Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft geconsolideerd 6450907
Tekst van het document
Algemene plaatselijke verordening voor Delft Geconsolideerde versie, bijlage bij het raadsvoorstel van 16 juli 2026 (6450907)
Intitulé Algemene plaatselijke verordening voor Delft De raad van de gemeente Delft; gelezen het voorstel van het college van 27 oktober 2009; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde; besluit: vast te stellen de navolgende Algemene plaatselijke verordening voor Delft
Inhoudsopgave Hoofdstuk
1
Algemene bepalingen
Artikel
1:1
Begripsbepalingen
Artikel
1:2
Beslistermijn
Artikel
1:3
Indiening aanvraag
Artikel
1:3a
Elektronisch verkeer
Artikel
1:4
Voorschriften en beperkingen
Artikel
1:5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel
1:6
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel
1:7
Termijnen
Artikel
1:8
Weigeringsgronden
Hoofdstuk
2
Openbare orde
1/56
Afdeling
1
Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel
2:1
Samenscholing en ongeregeldheden
Artikel
2:2
Verstoren van openbare orde
Afdeling
2
Betoging
Artikel
2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Artikel
2:4
Verboden betoging
Afdeling
3
Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel
2:5
Beperking aan e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Afdeling
4
Vertoningen e.d. op de weg
Artikel
2:6
Straatartiest
Afdeling
5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel
2:7
Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Artikel
2:8
Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel
2:9
Maken, veranderen van een uitweg
Afdeling
6
Veiligheid op de weg
Artikel
2:10
Winkelwagentjes
Artikel
2:11
Hinderlijke beplanting of voorwerp
Artikel
2:12
Openen straatkolken en dergelijke
Artikel
2:13
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel
2:14
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel
2:15
Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en verlichting
2/56
Artikel
2:16
Verbod carbid te schieten
Afdeling
7
Evenementen
Artikel
2:17
Begripsbepaling
Artikel
2:18
Evenementenvergunning
Artikel
2:19
Ordeverstoring
Afdeling
8
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel
2:20
Begripsbepaling
Artikel
2:21
Kennisgeving exploitatie
Artikel
2:22
Verschaffing gegevens nachtregister
Afdeling
9
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel
2:23
Begripsomschrijvingen
Artikel
2:24
Maximum aantal automaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen
Artikel
2:25
Aanwezigheidsvergunning speelautomaten
Artikel
2:26
Kleine kansspelen
Afdeling
10
Bepalingen over horeca-exploitatie
Artikel
2:27a
Begripsbepalingen
Artikel
2:27b
Exploitatievergunning horecabedrijf
Artikel
2:27c
De aanvraag en melding
Artikel
2:27d
Nadere regels
Artikel
2:27e
Terraszonekaart
Artikel
2:27f
Intrekking, wijziging of vervallen van vergunning
3/56
Artikel
2:27g
Van rechtswege vervallen vergunning
Artikel
2:28a
Exploitatietijden
Artikel
2:28b
Ontheffing sluitingsduur
Artikel
2:29
Vervroegde sluiting
Artikel
2:30
Verboden gedragingen
Artikel
2:31
Toegang ambtenaren van politie
Afdeling
10A
Bepalingen over paracommerciële rechtspersonen
Artikel
2:32a
Begripsbepalingen
Artikel
2:32b
Regulering paracommerciële rechtspersonen
Afdeling
11
Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel
2:33
Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel
2:34
Plakken en kladden
Artikel
2:35
Vervoer plakgereedschap e.d.
Artikel
2:36
Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
Artikel
2:37
Bescherming groenvoorzieningen
Artikel
2:38
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel
2:39
Verboden drankgebruik
Artikel
2:39a
Verbod gebruik lachgas op de weg
Artikel
2:40
Verboden gedrag bij of in gebouwen
Artikel
2:41
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimte
Artikel
2:41a
Openbare fietsverkoop
4/56
Artikel
2:42
Natuurlijke behoefte doen
Artikel
2:43
Onbetamelijk gedrag op begraafplaatsen
Artikel
2:44
Messen en andere voorwerpen
Artikel
2:45
Bedelarij
Artikel
2:46
Neerzetten van fietsen
Artikel
2:47
Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Artikel
2:48
Bespieden van personen
Artikel
2:49
Sleuteladres
Artikel
2:50
Loslopende honden
Artikel
2:51
Verontreiniging door honden
Artikel
2:52
Gevaarlijke honden
Artikel
2:53
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel
2:54
Loslopend vee en pluimvee
Afdeling
12
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel
2:55
Begripsomschrijvingen
Artikel
2:56
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel
2:57
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Afdeling
13
Drugsoverlast
Artikel
2:58
Handel in en gebruik van verdovende middelen
Artikel
2:59
Drugshandel op straat
Afdeling
14
Veiligheidsrisicogebieden, gebiedsontzegging en cameratoezicht op openbare plaatsen
5/56
Artikel
2:60
Veiligheidsrisicogebieden
Artikel
2:61
Gebiedsontzegging
Artikel
2:62
Cameratoezicht op openbare plaatsen
Hoofdstuk
3
Seksinrichtingen, escortbedrijven, straat- en raamprostitutie
Afdeling
1
Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel
3:1
Begripsomschrijvingen
Artikel
3:2
Bevoegd bestuursorgaan
Artikel
3:3
Nadere regels
Afdeling
2
Seksinrichtingen, escortbedrijven straat- en raamprostitutie
Artikel
3:4
Seksinrichtingen, straat- en raamprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel
3:5
Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel
3:6
Sluitingstijden
Artikel
3:7
Tijdelijke afwijking sluitingstijden (tijdelijke) sluiting
Artikel
3:8
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel
3:9
Straat- en raamprostitutie
Artikel
3:10
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling
3
Beslistermijn en weigeringsgronden
Artikel
3:11
Beslissing op aanvraag
Artikel
3:12
Weigeringsgronden
Afdeling
4
Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel
3:13
Beëindiging exploitatie
6/56
Artikel
3:14
Wijziging beheer
Afdeling
5
Intrekking en sluiting
Artikel
3:15
Intrekking van de vergunning
Artikel
3:16
Sluiting
Hoofdstuk
4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling
1
Geluid- en lichthinder
Artikel
4:1
Geluidhinder algemeen
Artikel
4:2
Geluidsapparaten
Artikel
4:3
Geluidhinder door motorvoertuigen of bromfietsen
Artikel
4:4
Geluidhinder door vrachtauto’s
Artikel
4:5
Begripsomschrijvingen
Artikel
4:6
Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel
4:7
Kennisgeving incidentele festiviteiten
Artikel
4:8
Verboden incidentele festiviteiten
Afdeling
2
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel
4:9
Vervoer stoffen die stank of vuil verspreiden
Artikel
4:10
Mestvaalten en dergelijke
Afdeling
3
Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel
4:11
Begripsbepaling
Artikel
4:12
Nachtverblijf aan de weg of een openbare plaats
Artikel
4:13
Aanwijzing kampeerplaatsen
7/56
Hoofdstuk
5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling
1
Parkeerexcessen
Artikel
5:1
Begripsbepalingen
Artikel
5:2
Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
Artikel
5:3
Te koop aanbieden van voertuigen
Artikel
5:4
Defecte voertuigen
Artikel
5:5
Voertuigwrakken
Artikel
5:6
Kampeermiddelen e.a.
Artikel
5:7
Parkeren van grote voertuigen
Artikel
5:8
Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
Artikel
5:9
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Artikel
5:10
Overlast van fiets of bromfiets
Afdeling
2
Collecteren
Artikel
5:11
Inzameling van geld of goederen
Afdeling
3
Venten
Artikel
5:12
Begripsbepaling
Artikel
5:13
Ventverbod
Artikel
5:14
Vrijheid van meningsuiting
Afdeling
4
Standplaatsen, winkeluitstallingen en overige uitstallingen
Artikel
5:15
Begripsbepaling
Artikel
5:16
Standplaatsen, uitstallingen op de weg
8/56
Artikel
5:17
Toestemming rechthebbende
Artikel
5:18
Afbakeningsbepalingen
Afdeling
5
Snuffelmarkten
Artikel
5:19
Begripsbepaling
Artikel
5:20
Organiseren van een snuffelmarkt
Afdeling
6
Gevonden voorwerpen
Artikel
5:21
Gevonden voorwerpen
Afdeling
7
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel
5:22
Crossterreinen
Artikel
5:23
Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling
8
Verbod vuur te stoken
Artikel
5:24
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Artikel
5:25
Voorkoming van vreugdevuren
Afdeling
9
Verstrooiing van as
Artikel
5:27
Verboden plaatsen
Artikel
5:28
Hinder of overlast
Hoofdstuk
6
Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel
6:1
Strafbepaling
Artikel
6:2
Toezichthouders
Artikel
6:3
Binnentreden woningen
Artikel
6:4
Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
9/56
Artikel
6:5
Overgangsbepaling
Artikel
6:6
Citeertitel
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.
openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b:
b.
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b; van de Wegenverkeerswet 1994;
c.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn:
d.
bebouwde kom: de bebouwde kom waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgelegd overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 bij raadsbesluit van 24 juni 2004;
e.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
f.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening gemeente Delft;
g.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet;
h.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
i.
Deeltweewieler: een publiek te gebruiken fiets, snor- en (bijzondere) bromfiets, die voor een korte duur (tijd) en tegen betaling in een netwerk wordt aangeboden door een commerciële aanbieder.
j.
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager..
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4 eerste lid.
4.
Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:8 eerste lid.
5.
In geval van een groot evenement zoals genoemd in artikel 2:17 eerste lid, geldt een beslissingstermijn tot 4 weken vóór de datum van het desbetreffende evenement, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:3, derde lid.
6.
In geval van een evenement zoals genoemd in artikel 2:17, tweede lid, geldt een beslissingstermijn tot 2 weken vóór de datum van het desbetreffende evenement, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:3, vierde lid. 10/56
Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.
Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
3.
In geval van een groot evenement zoals genoemd in artikel 2:17, eerste lid, geldt een indieningstermijn van uiterlijk 16 weken voorafgaande aan de datum van het desbetreffende evenement.
4.
In geval van een evenement zoals genoemd in artikel 2:17, tweede lid, geldt een indieningstermijn van uiterlijk 8 weken voorafgaande aan de datum van het desbetreffende evenement.
Artikel 1:3a Elektronisch verkeer Een kennisgeving of melding aan het college of de burgemeeser kan ook langs elektronische weg worden gedaan op een door het bestuursorgaan aangegeven wijze indien het bestuursorgaan daartoe beslist.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
Indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn binnen een redelijke termijn;
e.
indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: 11/56
a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Hoofdstuk 2. Openbare orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2.
Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5.
Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen en/of stoffen worden medegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts.
6.
Het verbod in het vijfde lid is niet van toepassing als de in dat lid bedoelde voorwerpen kennelijk niet bestemd zijn voor het daar aangeduide gebruik.
7.
Het bepaalde in de leden 1 t/m 4 geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 Verstoren openbare orde 1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis van het Wetboek van Strafrecht is het verboden, op of aan de openbare weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
2.
Het is verboden, op een in het eerste lid bedoelde plaats een voorwerp en/of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
Afdeling 2 Betoging Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wet openbare manifestaties, moet voor de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.
2.
Indien aard of omvang van de betoging of vergadering zulks rechtvaardigen, kan de burgemeester de termijn van 4 x 24 uur bekorten. 12/56
3.
De kennisgeving moet tenminste bevatten: a.
naam, adres en telefoonnummer (en zo mogelijk) faxnummer en e-mailadres van de organisator of kennisgever van de vergadering of betoging.
b.
doel van de vergadering of betoging;
c.
datum waarop de vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;
e.
het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van vergadering of betoging;
f.
de middelen van vervoer van de deelnemers aan de vergadering of betoging;
g.
door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de vergadering of betoging te bevorderen.
4.
Op de kennisgeving wordt de datum en het tijdstip van inlevering vermeld en een kopie daarvan wordt terstond overhandigd of toegezonden aan degene, die de kennisgeving heeft gedaan.
5.
Zo mogelijk na mondeling overleg met degene, die de kennisgeving heeft gedaan, wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk de volgende stukken toegezonden:
6.
a.
de algemene voorschriften van de burgemeester op grond van de wet;
b.
eventuele met de organisator gemaakte afspraken over een ordelijk verloop en eventuele door de burgemeester gestelde voorschriften;
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
Artikel 2:4 Verboden betoging 1.
2.
Het is verboden een betoging als bedoeld in artikel 2:3 te doen plaatsvinden, feitelijk te leiden of aan een dergelijke betoging deel te nemen, terwijl men weet of redelijkerwijze kon weten, dat: a.
de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:3 is gedaan;
b.
gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 zijn verstrekt;
c.
de voorschriften, die de burgemeester krachtens het vijfde lid van artikel 2:3 gegeven heeft, niet nageleefd worden;
d.
de burgemeester de betoging verboden heeft.
Indien een betoging krachtens het bepaalde in het eerste lid ongeoorloofd is, is iedereen die in of nabij de optocht aanwezig is, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door de ambtenaar bevolen richting of langs de door hem aangeduide weg.
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:5 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen. 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op het door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 13/56
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:6 Straatartiest 1.
Het is verboden muziek ten gehore te brengen op openbare plaatsen indien dit gepaard gaat met hinder van verkeersstromen, gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beinvloeden of anderszins overlast veroorzaken.
2.
Een ieder die zich hinderlijk op een openbare plaats gedraagt zoals omschreven in lid 1 van dit artikel, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een andere daartoe bevoegde ambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.
Het is verboden muziek ten gehore te brengen op de door de burgemeester aangegeven openbare plaatsen.
4.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op of aan de door de urgemeester aangegeven wegen of gedeelten daarvan.
5.
De burgemeester kan de werking van het verbod van lid 3 en lid 4 beperken tot bepaalde dagen of uren.
6.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in lid 3 en lid 4.
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg. Artikel 2:7 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. 1.
Het is toegestaan tijdelijk voorwerpen te plaatsen op een openbare plaats, mits: a.
plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is;
b.
niet langer dan 6 maanden
c.
de omvang niet groter is dan 12 vierkante meter;
d.
het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en bereikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
e.
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.
Plaatsing van voorwerpen groter dan 12 vierkante meter dient uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing op een openbare plaats, gemeld te worden aan het college op een door het college voorgeschreven manier. De bepalingen van lid 1, onder a, b, d en e, zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Het is verboden te handelen in strijd met het eerste of tweede lid, zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
4.
In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
6.
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg.
7.
Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Het college kan daarbij bepalen dat uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing van voorwerpen, daarvan melding aan het college wordt gedaan op een door het college 14/56
voorgeschreven manier. 8.
9.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15;
b.
terrassen;
c.
reclame als bedoeld in de Reclameverordening 2005 of de opvolger daarvan;
d.
evenementen als bedoeld in artikel 2:17;
e.
deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a.
f.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend;
g.
de opslag van voorwerpen of stoffen door of namens de gemeente bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
Dit artikel is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:7a Deeltweewielers 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college deeltweewielers ten behoeve van het gebruik door derden in de openbare ruimte te plaatsen en aan te bieden, anders dan vanuit speciaal daarvoor ingerichte voorzieningen;
2.
Het college kan voorschriften of beperkingen verbinden aan de vergunning:
3.
a.
ter voorkoming van overlast;
b.
in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;
c.
in het belang van de veiligheid van de weggebruikers;
d.
in het belang van de doorstroming van het verkeer;
e.
ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik;
f.
ter bescherming van het milieu;
g.
ter bescherming van de privacy.
Het college kan ter bescherming van de in het vorige lid genoemde belangen een maximum stellen aan: a.
het aantal deeltweewielers per vergunninghouder per categorie deeltweewielers;
b.
het totaal aantal deeltweewielers.
4.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verboden is om deeltweewielers ter gebruik aan te bieden.
5.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar uitsluitend deeltweewielers ter gebruik aangeboden kunnen worden.
6.
Het college kan nadere regels stellen en wanneer een vergunningsaanvraag in strijd is met de nadere regels kan het college de vergunning weigeren.
7.
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).
Artikel 2:8 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. 15/56
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan af te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
3.
Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Verordening ondergrondse infrastructuren.
4.
Voor zover het in het eerste lid gestelde verbod betrekking heeft op het aanleggen van een weg of het aanbrengen van veranderingen in de wijze van aanleg van een weg en voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt de vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel verleend door het bevoegd gezag, zoals dat is bepaald in artikel 1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5.
Het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in afwijking van het gestelde in deze verordening van toepassing met betrekking tot de behandeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het vorige lid.
Artikel 2:9 Maken, veranderen van een uitweg. 1.
2.
3.
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: a.
indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet tenminste 4 weken van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;
b.
indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: a.
indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b.
indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
d.
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
Afdeling 6. Veiligheid op de weg. Artikel 2:10. Winkelwagentjes. 1.
De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2.
Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of winkelcomplex en tevens aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
3.
Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. 16/56
4.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2:11. Hinderlijke beplanting of voorwerp. 1.
De rechthebbenden op een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na aanschrijving door het college, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.
2.
Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te plaatsen of te hebben dat aan het wegverkeer het uitzicht belemmert of op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren.
Artikel 2:12. Openen straatkolken en dergelijke. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:13. Rookverbod in bossen en natuurterreinen. 1.
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door de brandweer aangewezen periode.
2.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te slepen of te laten liggen.
3.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
4.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:14. Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening, als bedoeld in het eerste lid, bekend.
3.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.
Artikel 2:15. Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en verlichting. [vervallen]
Artikel 2:16. Verbod carbid te schieten 1.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de 17/56
Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:17. Begripsbepaling. In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
Groot evenement: regelmatig terugkerend evenement of incidenteel evenement, dat door de burgemeester als zodanig wordt aangewezen op grond van een meer dan gemiddelde belasting van de woon- en leefomgeving en een meer dan gemiddelde inzet van de hulpdiensten.
2.
Evenement: elke voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met inbegrip van een herdenkingsplechtigheid en een braderie, met een gemiddelde belasting van de woon- en leefomgeving en een gemiddelde inzet van de hulpdiensten, met uitzondering van:
3.
a.
bioscoopvoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:19 van deze verordening;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
Klein evenement: -
is een evenement, echter met een lage belasting van de woon- en leefomgeving;
-
heeft geen te verwachten inzet van de hulpdiensten;
-
heeft maximaal 250 bezoekers op het drukste moment;
-
duurt niet langer dan één dag;
-
vindt plaats tussen 9.00 en 23.00 uur;
-
belemmert de doorgang voor het openbaar vervoer en hulpdiensten zoals politie, ambulance en brandweer niet;
-
produceert een geluidsniveau op de gevels van omringende gebouwen die niet hoger is dan 75 dB(A);
-
heeft niet meer dan maximaal twee kleine geplaatste objecten (zoals een partytent) met een oppervlakte van maximaal 10 m2 per object;
-
heeft geen geplaatste professionele podia;
-
wordt gehouden zonder gebruik te maken van professionele geluidsapparatuur;
-
wordt georganiseerd zonder reclame te maken om belangstellenden van buiten aan te trekken.
Artikel 2:18. Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een groot evenement, een evenement of een klein evenement te organiseren.
2.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a.
het aantal redelijkerwijs te verwachten aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;
b.
het evenement plaatsvindt tussen 09.00 uur en 23.00 uur; 18/56
c.
geen muziek en gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur;
d.
het evenement geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid, de verkeersdoorstroming of de veiligheid van personen of goederen;
e.
er een organisator is, en
f.
de organisator uiterlijk 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
3.
De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4.
Het college kan voor evenementen gebieden en/of locaties aanwijzen en/of nadere regels stellen.
5.
De burgemeester kan nadere regels vaststellen betreffende het beslissen op een aanvraag om een vergunning voor het houden van een evenement.
6.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
7.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:19. Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf. Artikel 2:20. Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:21. Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijke kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:22. Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 9. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
de wet: de Wet op de kansspelen;
b.
Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit: KB 23 mei 2000 (Stb.2000, 223);
c.
speelautomaat: een toestel, als bedoeld in artikel 30 onder a van de wet, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, 19/56
daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; d.
behendigheidsautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30 onder b van de wet, waarvan
1e het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en 2e het proces, ook nadat het in werking is gesteld door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen worden; e.
kansspelautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30 onder c van de wet, die geen behendigheidsautomaat is;
f.
ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een hoogdrempelige inrichting en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon;
g.
exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de minister van Economische Zaken, als bedoeld in artikel 30h van de wet, speelautomaten exploiteert;
h.
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d en artikel 30c, vierde en vijfde lid van de wet;
i.
aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de wet.
Artikel 2:24. Maximum aantal automaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester, als bedoeld in artikel 30b van de wet, kansspelautomaten aanwezig te hebben. Met betrekking tot het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend voor inrichtingen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder a. en artikel 30c, vierde en vijfde lid van de Wet, geldt dat in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten zijn toegestaan.
Artikel 2:25. Aanwezigheidsvergunning speelautomaten 1.
De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld van de ondernemer en is niet overdraagbaar.
2.
In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting waar de speelautomaten worden geplaatst, vermeld.
3.
De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de wet en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r van de wet.
4.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:26. Kleine kansspelen 1.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen.
2.
De mededeling wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het eerste lid bedoelde formulier volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
Afdeling 10. Bepalingen over horeca-exploitatie 2:27 a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 20/56
1.
Horecabedrijf: De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt en/of dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.
2.
Terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecabedrijf, waar sta- en/of zitgelegenheid kan worden geboden en waar dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.
3.
Exploitant van het horecabedrijf: de natuurlijke persoon of personen voor wiens rekening en verantwoordelijkheid een horecabedrijf wordt geëxploiteerd en/of aan wie een exploitatievergunning is verleend.
4.
Binnenstad: Het gebied begrensd door de Vrijenbanselaan, Rijn-Schiekanaal langs de walkant van de Oostsingel, Kanaalweg, Hertog Govertkade, Westvest, Phoenixstraat en de Wateringsevest.
5.
Weg. 1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
6.
2.
de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
3.
de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
4.
andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
Ondergeschikte horeca: Niet zelfstandige horeca uit ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, uitsluitend zijnde horeca die aanwezig is binnen een andere hoofdfunctie en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is.
7.
Bezoeker: Een ieder die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van:
8.
-
de exploitant, de leden van zijn huishouden en het in dat horecabedrijf werkzaam zijnde personeel;
-
de niet tot zijn huishouden behorende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
-
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
-
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Coffeeshop: Een alcoholvrij horecabedrijf waar onder strikte voorwaarden handel in en/of gebruik van softdrugs plaatsvindt.
9.
Een wegrestaurant is een eetgelegenheid die aan of nabij een weg, meestal een autosnelweg, is gelegen en qua aard en uiterlijk bedoeld is voor passanten.
10.
Studentensociëteit: Een inrichting, die wordt gedreven door een vereniging waarvan de leden staan ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs, waar anders dan bedrijfsmatig dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, dan wel amusement wordt geboden of de gelegenheid wordt gegeven zich te ontspannen; de vereniging beschikt over een huishoudelijk reglement, 21/56
toegelaten en mogelijk het lidmaatschap zal worden ingetrokken bij wangedrag van het lid of de door hem of haar geïntroduceerde bezoeker. 11.
Terrasuitstalling: Een binnen een meter van de gevel van de inrichting van het horecabedrijf of de detailhandel met ondergeschikte horeca liggend terras, waarbij een veilige vrije doorgang van 1,5 meter in een rechte lijn is opengelaten voor voetgangers.
Artikel 2:27 b Exploitatievergunning horecabedrijf 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een coffeeshop of een horecabedrijf met terras te exploiteren.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op horecabedrijven met terras waarvoor een melding is gedaan. Geen melding kan worden gedaan voor: a.
eilandterrassen aan de Beestenmarkt;
b.
terrassen waarvoor meer dan 1 gegadigde in aanmerking kan komen;
c.
terrassen op bruggen
d.
terrassen buiten de binnenstad.
3.
In afwijking van artikel 1:7 wordt een vergunning voor ten hoogste vijf jaren verleend.
4.
De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
5.
De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf dan wel de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, waarbij rekening wordt gehouden met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
6.
Voor horecabedrijven waarvoor geen vergunningplicht geldt, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing.
7.
De burgemeester kan aan de exploitant van een horecabedrijf dat niet voldoet aan het bepaalde in het vijfde lid (nadere) eisen opleggen, opdat deze wel voldoet.
8.
De melding genoemd in het tweede lid voldoet aan de volgende voorwaarden: a.
uiterlijk een dag vóór plaatsing of wijziging van het terras wordt aan de burgemeester hiervan melding gedaan;
b.
de voor het terras beoogde locatie is beschikbaar;
c.
het terras voldoet aan de door de burgemeester daarvoor opgestelde nadere regels.
Artikel 2:27 c De aanvraag en melding 1.
a. De aanvraag om een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27 b, eerste lid, wordt gedaan op een daartoe door de burgemeester vastgesteld formulier. Het formulier dient volledig te worden ingevuld, ondertekend en van alle in het formulier gevraagde documenten te zijn voorzien alvorens de aanvraag in behandeling wordt genomen. b.
Bij de aanvraag voor een coffeeshop moet worden overgelegd: 1.
een plattegrond van het horecabedrijf, waarop duidelijk de afmetingen, inrichting en aanwezige voorzieningen staan aangegeven;
2.
een recent uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
22/56
3.
indien geen Alcoholwetvergunning vereist is: een verklaring omtrent het Gedrag (VOG verklaring).
2.
Per horecabedrijf kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.
3.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een terras dient bij de aanvraag een tekening of een schetsontwerp van de situering van het terras en de beoogde afmetingen te worden overgelegd.
4.
[vervallen]
5.
[vervallen]
6.
[vervallen]
7.
Bij de in het achtste lid van artikel 2:27 b genoemde nadere regels bepaalt de burgemeester tevens de wijze waarop een melding dient te worden gedaan en de gegevens welke bij de melding dienen te worden verstrekt.
8.
De melding dient uiterlijk een dag voorafgaand aan de exploitatie van een terras aan de burgemeester gedaan te worden.
9.
De beëindiging van de exploitatie van een terras, waarvoor een melding dient te worden gedaan, dient uiterlijk een dag voorafgaand aan het einde van een kalendermaand aan de burgemeester te worden gedaan.
Artikel 2:27 d Nadere regels De burgemeester is bevoegd nadere regels te stellen in het kader van hetgeen in deze afdeling is bepaald.
Artikel 2:27 e Terraszonekaart De burgemeester kan, na overleg met het college, voor de gehele gemeente of een deel daarvan, een terraszonekaart opstellen met inachtneming van het geldende beleid en de omstandigheden in de praktijk.
Artikel 2:27 f Intrekking, wijziging of vervallen van vergunning 1.
De burgemeester kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze afdeling, intrekken of wijzigen: a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien dit op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, naar het oordeel van de burgemeester wenselijk wordt geacht gelet op het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen of de bepalingen van deze verordening niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien de voorschriften gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet milieubeheer en/of de artikelen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en/of de maatwerkvoorschriften gebaseerd op het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dan wel het in dat kader vastgesteld beleid niet zijn of worden nagekomen;
e.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een termijn van twaalf weken na verlening daarvan;
f.
indien de exploitant dit verzoekt;
g.
indien de exploitatie van het horecabedrijf/openbare inrichting voor een periode langer dan zestien weken is of wordt onderbroken;
h.
indien er sprake is van strijd met regelgeving, daarop gebaseerde voorschriften of daarop gebaseerd beleid of anderszins vastgesteld beleid. 23/56
2.
Indien het bedrijf, ten behoeve waarvan vergunning of ontheffing is verleend, wordt overgedragen aan een andere eigenaar, vervalt de vergunning of ontheffing, verleend aan de voorgaande eigenaar, van rechtswege.
Artikel 2:27 g Van rechtswege vervallen vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 2:27 b, eerste lid, vervalt van rechtswege: a.
Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning ten behoeve van de overname of nieuwe vestiging van een horecabedrijf/openbare inrichting;
b.
indien (één van) de exploitant(en), niet meer als zodanig functioneert;
c.
indien de ondernemingsvorm wijzigt;
d.
indien binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de (aangevraagde) exploitatie van het horecabedrijf/openbare inrichting;
e.
indien de exploitatie van het horecabedrijf/openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;
f.
indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.
Artikel 2:28 a Exploitatietijden 1.
Het is de exploitant van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 uur en 6.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 2.00 uur en 6.00 uur.
2.
Voor zover een horecabedrijf een terras omvat, geldt dat het de exploitant van een horecabedrijf verboden is dit terras voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met zondag tussen 1.00 uur en 9.00 uur.
3.
De burgemeester kan door middel van een voorschrift bij een vergunning als bedoeld in artikel 2:27 b, eerste lid en bij de vrijstelling als bedoeld in artikel 2:27 b, vijfde lid, voor een afzonderlijk horecabedrijf, niet zijnde een daartoe behorend terras, vaststellen dat gedurende ten hoogste vier dagen per week, geen verplicht sluitingstijdstip geldt.
4.
De burgemeester kan, ter bescherming van het woon- en leefklimaat, door middel van een beperkend voorschrift bij een vergunning als bedoeld in artikel 2:27 b, vijfde lid en een melding als bedoeld in artikel 2:27b, achtste lid, bepalen dat voor een afzonderlijk horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras andere sluitingstijden gelden dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
5.
Indien het bepaalde in het derde lid van toepassing is, wordt de sluitingstijd op de overige drie dagen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, echter onverminderd het in artikel 2:28 b bepaalde.
6.
In afwijking van het eerste lid mogen wegrestaurants en studentensociëteiten het horecabedrijf exploiteren zonder verplicht sluitingstijdstip.
7.
Het in de voorgaande leden van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet milieubeheer en/of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde voorschriften en/of artikelen van toepassing zijn.
Artikel 2:28 b Ontheffing sluitingsuur 1.
De burgemeester kan van het bepaalde in artikel 2:28 a, eerste en vijfde lid, voor ten hoogste twaalf maal per jaar ontheffing verlenen.
2.
De ontheffing als bedoeld in het eerste lid bevat geen vervangend sluitingstijdstip.
3.
De ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt digitaal verleend. Elke ontheffing is éénmalig geldig.
4.
Het digitale exemplaar wordt van gemeentewege genummerd, alsmede voorgedrukt met naam en adres van het horecabedrijf. 24/56
5.
De ontheffing als bedoeld in het derde lid bevat een vervaldatum; na deze datum verliest de betreffende ontheffing haar geldigheid.
6.
In bijzondere omstandigheden kan de burgemeester bij openbare bekendmaking besluiten, voor het gehele gebied der gemeente of voor een gedeelte daarvan, een later sluitingsuur vast te stellen.
7.
Het in het eerste lid van dit artikel bepaalde geldt niet voorzover op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet milieubeheer en/of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde voorschriften en/of artikelen van toepassing zijn.
Artikel 2:29 Vervroegde sluiting 1.
De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:28 a en 2:28 b geldende sluitingstijden vast te stellen of tijdelijke sluiting te bevelen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.
3.
In geval het bevel van de burgemeester, genoemd in het eerste lid, niet kan worden afgewacht, is de exploitant of beheerder van een horecabedrijf verplicht op het door een ambtenaar van politie gegeven bevel het verstrekken van eet- en/of drinkwaren te staken of te doen staken en zijn horecabedrijf te sluiten of te doen sluiten.
4.
De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.
Artikel 2:30 Verboden gedragingen 1.
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
2.
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden, gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens het bepaalde in deze verordening, dan wel anderszins, gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
3.
Het is personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholische drank plegen te maken of van slecht zedelijk gedrag zijn na aanschrijving van de burgemeester verboden zich in een horecabedrijf te bevinden.
4.
Het in het derde lid bedoelde verbod kan tevens worden ingesteld voor bepaalde aan te wijzen horecabedrijven, dan wel voor horecabedrijven in een aan te wijzen gedeelte van de gemeente.
5.
Het verbod in het derde lid geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan één jaar.
6.
Het is de exploitant van een horecabedrijf verboden personen toe te laten in zijn bedrijf aan wie de burgemeester een ontzegging heeft opgelegd op grond van het derde lid en wier namen als zodanig door de burgemeester schriftelijk aan die exploitant zijn opgegeven.
7.
De exploitant van het horecabedrijf is verplicht, indien een persoon als bedoeld in het eerste lid zich in zijn horecabedrijf bevindt en in gebreke blijft deze te verlaten, hiervan terstond kennis te geven aan de politie.
Artikel 2:31 Toegang opsporingsambtenaren De exploitant van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn horecabedrijf: a.
gedurende de tijd dat het horecabedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel
b.
gedurende de tijd dat het horecabedrijf gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren vermoeden dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Afdeling 10A Bepalingen over paracommerciële rechtspersonen 25/56
Artikel 2:34a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt onder paracommercieel rechtspersoon verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vewnnootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.
Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens de exploitatietijden zoals opgenomen in artikel 2:28a.
2.
Het is paracommerciële rechtspersonen niet toegestaan bijeenkomsten te houden van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:33 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.34 Plakken en kladden 1.
Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding of letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
Het college kan aanplakborden of plaatsen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen of bekendmakingen.
5.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar de handelingen die in lid 2 sub b van dit artikel genoemd zijn, toegestaan zijn.
6.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden en de in het vijfde lid bedoelde plaatsen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van uitingen, meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
8.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
26/56
Artikel 2:35 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.
Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn bestemd of gebruikt voor handelingen als verboden in artikel 2:34
Artikel 2:36 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.
Het is verboden op de weg of o een andere voor het publiek toegankelijke plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onregelmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, fietsendiefstal te plegen of het maken van sporen te voorkomen.
2.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van een winkel bij zich te hebben of te vervoeren een tas of ander hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om er winkeldiefstal mee te plegen of winkeldiefstal te vergemakkelijken door het buiten werking stellen en/of houden van detectieof waarnemingsapparatuur.
3.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde verbod is niet van toepassing indien kan worden aangenomen dat de bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen redelijkerwijs gezien niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in lid 1 en 2 bedoelde handelingen.
Artikel 2:37 Bescherming groenvoorzieningen Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloemof heesterperk, dan wel aldaar bloemen, planten of takken te vervoeren of bij zich te hebben, tenzij de vervoerder deze bloemen, planten of takken rechtmatig verkregen heeft.