Bijlage 1 BIBOB-beleidslijn Horeca- en seksinrichtingen
Tekst van het document
Bijlage 1 BIBOB-beleidslijn “Horeca- en seksinrichtingen” Het college van burgemeester en wethouders, c.q. de burgemeester, hebben gekozen om de mogelijkheden van de wet BIBOB gefaseerd te implementeren. In Delft wordt BIBOB van toepassing verklaard op vergunningen die worden afgegeven voor het uitoefenen van bedrijven in de horecabranche en seksinrichtingen. Ten aanzien van deze vergunningen kan zowel het college als de burgemeester het bevoegd gezag zijn. Tot op heden zijn er overigens nog geen vergunningen verleend het exploiteren voor een seksinrichting of escortbedrijf. Ter voorkoming van misverstanden en omwille van de leesbaarheid wordt in het vervolg gesproken over het bevoegd gezag, waarmee zowel het college als de burgemeester kan worden bedoeld. In deze beleidslijn wordt aangegeven hoe het bevoegd gezag de Wet BIBOB zal toepassen en welke consequenties dit heeft voor de aanvragers en houders van een vergunning op het gebied van horeca- en seksinrichtingen. 1. Reikwijdte beleidslijn Deze beleidslijn heeft betrekking op de volgende vergunningen: • De vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) voor het uitoefenen van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf. • De vergunning op grond van artikel 8 van de Exploitatieverordening Horeca 1998 voor de exploitatie van een horecainrichting.
• De vergunning op grond van artikel 3.2.1 APV voor de exploitatie van een seksinrichting en/of escortbedrijf. • De vergunning op grond van artikel 5 van de Drank en Horecaverordening voor het exploiteren van een alcoholvrij horecabedrijf. 2. BIBOB vragenformulieren Bij het aanvragen van voornoemde vergunningen moeten BIBOB vragenformulieren worden ingevuld. Deze vragenformulieren zijn door het bevoegd gezag vastgesteld in de bijlage 4 en 5. De formulieren moeten worden ingevuld bij nieuwe aanvragen, alsmede door houders van reeds verleende vergunningen indien hiertoe aanleiding bestaat. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de Officie van Justitie het bevoegd gezag tipt of indien er verdenkingen bestaan tegen het bedrijf. 3. Controle en analyse van de ingevulde vragenformulieren Nadat de vragenformulieren en de daarbij behorende bijlagen zijn ingevuld en ingeleverd bij het bevoegd gezag zullen deze worden gecontroleerd en geanalyseerd aan de hand van een indicatorenlijst. Deze lijst is bijgevoegd onder bijlage 7. Naast de indicatorenlijst kan het bevoegd gezag informatie halen uit open bronnen zoals de Kamer van Koophandel, Kadaster enz.). Indien één of meerdere vragen met “ja” moeten worden beantwoord kan het bevoegd gezag een advies aanvragen bij Bureau BIBOB.
Dit kan overigens ook indien de Officier van Justitie het bevoegd gezag tipt over een mogelijke BIBOB zaak.
BiBOB-beleidslijn “Horeca- en seksinrchtingen
1
4. Weigerings- en intrekkingsgronden Het bevoegd gezag zal bij de verlening van de vergunning, of bij het toezicht op de naleving ervan, steeds onderzoeken of de weigerings- of intrekkingsgronden uit artikel 3 van de Wet BIBOB2 van toepassing zijn. Op grond van dit artikel kan het bevoegd gezag een vergunning weigeren of intrekken indien: er sprake is van ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden voor: a) het benutten van voordelen uit strafbare feiten; b) het plegen van strafbare feiten. er een redelijk vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel verleende vergunning een strafbaar feit is gepleegd (bijvoorbeeld valsheid in geschrifte of omkoping). 5. Onderzoek door het bevoegd gezag zelf In het kader van de Wet BIBOB onderzoekt het bevoegd gezag of er sprake is van één van de hierboven geschetste situaties. De BIBOB-gronden vormen een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. Het bevoegd gezag zal echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen. Deze kunnen overigens ook (net als de BIBOB- gronden) betrekking hebben op de integriteit van de vergunningaanvrager/-houder, zoals de eis niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn of de eisen genoemd in het “Besluit eisen zedelijk gedrag”, behorend bij de Drank- en Horecawet.
6. BIBOB t.o.v. reeds verleende vergunningen Ten aanzien van reeds verstrekte vergunningen zal het bevoegd gezag, indien het vermoedt dat één van de situaties als vermeld in artikel 3 van de Wet BIBOB zich voordoet, betrokkene verzoeken om invulling van het BIBOB-vragenformulier. Een weigering om hieraan te voldoen wordt beschouwd als een ernstig gevaar als bedoeld in deze wet, op grond waarvan de vergunning wordt ingetrokken. Als het bevoegd gezag op basis van het eigen onderzoek genoeg aanwijzingen heeft dat een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB zich voordoet, zal het de vergunning weigeren of intrekken. Bij een mindere mate van gevaar dat de (aangevraagde) vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bevoegd gezag extra voorwaarden aan de vergunning verbinden. 7. Welke (rechts)personen worden in het onderzoek betrokken De betrokkene, in dit geval de aanvrager of houder van de vergunning, wordt aan een BIBOBonderzoek onderworpen. In dat kader wordt tevens onderzocht of de betrokkene misschien in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in de Wet BIBOB. Dit betekent dat ook andere personen kunnen worden betrokken bij het onderzoek. In artikel 3 van de Wet BIBOB is bepaald dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, als die feiten door een ander zijn gepleegd en deze persoon 1.
direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene, dan wel 2. zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over betrokkene, dan wel 3. vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, dan wel 4. in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat. BiBOB-beleidslijn “Horeca- en seksinrchtingen
2
Al deze (rechts)personen kunnen worden betrokken in het BIBOB-onderzoek. 8. Aanvraag om advies bij het landelijk Bureau BIBOB Een dergelijke advies wordt aangevraagd Indien: 1. na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de directe omgeving van de onderneming, 2. na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van het bedrijf, 3. na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd, 4. de officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een BIBOB-advies aan te vragen. 9. Het onderzoek door het landelijk Bureau BIBOB Indien het landelijk Bureau BIBOB een adviesaanvraag ontvangt, stelt het een onderzoek in brengt het advies uit over de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB. Het landelijk Bureau BIBOB valt onder het Ministerie van Justitie en heeft inzage in een aantal gesloten gegevensbronnen (bijv. van justitie, politie en belastingdienst). Het kan daarom een diepgaander onderzoek doen dan het bevoegd gezag. Het landelijk Bureau BIBOB kan drie soorten adviezen afgeven: • Er is geen sprake van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB. • Er is sprake van een ernstige mate van gevaar.
• Er is sprake van een mindere mate van gevaar. Het bevoegd gezag zal in ieder concreet geval afwegen of het BIBOB-advies aanleiding geeft om de vergunning te verlenen, te weigeren of in te trekken. Indien het bevoegd gezag de vergunning verleent, kan het hier extra voorwaarden aan verbinden, zoals de voorwaarde om periodiek de boekhouding over te leggen ten behoeve van een betere controle. Het college van burgemeester en wethouders,
,burgemeester
,secretaris
De burgemeester van Delft,
BiBOB-beleidslijn “Horeca- en seksinrchtingen
, burgemeester
3