Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft geconsolideerd 6450907
Tekst van het document
2.
Onder standplaats wordt niet verstaan: a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h. van de Gemeentewet;
b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:17.
c.
een plaats voor deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a, vierde lid.
3.
In deze afdeling wordt verstaan onder een winkeluitstalling: goederen – inclusief één reclamebord of reclameobject of één of twee menubord(en) – uitgestald door de desbetreffende ondernemer op een strook grond in de openbare ruimte.
4.
In deze afdeling wordt verstaan onder overige uitstalling: voorwerpen ter verfraaiing van de entree van woonhuizen, bedrijfs- of kantoorpanden, zoals een plantenbak of bankje of soortgelijke voorwerpen.
50/56
Artikel 5:16 Standplaatsen, uitstallingen op de weg 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen, of te hebben.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijdigheid met een geldend bestemmingsplan.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
4.
a.
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
b.
indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
c.
vanwege strijdigheid met de beleidsregels die zijn vastgelegd in de Nota Standplaatsenbeleid, zoals het maximumstelsel.
Het is toegestaan een winkeluitstalling te plaatsen in de openbare ruimte mits: a.
deze binnen een strook van maximaal 1 meter diep en maximaal de breedte van de winkelgevel staat;
b.
de aard van de uitstalling een relatie heeft met de in de winkel aangeboden waren of diensten;
5.
In uitzonderingsgevallen en ter beoordeling van het college mag de strook voor de winkeluitstalling maximaal 2.50 meter diep zijn. Te allen tijde dient een vrije doorgangsmogelijkheid voor voetgangers gewaarborgd te zijn van tenminste 1,50 meter breed en in drukke voetgangersgebieden – ter beoordeling van het college – een doorgang van tenminste 2.00 meter.
6.
Het is toegestaan een overige uitstalling te plaatsen in de openbare ruimte mits deze uitstalling binnen een strook van maximaal 1 meter diep en maximaal de breedte van de gevel staat.
7.
Te allen tijde dient bij de overige uitstalling een vrije doorgangsmogelijkheid voor voetgangers gewaarborgd te zijn van tenminste 1.50 meter breed en in drukke voetgangersgebieden – ter beoordeling van het college – een doorgang van tenminste 2.00 meter.
8.
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de in deze Afdeling genoemde onderwerpen.
Artikel 5:17 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan: a.
dat daarop zonder vergunning van het college standplaats ingenomen wordt
b.
dat goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid van artikel 5:15
Artikel 5:18 Afbakeningsbepalingen 1.
Het verbod van artikel 5:16, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:16, derde lid, onder a. geldt niet voor bouwwerken.
Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:19 Begripsbepalingen 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden 51/56
2.
aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.
een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b.
een evenement als bedoeld in artikel 2:17.
Artikel 5:20 Organiseren van een snuffelmarkt 1.
Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren indien degene die het voornemen heeft een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet 3 weken voordat de snuffelmarkt zal plaatsvinden, schriftelijk kennis heeft gegeven aan de burgemeester.
2.
De burgemeester kan de snuffelmarkt verbieden: a.
wegens strijd met het bestemmingsplan en/of
b.
in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.
Afdeling 6 Gevonden voorwerpen [vervallen]
Artikel 5:21 Gevonden voorwerpen [vervallen]
Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:22 Crossterreinen 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekend 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b.
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.
in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:23 Beperking verkeer in natuurgebieden 52/56
1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990, een (brom)fiets of een paard.
2.
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
3.
4.
5.
a.
in het belang van het voorkomen van overlast;
b.
in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
in het belang van de veiligheid van het publiek.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a.
ten dienste van controleurs openbare ruimte, senioren en de (ass.) havenmeester van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van het Cluster Veiligheid van de gemeente Delft, politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a.
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5:24 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
3.
De ontheffing kan worden geweigerd:
4.
a.
in het belang van de openbare orde en veiligheid;
b.
ter bescherming van de woon- en leefomgeving;
c.
ter bescherming van de flora en fauna.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover: a.
in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet;
b.
de provinciale omgevingsverordening hierover een regeling bevat; 53/56
c.
artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing is; of
d.
het verlichting betreft door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven; en
e.
dergelijk vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar, schade van welke aard dan ook, overlast of hinder oplevert voor de omgeving, tenzij uit een mededeling van de brandweer blijkt dat er sprake is van gevaar. Alsdan geldt een algeheel verbod op vuur voor koken, bakken en braden.
Artikel 5:25 Voorkoming van vreugdevuren 1.
Het is verboden op de weg te vervoeren, op de weg bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben kerstbomen, autobanden of andere voorwerpen of stoffen, met het kennelijk doel deze op de weg te verbranden.
2.
Dit verbod geldt niet als ter plaatse en naar het bevredigend oordeel van een opsporingsambtenaar wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de opslag van de genoemde voorwerpen of stoffen gebeurt voor andere handelingen dan in het eerste lid worden genoemd.
3.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover er ontheffing is verleend op basis van artikel 5:24 lid 2.
Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel 5:26 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:27 Verboden plaatsen 1.
Incidentele verstrooiing is verboden op: a.
verharde delen van de weg;
b.
gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
2.
Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen en dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3.
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 5:28 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Afdeling 10 Overige bepalingen Artikel 5:29 Magneetvissen 1.
Het is verboden om in door het college aangewezen openbare wateren de waterbodem af te zoeken naar voorwerpen met een magneet, dan wel met een techniek met een vergelijkbare werking.
2.
Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die worden verricht door, of in opdracht van, een publiekrechtelijke rechtspersoon of één van hun bestuursorganen. 54/56
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
5.
a.
archeologie dan wel de mogelijke aanwezigheid van archeologische voorwerpen;
b.
beschermde flora of fauna al dan niet onder water, zoals bedoeld in de Omgevingswet.
Op de aanvraag om een ontheffing is artikel 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of ten hoogste een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 6:2 Toezichthouders 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen werkzaam in de functies van: a.
Controleur en inspecteur openbare ruimte, afdelingshoofd, teamleider, senior, (ass.) havenmeester, medewerker projecten en data-analyse en juridisch medewerker kwaliteit en scholing van de afdeling Toezicht en Handhaving van het Cluster Veiligheid van de gemeente Delft;
b.
Inspecteur buitendienst van de afdeling Bouwen en Bijzonder Onderzoek van het Cluster Veiligheid van de gemeente Delft;
c.
Adviseur (monumentenzorg) van de afdeling Erfgoed van het Cluster Samenleving van de gemeente Delft.
d.
Inspecteur buitendienst van de afdeling Vergunningen, Toezicht en handhaving van het Cluster Veiligheid van de gemeente Delft;
e.
Adviseur (monumentenzorg) van de afdeling Erfgoed van het Cluster Samenleving van de gemeente Delft
2.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010
2.
Op deze datum wordt ingetrokken de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft zoals deze op dat moment nog geldt. 55/56
Artikel 6:5 Overgangsbepaling 1.
Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft zoals deze tot 1 januari 2010 gold, blijven – indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening zoals deze met ingang van 1 januari 2010 geldt – van kracht gedurende de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij zijn ingetrokken.
2.
Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft zoals deze tot 1 januari 2010 gold, blijven – indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening zoals deze met ingang van 1 januari 2010 geldt – van kracht tot de termijn, waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij zijn ingetrokken.
3.
[vervallen]
4.
[vervallen]
5.
[vervallen]
6.
[vervallen]
7.
[vervallen]
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft. II. dat dit besluit op 1 januari 2010 in werking treedt. III. Dat de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft zoals deze tot 1 januari 2010 geldt per 1 januari 2010 ingetrokken wordt.
Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2009. mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester. R.H. van Luyk ,griffier. Bekendgemaakt 20 december 2009. Gewijzigd bij raadsbesluit van 27 mei 2010. Bekendgemaakt 6 juni 2010. Gewijzigd bij raadsbesluit van 25 november 2010. Bekendgemaakt 12 december 2010. Gewijzigd bij raadsbesluit van 22 september 2011. Bekendgemaakt 25 september 2011. Gewijzigd bij raadsbesluit van 29 maart 2012. Bekendgemaakt 18 april 2012. Gewijzigd bij raadsbesluit van 26 april 2012. Bekendgemaakt 2 mei 2012. Gewijzigd bij raadsbesluit van 25 april 2013. Bekendgemaakt: 15 mei 2013 Gewijzigd bij raadsbesluit van 26 september 2013. Bekendgemaakt 2 oktober 2013. Inwerkingtreding 3 oktober 2013 Gewijzigd bij raadsbesluit van 19 december 2013. Inwerkingtreding 1 januari 2014. Gewijzigd bij raadsbesluit van 25 september 2014. Inwerkingtreding 1 oktober 2014. Laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 1 december 2016. Bekendgemaakt 30 december 2016.
56/56