CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Belissing op administratief beroep SIC

Commissie Sociaal Domein en Wonen 8 juli 2021, gemeente DelftBij agendapunt: 2119374 College van B en W - beslissing administratief beroep Stichting Islamitisch College10.328 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Dienst Uitvoering Onderwijs

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap > Retouradres Postbus 30205 2500 GE Den Haag Rijnstraat 50 2515 xP Den Haag

Gemeente Delft Samenleving Advies

www.duo.nl/zakelijk/oneens-metduo

Postbus 78 2600 ME DELFT

Contactpersoon

Onze referentie BB200194/4 Uw referentie 4369059

Datum Betreft

Zaaknummer BB8200194

0 1 APR. 2021 Afschrift beslissing op administratief beroep

Gelieve bij correspondentie zaaknummer: 88200194 te vermelden; adres: Dienst Uitvoering Onderwijs, postbus 30205, 2500GE Den Haag. Geachte

Op verzoek van mevrouw , zend ik u hierbij een afschrift van de beslissing op het administratief beroep van de Stichting Islamitisch College te Schiedam. lk vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, namens deze, juridisch medewerker,

Pagina 1 van 1

Dienst Uitvoering Onderwijs Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap > Retouradres Postbus 30205 2500 GE Den Haag

Stichting Islamitisch College College van Bestuur

Rujnstraat 50 2515 XP Den Haag www.duo.nl/zakelijk/oneensmet-duo Contactpersoon

Postbus 201 2300 AE LEIDEN

0 1APR. 2021 Datum Betreft

Beslissing op administratief beroep

Onze referentie 88200194/3 Uw referentie 2020.36256, FG 4128-24314662 Zaaknummer C200194

Geacht bestuur, Bij brief van 30 januari 2020 hebt u een verzoek ingediend tot het opnemen van een islamitische basisschool in het plan van scholen 2021/2024 van de gemeente Delft. De gewenste vestigingsplaats is de plaats Delft, met als voorgestelde aanvang van de bekostiging 1 augustus 2021. Op 9 juli 2020 heeft de gemeenteraad van Delft besloten de door u gevraagde basisschool niet op te nemen in het plan van scholen. Hiertegen hebt u bij brief van 7 augustus 2020 administratief beroep ingesteld. Bij brief van 18 september 2020 heeft de gemeente Delft een verweerschrift ingediend. Op 15 december 2020 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Van de zijde van uw stichting waren dvocaat-gemachtigde), aanwezig. Namens de gemeente Delft waren aanwezig. Met deze brief wordt op uw administratief beroep besi ist. Besluit Ik verklaar uw administratief beroep gegrond en vernietig het raadsbesluit van 9 juli 2020 van de gemeente Delft, waarbij uw verzoek is afgewezen, omdat het aannemelijk is dat de door u verlangde islamitische basisschool zal worden bezecht door ten minste het wettelijk vereiste aantal leerlingen. De door u verlangde basisschool moet conform artikel 80, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs (WPO) (oud) voor bekostiging in aanmerking worden gebracht met als startjaar 2021.

Op grond van artikel 194e, derde lid jo tweede lid, van de WPO (nieuw), wordt de aangevraagde school aangemerkt als een school waarvoor op grond van artikel 75, derde lid, van de WPO (nieuw), is beslist dat zij voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. Granden van uw beroep U voert allereerst aan dat de gemeente Delft ten onrechte stelt dat u een document van de Vereniging Bijzondere Scholen hebt ingediend. I van 18

Dit document hoort volgens u bij een aanvraag van uw stichting uit 2015. U hebt bij de huidige aanvraag een prognose ingediend die is opgesteld door Bureau voor Onderwijsh uisvesting en projectmanagement (BVO). Ook bestrijdt u de stelling van de gemeente dat de gehanteerde pro gnosemethode van Primos niet vcldoet aan de in de Regeling modelprognose primair onderw ijs 2013 1 (hierna: de Regeling modelprognose) gestelde eisen. Hoewel de Regeling de

Primos-prognose niet met name noemt, betekent dit niet dat deze prognose niet gebruikt mag worden. U verwijst naar het Programma van Eisen en stelt dat de Primos-prognose juist zeer geschikt voor de onderhavige situatie, waarin het voedingsgebied zieh uitstrekt over meerdere gemeenten. U wijst er op dat het uitgangsjaar van de prognose 2019 is (t=0), welk uitgangsjaar meer dan twee jaar voor 2021 ligt. Dit uitgangsjaar is gebaseerd op de op dat moment laatst bekende gegevens uit het jaar 2018 (t=-1). In januari 2020 was het model volgens u nog niet beschikbaar, maar de cijfers uit 2019 op gemeenteniveau voor zover die in januari 2020 beschikbaar waren, zijn wel meegenomen als correctie. De gehanteerde cijfers komen volgens u voor 2019 dan ook nagenoeg overeen met de feitelijke cijfers van het CBS. Ook wijst u erop dat de gemeente ten onrechte heelt gesteld dat de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven niet zou zijn opgenomen in de prognose. U verwijst naar pagina 6 van de aanvraag. Ook heeft de gemeente ten onrechte gesteld dat de gegevens omtrent en in- en uitstroom van de bevolking en het te verwachten aantal levendgeborenen niet is opgenomen. U verwijst naar pagina 4 van bijlage 14 bij de aanvraag. Voor wat betreft het voedingsgebied voert u aan dat dit voedingsgebied juist compact is. U voert aan dat de doorsnede maximaal 8, 7 kilometer is.

De gemiddelde reisafstand is volgens u minder dan 2 kilometer. Blijkens de gegevens zijn er in Delft scholen waarvoor de reisafstand aanzienlijk hoger ligt. Ook liggen aan de rand van het voedingsgebied gebieden waar weinig tot geen mensen wonen. U voert aar dat de samenvatting van het raadsvoorstel suggereert dater reeds islamitische basisscholen in het voedingsgebied liggen, hetgeen volgens u niet zo is. Voorts voert u aan dat de gemeente Maastricht ten on rechte als niet vergelijkbaar met Delft aanmerkt. U voert aan dat de factoren die volgens de gemeente te veel verschillen (het hogere aandeel van 20-29-jarigen in Delft en het hogere aandeel allochtonen uit een islamitisch herkomstland in Dellt) leiden tot een positieve indicatie. Hetzelfde geldt volgens u voor het feit dat Maastricht aan de grens ligt. U wijst er verder op dat het feit dat Maastricht in een krimpregio ligt en Delft in het Groene Hart van de Randstad, is verdisconteerd in de prognose. Ook vindt u onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2018, nr. 201710302/1/A2, het verschil in leerlingdichtheid geen relevant verschil. Maastricht heeft volgens u meer buitengebied. Daarom is het verschil eerder een positieve indicatie.

U hebt voor Maastricht gekozen boven Leiden omdat er in Leiden in absolute en relatieve zin meer kinderen uit de doelgroep wonen dan in Delft. Het verschil betreft 322 kinderen in absolute zin en een verschil van 12% in relatieve zin. Daarmee zijn Leiden en Delft volgens u niet vergelijkbaar. In Maastricht is het andersom en daarmee wordt het verschil een positieve indicatie. Ook voert u aan dat een belangstellingspercentage van 2,59% in elke gemeente in Zuid-Holland waarin een islamitische basisschool is gevestigd wordt gehaald. Weliswaar niet in Leiden, maar dit kan volgens u aan andere factoren liggen. Verder merkt u nog op dat u de argumentatie van de gemeente ten aanzien van de berekening van het belangstellingspercentage niet kunt volgen. U wijst er op dat het belangstellingspercentage conform de wettelijke systematiek is berekend.

1

Staatscourant 13 december 2013, nr. 34734 2van 18

Voor zover de gemeente suggereert dat het deelnamepercentage het aantal leerlingen weergeeft dat daadwerkelijk uit de gemeente komt, is dit volgens u niet ju ist. Voorts merkt u nog op dat u de leerlingen die vanuit Delft in Den Haag en Schiedam op school gaan niet conform artikel 78 van de WPO hebt afgetrokken van het leerlingpotentieel, omdat de scholen op 9 kilometer respectievelijk 11 kilometer van het centrum van Delft liggen. U vindt het enkele feit dat 28 leerlingen nu naar Schiedam reizen, net maakt dat die afstand als redelijk moet worden beschouwd. Tot slot merkt u, onder verwijzing naar bevindingen van de VNmensenrechtenrapporteur ten aanzien van Nederland, op dat de wijze waarop het gemeentebestuur zieh verzet tegen de komst van een islamitische basisschool bijdraagt aan het gevoel van niet geaccepteerd te worden onder moslims.

Verweer gemeente Delft De gemeente merkt op dat het feit dat in de aanvraag is aangeduid in welke plaats het onderwijs moet worden gegeven, er niet aan afdoet dat dit niet (zelfstandig) in de prognose tot uitdrukking komt. Daarnaast erkent u volgens de gemeente in uw beroepschrift dat u niet de feitelijke cijfers hebt gebruikt. Daarnaast wijst de gemeente op het ontbreken van de te verwachten instroom naar en uitstroom uit de bevolking en het te verwachten aantal levendgeborenen. Daarmee is onduidelijk welke aannames er ten grondslag liggen aan de berekende groei van de basisgeneratie in Delft. Wat betreft het voedingsgebied voert de gemeente aan dat de compactheid daarvan zieh moeilijk laat rijmen met de industriegebieden, bedrijvenparken, agrarische gebieden en grensgebieden die naar uw zeggen aan de randen van het voedingsgebied liggen. Volgens de gemeente bevestigt dit dat u juist een zo groot mogelijk voedingsgebied hebt gekozen bij de aanvraag. Bij nader inzien vindt de gemeente ook dat het voedingsgebied erg ruim is genomen. Zij wist erop dat de omvang van de bas sgeneratie uit het buitengebied bijna even groot is als die uit de gemeente Delft. Ook is gebleken dat een doorsnede van het voedingsgebied 10,4 kilometer !:)edraagt en niet 8, 7 kilometer zoals u hebt genoemd.

De afmeting van het voedingsgebied kernt volgens de gemeente niet overeen met het voedingsgebied van een gemiddelde basisschool. Ook is de gemeente van mening dat Maastricht geen met Delft vergelijkbare gemeente is, al:hans dat Leiden beter vergelijkbaar is met Delft. Dit blijkt ook uit de aanvraag van uw Stichting bij de gemeente uit 2006, die gebaseerd was op Leiden als vergelijkbare gemeente. De gemeente verwijst in dat kader naar de beslissing op het administratief beroep van 12 juni 2007, met kenmerk CFI/BGS2007/71031M. In deze beslissing wordt het beroep van uw Stichting tegen de afwijzing van de gemeente Delft op uw verzoek om een islamitische basisschool op het plan van scholen te zetten, ongegrond verklaard. Voor zover u Maastricht voordraagt als vergelijkbare gemeente, voert de gemeente aan dat Maastricht niet vergelijkbaar is met Delft omdat het een provinciehoofdstad is en daardoor een centrumfunctie heeft, die Delft niet heeft. Delft ligt ingeklemd tussen de twee grote steden Den Haag en Rotterdam, waar al islamitisch onderwijs aanwezig is. Ook is de mate van stedelijkheid verschillend. Maastricht heeft met 55,99 vierkante kilometer een veel groter grondoppervlak dan Delft met 22,65 vierkante kilometer. Er zijn hierdoor grote verschillen in de omgevingsadressendichtheid: in Maastricht is de omgevingsadressendichtheid 2.451 en in Delft 3.496.

Maastricht is voor 38% zeer sterk stedelijk, Delft voor 72%. Ook qua inwonertal verschilt Delft met Maastricht. Maastricht heeft met 121. 565 inwoners meer inwoners dan Delft, dater 103.163 heeft.

3van 18

Daarnaast is het aantal studenten op een kleiner aantal inwoners in Delft groter dan in Maastricht (15.874 tegen 10.616). Voorts heeft Delft procentueel meer 20-29-jarigen (25,6% tegen 21,1%) en is Maastricht met 21,3% 65+'ers meer vergrijsd dan Delft (15,7%). Ook heeft Delft meer allochtonen uit islamitische landen dan Maastricht (8, 1 % tegen 4,3%) en is de bevolkingsdichtheid ruim het dubbele van Maastricht ( 4. 555 tegen 2.171). Hoewel het aantal leerlingen op basisscholen in beide gemeenten niet veel verschilt, verschilt Delft qua leerlingdichtheid in grote mate van Maastricht (297 tegen 121). Daarnaast vindt de gemeente dat er sprake is van een dubbeltelling omdat het belangstellingspercentage van Maastricht wordt losgelaten op zowel de basisgeneratie van Delft als het voedingsgebied van Delft. Dit is volgens de gemeente onjuist omdat in het 95% deelnamepercentage al rekening is gehouden met leerlingen die van buiten de gemeente komen. Wat betreft de plaatsingsruimte bij andere scholen wijst de gemeente, naast de 28 leerlingen die reeds vanuit Delft in Schiedam islamitisch basisonderwijs bezoeken, op de 11 vestigingen van islamitische scholen die reeds in Den Haag, Schiedam en Rotterdam zijn gevestigd en de nog te openen scholen in de gemeenten Westland en Zoetermeer.

Deze scholen liggen of komen te liggen aan de rancien van het voedingsgebied en zullen mogelijk leerlingen uit Delft trekken. De gemeente wijst erop dat deze plaatsingsruimte er in Maastricht niet is. De dichtstbijzijnde islamitische basisschool ligt op 30 kilometer afstand, in Heerlen. De school in Maastricht trekt leerlingen vanuit de wijde omtrek, tot over de grens met België. Tot slot merkt de gemeente op dat de aard van de aangevraagde richting geen enkele rol heeft gespeeld bij de besluitvorming.

Hoorzitting Ter zitting hebben u en de gemeente beide een pleitnotitie ingebracht. Deze zijn als bijlage aan deze beslissing gehecht. De gemeente heeft aangevoerd dat de met het Primos-model aangeleverde prognosecijfers niet voldoen aan artikel 75, vijfde lid, van de WPO en Regeling modelprognose. In haar brief van 3 maart 2020 aan uw schoolbestuur, waarin de gemeente mededeelt dat de aanvraag in behandeling wordt genomen, bevestigt de gemeente echter dat de aanvraag voldoet aan de eisen gesteld in artikel 75 en 76 van de WPO. De gemeente erkent ter zitting dat de methode van Primos op zieh inderdaad mag worden gehanteerd, maar dat er zaken aan de uitkomst scherten. Volgens de gemeente komt dat omdat Primos kengetallen gebruikt waarvan de demografische ontwikkeling niet stroken met de eigen demografische verwachtingen. De Primos-methode maakt volgens de gemeente gebruik van historische cijfers en niet van een actuele woningbouwprognose voor de toekomst. Ook wordt er, naar de gemeente vermoedt, geen onderscheid gemaakt naar studenten en andere inwoners. Daarom is deze methode volgens de gemeente minder betrouwbaar dan de eigen prognoses. De gemeente heeft echter niet de cijfers paraat waaruit blijkt of de door Primos gehanteerde basisgeneratie hoger of lager uitkomt dan de van de gemeente.

U voert aan dat bij de aanvraag in januari 2020 het gebruikte Primos-model pas zes maanden oud was. Ook wordt het model jaarlijks geijkt. Wellicht dat het Primos-model in het verleden onbetrouwbaar is gebleken, maar dat is nu niet het geval. De cijfers zijn verder niet te vergelijken met andere modellen, omdat, zoals de gemeente ook heeft opgemerkt, de Primos-methode cijfers genereert op wijkniveau. Daarom is voor deze methode gekozen, omdat het voedingsgebied zieh mede uitstrekt over wijken en buurten van aangrenzende gemeenten. Waar het wel valt te controleren, namelijk waar het de gemeente Delft betreft, kloppen de cijfers.

4 van 18

U verwijst tevens naar het Programma van Eisen waaruit blijkt dat voor voedingsgebieden die zieh uitstrekken over meerdere gemeenten, het Primosmodel bij uitstek het geschikte model is. Ook het model dat de gemeente hanteert kan daarvoor geen alternatief bieden. Tot slot merkt u op dat in de prognose wel degelijk rekening wordt gehouden met woningbouwprognoses (u verwijst naar de beschrijving in bijlage 14) en ook met de samenstelling van de huishoudens, ofwel of sprake is van studenten, is rekening gehouden en u verwijst daarbij naar paragraaf 2.2.8 van de toelichting op het rekenmodel. De gemeente lich t voorts toe dat de in de pleitnota genoemde percentages bij de bevolkingssamenstelling de percentages leerlingen van de basisgeneratie met een islamitische achtergrond in drie gemeenten, betreffen. Deze laten volgens de gemeente zien dat Delft beter vergelijkb aar is met Leiden dan met Maastricht. De gemeente voert aan dat de belangstelling voor islamitisch onderwijs rondom Maastricht hoger lijkt te zijn dan in Delft. In dat kader wijst de gemeente erop dat 40% van de leerlingen in Maastricht van buiten Maastricht afkomstig is, waaronder veel leerlingen afkomn stig uit België, uit welke bron de school in Delft niet zal kunnen putten.

Daarnaast is er rondom Maastricht minder keuze aan islamitisch onderwijs dan rondom Delft en wijst de gemeente op de demografische verschilfen tussen beide gemeenten. De combinatie van deze verschillen geven voor de gemeente de doorslag dat naar haar mening de nieuwe school de stichtingsnorm in Delft niet zal halen. Voor zover deze punten in de procedures betreffende de vergelijkbaarheid van Maastricht met de gemeenten Zeist, Zoetermeer en Westland niet van doorslaggevende betekenis werden bevonden door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), wijst de gemeente nog op de andere aangevoerde verschillen, waaronder de bevolkingssamenstelling en het aantal inwoners. U hebt aangevcerd dat een aantal van de door de gemeente aangevoerde verschillen posiieve indicaties inhouden. Dit wordt door de gem eente ter zitting bestreden. De gemeente neemt als voorbeeld de lijst van etniciteiten die belangstelling zouden hebben voor islamitisch onderwijs. De gemeente merkt op dat de 28 leerlingen uit Delft die daadwerkelijk islamitisch onderw ijs volgen, slechts drie culturele achtergronden hebben, namelijk Turks, Marokkaans en Somalisch. Er zijn in Delft ook veel buitenlandse studenten met een etniciteit die op de lijst van etniciteiten voorkomen en die zullen geen kinderen krijgen die naar een islamitische school gaan.

Ter zitting voert u aan dat dit argument in verschillende procedures steeds terugkomt maa, al naar gelang de gemeente, steeds een and ere kant op . Soms wordt tegengeworpen dat er maar drie nationaliteiten bij de prognose worden betrokken, nu wordt aangegeven dat er teveel nationaliteiten bij de prognose zijn betrokken en dat dit er maar drie hadden moeten zijn. Eerder in de procedure is gevraagd om niet alleen naar de inwoners met een islamitische achtergrond te kijken, maar naar de basisschoolgaande leerlingen met die achtergrond. Ook merkt u op dat 20% tot 30% van de leerlingen die uw scholen bezoeken een andere afkomst hebben dan Turks, Marokkaans of Somalisch. Het gaat om de islamitische

identiteit van de leerlingen. De gemeente geeft aan dat zij met de verwijzing naar de beslissing op het administratief beroep van 12 juni 2007 erop wil wijzen dat de aanvrager in 2007 van mening was dat Leiden als vergelijkbaar moest worden gezien. De gemeente heeft nu geen argumenten gezien waarom die gemeente nu niet vergelijkbaar zou zijn. Ten aanzien van het voedingsgebied bevestigt u allereerst de bevinding van de gemeente dat het voedingsgebied 10,4 kilometer in doorsnee is. Daar bestaat dus geen discussie over. De gemeente voert verder aan dat het voedingsgebied te groot is. Onder meer Den Haag-Ypenburg is daarin opgenomen, terwijl Den Haag zelf al beschikt over een islamitische basisschool. 5 van 18

De nieuwe school ligt binnen een straal van zes kilometer van de bestaande islamitische school in Den Haag. De gemeenteraad zegt dan ook in zijn besluit dat

het in het belangstellingspercentage van 5, 7% van Maastricht de leerlingen van buiten Maastricht reeds verdisconteerd zijn en dat dit percentage daarom al hoog is. Als dit percentage alleen op de gemeente Delft zou worden toegepast, zou er al rekening gehouden worden met leerlingen van buiten Delft die in Delft de school bezoeken. De gemeente is dan ook van mening dat de buitengebieden waar deze leerlingen vandaan komen, niet meegenomen moeten worden in het voedingsgebied, omdat ze anders dubbel worden geteld. Ook scholen van andere kleine richtingen in Delft, zoals de vrijeschool, de reformatorische school en de Montessorischool worden bezocht door leerlingen van buiten Delft. Dan gaat het volgens de gemeente gemiddeld om een afstand van ongeveer 2 kilometer. De Montessorischool trekt leerlingen uit het centrum en omliggende wijken omdat deze in het centrum is gevestigd en de reformatorische school trekt volgers de gemeente ook leerlingen uit Delfgauw (gemeente PijnackerNootdorp), omdat die school op de gemeentegrens ligt. Deze school trekt volgens de gemeente ook leerlingen omdat het de meest nabije school is, in plaats van dat gekozen wordt op basis van de richting. De gemeente voert aan dat dat 1.100 meter voor Delft een goed gemiddelde is over het gehele aanbod van basisscholen in Delft.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 78 van de WPO bevestigt de gemeente dat het haar gaat om de 28 leerlingen die vanuit Delft in Schiedam islamitisch basisonderwijs bezoeken. Mogelijk zijn er ook nog leerlingen uit Rijswijk en Den Haag-Ypenburg die scholen buiten het voedingsgebied bezoeken. Als de gemeente die voorhanden heeft, zal de gemeente die toesturen. U geeft aan dat u de afstand tussen Delft en Schiedam geen redelijke afstand vindt. Er valt te twisten of 3 kilometer dan wel 6 kilometer een redelijke afstand is. De scholen in Schiedam hebben een voedingsgebied dat feitelijk veel groter is. Er zijn veel ouders die bereid zijn hun kinderen vanaf die afstand naar school te brengen en er is een haal- en brengservice. U benadrukt tot slot dat de stichtingsnorm 312 leerlingen is en de prognose uitkomt op ruim 700 leerlingen. De stichtingsnorm wordt volgens u dan ook gehaald. Wettelijk kader zoals luidend tot 1 februari 2021 Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de WPO, kan de bekostiging van een bijzondere school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. Ingevolge artikel 74, tweede lid, van de WPO, stelt de gemeenteraad het plan van nieuwe scholen elk jaar voor 1 augustus vast.

Het plan bestrijkt drie achtereenvolgende schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen. Het plan vermeldt verder van elke school de plaats van vestiging en de te verwachten omvang. Op grand van het bepaalde in artikel 76, eerste lid, van de WPO, dient een verzoek om opnem ng in het plan van scholen vóór 1 februari bij de gemeenteraad te worden ingediend. Het verzoek gaat krachtens artikel 75, tweede lid, WPO vergezeld van een prognose. De prognose bevat onder meer gegevens omtrent het belangstellingspercentage. In artikel 76, tweede lid, sub a, van de WPO, is bepaald dat, indien het verzoek betrekking heeft op een school van een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven, in de prognose wordt uitgegaan van het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente.

6 van 18

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WPO, neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grand van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school binnen 5 jaar vana f de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm. De stichtingsnorm voor de gemeente Delft is 312 leerlingen. Op grand van artikel 78 van de WPO worden bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een bijzo ndere school zal bezoeken , niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende richting of rich tingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is. Indien de gemeenteraad een verzoek tot opn eming in het plan van schalen niet heeft ingewilligd, kan de verzoeker ex artikel 80, eerste lid, van de WPO, bij de minister beroep instellen. Indien een on herroepelijk geworden beslissing van de minister strekt tot het voor beko stiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad, ex artikel 80, tweede lid, van de WPO, de school op in het na de onh erroepelijk geworden beslissing vast te stellen plan.

Wettelijk kader zoals luidend vanaf 1 februari 2021 Op 1 februari 2021 is de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Schalen in werking getreden. In artikel 194e, tweede lid, van de WPO (nieuw), is bepaald dat een school die is vermeid op het laatste plan van schalen dat is vastgesteld en door de minister is goedgekeurd voor inwerkingtreding van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Schalen en ten aanzien waarvan op dat tijdstip nog niet is beslist over aanvang van de bekostiging of die is vermeid op het plan van schalen dat is vastgesteld op grand van het eerste lid, wordt aangemerkt als een school waarvoor de minister op grand van artikel 75, derde lid (nieuw) heeft beslist dat zij voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. Artikel 75, zesde, zevende en achtste lid, (nieuw) is van toepassing. In artikel 194e, derde lid, van de WPO (nieuw), is bepaald dat op geschillen die in beroep aanhangig zijn of binnen de beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten die zijn genomen door de minister op grand van het eerste lid of op grand van tite! IV, afdeling 2, en daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Schalen, de op die datum geldende regelingen van toepassing blijven.

Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 80 van de WPO (oud) strekt tot opneming vaneen school in het plan van schalen, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Overwegingen U hebt een verzoek ingediend tot het opnemen van een islamitische basisschool in het plan van schalen 2021/2024 van de gemeente Delft. U hebt als voedingsgebied aangemerkt: de gemeente Delft, de in de gemeente Midden-Delfland gelegen plaats Den Hoarn, de in de gemeente Rijswijk gelegen buurten Sion, Haantje en Vrijenban, de in de gemeente Den Haag gelegen wijk Ypenburg en de in de gemeente Pijnacker-Nootdorp gelegen plaats Delfgauw Aangezien er in de gemeente Delft geen basisschool van islamitische richting aanwezig is, bent u voor het belangstelligspercentage uitgegaan van de belangstelling voor islamitisch basisonderwijs in de gemeente Maastricht. De gemeenteraad heeft uw verzoek afgewezen. De vraag die in geschil is, is of de gemeenteraad op goede gronden heeft besloten uw verzoek tot opneming in het plan van schalen van een islamitische school afte wijzen en de vaststelling van dit plan achterwege te laten.

7van 18

In het raadsbesluit merkt de gemeenteraad op dat de gebruikte leerlingprognose van Primos niet voldoet aan de eisen die artikel 75, vijfde lid, van de WPO, de Regeling modelprogno se en het Programma van Eisen aan een prognose stellen. Verder is de gemeenteraad van mening dat het voedingsgebied erg ruim is, in die

zin dat die niet overeenkomt met het voedingsgebied van een gemiddelde basisschool. Uit het raadsbesluit blijkt verder dat de gemeenteraad van Delft de gemeente Maastricht niet als vergelijkbare gemeente heeft aangemerkt, waardoor het belangstellingspercentage voor islamitisch onderwijs in Maastricht niet kan worden gebruikt in de prognose. Leiden is volgens de gemeente beter met Delft vergelijkbaar. Daarnaast voert de gemeente aan dat het belangstellingspercentage van Maastricht ten onrechte wordt toegepast op het buitengebied in het voedingsgebied, nu in dit belangstellingspercentage de deelname van leerlingen van buiten Maastricht reeds verdisconteerd is. Tot slot vindt de gemeente dat u plaatsruimte in de islamitische scholen in Schiedam, Rotterdam en Den Haag af moet trekken van de belangstelling, zeker nu 28 leerlingen reeds in Schiedam islamitisch onderwijs bezoeken en u zelf een groot voedingsgebied hebt gekozen. De vraag die in geschil is, is of de gemeenteraad op goede gronden heeft besloten uw verzoek tot opneming in het plan van scholen van een islamitische basisschool afte wijzen. De Primos-prognose Allereerst moet de vraag worden beantwoord of uw aanvraag en prognose voldoen aan de gestelde (wettelijke) eisen. In de artikelen 75 en 76 van de WPO is opgenomen van welke gegevens de aanvraag vergezeld moet gaan en welke gegevens de prognose dient te bevatten.

Het verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school dient krachtens artikel 76, tweede lid, van de WPO jo. artikel 75, eerste en vijfde lid, onder meer vergezeld te gaan van prognose van het te verwachten aantal leerlingen. In artikel 75 van de WPO is geregeld dat bij ministeriële regeling modellen worden vastgesteld voor het verstrekken van een prognose van het te verwachten aantal leerlingen bij de start van de nieuwe basisschool. Deze ministeriële regeling is de Regeling modelprognose. In artikel 1 van de Regeling modelprognose is opgenomen dat het model voor het verstrekken van een prognose bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de WPO, een model dient te zijn dat voldoet aan het Programma van Eisen waarnaar wordt verwezen in de Modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs zoals opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. In de toelichting op de Regeling modelprognose is een opsomming opgenomen van de meest gehanteerde prognosemodellen: PVGpro, VSWO-model en G4pro. Voor deze modellen geldt in ieder geval dat zij voldoen aan het Programma van Eisen. In het onderhavige geval zijn de prognoses voor het leerlingenaantal van de te stichten school opgesteld met behulp van het Primos-prognose model.

De demografische vooruitberekeningen van de gemeente Delft en het voedingsgebied in de gemeente Midden-Delfland, Rijswijk, Den Haag en Pijnacker-Nootdorp (een aantal wijken), is gebaseerd op de Primos basisgeneraties, zoals door het bureau ABF Research te Delft is geprognosticeerd. In de toelichting staat verder dat het een aanvrager vrij staat om een ander model - zoals bijvoorbeeld het in het onderhavige geval door u gehanteerde Primos-model - te hanteren, waarbij dan wet als eis geldt dat dat model ook voldoet aan het genoemde Programma van Eisen. In het Programma van Eisen voor leerlingprognoses, bijlage bij VNG-ledenbrief nr. 99/136 van 23 augustus 1999, is onder C3/3.2.3 het volgende opgenomen: "voor voedingsgebieden die meer gemeenten bevatten, hetgeen met name voorkomt bij speciale schalen voor basisonderwijs, bij het (voortgezet) speciaal onderwijs en bij het voortgezet onderwijs, kan gebruik worden gemaakt van de Primos-prognoses." 8 van 18

De Primos-progno se kan worden gebruikt voor voedingsgebieden die meer gem eenten bevatten . Dit komt met name, maar niet uitsluitend voor bij speciale scholen voor basisonderwi js, bij het (voortgezet) speciaal ond erwi js en bij het voortgezet onderwijs. Ook in het onderhavige geval is in de prognose sprake van een voedingsgebied dat (delen van) meerdere gemeenten bevat en kan de Primosprognose dus in beginsel worden gebruikt. De gemeente heeft tegen de gebruikte Primos-prognose aangevoerd dat aan drie van de zeven wettelijke vereisten niet wordt voldaan, te weten de plaats in de gemeente waar het onderw ijs moet worden gegeven, de te verwachten instroom naar en uitstroom uit de bevolking en het te verwachten aantal levendgeborenen. Hierover merk ik op dat in de prognose onder 6. 'Aanduiding van de plaats in de

gemeente waa het onderwijs moet worden gegeven' is aangegeven dat de plaats Delft de beoogde plaats van vestiging is. Zoals u in uw beroepschrift onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017, 201607045/1/A2 en 201701056/1/A2, r.o. 6.1) terecht stelt is deze aanduiding voldoende. De te verwachten instroom naar en uitstroom uit de bevolking en het te verwachten aantal levendgeborenen zijn opgenomen in de pagina's 4, 7 en verder van de prognose door het bureau ABF Research te Delft. De gemeente heeft verder aangevoerd dat de door u geprognotiseerde cijfers historisch zijn en daarom niet kunnen worden gebruikt voor demografische verwachtingen voor de onderhavige aanvraag. Uit het Programma van Eisen volgt dat een prognose niet meer dan twee jaar oud mag zijn. De aanvraag moet voor 1 februari van het jaar van aanvraag zijn gedaan, waarbij de mogelijkheid bestaat om de aanvraag uiterlijk 31 maart aan te vullen, in dit geval 31 maart 2020. Het prognosemodel dat voor die aanvraag gebruikt kan worden, is bij ieder beschikbaar model het model van het jaar voor de aanvraag, in dit geval 2019. Daarvan hebt u gebruik gemaakt. Het uitgangsjaar van uw prognose is 2019, gebaseerd op de feitelijke gegevens van 2018.

Ook hebt u bij de totstandkoming van de prognose de cijfers over 2019 voor zover deze in januari 2020 beschikbaar waren, als correctie meegenomen in het model. Daarnaast zijn in de prognose woningbouw en studenten meegenomen. De prognose is niet meer dan twee jaar oud en er is uitgegaan van het meest recente beschikbare model. Tot slot bevat uw prognose de gegevens die deze ingevolge de artikelen 75 en 76 van de WPO moet bevatten. De gemeente heeft aangevoerd dat 'nagenoeg' niet voldoende is en dat de cijfers in uw prognose niet overeenkomen met de eigen demografische verwachtingen van de gemeente. Zij heeft zij dit echter verder niet met eigen cijfers onderbouwd en kon dit - desgevraagd - ook niet op de hoorzitting met cijfers onderbouwen. Zeker nu de gemeente niet heeft kunnen aangeven of de door Primos gehanteerde basisgeneratie hoger of lager uitkomt dan die van de gemeente zelf, treft dit argument dan ook geen doel. De gemeente heeft verder geen argumenten aangedragen op grond waarvan alsnog zou moeten worden geoordeeld dat de (Primos)prognose in het onderhavige geval niet zou voldoen aan het Programma van Eisen. Nu vaststaat dat de prognose voldoet aan de eisen die de WPO en het Programma van Eisen daaraan stellen, moet de vraag worden beantwoord of u Maastricht hebt mogen aanmerken als vergelijkbare gemeente in de zin van artikel 76, tweede lid, sub a, van de WPO.

Vergelijkbare gemeente Voor het bepalen van het belangstellingspercentage is het op grond van artikel 76 van de WPO van belang of er al scholen van dezelfde richting aanwezig zijn in de gemeente. In Delft is geen islamitische basisschool aanwezig.

9 van 18

Geiet op het bepaalde in artikel 76, tweede lid, sub a, van de WPO moet u in de prognose uitgaan van het belangstellingspercentage voor de richting in een vergelijkbare gemeente. U bent uitgegaan van de gemeente Maastricht als vergelijkbare gemeente. De belangstelling voor islamitisch onderwijs in Maastricht is 5,66%. Volgens de Memorie van To elichting bij de Wet op het basisonderwijs (Tweede Kamer 1992-1993, 23070, nr. 3, p. 21) zijn verschillende factoren van belang als

het gaat om de bepaling van een vergelijkbare gemeente, zoals de ligging van de gemeente, de bevolkingssamenstelling en als het een groeigemeente betreft, de gemeente waaruit de desbetreffende bevolking afkomstig is. Andere elementen die bij de vergelijkbaarheid een rol spelen zijn de leerlingdichtheid, het totale aantal inwoners en de plaats waar de gemeente zich bevindt (Tweede Kamer 1992-1993, 23070, nr. 6, p. 40). Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke vergelijkbaarheid tussen gemeenten waardoor wordt voorkomen dat de ene gemeente wordt opgezadeld met de toevallige denominatieve verdeling in een andere gemeente (Tweede Kamer 1992-1993, 23070, nr. 13, p. 24). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraak inzake Hulst, nr. 200902283, van 18 november 2009) vloeit voort dat de gemeenteraad een zekere ruimte heeft bij de beoordeling van het verzoek tot opneming in het plan van scholen en dat de beoordeling van de vergelijkbaarheid van gemeenten niet is beperkt tot de in de wetsgeschiedenis genoemde criteria. De situatie in een concreet geval is bepalend voor de vraag welke beoordelingscriteria voor de vergelijkbaarheid van gemeenten relevant zijn.

Uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt voorts dat ik bij de beantwoording van de vraag of de gemeente Maastricht als vergelijkbaar met de gemeente Delft kan worden aangemerkt, alle argumenten die de gemeenteraad heeft aangevoerd moet meewegen. U hebt in de prognose aangegeven waarom u de gemeente Maastricht een met de gemeente Delft vergelijkbare gemeente acht. Uit de door u opgestelde tabe! blijkt onder meer het volgende:

Inwoners NW-AII NW-AII-isl NW-AI-isl-BSL Woninqvoorraad 4t/m 11 jarigen 20 t/m 29 jarigen g.w.b. (gemid. Woningbezetting) Huishoudens met kinderen Leerlinqdichthe d Omgevingsadressendichtheid Oppervlakte Bebouwd oppervlak Stedeliikheid Regiofunctie

Delft 103.163 21.686 8.392 923 50.610 6.726 26.436 0,13

Maastricht 121.565 13. 704 5.247 535 61.884 6.762 25.671 0,11

12.315 297 3.496 22 65 7,39 1 Ja

14.486 121 2.451 55 99 14,48 2 tot 1 Beperkt

Uit deze tabel volgt dat er verschillen zijn tussen Delft en Maastricht, maar ook overeenkomsten. Het gaat er om of de verschillen dusdanig groot en kenmerkend zijn dat Maastricht niet als een vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt.

10 van 18

Gemeenten hoeven niet in alle opzichten gelijk te zijn, maar wel in relevante opzichten voldoende vergelijkbaar.2

De gemeenteraad is van oordeel dat de gemeente Maastricht op de punten aantal inwoners, bevolkingssamenstelling en geografische ligging te zeer verschilt van de gemeente Delft. Wat betreft de stedelijkheid ziet de gemeenteraad ook een verschil. De gemeenteraad geeft toe dat beide gemeenten wat betreft het aantal leerlingen op basisscholen vergelijkbaar zijn, maar dat Delft in leerlingdichtheid wel veel van Maastricht verschilt. Tijdens de hoorzitting is namens de raad benadrukt dat Maastricht als provinciehoofdstad, als enige stad met islamitisch onderwijs in de buurt en als grensgemeente een regiofunctie heeft die Delft niet heeft. Met betrekking tot het standpunt van de gemeenteraad van Delft dat de gemeente Maastricht niet als een vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, merk ik het volgende op. Allereerst constateer ik dat geen enkele gemeente 100% vergelijkbaar is met een andere gemeente. Verschillen zullen er altijd zijn. Het gaat er om of die verschillen dusdanig groot zijn en kenmerkend voor de betreffende gemeente dat er niet kan worden gesproken van een vergelijkbare gemeente in de zin van artikel 76, tweede lid, onder a, van de WPO. Het islamitisch onderwijs heeft basisscholen in 36 gemeenten, waardoor het niet anders kan dan dat er enige verschilfen bestaan tussen de gemeente waar de verlangde school is gevraagd en de vergelijkbare gemeente.

Oat neemt echter niet weg dat 1k alle argumenten die de gemeenteraad van Delft heeft aangevoerd in dit administratief beroep moet meewegen en daarbij moet beoordelen of de aangegeven verschillen dusdanig groot en kenmerkend zijn dat niet kan worden gesproken van een vergelijkbare gemeente. Doelgroep Uit de jurisprudente volgt dat het aandeel niet-westerse allochtonen een aspect is dat van belang is bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van gemeenten waar het gaat om een nieuwe islamitische basisschool. Uit de jurisprudentie blijkt in dit verband dat de religieuze achtergrond van de groep niet-westerse allochtonen een factor van gewicht is bij het meten van de belangstelling voor islamitisch onderwijs?. Aangezien de religieuze voorkeur van de bevolking als zodanig niet een factor is die wordt geregistreerd, is het niet onredelijk om uit te gaan van herkomstlanden met een islamitische cultuur. Ik ben ook verder van oordeel dat het feit dat Delft meer inwoners uit herkomstlanden met een islamitische cultuur heeft dan Maastricht (8,1 % tegen 4,3%), er niet toe zal leiden dater voor de door u verlangde school minder belangstelling zal bestaan dan voor de school in Maastricht. Het hagere aantal leerlingen uit de doelgroep kan zelfs een positieve indicatie vormen voor de belangstelling voor de door u gevraagde school.

Het is dus niet aannemelijk dat het hagere aantal leerlingen uit de doelgroep in Delft zal leiden tot een lagere belangstelling voor de door u gevraagde school dan voor de school in Maastricht. Vergelijkbaarheid Delft met Leiden De raad merkt op dat Leiden beter vergelijkbaar is met Delft dan Maastricht. In de beslissing op administratief beroep met kenmerk CFI/BGS-2007/71031M, van 12 juni 2007, is volgens de gemeente reeds vastgesteld dat Leiden met Delft vergelijkbaar is. Hiervan moet volgens de gemeente nu dan ook worden uitgegaan.

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017, nr.

201604191, r.o. 7.3. 3

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 september 2014, nr.

201402256, r.0. 4.2. 11 van 18

Dat Delft en Leiden wel vergelijkbare gemeenten zijn en Maastricht niet komt volgens de gemeente voorts tot uitdrukking in een procentuele vergelijking van het aantal kinderen met een islamitische achtergrond, te weten Delft 13,3% , Leiden 13 , 7% en Maastricht 7,6% . Ook voert de raad aan dat de landelijke belangstelling voor islamitisch onderw ijs met 1,109% vergelijkbaar is met die van Leiden. Uit deze cijfers en de beslissing van 12 jun i 2007 vloeit volgens de gemeente voort dat de school in Delft niet aan de stichtingsnorm zou voldoen. Ik merk hierover op dat de keuze voor de vergelijkbare gemeente bij de aanvrager ligt en dat het niet aan de gemeenteraad is een gemeente aan te wijzen , om dat die nog meer dan Maastricht met Delft zou overeen komen. Het gaat er in deze zaak om of de gemeente Maastricht als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, niet of er mogelijk een andere gemeente als vergelijkbare gemeente zou moeten worden aangemerkt. Ook de verwijzing van de gemeente naar de beslissing van 12 juni 2007, doet daarbij niet ter zake.

Zeker nu er meer dan derti en jaar ligt tussen de beslissing van 12 juni 2007 en de onderhavige procedure en er sindsdien meer gemeenten met islamitisch onderwijs zijn bijgekomen, kan de gemeente zieh niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat u moet blijven uitgaan van hetgeen in die aanvraagprocedure als uitgangspunt is genomen. Voor het gebruik vaneen landelijk belangstellingspercentage voor islam itisch basisonderwijs, wat de gemeen te daar verder ook mee wil, biedt de wet voorts geen ruimte. Overigens komt het aantal 4 tot 11-jarigen van Delft (6.72 6) veel meer overeen met Maastricht (6. 762) dan met Leiden (8. 77 5) en laat ook het aantal 20-29jarigen een grotere overeenkomst zien tussen Delft en Maastricht (26.436 en 25.671) dan tussen Delft en Leiden (28.500). Dat Leiden volgens de gemeenteraad op het punt van de proce ntuele vergelijking van het aantal kinderen met een islamitische achtergrond meer met Delft overeenkomt dan Delft met Maastricht, brengt dan ook niet met zieh mee dat Maastricht daaro m geen vergelijkbare gemeente in de zin van artikel 76, tweede lid, van de WPO, is.

Aantal inwoners en bevolkingssamenstelling De raad merkt terecht op dater een verschil bestaat in het aantal inwoners van beide gemeenten. Op inwoneraantal ( 121.565 voor Maastricht en 103.163 voor Delft) heeft de Afdeling echter in de uitspraak van 14 november 2018, met kenmerk 201710302/1/A2, gemeenten met een verhouding van 104.302 en 122.397 inwoners voldoende vergelijkbaar geacht. Op dit punt zijn de gemeenten Delft en Maastricht dan ook voldoende vergelijkbaar. Ik ben ook verder van oordeel dat dit verschil in aantal inwoners er niet toe zal leiden dat er voor de door u verlangde school minder belangstelling zal bestaan dan voor de school in Maastricht. In de gemeente Delft wonen weliswaar in absolute zin minder mensen, maar daarentegen wel meer kinderen in de basisschoolleeftijd dan in Maastricht. Daar kamt bij dater in Delft meer leerlingen in de basisschoolleeftijd met een Turkse of Marokkaanse achtergrond of een herkamst uit een niet-westers islamitisch land zijn dan in Maastricht en dat er meer mensen zonder kinderen wonen in Maastricht. Dat betekent dat de doelgroep groter is in Delft dan in de vergelijkingsgemeente Maastricht en daarmee oak het potentieel voor de nieuwe school. Het verschil in aantal inwoners kan daarom een positieve indicatie vormen voor de belangstelling voor de door u gevraagde school.

Ook op andere aangevoerde punten (er wonen in Delft meer 20-29-jarigen, Maastricht is meer vergrijsd dan Delft, en de bevolkingsdichtheid is in Delft ruim het dubbele van Maastricht), zijn de geconstateerde verschillen van dien aard dat verwacht mag worden dat de toeloop van leerlingen uit de doelgroep hager zal zijn dan in Maastricht. Het is dus niet aanremelijk dat het verschil in aantal inwoners zal leiden tot een lagere belangstelling voor de door u gevraagde school dan voor de school in Maastricht.

12van 18

Leerlingdichtheid

De raad acht ook net verschil in leerlingdichtheid van belang. In Delft is de leerlingdichtheid 297, in Maastricht 121. De leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal vierkante kilometer grondoppervlakte van die gemeente. De vraag is of het verschil in leerlingdichtheid de doorslaggevende betekenis moet hebben die de gemeenteraad er aan heeft gegeven. De hagere leerlingdichtheid in Delft betekent in feite dat daar in vergelijking met Maastricht meer kinderen per vierkante kilometer wonen, hetgeen een positieve indicatie voor de belangstelling voor de door u verlangde school zou kunnen zijn. De gemeenteraad heeft bovendien niet gemotiveerd waarom dit verschil in leerlingdichtheid er toe zou leiden dat de door u verlangde school de stichtingsnorm niet zal halen. Het verschil in leerlingdichtheid kan daarom niet van doorslaggevende betekenis worden geacht. Stedelijkheid en omgevingsadressendichtheid De gemeenteraad acht oak het verschil in stedelijkheid relevant. De gemeente Delft valt in categorie 1, de gemeente Maastricht in categorie 2 (in de prognose 1 tot 2 genoemd). Volgens de gemeente is Maastricht voor 38% zeer sterk stedelijk, Delft voor 72%.

De gemeenteraad motiveert echter niet waarom dit verschil er toe zou leiden dat de door u verlangde school in mindere mate zal worden bezocht dean de school in Maastricht. Als er voorts wordt gekeken naar de omgevingsadressendichtheid blijkt bovendien dat het verschil niet overtuigend groat is. De omgevingsadressendichtheid wordt uitgedrukt in adressen per vierkante kilometer en beoogt de mate van concentratie van menselijke activiteiten (wonen, werken, naar school gaan, winkelen, uitgaan etc.) weer te geven. Het CBS gebruikt de omgevingsadressendichtheid om de mate van stedelijkheid van een bepaald gebied (rastervierkant, buurt, wijk, gemeente) te bepalen. Voorde berekening hiervar wordt eerst voor ieder adres de omgevingsadressendichtheid vastgesteld. Daarna is het gemiddelde berekend van de omgevingsadressendichtheden van alle afzonderlijke adressen binnen het beschouwde gebied. De omgevingsadressendichtheid van Delft is 3.496 en van Maastricht 2.451. De indeling in een categorie stedelijkheid gebeurt aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. stedelijkheid 1. zeer sterk 2. sterk 3. matig 4. weiniq 5. niet

omgevingsadressendichtheid > 2.500 1.500 -2.500 1.000 - 1.500 500 - 1.000 < 500

De omslag tussen zeer sterk stedelijk (Delft) en sterk stedelijk (Maastricht) ligt bij een omgevingsadressendichtheid van 2.500. Delft zit daar weliswaar boven en valt daarom in categorie 1, maar Maastricht zit daar maar net onder en valt alleen daarom in categorie 2. Het verschil in stedelijkheid kan daarom niet van doorslaggevend belang worden geacht en kan tevens een positieve indicatie vormen voor de belangstelling voor de door u gevraagde school. Regionale Jigging en structuur van de gemeente De raad heeft gewezen op het verschil in regionale ligging (stad ingeklemd tussen Rotterdam en Den Haag aan de rand van het Groene Hart van de Randstad en provinciehoofdstad in Limburg op de grens met België). Niet in geschil is dat de gemeente Maastricht wat betreft de indeling van de gemeente vergelijkbaar is met de gemeente Delft. Beide gemeenten bestaan uit een kern met aansluitend buitenwijken en onbebouwd gebied. 13van 18

Vanuit de gemeente zijn verd er geen gronden aangevoerd die betrekking hebben op verschillen in structuur tussen beide gemeenten. De gemeente heeft aangevoerd dat het feit dat Delft tussen Rotterdam en Den Haag ligt, aan de rand van het Groene Hart van de Randstad, en Maastricht een provinciale hoofdstad op de grens met België is, van belang is omdat Maastricht een regiofunctie heeft die Delft niet heeft. De gemeente wijst dan op Maastricht als provinciehoofdstad, als enige stad met islamitisch onderw ijs in de buurt en als grensgemeente. Niet in geschil is dat dit verschillen zijn tussen beide gemeenten. Wei is de vraag hoe deze moeten worden geinterp reteerd. In dit kader stel ik vast dat verschillen tussen gemeenten mogelijk positieve indicaties kunnen vormen voor de belang stelling voor islamitisch onderw ijs in een gemeente 4, bijvoorbeeld wanneer

bepaalde factoren in de vergelijkingsgemeente ongunstiger zijn dan in de gemeente waar de aanvrzag tot opneming in het plan van bijzondere scholen betrekking op heeft. Daarvan is in dit geval sprake. Voor zover wordt aangevoerd dat Delft aan de rand van het Groene Hart ligt en Maastricht een provinciale hoofdstad en een grensgemeente is, waarbij er geen andere school voor islamitisch basisonderwijs in de directe omgeving van Maastricht is, merk ik op dat de gemeente Maastricht eerder als vergelijkbaar is aangemerkt met de gemeenten Zoetermeer en Westland, beide gelegen nabij Delft en de grote steden Den Haag en Rotterdam. De genoemde verschillen in ligging leiden dus niet per definitie tot het niet vergelijkbaar zijn van ge meen ten. De regiofunctie vaneen gemeente is een aspect van de ligging van gemeenten. Het hebben van een regiofunctie kan van doorslaggevende betekenis zijn bij het beoordelen van de vergelijkbaarheid van gemeenten indien bijvoorbeeld sprake is van een gelijk aantal kinderen in de doelgroep, omdat een school met een regiofunctie naar alle waarschijnlijkheid een hoger leerlingaantal heeft. Door u is niet bestreden dat er sprake is van een verschil in regiofunctie tussen Maastricht en Delft. Waar Maastricht volgens de prognose een behoorlijke regiofunctie heeft, heeft Delft die slechts in beperkte zin voor de zeer nabij omliggende gebieden.

U wijst er echter terecht op dat het aantal niet-westerse leerlingen met een islamitische achtergrond in Maastricht maar 60% bedraagt van het aantal nietwesterse leerlingen met een islamitische achtergrond in Delft. In Delft wonen dus meer niet-westerse kinderen met een islamitische achtergrond dan in Maastricht. Nu de doelgroep in Delft veel groter is dan in Maastricht, zal het vermoeden van de gemeenteraad dat Delft in geen of mindere mate een regio-/centrumfunctie zal hebben, er daarom niet toe leiden dat verwacht moet worden dat de stichtingsnorm niet gehaald zal worden. Vergelijkbaarheid Uit de jurisprudentie volgt dat de structuur van een gemeente wat stedelijkheid en oppervlakte betreft van belang is bij het beoordelen van de vergelijkbaarheid. Bij een verzoek voor een islamitische basisschool is ook de bevolkingssamenstelling van belang. Als wordt gekeken naar de aspecten structuur, stedelijkheid en omgevingsadressendichtheid, zijn Delft en Maastricht vergelijkbaar. De leerlingdichtheid in Delft is hoger dan in Maastricht en ook het aantal inwoners en het aantal leerlingen uit de doelgroep is in Delft hoger. Het is echter niet aannemelijk dat deze verschillen er toe zullen leiden dat er minder belangstelling voor een islamitische bassischool in Delft zal zijn dan in Maastricht.

De situatie in een concreet geval is bepalend voor de vraag welke criteria bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van gemeenten relevant zijn. Hierboven zijn alle verschillen die de raad van belang acht beoordeeld.

4

ABRvS 29 maart 2017, nr. 201710302/1/A2 (Zeist) 14van 18

Dit brengt mij zot het oordeel dat de beoordeling van het verschil in regionale lig ging, aantal inwoners en leerlingdichtheid door de gemeenteraad in dit geval te beperkt is geweest en dat aan deze verschillen in samenhang met de door de raad genoem de structuur en stedelijkheid van de gemeente Delft niet de doorslaggevende betekenis kan worden gegeven zoals de gemeenteraad heeft gedaan. Bij de beoordeling van een verzoek tot het opnemen van een school in het plan van scholen is het op grond van artikel 77, eerste lid, van de WPO, van belang te beoordelen of het op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen van de geldende stichtingsnorm , in dit geval 312 leerlingen. Alhoewel de gemeenteraad van Delft heeft geconstateerd dater verschillen bestaan tussen de gemeente Maastricht en de gemeente Delft, ben ik van oordeel dat deze verschillen niet dusdanig groot en kenmerkend zijn, dater op grond van die verschillen geen sprake kan zijn van vergelijkbaarheid in de zin van artikel 76, tweede lid, onder a, van de WPO, voor het bepalen van het belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs. Bij het oordeel of een gemeente als vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, moet ook worden betrokken dater enige mate van verschil zal zijn.

Hierbij neem ik in aanmerking dat er naast de verschillen ook sprake is van overeenkomsten op de aspecten structuur en aantal leerlingen op basisscholen en dat de geconstateerde verschillen in doelqroep, leerlinqdichtheid en omgevingsadressendichtheid er niet toe leiden dat aannemelijk is dat er voor de door u gevraagde school in Delft minder belangstelling zal zijn dan voor de school in Maastricht. Voedingsgebied Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 27 juni 2007 in de zaak Leiden, 200607820/1 en de uitspraak van 7 december 2005 in de zaak Oss, 200501690/1 of recenter de uitspraak van 11 februari 2015 in de zaak Drachten, 201401076/1/A2 en de uitspraak van 23 januari 2019 in de zaak Dordrecht, 201804554/1/A2), volgt dat de WPO een

keuze voor een voedingsgebied dat zieh uitstrekt over meer dan één gemeente niet verbiedt en dat het bevoegd gezag in beginsel derhalve de vrijheid heeft daartoe over te gaan. Geiet op het stelsel van de WPO betekent dit evenwel niet dat op dit punt geen enkele beperking zou gelden en dat willekeurig elk voedingsgebied zou kunnen worden gekozen. Tussen het gekozen voedingsgebied en de gewenste plaats van vestiging van de school dient in zoverre een relatie te bestaan, dat aannemelijk moet zijn dat daadwerkelijk en in voldoende mate leerlingen uit het gekozen gebied zullen worden aangetrokken. In de prognose heeft u de belangstelling van 5,66% toegepast op de basisgeneraties in de gemeente Delft en omliggende gebieden. Uitgaande van de door u in de prognose opgenomen basisgeneraties kan het te verwachten aantal leerlingen worden berekend:

Delft Den Haag-Ypenburg Pijnacker-NootdorpDelfgauw Rijswijk-Sion Rijswijk-Haantie Rijswijk-Vrijenban Midden-DelflandSchipluiden-Den Hoorn Totaal

2026 7.335x95%x5,66%= 394 2.823x95%x5,66%=152 737x95%x5,66%=40

2041 8.508x95%x5 66%=457 3.147x95%x5 66%=169 646x95%x5,66%=35

588x95%x5 66%=32 246x95%x5 66%=13 109x95%x5,66%=6 953x95%x5,66%=51

531x95%x5 66%=29 336x95%5 66%=18 120x95%x5.66%=7 1.012x95%x5,66%= 54

688

769

15van 18

De gemeente heeft aangevoerd dat het gekozen voedingsgebied met ruim 60.000 inwoners van buiten Delft erg ruim is genomen. Oak is de gemeente van mening dat het belangstellingspercentage van Maastricht ten onrechte wordt toegepast op het buitengebied in het voedingsgebied, nu in dit belangstellingspercentage de

deelname van leerlingen van buiten Maastricht reeds verdisconteerd is. Als dit percentage alleen op de gemeente Delft zou worden toegepast, zou er al rekening gehouden worden met leerlingen van buiten Delft die in Delft de school bezoeken. Het belangstellingspercentage wordt berekend aan de hand van de gegevens van alle basisscholen binnen een gemeente. Doordat de gehele gemeente als voedingsgebied dient te worden betrokken, is voor de berekening van de hoogte van het belangstellingspercentage niet van belang of zieh meerdere schalen van het verlangde onderwijs in de gemeente bevinden, of een gemeente uit meer of minder kernen bestaat of dat een gemeente al dan niet een regio-/centrumfunctie voor omliggende gemeenten vervult. Dat volgt oak uit de uitspraken van de Afdeling van 25 mei 2011, 201100717/l/H2 en 10 september 2014, 201402256/1/A2. Het standpunt van de gemeente ten aanzien van het belangstellingspercentage vindt geen grand in de regelgeving en jurisprudentie. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak5 volgt verder dat bij de beoordeling of zal worden voldaan aan de wettelijke stichtingsnorm de verhouding tussen het aantal leerlingen afkomstig van binnen en buiten de gemeente van vestiging relevant kan zijn. Uit uw prognose blijkt dat ongeveer 54% van het te verwachten leerlingaantal uit Delft zal kamen en 46% uit de omliggende gebieden.

Dit zijn ruim 294 leerlingen uit de omliggende gebieden (ten opzichte van 394 uit Delft). In de prognose bent u uitgegaan van het belangstellingspercentage voor islamitisch onderwijs in de als vergelijkbaar aangemerkte gemeente Maastricht. Van de leerlingen die de islamitische school in Maastricht bezoeken, kamt op 1 oktober 2019 60% (219 leerlingen) uit Maastricht zelf en 40% (146 leerlingen) van buiten Maastricht. Bij de door u verlangde school ligt die verhouding in de door u ingediende prognose min of meer gelijk. Uitgaande van de verhouding van het aantal leerlingen dat de door u verlangde school zal bezoeken woonachtig binnen de gemeente Delft en daarbuiten van 60% en 40% zoals in de vergelijkbare gemeente Maastricht, is het aannemelijk dat de door u verlangde school de stichtingsnorm haalt. Oak als er sprake zou zijn van een grater aandeel van leerlingen woonachtig in Delft zelf dan bij de school in Maastricht het geval is, zoals de gemeenteraad verwacht, is het aannemelijk dat de stichtingsnorm (zonder rekening te houden met aftrek van plaatsruimte op grand van artikel 78 van de WPO) nag steeds wordt gehaald. De afmeting van het voedingsgebied is met 10,4 kilometer in doorsnede, (zoals tijdens de hoorzitting besproken, is die afmeting niet meer in geschil) verder niet buitenproportioneel groat.

Ik neem daarbij nag in aanmerking dat het voedingsgebied zieh in overwegende mate binnen de snelwegen A2 en AU bevindt. Dat de afmeting volgens de gemeente niet overeen zou kamen met het voedingsgebied van een gemiddelde. basisschool, waarbij de gemiddelde afstand van de leerling tot de basisschool 1.096 meter betreft, doet verder niet ter zake. Het islamitisch basisonderwijs betreft immers een kleine richting en de afstand tot een gemiddelde basisschool is daarmee niet te vergelijken. Daarbij merk ik nag op dat bestaande schalen van kleinere richtingen oak leerlingen van buiten Delft aantrekken.6

6

De Montessorischool, de reformatorische school en de vrijeschool in Delft hebben een vergelijkbaar voedingsgebied (zie scholenopdekaart.nl). 16van 18

Plaatsruimte Wat betreft de aftrek op gro nd van artikel 78 van de WPO, gaat de gemeente uit van 28 leerlingen die vanuit Delft reeds de islamitische basisscholen in Schiedam of Den Haag bezoeken. U bent van mening dat deze leerlingen niet van het leerlingpotentieel afgetrokken zo uden moeten worden omdat de afstand tussen Delft, Den Haag en Schiedam volgens u geen redelijke afstand is. Als de leerlingen alsnog van het leerlingpotentieel afgetrokken moeten worden, volgt uit de pro gnose dat de door u verlangde school alsnog za! worden bezo cht door voldoende leerlingen. Ik merk hierover het volgende op. Artikel 78 van de WPO schrijft voor dat bij de

berekening van het aantal leerlingen dat een verlangde bijzondere school za! bezoeken, niet worden meegeteld leerlingen die wonen binnen een redelijke afstand van een bijzondere school van de desbetreffende richting en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is. Uitgaande van uw prognose zullen in 2026 688 leerlingen de nieuwe school bezoeken. Van deze 688 leerlingen in uw prognose worden afgetrokken de leerlingen die vanuit het voedingsgebied binnen redelijke afstand buiten dat voedingsgebied islamitisch basisonderwijs bezoeken. Aangenomen wordt dat een afstand redelijk is, wanneer een groter aantal ouders bereid is de leerlingen over deze afstand naar die basisscholen buiten het voedingsgebied te brengen. Uit de mij ter beschikking staande informatie bij DUO is mij gebleken dat op 1 oktober 2019 27 leerlingen woonachtig te Deltt een islamitische basisschool buiten het voedingsgebied bezochten: 1 ging naar Den Haag en 26 gingen naar Schiedam. Voorts bezochten 10 leerlingen woonachtig te Den Haag-Ypenburg een islamitische basisschool buiten het voedingsgebied: 9 leerlingen gingen naar Den Haag en 1 ging naar Rotterdam. Ik ben van mening dat - gelet op de reisbereidheid - in ieder geval 35 (26+9) leerlingen van het leerlingpotentieel moeten worden afgetrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10123943/1