CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvullende globale toelichting op de verschillen in de bouwkosten

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 23 mei 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel scenario’s Rietveldtheater (2418260)1.363 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 – Aanvullende globale toelichting op de verschillen in de bouwkosten. 1.

Nadere inhoudelijke (technische) verdieping

Geluidswering Voor de geluidsemissie naar de omgeving gelden er wettelijke grenswaarden waarbij nu sprake is van een gedoogsituatie. Functionele eisen voor het produceren van (versterkt) geluid zijn gekoppeld aan de theaterfunctie en de bruikbaarheid en verhuurmogelijkheden van ruimtes. Voor de interne geluidsoverdracht, vanwege gelijktijdige bruikbaarheid, is ook sprake van functionele eisen. Om de geluidswering (in- en extern) te realiseren zijn, gezien de specifieke gebouwkenmerken (en de monumentale status) akoestische voorzetconstructies (wanden, plafonds en de vloer) noodzakelijk. Hiermee wordt feitelijk een interne doos-in-doos constructie gecreëerd. Door de ‘doos-in-doos’ constructie moet ook extra aandacht besteed worden aan akoestische demping om geluidsvervorming te voorkomen. In het concept VO is zowel voor de theaterzalen als de studio’s de ‘doos in doos’ constructie nader technisch uitgewerkt en doorgerekend en op de praktijksituatie van de bestaande bouwkundige mogelijkheden van het pand uitgelegd. Conclusie van deze uitwerking is dat om aan de functionele en wettelijke eisen te voldoen een zwaarder isolatie pakket noodzakelijk is voor de studio’s. Dit vertaalt zich in meer bouwkundige aanpassingen dan eerder voorzien en hiermee in hogere kosten.

Naast geluidswering tussen ruimtes en naar de omgeving zijn maatregelen nodig voor akoestische demping in de verschillende ruimtes. Ook dit geluidsaspect blijkt na doorrekening een grotere investering te vergen. Vanwege een directe koppeling tussen de functionele eis van gelijktijdige bruikbaarheid van de individuele ruimtes en de haalbaarheid van de businesscase van Stichting Rietveld Theater (SRT) zijn in de ontwerpfase VO de ambities en eisen op het vlak van geluidswering en akoestiek vooralsnog niet neerwaarts bijgesteld. Ventilatie en klimaatcondities In het bouwbesluit zijn prestatie eisen opgenomen voor o.a. ventilatiecapaciteit, thermische isolatie en ook geluidsisolatie. De doos-in-doos constructie is hierop van invloed. Voor wat betreft ventilatie is voldoende CO2 concentratiebeperking en voldoende frisse lucht noodzakelijk. Deze omstandigheden zijn mede bepalend voor het comfort van de bezoekers. Naar aanleiding van COVID is voor ventilatie sprake van aanvullende richtlijnen opgesteld over het zgn. verse luchtdebiet per persoon waarbij een norm van 24 m3/u per persoon. Vanwege de geluidswering is natuurlijke ventilatie niet mogelijk. De akoestische isolatie in de vorm van de doos-in-doos constructie hangt deels ook samen met thermische isolatie (en hiermee de energetische waarde) en bepaalt mede de binnenklimaat condities.

Deze condities worden verder ook beïnvloed door de hoeveelheid bezoekers, en de warmtelast die deze veroorzaken, en de externe warmtelast door seizoensinvloeden. In het PVE is opgenomen dat voor ventilatie minimaal de nieuwbouweisen uit het bouwbesluit van 2012 gehanteerd dienen te worden. Dit betreft een zgn. ventilatiedebiet voor bijeenkomstfunctie van 14,4 m3/u per persoon. Het aanhouden van dit ventilatiedebiet was de basis van de raming die gelijktijdig met het PVE is uitgewerkt en vormt hiermee de basis voor het financieel kader. De eisen uit het bouwbesluit, zeker in het licht van COVID-19 en richtlijnen hierbij, gelden als absoluut minimum. In het concept VO is rekening houdend met de richtlijnen en functioneel gebruik een verhoogd ventilatiedebiet van 30 m3/u per persoon aangehouden. Deze technische aanpassing op het PVE is het gevolg van voortschrijdend inzicht. Het aanpassen van de ventilatie capaciteit heeft grote opeenvolgende technische en financiële consequenties. Een hogere ventilatiecapaciteit vergt grotere (zowel fysiek en vermogen) installatiecomponenten en geluidswerende maatregelen. De kosten nemen hierdoor toe. De grotere luchtkanalen in en naar de verschillende ruimtes zijn in het ontwerp fysiek ingepast in het bestaande gebouw en de installatie is ingetekend op het dak.

Het gevolg hiervan is aanvullende bouwkundige maatregelen en hiermee extra voor geluidswerking en constructieve elementen. Vanwege de grote impact zijn met het bouwteam de mogelijkheden onderzocht voor een decentrale opstelling van de installaties (individuele installatiedelen per ruimte). Vooralsnog is hier geen haalbaar scenario voor gevonden passend bij de specifieke kenmerken van dit gebouw. Een centrale positie op het dak is hiermee het uitgangspunt in het voorliggende concept VO. In het PVE is opgenomen dat onderzoeken op dit vlak op verschillende momenten in het proces zijn uitgevoerd en hiermee niet altijd naadloos aansluiten op het PVE. In het PVE is opgenomen dat de onderzoeken daarom niet minder bruikbaar zijn. Op basis van de uitkomsten van het concept VO kan

gesteld worden dat deze conclusie in retrospectief opzicht op onderdelen niet terecht was en dat het PVE op onderdelen niet voldoende specifiek en meetbaar was en dat de aannames onvoldoende in relatie tot elkaar hebben gestaan. Brandcompartimentering Uit de aanpassingen op het gebied van geluidswering, akoestiek en ventilatie in het concept VO volgt een andere brandcompartimentering. In de raming bij het PVE is uitgegaan van de bestaande compartimentering en brandwering conform de wettelijke eisen voor ‘bestaande bouw’ en ‘van rechtens verkregen niveau’. Dit betekent dat bij de raming bij het PVE het handhaven van de bestaande brandcompartimentering het uitgangspunt was. In het concept VO zijn maatregelen nodig vanwege de aanpassing van de bestaande brandscheidingen. Dit vergt extra maatregelen en hiermee extra kosten. 2.

Aanvullende functionele verbeteringen op het PVE

Bij het voorstel voor de investering van € 1,9 miljoen is aangegeven dat tijdens het ontwerptraject duidelijk wordt welke investeringen ten laste komen van SRT die dit kan dekken door middel van crowdfunding en het werven van extra fondsen. In de businesscase van SRT is opgenomen dat de afwerking en inrichting van het theater, inclusief de theater-technische installaties voor rekening en risico van de SRT komen waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag van € 350.000,-, exclusief btw. Hierbij is aangegeven dat de gemeente en SRT flexibiliteit beogen om de mogelijkheden tot financiering door SRT te optimaliseren. In het ontwerpproces is dit gezamenlijk met SRT uitgewerkt. Dit heeft geleid tot een aanpassing in het aanbrengen van koeling en de vervanging van de theaterstoelen. De koeling is vanuit het PVE als optie benoemd. Op basis van het samenhangend geheel na technische uitwerking op het gebied van ventilatie en isolatie gecombineerd met de warmtelast van de bezoekers is in het concept VO geconstateerd dat koeling noodzakelijk is. De theaterstoelen die eerder wel in het PVE zijn opgenomen komen in overleg met SRT voor crowdfunding in aanmerking en zijn in het concept VO geen onderdeel van de investeringskosten. Bij het ontwerpproces is in overleg met SRT rekening gehouden met maatregelen om het beoogd gebruik te optimaliseren.

Voornaamste wijziging is de clustering van het sanitair en het aanbrengen van een lift voor mindervaliden. Clustering van het sanitair is een direct gevolg van de aanpassing op het vlekkenplan vanwege de aanpassing installatie waarmee ruimte is ontstaan voor deze clustering. In het PVE is het aanbrengen van een lift opgenomen als optie. Hoewel er in het pand wel een traplift aanwezig is voor mindervaliden is deze traag en heeft hiermee beperkingen. Om de toegankelijkheid voor mindervaliden te optimaliseren is deze lift in het VO opgenomen. 3. Prijsontwikkeling De huidige marktomstandigheden hebben effect op de kosten voor bouwmaterialen en de lonen van personeel en transportkosten. De prijsstijgingen voor bouwmaterialen zijn in belangrijke mate afhankelijk van het soort materiaal en de beschikbaarheid (en hiermee de prijsstelling) van de uitvoerende partijen. Zichtbaar is dat in het bijzonder de prijs van aankoop en levering installaties , die door o.a.. hoge staalprijzen en beschikbaarheid van installateurs (wat tevens beïnvloed wordt door uitvoering van duurzaamheidsambities) fors zijn gestegen. Prijsstijgingen van circa 30% op E- en W- installaties met bijbehorende leveringsproblematiek zijn in deze categorie niet onrealistisch. In het concept VO zijn de totale meerkosten per categorie gebaseerd op het prijspeil juli 2022.

Een verschil op basis van de huidige marktomstandigheden is niet exact te duiden. In het PVE is immers geen rekening gehouden met aanvullende kosten voor oa. een omvangrijker installatieconcept. Dit betekent concreet dat de meerkosten in het concept VO zijn opgebouwd uit zowel de extra kosten voor nadere technische uitwerking én het effect van de prijsontwikkeling. Rekening houdend met de categorisering van materialen bij de prijsontwikkeling geeft dit het volgende beeld: • Prijsontwikkeling installaties: 20% - 30% € 160.000 - € 230.000 • Prijsontwikkeling overige investeringskosten 12% - 17,25% € 120.000 - € 170.000 De huidige exceptionele economische omstandigheden maakt dat de gebruikelijke indexering met de huidige prijsstijgingen niet afdoende is. Het effect hiervan op het budgettaire kader voor Rietveld is helaas hierin niet uniek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12436469/1