CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Besluit op aanvraag 01098593-ODH1171006

Commissie Sociaal Domein en Wonen 11 december 2025, gemeente DelftBij agendapunt: 2527367 Bewonerscommissie Wippolder Noord - Petitie slopen is bezopen Wippolder Noord4.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag

Zaaknummer Ons Kenmerk Datum

: 01098593 : ODH1171006 : 04-10-2024

Postadres Postbus 14060 2501 GB Den Haag (070) 21 899 02 vergunningen@odh.nl www.odh.nl

Beschikking Omgevingswet – Flora- en fauna-activiteiten Onderwerp Op 21 september 2021 hebben wij, namens Woonbron, een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten zoals opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. De aanvraag betreft schadelijke handelingen op een habitatrichtlijnsoort, zoals opgenomen in artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving ten behoeve van het uitvoeren van renovatie de Frederik Hendrikstraat 33 t/m 81, Simonsstraat 1 t/m 77 en Frederik hendrikstraat 34A en sloop-en nieuwbouw van de woonblokken aan de Simonsstraat 18 t/m 32, Jan Willem Frisostraat 2 t/m 44 en Frederik Hendrikstraat 14 t/m 32 te Delft. De vergunning wordt gevraagd voor het uitvoeren van schadelijke handelingen zoals genoemd in: -

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor wat betreft het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).

De omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de periode 1 september 2024 tot en met 1 september 2029.

Besluit Wij besluiten: I.

de aangevraagde vergunning te verlenen aan Woonbron;

II.

de in het vervolg van dit besluit opgenomen voorschriften te verbinden aan deze vergunning;

III.

de onder “Relevante documenten” genoemde stukken onderdeel te laten zijn van deze vergunning;

IV.

dat deze vergunning geldig is vanaf een dag na bekendmaking van dit besluit tot en met 1 september 2029.

Ondertekening Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,

ing. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden

Rechtsmiddelen Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beschikking wijzen wij op de desbetreffende tekst in het begeleidende schrijven.

2 / 10

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1.

De vergunninghouder dient: a. de start van de flora- en fauna-activiteiten (waaronder ook het ongeschikt maken) uiterlijk twee weken van tevoren te melden; b. het ecologisch werkprotocol voor aanvang van de werkzaamheden op te sturen; c. relevante wijzigingen in de uitvoering uiterlijk één week van tevoren te melden. Het betreft wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van de aanvraag en/of de uitvoering van de voorgestelde mitigerende en/of compenserende maatregelen; d. de datum van beëindiging van de werkzaamheden uiterlijk één week voor de beëindiging te melden. Bovenstaande meldingen dienen gericht te worden aan de Unit Groen Bodem en Opsporing van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Postbus 550, 3300 AN te Dordrecht, telefoonnummer 078-7708585, e-mailadres toezichtnatuur@ozhz.nl onder vermelding van ‘Flora- en fauna-activiteit’. De meldingen mogen schriftelijk of digitaal worden gedaan.

2.

De vergunninghouder is ervoor verantwoordelijk dat zijn personeel en eventuele derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het project, op de hoogte zijn van de voorschriften in deze omgevingsvergunning en de maatregelen in het rapport ‘Activiteitenplan vleermuizen In het kader van de Omgevingswet’ van 2 februari 2024. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In het ecologisch werkprotocol dient in ieder geval het volgende te worden opgenomen: a. de voorwaarden zoals opgenomen in deze vergunning; b. aanduiding van de locatie van het plangebied; c. de locaties van de huidige verblijfplaatsen binnen het plangebied (inclusief foto- en/of kaartmateriaal); d. de uit te voeren werkzaamheden; e. de periode waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden; f. de mitigerende en compenserende maatregelen (inclusief foto- en/of kaartmateriaal); g. de momenten waarop ecologische begeleiding ingeschakeld wordt; h. het logboek van de ecologische begeleiding dat door de deskundige wordt bijgehouden.

3.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van deze omgevingsvergunning, het ecologisch werkprotocol (inclusief het logboek) op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouders of opsporingsambtenaren. De genoemde documenten mogen, mits leesbaar, digitaal worden getoond.

4.

De flora- en fauna-activiteiten dienen begeleid te worden door een ecologisch deskundige1 zoals bedoeld als in artikel 7.197j, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsregeling.

1 Een ecologisch deskundige is iemand die ecologisch advies geeft en/of werkzaamheden begeleidt op het gebied van leefgebieden en

(beschermde) soorten. Hij of zij heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis, voortkomend uit of vergelijkbaar met een afgeronde mbo-, hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt Nederlandse ecologie. De ecologisch deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek uit te kunnen voeren en advies te kunnen geven. Hij of zij: (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van (beschermde) soorten; heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeks- en monitoringsmethoden; kan resultaten onderbouwd rapporteren en ecologische werkprotocollen uitwerken; kan anticiperen op en heeft voortschrijdend inzicht in het uitvoeren van ecologisch werk in de praktijk. kan specifieke ecologische maatregelen toepassen en begeleiden; kan aanvragen gericht op soortenbescherming opstellen of daarbij ondersteunen; 3 / 10

5.

De vergunninghouder dient, met inachtneming van de voorschriften in deze omgevingsvergunning, de maatregelen uit te voeren zoals beschreven in het rapport ‘Activiteitenplan vleermuizen In het kader van de Omgevingswet hoofdstuk 6’ van 2 februari 2024.

6.

Indien één of meerdere in voorschrift 5 bedoelde maatregelen onverhoopt niet uitvoerbaar zijn, dienen hiervoor minimaal gelijkwaardige maatregelen voor wat betreft de functionaliteit en effectiviteit voor de betreffende soort(en) te worden getroffen.

7.

Tijdig, uiterlijk één maand voordat de in voorschrift 6 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd, dienen deze ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid te worden voorgelegd.

8.

De voorzieningen dienen te worden gemeld via het registratieformulier verblijfsvoorzieningen op https://eloket.odh.nl/verblijfsvoorzieningen. Hiervoor geldt : a. voor tijdelijke voorzieningen: uiterlijk twee weken na de verzenddatum van deze vergunning; b. voor permanente voorzieningen: uiterlijk één week voor het plaatsen van de permanente voorzieningen

Specifieke voorschriften 9. Het ongeschikt maken van de zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis dient uitgevoerd te worden onder begeleiding van de ecologisch deskundige (voorschrift 4). De deskundige dient te allen tijde verslag te doen in het ecologisch logboek (voorschrift 2) van alle handelingen welke een effect hebben op de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Aan het ongeschikt maken zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. het ongeschikt maken dient te worden uitgevoerd tussen 15 april tot en met 15 oktober. Dit is in de actieve periode; b. om vleermuizen redelijkerwijs de mogelijkheid te geven de verblijfplaatsen te verlaten voordat met de werkzaamheden wordt gestart, dienen exclusion flaps te worden geplaatst op de invliegopeningen; c. daar waar de exacte locatie van een verblijfplaats/de verblijfplaatsen niet bekend is, dient de bebouwing in zijn geheel ongeschikt gemaakt te worden; d. indien invliegopeningen met elkaar in verbinding staan is het, onder voorwaarde dat minimaal één van deze openingen ongeschikt wordt gemaakt door middel van een exclusion flap, toegestaan om de overige openingen ongeschikt te maken door middel van weringsborstels, rondschuim of compriband zonder plakranden. De ruimte tussen exclusion flaps mag maximaal 3 meter zijn; e.

het gebruik van materialen waarin vleermuizen verstrikt kunnen raken of aan vast kunnen plakken of verwonden, zoals (steiger)netten, glaswol of purschuim is niet toegestaan; f. de maatregelen, waaronder exclusion flaps, waarmee de bebouwing ongeschikt is gemaakt, dienen gedurende minimaal vijf dagen met gunstige weersomstandigheden (minimaal 10 graden, een windkracht van minder dan 5 Bft en droog) te worden ingezet. Minimaal drie van de vijf dagen met gunstige weersomstandigheden dienen aaneengesloten te zijn. Bij overdag slecht weer en ’s avonds rond zonsondergang en in de nacht goed weer, telt dit nog steeds als een dag met gunstige weersomstandigheden; g. na het ongeschikt maken en met inachtneming van de vereiste dagen met gunstige weersomstandigheden, dient een controlebezoek te worden uitgevoerd door de deskundige met behulp van een batdetector om de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing uit te sluiten, alvorens het plangebied mag worden vrijgegeven voor het starten van de werkzaamheden;

-

zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij Nederlandse natuurorganisaties, (semi)overheidsinstanties of een (ecologisch) adviesbureau dat bij voorkeur is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.

4 / 10

h. bij het ongeschikt maken in het najaar (1 september tot en met 15 oktober) geldt aanvullend op sub f en g hiervoor, dat de periode van vijf dagen met gunstige weersomstandigheden, waarvan drie aaneengesloten, en het daaropvolgende controlebezoek moeten zijn uitgevoerd op uiterlijk 15 oktober. 10. De woningen aan de Simonsstraat 18 t/m 32, Jan Willem Frisostraat 2 t/m 44 en Frederik Hendrikstraat 14 t/m 32 mogen pas ongeschikt gemaakt worden in het actieve seizoen van 2026. De voorwaarden zoals genoemd in voorschrift 9, zijn hierop tevens van toepassing. 11. Zowel de tijdelijke als de permanente voorzieningen moeten functioneel zijn voor de periode waarvoor deze worden ingezet. Daarnaast dienen de tijdelijke en permanente voorzieningen minimaal één keer per jaar gecontroleerd te worden op functionaliteit en dient – indien nodig – de functionaliteit van de voorziening op zo kort mogelijke termijn weer hersteld te worden. Het controleren op de functionaliteit dient uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare winterperiode van de gewone dwergvleermuis. Bovendien moeten de tijdelijke voorzieningen zich te allen tijde buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. 12. De tijdelijke alternatieven mogen pas verwijderd worden wanneer de gewenningsperiode in acht is genomen en de permanente voorzieningen functioneel zijn.

De verwijdering dient begeleid te worden door een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis. Indien blijkt dat de tijdelijke voorziening in gebruik is genomen, mag deze uitsluitend verwijderd worden buiten de kwetsbare winterperiode van de gewone dwergvleermuis en nadat door de deskundige is vastgesteld dat de voorziening is verlaten.

Aanwijzingen voor gebruik Deze omgevingsvergunning geldt alleen voor de soorten en verboden handelingen die in dit besluit genoemd zijn en voor de werkzaamheden die conform de aanvraag uitgevoerd worden, voor zover in deze omgevingsvergunning zelf niet anders aangegeven is. Op alle van nature in het wild levende planten en dieren en hun leefgebied geldt de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gelet op deze specifieke zorgplicht dient inzicht verkregen te worden met betrekking tot de aanwezigheid van soorten op de locatie van de activiteit. Hierbij geldt dat objectief vastgesteld moet worden of soorten negatieve gevolgen ondervinden van de voorgenomen activiteiten. Indien noodzakelijk moeten maatregelen getroffen worden om negatieve gevolgen zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden te voorkomen. Indien negatieve gevolgen redelijkerwijs niet te voorkomen zijn, dient de activiteit gestaakt te worden. In het kader van de specifieke zorgplicht dient tevens rekening gehouden te worden met broedgevallen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

Indien de vergunninghouder de onderhoudsverplichting van gerealiseerde maatregelen wenst over te dragen aan een derde, dan moet de vergunninghouder zorgdragen voor het contractueel vastleggen daarvan.

5 / 10

OVERWEGINGEN Aanleiding Op 22 februari 2024 hebben wij, namens Woonbron, een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten, zoals opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (hierna: Ow). De aanvraag betreft schadelijke handelingen op een habitatrichtlijnsoort, zoals opgenomen in artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) ten behoeve van het uitvoeren van renovatie van de Frederik Hendrikstraat 33 t/m 81, Simonsstraat 1 t/m 77 en Frederik hendrikstraat 34A en de sloop van de woonblokken Simonsstraat 18 t/m 32, Jan Willem Frisostraat 2 t/m 44 en Frederik Hendrikstraat 14 t/m 32 te Delft. De vergunning wordt gevraagd voor het uitvoeren van schadelijke handelingen zoals genoemd in: -

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bal voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);

-

artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bal voor wat betreft het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). De omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de periode 1 september 2024 tot en met 1 september 2029. Relevante documenten Bij de aanvraag zijn de volgende, voor dit besluit relevante, documenten toegevoegd: - De aanvraag, 22 februari 2024 (ODH989895); - Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland, Ecoresult B.V., rapportkenmerk ER20200825v02, 21 september 2020 (ODH976538); - Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw in het kader van de Wet natuurbescherming, Ecoresult B.V., rapportkenmerk: ER20210920v01, 21 september 2021 (ODH976539); - Activiteitenplan vleermuizen In het kader van de Omgevingswet, Ecoresult B.V., rapportkenmerk: ER20240038APv01, 2 februari 2024 (ODH976543); - Overzicht 8 Pre-labels Simonsstraat Delft, verstrekt door Woonbron (ODH976542); - Rapport uit 2015 opzichters Simonsstraat eo rapport, verstrekt door Woonbron (ODH976547); - Prestatie-afspraken Woonbron, verstrekt door Woonbron (ODH976545); - VO en situatie Simonsstraat nieuwbouw, verstrekt door Woonbron (ODH976548); - Deskundigenonderzoek Simonsstraat en Frederik Hendrikstraat te Delft, zaaknummer: 01098593, Het Inspectiehuis B.V., 3 september

2021 (ODH976546). - (e-mail), FW_ kastennotitie Simonsstraat Delft, zaaknummer: 01098593, Ecoresult B.V., 23 september 2024 (ODH1171148); - Notitie locaties vleermuiskasten Plangebied: Simonsstraat, Delft, zaaknummer: 01098593, Ecoresult B.V., 23 september 2024.

Procedure Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 16.64 van de Ow zijn toegepast op deze aanvraag. Doordat de aangeleverde gegevens onvolledig waren, is op 16 september 2024 verzocht om aanvullende gegevens. Op 23 september 2024 hebben wij aanvullende gegevens ontvangen. Verlenging Met toepassing van artikel 16.64, tweede lid, van de Ow hebben wij op 12 april 2024 de termijn voor de afhandeling van de aanvraag met zes weken verlengd.

6 / 10

Bevoegd gezag De activiteit wordt verricht binnen de provincie Zuid-Holland. Gelet op de bepalingen in artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ow, artikel 11.24 van het Bal en artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit zijn wij bevoegd gezag voor de beoordeling van de aanvraag.

Toetsingskader en grondslag beschikking De aanvraag is getoetst aan de Ow, paragraaf 7.2.8a.2. van de Omgevingsregeling, 11.46 van het Bal, artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming ZuidHolland. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur genoemd geval. De aanvraag is getoetst aan de relevante artikelen in paragraaf 7.2.8a.2. van de Omgevingsregeling. De gewone dwergvleermuis is een van nature in Nederland in het wild levend dier van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn. Op grond van artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Bal geldt een verbod op het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten zonder omgevingsvergunning voor: - de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis opzettelijk te verstoren; - voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis te beschadigen of te vernielen.

Op grond van artikel 8.74k van het Bkl wordt een omgevingsvergunning slechts verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat; de activiteit nodig is omdat tenminste één van de belangen genoemd in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl aan de orde is; en de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort respectievelijk er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Beoordeling Aanvraag Woonbron is voornemens om 63 woningen (Frederik Hendrikstraat 33 t/m 81, Simonsstraat 1 t/m 77 en Frederik hendrikstraat 34A) te Delft te renoveren en verduurzamen en 37 woningen (Simonsstraat 18 t/m 32, Jan Willem Frisostraat 2 t/m 44 en Frederik Hendrikstraat 14 t/m 32) te Delft te slopen en nieuwbouw te realiseren. De aanvraag heeft betrekking op de volgende werkzaamheden: Renovatie van complexen: - Volledige dakvervanging inclusief isolatie en nieuwe dakpannen en dakkapellen; - Dakgootvervanging.; - Schilderwerk; - Werken met vaste steigers in steigerdoek; - Voegwerkherstel; 7 / 10

- Vervangen van draaiende delen en het glaswerk; - Aanpak van zwammen in de begane grond. Sloop- nieuwbouw van complexen: - Volledige sloop van de bestaande bebouwing; - Bouwrijp maken van de percelen; - Nieuwbouw appartementen. De renovatie en verduurzaming staan gepland te starten in januari 2025 tot juli 2026. De sloop en nieuwbouw staan gepland te starten in augustus 2026 tot augustus 2028. Hierbij wordt zo snel mogelijk na ontheffingverlening en voor de kwetsbare winterperiode voor vleermuizen, de bebouwing ongeschikt gemaakt. Bij de aangevraagde vergunningsperiode is rekening gehouden met eventuele uitloop van de werkzaamheden van een jaar. Schadelijke handelingen Om te bepalen of een omgevingsvergunning in het kader van flora- en fauna-activiteiten benodigd is, heeft in 2021 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het Kennisdocument Vleermuisprotocol (2021, BIJ12). Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest. De gewone dwergvleermuis is in het plangebied aangetroffen, er zijn in totaal twee zomerverblijfplaatsen en twee paarverblijfplaatsen welke naar aanleiding van de werkzaamheden verloren gaan.

Deze zomerverblijfplaatsen zijn waargenomen aan de achterzijde van de bebouwing van de J.W. Frisostraat 36 en bij de nok van J.W. Frisostraat 8. In de voorgevel, onder het dakvlak of in de spouwmuur van J.W. Frisostraat 20/42 en onder de witte houten balk (onder zolderraam), in een kier tussen twee linker steunbalken van F. Hendrikstraat 61 zijn twee paarverblijfplaatsen aanwezig. Er zijn meer paarverblijfplaatsen aangetroffen in de omgeving, maar die vallen buiten het plangebied en blijven te allen tijde functioneel. Van zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat deze ook in gebruik zijn gedurende milde winters door één of enkele individuen als winterverblijfplaats. Met de geplande werkzaamheden gaan deze verblijfplaatsen verloren en worden individuen opzettelijk verstoord. Dit valt onder schadelijke handelingen zoals bedoeld in 11.46, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Bal. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten omdat het gebouw klein en laag is, een laag temperatuur regulerend vermogen heeft en sterk verlicht is.

Voorgestelde maatregelen Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis tot een minimum te beperken, worden maatregelen voorgesteld zoals beschreven in ‘Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw In het kader van de Wet natuurbescherming’ van 21 september 2021. Deze maatregelen zien onder andere op het ongeschikt maken van de bebouwing in de minst kwetsbare periode van de soorten en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige met kennis van de gewone dwergvleermuis. Geen andere bevredigende oplossing Het project is locatiegebonden aangezien het om het uitvoeren van renovatiewerkzaamheden aan bestaande woningbouw gaat en om sloop en nieuwbouw. De woningen hebben een lage isolatiewaarde. Woningbouwverenigingen hebben zich te houden aan bindende afspraken omtrent de verduurzaming van hun woningvoorraad. Middels renovatiewerkzaamheden dient energielabel B of hoger behaald te worden. Dit kan bewerkstelligd worden door volledige isolatie van de steensmuren, waarbij de dakpannen verwijderd en vervangen worden en isolatiemateriaal wordt toegevoegd. Daarnaast wordt een deel van de woningen in het plangebied gesloopt. Het betreft sloop van bestaande bebouwing welke niet meer aan de huidige eisen van gezondheid en veiligheid voldoen.

Gezien de vervallen staat van de huidige bebouwing is het niet mogelijk om de bebouwing via 8 / 10

renovatie om te vormen naar nieuwe woningen en daarmee het beoogde energiedoel te bereiken. Aldus wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt het terrein klaar gemaakt voor nieuwbouw. Wat betreft de werkzaamheden worden alle mogelijke mitigerende uitvoeringsmaatregelen getroffen om effecten op de gewone dwergvleermuis verminderen, hetgeen wordt opgenomen en geborgd in een ecologisch werkprotocol. Zo wordt er rekening gehouden met de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis en worden er maatregelen genomen om effecten tijdens de werkzaamheden te verminderen. Gelet op de noodzaak en wijze van uitvoering is voldoende aangetoond dat geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Met de gekozen werkwijze, planning en periode van uitvoering, wordt schade aan de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk voorkomen. Belangenonderbouwing De vergunning is aangevraagd op grond van het belang van ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ zoals genoemd in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl. Tijdens een woninginspectie zijn er een aantal gebreken gevonden. Er zijn daklekkages aangetroffen die leksporen hebben veroorzaakt.

Daarnaast moet de brandveiligheid verbeterd worden, vanwege achterstallig onderhoud aan elektra en een verhoogd risico op brandoverslag tussen de woningen. Ten slotte blijkt de doorvalbeveiliging op de eerste etage niet in orde te zijn. Naast een oplossing voor de hierboven genoemde problemen, zorgt de voorgenomen renovatie voor een betere isolatie van de honderd woningen. De woningen zijn gebouwd in 1916, 1917 en 1920. Slechte isolatie kan zorgen voor vocht en schimmelvorming in de woning, waardoor de gezondheid van de bewoners in gevaar komt. Er bestaat een samenhang tussen de aanwezigheid van vocht en schimmel in de woning en reumatische aandoeningen en een verhoogdvoorkomen van ademhalingsproblemen bij kinderen en volwassenen zoals astma. Door de isolatie van de woningen in combinatie met het aanbrengen van mechanische ventilatie, wordt het binnenklimaat in de woningen beter. De te realiseren woningverbetering komt de gezondheid van de bewoners ten goede. Tevens hangt de renovatie samen met het Nederlandse Klimaatakkoord waarin is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 energieneutraal is. Dat betekent dat er 4,5 miljoen huur- en koopwoningen, laagbouw en hoogbouw, rijtjeswoningen en vrijstaande huizen, energieneutraal gemaakt moeten worden. Alleen door vergaande verduurzaming van de bestaande woningvoorraad kan dit doel worden bereikt.

Nederland heeft ingestemd met het Klimaatakkoord van Parijs dat als centraal doel heeft het reduceren van CO2-uitstoot. De huidige staat van de isolatie van de woningen zorgt voor een groot aandeel in de CO2-uitstoot, doordat meer gestookt moet worden om een warm binnenklimaat te behouden. Het huidige energielabel van de locatie ligt gemiddeld op label D. Na renovatie zullen de woningen energielabel B krijgen. Hiermee draagt de voorgenomen renovatie bij aan de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. Het terugdringen van de CO2-uitstoot is essentieel voor het beperken van klimaatverandering en dient daarmee een groot maatschappelijk belang, onder meer op het vlak van veiligheid, natuurbescherming, welzijn en welvaart. Het verminderen van fossiele emissies leidt bovendien tot een verbeterde luchtkwaliteit en heeft daarmee een positief effect op de volksgezondheid. Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat de genoemde belangen voldoende zijn onderbouwd om de negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis, welke als gevolg van de uitvoering van het project zullen optreden, te rechtvaardigen. 9 / 10

Staat van instandhouding Als gevolg van de werkzaamheden gaan twee paarverblijfplaatsen en twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, met mogelijk milde winterfunctie, verloren. Op 2 februari 2024 zijn zestien tijdelijke vleermuiskasten van het type ANS-1 Batbox gerealiseerd aan de gevels van het complex van de Nassaulaan 23-59. In de permanente situatie worden zestien vleermuisvoorzieningen van de types VMPM1 met VMPM1u van Unitura of een vergelijkbaar alternatief ingebouwd in de gevels van Simonsstraat te Delft. Hiermee worden gedurende en na de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden aangeboden voor de gewone dwergvleermuis ter compensatie voor hetgeen dat verloren gaat. In de directe omgeving van de huidige zomer- en paarverblijfplaatsen bevinden zich daarnaast voldoende natuurlijke alternatieven voor de gewone dwergvleermuis. Buiten de kwetsbare periode worden de zomer- en paarverblijfplaatsen ongeschikt gemaakt om te voorkomen dat er vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. Dit wordt uitgevoerd door het toepassen van exclusion flaps en weringsborstels of rondschuim. Daarmee wordt voorkomen dat individuen worden verwond of gedood. De genoemde maatregelen worden getroffen conform de richtlijnen uit het meest actuele Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12).

Gelet op het feit dat er met de werkzaamheden aan de woningen aan de Simonsstraat 18 t/m 32, Jan Willem Frisostraat 2 t/m 44 en Frederik Hendrikstraat 14 t/m 32 pas in 2026 gestart wordt, nemen wij in de voorschriften op dat deze woningen pas in het actieve seizoen van 2026 ongeschikt gemaakt mogen worden. Wanneer er na ontheffingverlening direct bij deze woningen ongeschikt gemaakt zou worden, kan niet gegarandeerd worden dat deze maatregelen tot 2026 effectief zijn. Daarmee is het doden en verwonden van vleermuizen niet uit te sluiten. Het voorgaand is opgenomen in de voorschriften. De gewone dwergvleermuis komt verspreid voor in de directe omgeving van het plangebied en op grotere schaal binnen Simonsstraat te Delft. Door de voorgenomen maatregelen en de beperkte omvang van het effect is het aannemelijk dat de gewone dwergvleermuis in de directe omgeving aanwezig blijft. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de voorgestelde maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Ecologisch werkprotocol De start van de werkzaamheden dient gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

De werkzaamheden en de wijze waarop de maatregelen worden uitgevoerd dienen in een ecologisch werkprotocol te worden opgenomen. Dit protocol dient bij het melden van de start van de werkzaamheden meegestuurd te worden. Voorts dient het protocol op de locatie aanwezig te zijn. Hierdoor weten ook de uitvoerders op welke wijze de werkzaamheden zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Wij hebben dit in de voorschriften 1, 2 en 3 vastgelegd. Samenhangende besluiten Bij deze beoordeling is uitsluitend gekeken naar mogelijke effecten op de gewone dwergvleermuis op basis van de aangeleverde informatie. Er kunnen nog andere toestemmingen nodig zijn om de gevraagde activiteiten te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld van de gemeente of het waterschap.

Conclusie Op grond van het vorenstaande kan de gevraagde vergunning op grond van artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl worden verleend.

10 / 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15128885/1