Bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Tekst van het document
Geothermie Rotterdamseweg IMRO idn: NL.IMRO.0503.BP00080-2001
Datum vaststelling:
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Opbouw plan
4 4 5 6
Hoofdstuk2 Ruimtelijke en stedenbouwkundige context 2.1 Bestaande situatie 2.2 Vigerend bestemmingsplan 2.3 Planbeschrijving 2.4 Stedenbouwkundige onderbouwing
7 7 7 7 9
Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
10 10 12 12 13
Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten en onderzoeken 4.1 Archeologie 4.2 Bodem 4.3 Ecologie 4.4 Externe veiligheid 4.5 Geluid 4.6 Landschap en cultuurhistorie 4.7 Lichthinder 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.11 Water
19 19 19 21 22 24 30 31 32 33 34 36
Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 5.1 Systematiek bestemmingen
38 38
Hoofdstuk6
41
Handhaving
Hoofdstuk7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak en overleg 7.2 Zienswijzen 7.3 Financiële uitvoerbaarheid
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 2
42 42 45 45
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Toelichting
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 3
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
GeoThermie Delft B.V. (GTD) heeft het voornemen om op het campusterrein van de TU Delft (TUD) naast de warmtekrachtcentrale (WKC) en deels in een daarvoor afgescheiden deel van deze WKC een productielocatie in te richten om aardwarmte te winnen. Eén van de consortiumleden van GeoThermie Delft B.V. is Hydreco Geomec BV, vergunninghouder van de vigerende opsporingsvergunning en beoogd uitvoerder in het kader van de Mijnbouwwet. Hydreco Geomec is, gezien die hoedanigheid, aanvrager van de voor het project noodzakelijke vergunningen en instemmingen. De overige toekomstige consortiumleden zijn TU Delft Services BV, EBN Aardwarmte BV en Shell Geothermal BV. De locatie is gesitueerd tussen de Leeghwaterstraat en de Rotterdamseweg.
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied Het planvoornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestaande planologische regime noodzakelijk is. Om de ontwikkeling juridisch en planologisch mogelijk te maken, is dit bestemmingsplan opgesteld. In hoofdstuk 2 wordt verder in gegaan op het voornemen.
Andere kenmerken van het bestemmingsplan Artikel 1.1 lid 1 sub a Crisis en Herstelwet (Chw) verklaart afdeling 2 van de Chw van toepassing op (o.a.) de in bijlage 1 genoemde projecten. In bijlage 1 is onder 1 “de aanleg of uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van (…) hernieuwbare warmte met behulp van aardwarmte” genoemd. Hieronder vallen dus ook de geothermische activiteiten zoals in dit bestemmingsplan planologisch zijn geborgd en is de Chw dus mede van toepassing.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 4
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
1.2
Begrenzing plangebied
De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Leeghwaterstraat ten oosten, de Rotterdamseweg ten westen, ten noorden en zuiden ligt terrein behorende bij de TU Delft campus. Op het terrein ten zuiden van het plangebied zal een parkeergarage worden gerealiseerd.
Afbeelding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied op luchtfoto
Afbeelding 1.3 Ligging en begrenzing plangebied (in detail)
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 5
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
1.3
Opbouw plan
In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op alle ruimtelijk relevante onderwerpen die in een toelichting aan bod moeten komen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de ruimtelijke en stedenbouwkundige context van het gebied. Hoofdstuk 3 beschrijft beknopte samenvattingen van de relevante beleidskaders. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten aan de orde, hierbij wordt onder andere ingegaan op uitgevoerde onderzoeken. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Hierin wordt nader uitgelegd op welke wijze de planregels geïnterpreteerd moeten worden. Hoofdstuk 6 gaat in op handhaving en tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 6
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Hoofdstuk 2
2.1
Ruimtelijke en stedenbouwkundige context
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Delft, op de TU Delft Campus naast en deels ter plaatse van de warmtekrachtcentrale (WKC). Het is onderdeel van het kadastrale perceel sectie K nummer 2834. Zoals te zien is in afbeelding 1.3 bestaat het plangebied in de bestaande situatie uit een braakliggend terrein en deels de WKC. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Leeghwaterstraat ten oosten, de Rotterdamseweg ten westen, ten noorden en zuiden ligt terrein behorende bij de TU Delft campus. Op het terrein ten zuiden van het plangebied zal een parkeergarage worden gerealiseerd. Deze wordt circa 11,5 m hoog. Uitgangspunt is dat deze parkeergarage wordt gebouwd voorafgaand aan de aanleg van de boorlocatie. De dichtstbijzijnde woonbebouwing bevindt zich op een afstand van circa 70 meter ten zuidwesten van de grens van het plangebied. De locatie is bereikbaar via de Rotterdamseweg. Aan de oostzijde van de Rotterdamseweg (de landzijde) loopt een groenstrook die landschappelijke en ecologische betekenis heeft. Deze groenstrook valt deels binnen het plangebied.
2.2
Vigerend bestemmingsplan
Momenteel geldt het bestemmingsplan “TU Midden en Noord” (vastgesteld 25-04-2013). Het plan ligt binnen de bestemming “Maatschappelijk” met dubbelbestemming “Waarde – Archeologie I”. Binnen deze bestemming kunnen de faciliteiten voor de boringen en de aardwarmteproductie niet worden gerealiseerd De voorgestane planontwikkeling past hiermee niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Dit vormt de reden voor een planherziening.
2.3
Planbeschrijving
In het plangebied wordt een zogenaamd doublet gerealiseerd voor de exploitatie van een geothermische bron in Delft. Naar verwachting levert de bron zo'n dertig jaar lang klimaatneutrale warmte voor de TU Delft campus en andere wijken in de stad. Doel is om het plangebied zo in te richten dat het geschikt wordt voor uitvoering van de twee boringen, alsmede voor de voorzieningen ten behoeve van het winnen van aardwarmte (afbeelding 2.2). Uit één geboorde put zal warm water opgepompt worden vanuit de diepe ondergrond voor gebruik door diverse afnemers van de TU Delft. Vervolgens zal het gewonnen water worden ontgast en gefilterd. Het water wordt vervolgens naar de warmtewisselaars geleid waar de warmte wordt overgedragen aan een secundair warmtenet. De andere geboorde put wordt gebruikt om het afgekoelde water vervolgens weer in de ondergrond te brengen (injectieput). Het gas uit de ontgassingsinstallatie wordt in een separate unit opgewerkt tot aardgaskwaliteit. Het geproduceerde aardgas wordt via een ondergrondse leiding aangesloten op het aanwezige Stedin aardgasnet. In geval van storingen, onderhoud of calamiteiten kan het gas afgefakkeld worden via een te plaatsen fakkel. De ambitie is dat op deze locatie warmteproductie hand in hand gaat met onderwijs en onderzoek. De locatie zal dan ook worden opengesteld voor bezoekers, zoals studenten.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 7
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Afbeelding 2.1 Situatietekening van de geothermielocatie met aan de noordzijde (links op de kaart) de bestaande warmtekrachtcentrale en aan de zuidzijde (rechts op de kaart) het nieuwe parkeergebouw.
Afbeelding 2.2 Ontwerp locatie met situering van de twee te boren putten
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 8
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Er zullen graafwerkzaamheden, fundatie middels schroefpalen en diepboringen worden verricht en er worden verhardingen aangelegd, alsmede bebouwing en installaties gerealiseerd. Watergangen worden niet aangetast en er zullen geen bomen gekapt of verwijderd worden. In het plangebied bevond zich een gasontvangststation dat ten behoeve van het voornemen reeds is verplaatst.
2.4
Stedenbouwkundige onderbouwing
De geothermie productielocatie wordt gesitueerd naast de bestaande warmtekrachtcentrale aan de Rotterdamseweg en vormt daarmee een logisch cluster met deze al aanwezige nutsvoorziening. Bij de planvorming is rekening gehouden met de gemeentelijke monumentenstatus van de warmtekrachtcentrale en de groenstructuur langs zowel de Leeghwaterstraat als de Rotterdamseweg. Vanwege verschillende nieuwe ontwikkelingen langs de Rotterdamseweg, voert de gemeente al enige tijd gesprekken met de Bedrijvenkring Schieoevers en de TU Delft, waarbij het versterken van de relatie – zowel fysiek als sociaal - tussen de TU Delft campus en de bedrijvigheid langs de Rotterdamseweg een belangrijk thema is. In de planopzet is ruimtelijk rekening gehouden met de mogelijkheid van een langzaam verkeersroute die de campus met het gebied rond de Nieuwe Haven verbindt.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 9
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, in overeenstemming met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en de staatssecretarissen van IenW, VWS en Defensie, de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is.
De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Beoordeling en conclusie Het plan is in overeenstemming met de NOVI. 3.1.2
Structuurvisie Ondergrond (STRONG)
De structuurvisie richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). De belangrijkste elementen van de Structuurvisie Ondergrond zijn o.a.: Veel aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond. Zoveel mogelijk benutten van potenties voor geothermie. Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan is met deze visie in overeenstemming.
3.1.3
AMvB Ruimte (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het SVIR. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij Natuurnetwerk Nederland (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 10
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg drukte. Volgens het Barro zijn er in het plangebied geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee bij de vaststelling van dit plan rekening moet worden gehouden. Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan is met dit besluit in overeenstemming.
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder voor duurzame verstedelijking is het kader voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden. Overheden dienden bij de ladderversie van 1 oktober 2012 nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met de volgende drie stappen: 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Per 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd met als doel om de ladder te vereenvoudigen en de onderzoekslasten te verminderen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden blijft. Met deze wijzigingen is niet beoogd het doel van de regeling te wijzigen: voorkomen van ongewenste leegstand en overprogrammering, stimulering zorgvuldig ruimtegebruik en transparante besluitvorming. De nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro bepaalt het volgende: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een deel van de omvangrijke rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met betrekking tot de ladder blijft ook na 1 juli 2017 van belang.
De hoofdlijnen van die rechtspraak zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak in een overzichtsuitspraak (28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) opgenomen. Deze overzichtsuitspraak is bedoeld om de rechtspraktijk houvast te bieden bij de toepassing van de ladder. Op basis van de omschrijving in het Bro betreft de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling. Het plan hoeft niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking te worden getoetst. Beoordeling en conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking is geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 11
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid Holland
Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. De Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: Een introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur; De ontwikkelrichting die is opgenomen in het deel Ambities en sturing; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor ruimtelijke kwaliteit; Samenhangende beleidskeuzes, integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving. Het beleid voor ruimte en mobiliteit bevat geen eindbeeld, maar wel ambities en doelen die de provincie samen met anderen wil realiseren. Bovenregionaal warmtenetwerk Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt in het Nationaal Energieakkoord voor het realiseren van de nationale doelstellingen. Provinciaal belang vanwege de invloed op het leef- en vestigingsklimaat van de provincie. Noodzaak voor bovenlokale keuzes: warmtemarkt en -transport overstijgt gemeentegrenzen.
De provincie zet zich in voor de realisatie van een bovenregionale warmte infrastructuur, als essentieel onderdeel van een goed functionerende warmtemarkt waarin de vraag naar warmte kan worden vervuld door een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening. De provincie streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland, conform de Europese en nationale doelstellingen om een CO2-reductie te realiseren van 20% in 2020 ten opzichte van 1990 en een energie-efficiëntiebesparing van 20% in 2020 ten opzichte van 2007. In Zuid-Holland is veel restwarmte uit de industrie beschikbaar. Ook is de Zuid-Hollandse bodem geschikt voor geothermie. Het bestaande transportnet heeft nog onvoldoende capaciteit om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Beoordeling en conclusie De provincie zet in op het vergroten van het aandeel duurzame energie uit de bodem (aardwarmte en warmte-koudeopslag). Het voornemen is hiermee in overeenstemming met het provinciale beleid. 3.2.2
Ladder duurzame verstedelijking
De Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland bevat de verplichting om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen 'ladder voor duurzame verstedelijking' te doorlopen. Hierop is al nader ingegaan in paragraaf 3.1.4.
3.3
Regionaal beleid
We willen in Nederland in 2030 de helft minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot zelfs met 95% zijn afgenomen. Deze nationale doelstelling is vastgelegd in het Klimaatakkoord. De decentrale overheden (in onze regio 23 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie Zuid-Holland) hebben zich verbonden aan het Klimaatakkoord. In de Regionale Energie Strategie (RES) vertaalt de energieregio Rotterdam Den Haag de afspraken uit het Klimaatakkoord in regionale ambities en oplossingsrichtingen. De RES is een strategie voor de regio en brengt de plannen van decentrale overheden bij elkaar. De RES wordt gebruikt om lokaal beleid en plannen verder uit te werken en in verbinding te brengen met de (inter)nationale opgave. Hoe dat gebeurt bepaalt iedere partij zelf. In de REs is o.a. opgenomen dat de regio de beschikbare rest- en aardwarmte wil benutten in een toekomstbestendige energiemix. De potentie van aardwarmte in de regio wordt geschat op 23 tot 33 PJ. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 12
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Beoordeling en conclusie Het bestemmingsplan is met dit beleid in overeenstemming.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Delft 2040 'Samen maken we de stad'
Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. De kwaliteiten die van Delft een aantrekkelijke stad maken, worden behouden door ze verder te verrijken en te versterken. De Delftse kernwaarden zijn: historie, technologie, innovatie, creativiteit en de verbonden stad. Het Delftse erfgoed (oud en nieuw) speelt een grote rol in de aantrekkelijkheid, identiteit en het vestigingsklimaat van de stad. Samengevat gaat de Omgevingsvisie uit van het volgende: Delft zet tot 2040 in op het toevoegen van 15.000 woningen. Delft voorziet tot 2040 in een groei van 10.000 banen. Delft maakt gebruik van de substantiële kansen van kennisintensieve bedrijven en van een kennisgedreven en ambachtelijke ‘maakindustrie’. Deze nieuwe maakindustrie biedt arbeidskansen voor een brede doelgroep in Delft en de regio.
Het feit dat in Delft technisch onderwijs op mbo, hbo en academisch niveau aanwezig is maakt Delft uniek en versterkt de kansen van het Delftse bedrijfsleven. Delft koestert de huidige bedrijven, kleinschalige economie en biedt waar mogelijk groeiruimte aan bestaande bedrijvigheid. De TU is en blijft een belangrijke partner en is in 2040 zowel sociaal als fysiek beter met de stad verbonden. Delft is in 2040 hard op weg om in 2050 energieneutraal en klimaatbestendig te kunnen zijn. Om daar te komen, zet Delft in op energiebesparing, een warmtenet en zonneenergie. Delft zet in op een mobiliteitstransitie. Het mobiliteitssysteem gaat veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft. De ruimte voor de infrastructuur in de stad wordt beter benut door voorrang te geven aan ruimte-efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. De fysieke leefomgeving moet bijdragen aan de gezondheid van iedere Delftenaar. Delft dringt negatieve milieueffecten terug en richten zich op een gezond ingerichte leefomgeving. Het buitengebied is altijd goed bereikbaar. In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. In 2040 bestaat het begrip ‘afval’ niet meer. Delft functioneert dan als een circulair systeem voor grondstoffen.
Om de positie van de historische en culturele stad te versterken, investeert Delft in kwalitatieve cultuurvoorzieningen, attracties, evenementen, een verantwoorde ontwikkeling van toerisme en in het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Delft koestert zijn erfgoed en zet ook bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in op het doorvertalen van de rijke historie van Delft. Erfgoed in Delft is bekend en ‘beleefbaar’, waar je ook bent in de stad. Ter versterking van de wijkeconomie en het borgen van de duurzame vitaliteit van wijken wordt bij nieuwe gebiedsontwikkelopgaven ten minste 10% van het te realiseren aanbod in de wijk bestemd voor werk en maatschappelijke voorzieningen. Delft streeft naar een vitale mix van wonen en werken, zowel in de wijken als in de werkgebieden. Hierdoor kan er een klimaat ontstaan van dynamische stedelijke gemengde gebieden. Delft heeft in 2040 hoogwaardige, passende en toegankelijke voorzieningen die nodig zijn voor zorg, welzijn, cultuur, onderwijs en sport. Delft streeft naar een goede spreiding van voorzieningen en clustert waar mogelijk. Prettig samen leven vindt Delft belangrijk. In 2040 is Delft een stad waar iedereen ertoe doet, meedoet, elkaar kan ontmoeten en de kans krijgt zich te ontwikkelen. De te realiseren openbare ruimte en voorzieningen draagt hieraan bij. In Delft is ook ruimte een schaars goed.
Keuzes die worden gemaakt, moeten altijd bijdragen aan de versterking van meerdere kwaliteiten van de stad en het gebied Conclusie Deze planontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en hetgeen de gemeente in de toekomst wil. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 13
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
3.4.2
Convenant 2016-2026TU Delft en gemeente Delft
Op 1 november 2016 hebben de bestuurders van de TU Delft en de gemeente Delft het 'Convenant 2016-2026 TU Delft en gemeente Delft' ondertekend voor de verdere ontwikkeling van campus en stad. Het doel van de samenwerking is het vormen van een sterke combinatie van stad en universiteit die internationaal concurrerend is. Het convenant is uitgewerkt in drie thema's: 1. Stad als campus, campus als stad 2. Ecosysteem voor kennis en economie 3. Universitaire gemeenschap, stad en inwoners Conclusie Deze planontwikkeling past bij het bouwen van een Delfts 'ecosysteem van kennis en economie'.
3.4.3
Nota Parkeernormen 2018
De gemeente Delft heeft op 20 april 2018 de 'Nota Parkeernormen 2018: Auto- en fietsparkeren bij bouwontwikkelingen' vastgesteld. In deze nota worden de geldende parkeernomen voor tal van functies binnen de gemeente Delft beschreven. De nota geeft invulling aan de behoefte van de gemeente Delft om binnen bouwontwikkelingen meer ruimte voor flexibiliteit te creëren. Het parkeernormenbeleid van de gemeente is erop gericht om bij bouwontwikkelingen in voldoende parkeercapaciteit voor zowel de auto als de fiets te voorzien. Om deze doelstelling te bereiken maakt de gemeente Delft onderscheid tussen drie pijlers: 1. Toekomstvast: parkeeroverlast wordt niet alleen bij de eerste gebruikersgroep van een functie voorkomen, ook voor de volgende gebruikersgroepen wordt dit gewaarborgd; 2. Gebiedsgericht: niet voor ieder gebied in Delft geldt dezelfde vraag naar parkeerplaatsen, indien van toepassing kunnen lagere parkeernormen voor zowel de auto als de fiets gehanteerd worden; 3. Flexibiliteit: opdat rekening gehouden kan worden met de specifieke karakteristieken van een bouwontwikkeling en de specifieke karakteristieken van de beoogde gebruikersgroepen. Voor bouwontwikkelingen op de Campus TU Delft is de Parkeervisie Campus TU Delft 2018 en de bijbehorende Beleidsregels Parkeren Campus TU Delft van toepassing.
Bij toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunningen op de TU Campus zijn deze parkeervisie en beleidsregels leidend.
3.4.4
Parkeervisie Campus TU Delft 2018
De Parkeervisie Campus TU Delft 2018 is een integrale visie met als doel het creëren van een parkachtig en autoluw binnengebied met een prettige en veilige omgeving voor fietsers en voetgangers. In deze parkeervisie wordt het kader aangegeven waarbinnen het parkeervraagstuk van de TU Campus zich afspeelt: de gebiedsontwikkeling, de bereikbaarheid van de campus en de parkeerstrategie. Vervolgens zijn de beleidsregels geformuleerd voor het parkeren van auto en de behoefte aan stallingsplekken voor fietsen. De beleidsregels vormen het feitelijke toetsingskader voor aanvragen van een omgevingsvergunning.
3.4.5
Mobiliteitsprogramma Delft 2040
Het gemeentelijke mobiliteitsbeleid is vastgelegd in het 'Mobiliteitsprogramma Delft 2040: Ons Delft, duurzaam bereikbaar'. In dit beleid wordt ingezet op een mobiliteitstransitie om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid. Hiervoor is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad. Door een verandering van het mobiliteitssysteem en aansturen op aanpassing van mobiliteitskeuzes kan Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijven. De belangrijkste pijlers van het mobiliteitsbeleid zijn: Ruimte geven door ruimte te maken en de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren: a. Meer verblijfsruimte (zoals pleinen en groen) en minder ruimte voor verplaatsen; bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 14
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg b. Meer ruimte voor de voetganger en de fiets; c. Ruimte maken door minder autoritten; d. Ruimte maken door minder autoparkeren. Meer schone en actieve/gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen, zodat lopen aantrekkelijker wordt en de fiets en het openbaar vervoer in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma, zoals deelmobiliteit en nieuwe vervoermiddelen. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. Verbeteren van de verkeersveiligheid. Bij de verdere uitwerking van het mobiliteitsbeleid is het niet mogelijk of nodig om overal in de stad dezelfde maatregelen te nemen. Het is daarom van belang om voor maatwerkoplossingen te kiezen: de plek in de stad bepaalt de mobiliteitsaanpak. De TU Delft heeft daarnaast een eigen mobiliteitsvisie opgesteld: 'Visie Mobiliteit en Bereikbaarheid: Campus TU Delft – 2018-2028', waarin een visie, strategie en samenhangend pakket aan maatregelen worden genoemd om de verplaatsingen van, naar en over de campus efficiënt, betrouwbaar en veilig te faciliteren.
3.4.6
Nota Delft Energieneutraal 2050: Uitvoeringsprogramma 2017-2020
Delft staat aan de vooravond van een grote transitie in de energievoorziening. Waar nu nog grotendeels aardgas wordt gebruikt voor de verwarming van de woningen, warm tapwater en koken zal binnen enkele decennia de omslag gemaakt zijn naar een duurzame en hernieuwbare vorm voor warmte. De transitie in de energievoorziening heeft urgentie. Delft wil in 2050 geen CO2-emissie meer van fossiele brandstoffen, oftewel bijna 56.000 woningen en circa 6.000 bedrijven moeten worden voorzien van hernieuwbare warmte en elektriciteit. In het Uitvoeringsprogramma 2017-2020 geeft de gemeente Delft invulling aan bovenstaande uitdaging. Het aardgasvrij maken van de eerste wijken in Delft in combinatie met de overgang naar een alternatieve vorm van warmtelevering is daarbij een van de invullingen. De geothermiebron van de TU Delft, waarbij voorliggend plan een onderdeel is, is in de uitrol van het lokaal warmtenet een belangrijke stap. De in potentie beschikbare warmte is goed voor circa 8.000 woningen/woningequivalenten. Conclusie Met voorliggend plan wordt een activiteit gefaciliteerd die een bijdrage levert aan een in ontwikkeling zijnde duurzame energiesector door middel van het opwekken van aardwarmte. Hiermee past de ontwikkeling binnen het uitvoeringsprogramma.
3.4.7
Kadernota 2021
De Kadernota 2021 heeft als een van de opgave de energietransitie. Het Warmteplan – als routekaart naar duurzame warmte – ronden we af. Voor de lokale opwekking van duurzame elektriciteit stellen we een strategie op. In de ontwikkeling van gebieden voorzien we in de basisinfrastructuur voor energie. In de jaren erna verwachten we de aanleg van WarmtelinQ en Geothermie Delft, die duurzame warmte gaan leveren. Medio 2024 staat de realisatie van het Open Warmtenet in Voorhof en Buitenhof gepland. Dan gaan de eerste panden van woningcorporaties over van gas naar duurzame warmte. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Kadernota 2021.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 15
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg 3.4.8
Nota Groen 2012-2020
In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid stelt eisen aan de afweging tussen ruimteclaims die bij ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvindt. Het uitgangspunt is dat aantasting van groene en ecologische waarden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Een evenwichtige verhouding tussen groen en bebouwing is belangrijk voor een goed woon- en leefklimaat in de stad. Het gaat daarbij niet alleen om de natuurwaarden zelf maar ook om de betekenis van het groen voor een goed woon- en werkklimaat. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. Bij ruimtelijke plannen wordt aangegeven op welke wijze de belangen zijn gewogen en wat daarvan de uitkomst is. Verder wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Indien er gecompenseerd wordt, staat in de plantoelichting hoe en waar dit gebeurt.
Als besloten wordt niet te compenseren, wordt toegelicht waarom dat niet gebeurt.
3.4.9
Beleid Hoogheemraadschap van Delfland
Waterbeheersplan 2016-2021 Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021. Dit beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Het waterbeheerplan is een instrument voor de waterbeheerder om te komen tot een samenhangend, systematisch en doelmatig beleid en beheer om aan de doelstellingen in de Waterwet (art 2.1) te voldoen. Deze doelstellingen zijn: Voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met Bescherming en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014) De beleidsnota bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten. Watervergunning Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen.
Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 16
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Hoogheemraadschap van Delfland.
3.4.10 Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000) Het Waterplan is gericht op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer. Vanuit een integrale visie op duurzaam stedelijk waterbeheer en rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten) beschrijft het Waterplan de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn. Duurzaam waterbeheer richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Gezond wil zeggen: een watersysteem met een waterkwaliteit en een ecologische kwaliteit die past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse. Veerkrachtig betekent dat verstoringen door bijvoorbeeld extreme regenval of incidentele verontreiniging relatief gemakkelijk kunnen worden opgevangen en dat systemen zich relatief gemakkelijk kunnen herstellen van ecologische verstoringen, zoals achteruitgang of (lokaal) zelfs volledig verdwijnen van soorten. Binnen de mogelijkheden die gezonde en veerkrachtige watersystemen bieden wordt een duurzaam gebruik van watersystemen (onder meer recreatie en scheepvaart) zoveel mogelijk bevorderd. Bij duurzaam waterbeheer worden water, ecologie en ruimtelijke ordening in samenhang bezien, gebruikmakend van de 'natuurlijke' karakteristieken en de ligging van de watersystemen in het omringende landschap.
Het betekent dat wordt aangesloten bij natuurlijke processen (water als ordenend principe) en bestaande ecologische structuren, en dat hiermee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij herinrichting van woonwijken en bij nieuwbouw. In het Waterplan Delft werken gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland samen aan een duurzaam stedelijk waterbeheer in Delft. Om dit te bereiken hebben beide partijen een watersysteemanalyse uitgevoerd. Op basis van de watersysteemanalyse zijn maatregelen geformuleerd om knelpunten op te lossen en waterplan doelstellingen in te vullen in samenhang met het waterbeleid 21ste eeuw en het rioleringsbeleid. In het Waterplan hebben Gemeente en Hoogheemraadschap de intentie uitgesproken om voor bestaande wateropgaven mee te liften met ruimtelijke ontwikkelingen.
3.4.11 Gemeentelijk Riolerings Plan 2017-2021(GRP) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP vertaalt de gemeente de ambities van de rioleringszorg naar concrete doelen, een adequate strategie, de benodigde activiteiten en de benodigde middelen. Daarmee geeft het GRP ook een onderbouwing van de rioolheffing. Afvalwaterzorgplicht De gemeente heeft de zorgplicht voor het inzamelen van het (stedelijk) afvalwater en het af te voeren naar een overnamepunt van het Hoogheemraadschap van Delfland. Hemelwaterzorgplicht De gemeente draagt zorg voor de inzameling en afvoer van hemelwater in openbaar gebied.In de bestaande situatie wordt het hemelwater afgevoerd naar gemengde riolering, gescheiden riolering of rechtstreeks naar het oppervlaktewater. In bestaande situaties met gemengde riolering zal steeds een afweging gemaakt worden of het actief scheiden van waterstromen de meest doelmatige en duurzame wijze van hemelwaterverwerking is. investeringsmomenten zoals vervangings- en renovatiewerkzaamheden zijn een logisch moment om deze afweging opnieuw te maken. Ook mogelijkheden om mee te liften met andere werkzaamheden in de openbare ruimte kunnen hier aanleiding toe geven.
Afkoppelen is niet altijd wenselijk, zo zijn gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit in principe niet geschikt voor afkoppelen aangezien bij afkoppelen de afvoer naar het oppervlaktewater toeneemt. Ook de perceeleigenaren hebben verantwoordelijkheden voor hemelwater. De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein. Pas als de perceeleigenaar het hemelwater redelijkerwijs niet zelf kan verwerken, treedt de zorgplicht voor de gemeente in werking. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 17
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg In gescheiden gerioleerde wijken en bij nieuwbouw moet de eigenaar het hemelwater gescheiden van het afvalwater aanbieden. De gemeente anticipeert op klimaatveranderingen zodat het risico op wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk wordt beperkt. Het rioleringsstelsel is en wordt ontworpen om bij normale neerslag het water te kunnen afvoeren. Hiertoe wordt de landelijke richtlijn aangehouden voor de berekening van benodigde capaciteit. Bij extreme buien kan wateroverlast ontstaan. Dit betekent dat er mogelijk een aantal keren per jaar enige tijd water op straat blijft staan. Grondwaterzorgplicht Op basis van de Waterwet heeft de gemeente de grondwaterzorgplicht voor het openbare gemeentelijke gebied. Dit houdt in dat de gemeente maatregelen treft om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de grondwatervisie is de aanpak met betrekking tot grondwateroverlast omschreven. Deze lijn is nog steeds actueel. In beginsel worden grondwatermaatregelen in openbaar gebied aangelegd bij groot onderhoud in de stad indien de ontwateringsdiepte structureel minder dan 50 cm is. Indien de ontwateringsdiepte ligt tussen 50 en 70 cm, wordt onderzocht of ontwateringsmiddelen noodzakelijk zijn.
Bij een ontwateringsdiepte van 70 cm of meer worden in beginsel geen ontwateringsmiddelen mee genomen bij werkzaamheden. Vanzelfsprekend is het beter om grondwaterproblemen te voorkómen dan om de ontstane overlast of onderlast te moeten beperken. De gemeente streeft bij nieuwbouw naar het voorkómen en of ontstaan van nieuwe risico's door het stellen van eisen aan de drooglegging. Bij de planning van aanleg van drainage wordt rekening gehouden met de verwachte stijging van de grondwaterstand op langere termijn.
3.4.12 Beleid hogere waarden Wet geluidhinder In het kader van ruimtelijke plannen of reconstructies van geluidbronnen worden onderzocht wat de geluidsbelasting aan de gevels van de aanwezige geluidsgevoelige bestemmingen is. Als de in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt overschreden, maar de uiterste toegestane grenswaarde niet en maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen niet doelmatig zijn of deze overwegende bezwaren ontmoeten, dan is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen: een zogenaamde hogere waarde. Voorwaarde is wel dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. In het rapport 'beleid hogere waarden wet geluidhinder' (geactualiseerd april 2013) is het gemeentelijk beleid opgenomen met betrekking tot deze hogere waarden.
3.4.13 Nota bodembeheer 2009 In het kader van het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeente Delft haar gebiedsspecifieke beleid vastgelegd in de Nota bodembeheer gemeente Delft en een bijlage bodemkwaliteitskaart. In de bodembeheernota wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met grondverzet binnen de gemeente. De Nota is vastgesteld op 12 november 2009. Het aspect 'bodem' komt aan de orde in hoofdstuk 4.2 Bodem
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 18
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten en onderzoeken
4.1
Archeologie
4.1.1
Beoordeling
Het plangebied is reeds archeologisch onderzocht. In een deel van het gebied is door Archeologie Delft in augustus 2014 (in het kader van een ander project) een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen uitgevoerd (kenmerk: DB161, d.d. augustus 2014). Uit het bureauonderzoek bleek dat er binnen het plangebied een middelhoge verwachting was voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Deze verwachting is getoetst door middel van een verkennend booronderzoek. Uit dit booronderzoek is gebleken dat de bodem binnen het toenmalige plangebied tot op grote diepte verstoord is. Er is daarom geadviseerd geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren voorafgaand aan de toen geplande werkzaamheden. Voor het in 2014 niet onderzochte deel van het huidige plangebied is uit diverse bouwtekeningen en andere bronnen gebleken dat in het verleden de bodem hier ook al tot op grote diepte is geroerd. De resultaten van het uitgevoerde archeologisch bureau- en booronderzoek worden dan ook als representatief beschouwd voor het hele onderhavige plangebied. Het is zeer onwaarschijnlijk dat zich hier nog (behoudenswaardige) archeologische resten bevinden. Er hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden en aan het gebied hoeft geen archeologische medebestemming te worden toegekend.
Wel blijft te alle tijden de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (in deze, bij Archeologie Delft via het algemene telefoonnummer 06-20526028). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. Consequenties die hieraan verbonden kunnen worden zijn het intrekken van verleende vergunningen of het opleggen van een geldboete.
4.1.2
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering is voor de realisatie van het plan.
4.2
Bodem
4.2.1
Beoordeling
Bodemkwaliteit Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 19
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg volgende uitgangspunten overheersen: het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's. Onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1 Bodem en Asbest). Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt het volgende: Ter hoogte van een asbestinspectiegat is op het maaiveld asbesthoudend plaatmateriaal waargenomen. Bij het uitvoeren van de boringen en het graven van de asbestinspectiegaten zijn geen asbestverdachte materialen in de grond waargenomen. In de boringen zijn bijmengingen met baksteen, beton en/of houtskool waargenomen. Verder zijn er geen bijmengingen waargenomen die duiden op de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging. De herkomst van het asbesthoudende materiaal op het maaiveld is niet bekend. In de grond is zowel in de grove fractie als de fijne fractie geen asbest aangetoond. Mogelijk is er sprake van 'zwerfasbest'. Op basis van de resultaten van het asbestonderzoek wordt niet verwacht dat er sprake is van een verontreiniging met asbest. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond.
Deze licht verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van antropogene bijmengingen in de bodem. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan de onderzochte parameters aangetoond. De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' wordt verworpen, vanwege de licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat slechts overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor het (voorgenomen) gebruik van de locatie. Voor eventueel uit te voeren graafwerkzaamheden is op basis van de CROW-400 publicatie geen veiligheidsklasse van toepassing (basishygiëne). Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek.
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012) De locatie is een mijnbouwlocatie waarvoor de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB 2012) van toepassing is. De mijnbouwinrichting vormt een potentieel risico voor de bodem. Gezien het gebruik van de stoffen en het hoge zoutgehalte van het opgepompte water worden bodembeschermende voorzieningen getroffen. Op de risicovolle locaties zijn vloeistofkerende voorzieningen voorzien. Verder is ter controle van de bodemkwaliteit voorgeschreven dat rondom de mijnbouwlocatie peilbuizen dienen te worden aangebracht om de kwaliteit van het grondwater periodiek te kunnen monitoren (jaarlijkse bemonstering en analyse). Per (deel)activiteit wordt voorzien in een combinatie van voorzieningen en maatregelen beschreven in de NRB om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren.
4.2.2
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 20
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
4.3
Ecologie
4.3.1
Beoordelingskader
Het project kan worden uitgevoerd indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het projectgebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. Dit advies komt voort uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets (zie bijlage 2 Natuurtoets). Tevens is aangegeven of volgens de Nederlandse wetgeving vervolgstappen aan de orde zijn. 4.3.2
Conclusie beschermde gebieden
In het plangebied is geen NNN-gebied of Natura 2000-gebied aanwezig. Binnen de invloedssfeer komen geen NNN-gebieden voor. Er is zowel van directe als indirecte aantasting van de NNN dan ook geen sprake. Op meer dan 11 km afstand van het plangebied bevinden zich de Natura 2000-gebieden Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. Deze Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van het plangebied wat betreft verdroging en geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand en daardoor de afscherming zijn effecten op habitatsoorten als gevolg van verdroging of geluiden lichtverstoring in de Natura 2000-gebieden uitgesloten. Om te verifiëren of effecten door stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten zijn berekeningen uitgevoerd. Uit de berekening voor de aardwarmteproductiefase volgt dat er op geen Natura 2000-gebieden sprake is van een toename in de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar. De modellering en het resultaat van de berekening zijn vastgelegd in een pdf-bestand met AERIUS-kenmerk RyPc1K4n8JBF, welke is opgenomen in bijlage 1 van de stikstofdepositierapportage (zie bijlage 3 Stikstofdepositie). Uit de berekening voor het wegverkeer (op 4,9 km afstand) volgt dat er geen bijdrage van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar wordt berekend op de rekenpunten.
Doordat op elk van deze rekenpunten de depositiebijdrage al niet leidt tot een toename in de stikstofdepositie, kan logischerwijs geconcludeerd worden dat er op een afstand van meer dan 5 kilometer vanaf een wegbron ook geen sprake zal zijn van een toename in de stikstofdepositie. Uit de AERIUS-berekening voor de aardwarmteproductiefase volgt dat er geen sprake is van een bijdrage aan de stikstofdepositie. Daarnaast kan op basis van de AERIUS-berekening met eigen rekenpunten worden geconcludeerd dat wegverkeer ook niet tot een bijdrage aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden leidt. Hiermee kunnen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van aardwarmteproject “Geothermie Delft” worden uitgesloten en is er geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. 4.3.3
Conclusie beschermde soorten
Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Vogel met een mogelijk jaarrond beschermd nest (nestgelegenheid); Algemene broedvogels (nestgelegenheid); Vleermuizen (foerageergebied en vliegroute); Steenmarter (foerageergebied). In onderstaande tabel is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende voornemen. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het project een ontheffing nodig is. In Hoofdstuk 5 van deze Natuurtoets staat de onderbouwing voor de gegeven conclusies.
bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 21
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
Afbeelding 4.1: Beschermde diersoorten die (mogelijk) verwacht worden in het plangebied Vanuit het aspect natuur zijn er geen belemmeringen geconstateerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient rekening te worden gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Beoordeling
In het kader van de ruimtelijke procedure van het bestemmingsplan en ook voor de aanvraag omgevingsvergunning is onderzoek verricht naar de eventuele risico’s ten aanzien van externe veiligheid. Daarom is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd voor de boorfase (zie bijlage 4 QRA Boorfase) en de aardwarmteproductie (zie bijlage 5 QRA aardwarmteproductie). Met een dergelijke analyse (QRA) wordt inzicht verschaft in de risico's van het boren en het uitvoeren van de beoogde aardwarmteproductie. Deze risico's worden aangeduid als externe veiligheidsrisico's. De berekende risicocontour wordt vervolgens getoetst aan de normstelling zoals die in Nederland voor externe veiligheid van toepassing is. Boorfase Aangezien diverse aardlagen aangeboord moeten worden waarvan niet op voorhand met 100% zekerheid uitgesloten is dat er zich aardgas onder hoge druk in bevindt, is een QRA uitgevoerd zoals die ook uitgevoerd wordt voor boringen naar aardgas: er is een niet verwaarloosbare kans dat aardgas onder hoge druk wordt aangetroffen. De op deze wijze uitgevoerde QRA heeft de volgende resultaten opgeleverd: bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 22
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg Plaatsgebonden risico contour De risicoanalyse heeft aangetoond dat: Zich geen kwetsbare objecten bevinden binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar; Zich ten zuiden en ten noorden van de boorlocatie beperkt kwetsbare objecten bevinden binnen de plaatsgebonden risico contour van 10-6/jaar (namelijk: WKC-gebouw en een ten tijde van onderhavige rapportage in aanbouw zijnde parkeergarage). Indien voor de realisatie van dit project een ruimtelijke procedure moet worden doorlopen, is de Verantwoordingplicht Groepsrisico van toepassing. Groepsrisico Het groepsrisico is lager of gelijk aan 10 slachtoffers. Dit betekent dat er geen groepsrisico is. Dit groepsrisico is lager dan de oriëntatiewaarde. De activiteit kan worden vergund op basis van de navolgende overwegingen: Zoals genoemd, is het Bevi formeel niet van toepassing (maar indirect wel via het Barmm). De “Handleiding Risicoberekeningen Bevi” (Versie 3.3 1 juli 2015) zegt over boringen het volgende:
Gemotiveerd afwijken van de richtwaarden is toegestaan en is hier ook te rechtvaardigen vanwege de tijdelijkheid van de boringen die bovendien daarna permanent opwekken van duurzame energie mogelijk maken. De situatie voldoet aan de in het Barmm genoemde normen. Aardwarmteproductie Toetsing 10-6/jaar contour aan objecten aanwezig binnen deze contour Er is een 10-6/jaar contour aanwezig. Deze valt over de inrichtingsgrens maar ligt niet op of over kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten. Dat betekent dat voldaan wordt aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico. Resultaat groepsrisico berekening Er is een groepsrisico berekend dat onder de oriëntatiewaarde ligt. Voor zover deze berekening gebruikt wordt in een ruimtelijke procedure is de verantwoordingsplicht groepsrisico van toepassing. In bijlage 2 van bijlage 5 QRA aardwarmteproductie is uitgewerkt welk groepsrisico ontstaat wanneer de plannen Nieuwe Haven Delft worden meegenomen in de berekening. Het groepsrisico blijft ook hier onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is niet erg gevoelig voor mensen aanwezig in het plan Nieuwe Haven Delft, omdat dit de rand van het invloedsgebied betreft. Opmerking De toepassing van een actief inblok-mechanisme voor de verschillende insluitsystemen is een belangrijk uitgangspunt.
Hierdoor wordt uitstroming van de gehele installatie voorkomen bij het falen van één onderdeel. GeoThermie Delft B.V. (GTD) realiseert dit op deze wijze.
4.4.2
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Geothermie Rotterdamseweg" (vastgesteld) 23
bestemmingsplan Geothermie Rotterdamseweg
4.5
Geluid
4.5.1
Beoordeling
Voor dit project heeft een viertal akoestische onderzoeken plaatsgevonden, te weten: 1. akoestisch onderzoek aanleg boorlocatie (zie bijlage 6 Akoestisch onderzoek aanleg boorlocatie) 2. akoestisch onderzoek boorfase (zie bijlage 7 Akoestisch onderzoek boorfase) 3. akoestisch onderzoek onderzoek aardwarmteproductie (zie bijlage 8 Akoestisch onderzoek aardwarmteproductie) 4. akoestisch onderzoek BLVC (zie bijlage 9 Akoestisch onderzoek BLVC). Bij de beoordeling van de gebruiksfase is ook rekening gehouden met de beoogde nieuwbouw van het Schiekwartier/Nieuwe Haven. De geluidsbelasting op deze beoogde woningen als gevolg van de bestemde activiteit vormt hiervoor met een berekende hoogste gevelbelasting van 48 dB(A) etmaalwaarde geen belemmering (zie bijlage 10 Geluidcontour etmaalwaarde gebruiksfase). De vier afzonderlijke onderzoeken zijn hierna als volgt beoordeeld:
1. Aanleg boorlocatie De geluidbelasting als gevolg van de aanleg- en bouwwerkzaamheden van de boorlocatie voor het aardwarmteproject ‘Geothermie Delft’ te Delft zal ten hoogste 66 dB(A) zijn gedurende het inrichten. Gedurende de fase ‘bouwrijp maken’ is de geluidbelasting ten hoogste 60 dB(A). Gedurende de fase ‘aanbrengen fundering’ is de geluidbelasting ten hoogste 52 dB(A). Ervan uitgaande dat de werkzaamheden van de inrichting (na het bouwrijpmaken en het aanbrengen fundering) ten hoogste 30 dagen duren, wordt aan het toetsingskader conform het Bouwbesluit voldaan in alle fasen van de aanleg. Samen met mede-initiatiefnemer TU Delft zullen de berekende geluidbelastingen ook worden getoetst aan het “BLVC Kaderplan Campus”. De geluidbelasting gedurende de aanlegfase is conform het toetsingskader van het Bouwbesluit en vormt dus geen belemmering voor de werkzaamheden.
2. Boorfase Tijdens het boren wordt geluid geproduceerd. De keuze voor de toe te passen boorinstallatie is nog niet definitief. Vooralsnog is uitgegaan van de LOC 400 van de firma Huisman. Uitgangspunt is dat deze boorinstallatie wordt ingezet, dan wel een boorinstallatie met een geluidemissie vergelijkbaar met of minder dan deze boorinstallatie (worst-case aanname). Conform het besluit omgevingsrecht (Bor) artikel 2.5 is het uitvoeren van de boringen vergunningplichtig en dient een Wabo omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderdeel van de vergunning is de beoordeling van de geluidaspecten van de boringen. Conform art. 7 lid 1 van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw dient een akoestisch onderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan art. 19 of 20 van dit besluit. In overeenstemming met het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Barmm) is geluidonderzoek uitgevoerd voor de boringen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de mobiele boorinstallatie en de in verband met de mobiele boorinstallatie verrichte werkzaamheden en activiteiten, mogen niet meer bedragen dan de waarden uit de navolgende (bron: Besluit algemene regels milieu mijnbouw).