeveer 1.800 en 1.900).* In 2021 was deze echter weer lager (1.659). De stijging vindt dus niet alleen plaats voorafgaand aan de daling in de JeugdzorgPlus, in 2021 is er bovendien sprake van een daling. Tegelijkertijd is er sprake van capaciteitsproblemen bij de JJI’s. Dit lijkt echter voornamelijk veroorzaakt door de eerdere sluiting van locaties in combinatie met personeelstekorten. Dit alles zegt overigens niet dat er nu geen jeugdigen in JJI’s komen, die eerder in de JZ+ zouden zijn gekomen, maar wel dat dit niet een grote verklaring is voor de afname. Conclusie: deze verklaring kan de afname niet, of hooguit voor een klein deel, verklaren. 59

*p. 25 Factsheet strafrechtketenmonitor 2019, ministerie van J&V (2020) ** Infographic Justitiële Jeugdinrichtingen 2021, DJI (2021)

6. Bijlagen

Bewijslast per hypothese | instroom lager: m. jeugdigen blijven onbehandeld Hypothese: (problematische situaties bij) jeugdigen worden minder vaak gesignaleerd, waardoor een steeds grotere groep überhaupt niet in zorg komt. Bewijslast: wanneer de doelgroep niet in omvang afgenomen is, maar de instroom wel lager, kan dit mogelijk veroorzaakt worden doordat (problematische situaties bij) jeugdigen minder vaak gesignaleerd worden dan voorheen en zij daarom niet in zorg komen. Met name de coronaperiode wordt aangedragen als tijdvak waarin dit zou spelen. Er is in algemene zin niets veranderd in of en hoe gemeenten en anderen oog hebben voor problematische situaties bij jeugdigen. Dat zou dan ook geen verklaring kunnen vormen. Als hiervan dus sprake zou zijn, dan moet het vanwege de coronamaatregelen zijn. Zulke situaties lossen zich bovendien in het algemeen echter niet vanzelf op; er zou vooral sprake moeten zijn van uitstel. De periode met zware coronamaatregelen ligt tegelijkertijd alweer voldoende ver achter ons,

60

dat dit effect zich zou moeten manifesteren. Dat is niet het geval in de JeugdzorgPlus en naar verluid ook niet in de crisisopvang. Conclusie: dit speelt waarschijnlijkheid geen rol.

Meer weten?

(030) 2363030 Andersson Elffers Felix www.aef.nl Mail@aef.nl 12-1-2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12628803/1