CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Nota beantwoording zienswijzen van Project Balthasar van der Polweg

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake verklaring van geen bedenkingen Studentenhuisvesting Balthasar van der Polweg/Korvezeestraat (nr. 2112234)5.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4512569 Nota beantwoording zienswijzen van Project Balthasar van der Polweg Op 15 augustus 2013 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een woongebouw, bestaande uit 136 studentenwoningen, op de locatie Korvezeestraat / Balthasar van der Polweg in Delft. Omdat dit plan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, kan de omgevingsvergunning hiervoor alleen dan worden verleend als het besluit ook een goede ruimtelijke onderbouwing bevat en een ontwerpverklaring van geen bedenkingen (vvgb) en een definitieve vvgb van de gemeenteraad is verkregen. Deze ontwerp-vvgb is op 1 oktober 2020 door de raad afgegeven. Daarnaast is op een dergelijke afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. In dit kader hebben het ontwerpbesluit met de ontwerpverklaring vvgb inclusief de bijbehorende stukken vanaf 19 oktober 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode was iedereen in de gelegenheid om zienswijzen aan ons college kenbaar te maken. Er zijn 2 zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. Deze zijn door een advocaat ingediend namens een aantal bedrijven en door een rechtsbijstandverlener namens diens cliënt. Omdat de ingediende zienswijzen qua inhoud overlappende punten bevatten en/of identiek zijn, zijn deze gecategoriseerd in de navolgende onderwerpen. 1. Algemeen a.

De verdichting van het campusgebied neemt onevenredig toe en leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van betrokkene, waaronder parkeerhinder als gevolg van het verdwijnen van het openbare parkeerterrein aan de Korvezeestraat / Balthasar van der Polweg. b. Er is sprake van een dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ binnen het projectplan. In dit verband is sprake van een beschermingszone van 10 meter. Bij het opstellen van het ontwerpbesluit is geen rekening gehouden met deze bestemming in het kader van de toetsing in het kader van de externe veiligheid en het Besluit externe veiligheid inrichtingen. c. Het welstandsadvies ontbreekt bij de ter inzage gelegde stukken. d. In het kader van de brandveiligheid wil betrokkene duidelijkheid hebben of het gebouw al dan niet brandveilig is. e. Er is geen sprake geweest van een evenwichtige belangenafweging, zoals door de wet vereist. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Er is uitsluitend rekening gehouden met de belangen van de TU-Delft / Duwo en de gemeente Delft en niet met de belangen van bewoners.

2. Procedure a. Onbegrijpelijk is dat betrokkenen de afgelopen zeven jaar niet over dit bouwproject zijn geïnformeerd. Ook had het bouwproject moeten worden meegenomen in de ontwikkeling van de transformatie van Schieoevers-Noord en het in dit verband opgestelde milieueffectrapport. b. Op 15 augustus 2013 is een omgevingsvergunning aangevraagd op basis van de uitgebreide procedure. Dit houdt in dat het college binnen zes maanden hierop had moeten beslissen. Doordat de zaak ruim zes jaar is aangehouden is gehandeld in strijd met de wet en de rechtszekerheid in het bijzonder. c. Ten onrechte heeft de gemeenteraad van Delft de tekst van de ontwerpbesluiten niet zelf geformuleerd. Het college heeft de aanvraag om omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken aan de raad toegezonden, maar tegelijkertijd ook een raadsvoorstel en een ontwerpbesluit vvgb voorbereid. De ontwerpbesluiten zijn op voorstel van het college aan de raad als hamerstuk voorgelegd hetgeen in strijd is met art. 3.11, derde lid, van de

Pagina 1 van 10

4512569 Wabo. Ten onrechte is geen ontwerpbesluit vvgb ter inzage gelegd, zodat betrokkene niet de mogelijkheid had om een zienswijze in te dienen. 3. Milieuzonering a. De bouw van de woningen in de nabijheid van de reeds gevestigde bedrijven belemmert hun bedrijfsactiviteiten en uitbreidingsmogelijkheden. De geluidhinder contour overlapt het plangebied. Nieuwe bewoners kunnen gaan klagen over bedrijfshinder, waaronder geluidhinder door vrachtwagens. In de verleende vergunning wordt onvoldoende rekening gehouden met deze belangen. b. In het onderzoek ‘milieu- en bedrijfzonering Balpolgebouw’ van Tauw d.d. 20 juni 2013 wordt uitgegaan van onjuiste milieucategorieën en daarmee van te korte richtafstanden. Bovendien wordt uitgegaan van feitelijke situaties en niet van hetgeen maximaal planologisch mogelijk is. 4. Geluid a. Het bouwproject wordt gerealiseerd in een geluidsgezoneerd industriegebied. In de geluidsberekeningen is de geluidsbelasting van Lijm en Cultuur niet meegenomen. b. Op basis van de stukken bij de ontwerpvergunning blijkt dat voor de nieuwe woningen een hogere geluidswaarde van 55 dB(A) moet worden vastgesteld. Onduidelijk is of op alle bouwlagen zal kunnen worden voldaan aan 55 dB(A). c. De vraag is of wordt voldaan aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid.

Weliswaar zijn de richtlijnen voor vormgeving en stedenbouwkundige opzet niet van toepassing op studentenwoningen, maar tegelijkertijd is wel als eis opgenomen in het beleid dat sprake moet zijn van een geluidsluwe zijde. Onduidelijk is of hiervan sprake is. d. Uit de studies in het kader van het Milieueffectrapport Schieoevers Noord blijkt dat ook zonder de aanwezigheid van de bedrijven al sprake is van een geluidsniveau hoger dan 55 dB(A) door cumulatieve geluidsbelasting. Dit wordt veroorzaakt door de spoorlijn, de Kruithuisweg en de Schieweg. Daarom is de vraag of ter plaatse van de beoogde woningbouw sprake zal zijn van een geluidsniveau van 55 dB(A). e. De geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein Schieoevers Noord is nog niet volledig gevuld. Dit betekent dat, als bedrijven gebruik maken van hun uitbreidingsmogelijkheden, dit in de toekomst mogelijk tot een overschrijding van de geluidsbelasting bij het project zou kunnen leiden. Ten onrechte is dit niet onderzocht. 5. Parkeren a. Volgens het ontwerpbesluit dient te worden voorzien in 27 parkeerplaatsen. De ruimtelijke onderbouwing gaat echter uit van 21 parkeerplekken en biedt in dat verband geen deugdelijke onderbouwing. b. De aangehouden parkeernorm van 0,15 parkeerplaats per woning is te laag.

Op grond van de Nota Parkeernormen dient de normstelling van de Parkeervisie Campus TU Delft 2018 (Parkeervisie) te worden aangehouden. Voor studentenwoningen geldt per wooneenheid een norm van 0,15 met een bezoekersdeel van 0,1. In de omgevingsvergunning zijn geen voorwaarden opgenomen die borgen dat alleen sprake is van bewoning door studenten met een campuscontract. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van een hogere norm van een kleine woning. Ook is onduidelijk hoe rekening is gehouden met het bezoekersaandeel. c. Op pagina 28 van de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat ter compensatie van de parkeerplekken 127 nieuwe plekken zijn gerealiseerd tussen de Leeghwaterstraat en de Feldmannweg. Daarmee is echter geen Pagina 2 van 10

4512569

d.

e.

f.

g.

h.

i.

j.

voorziening getroffen voor de benodigde parkeerplaatsen voor het bouwproject. Er worden in het kader van het bouwplan geen nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze worden afgewenteld op het openbaar gebied, omdat parkeeronderzoek zou uitwijzen dat er nog voldoende plek is. Dit onderzoek ontbreekt bij de stukken. Ook is dit onderzoek niet represtentatief, omdat alleen op een dinsdag is gemeten en niet op andere dagen in de week. De bezettingsgraad komt meerdere malen boven de maximumgrens uit van 85%. Onduidelijk is wat het effect is als bijvoorbeeld een evenement bij Lijm en Cultuur wordt georganiseerd. Onvoldoende is aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid is voorzien hetgeen strijdig is met de Bouwverordening. Ten onrechte is het ontwerpbesluit gebaseerd op art. 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening gelet op het feit dat de het bestemmingsplan ‘Facetherziening Parkeren’ op 19 juli 2018 in werking is getreden. Omdat het bestemmingsplan ‘Facetherziening Parkeren’ ook van toepassing is op de campus TU Delft, is in de bestemmingsplanregeling bepaald dat dan niet de beleidsregels uit de Nota Parkeernormen 2018, maar de beleidsregels Parkeren TU Campus d.d. 19 januari 2016 worden toegepast.

Het bouwplan voldoet niet aan de Nota Parkeernormen 2013, omdat niet kan worden voorzien in parkeren op eigen terrein en de loopafstanden hetgeen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tot op heden is nog geen verkeersbesluit genomen door de raad, waarmee het openbare parkeerterrein aan de Korvezeestraat / Balthasar van der Polweg is onttrokken. Het bouwplan is daarmee niet uitvoerbaar nu de openbaarheid van de betreffende parkeerlocatie niet is opgeheven. Noch in de ruimtelijke onderbouwing, noch in de omgevingsvergunning wordt gemeld of de parkeerlocatie Leeghwaterstraat-Feldmannweg tijdelijk dan wel permanent is. Er zijn grote bedenkingen bij de beleidsmatige totstandkoming en de juridische status van de Parkeervisie van de TU-Delft te maken. De loopafstanden zijn ten onrechte verdubbeld. Het parkeren op de TU-campus komt steeds meer onder druk te staan. De parkeervisie heeft geleid tot onomkeerbare en vooral nadelige gevolgen voor de huidige gebruikers. Het parkeren op het maaiveld verdwijnt en verschuift naar vervangende parkeergelegenheid op een paar honderd meter afstand. Dit is een ongewenste ontwikkeling. Er zijn meerdere goede vrijstaande alternatieve bouwlocaties voorhanden. De voor- en nadelen van deze alternatieven zijn niet in de belangenafweging meegenomen.

6. Verkeersafwikkeling a. De Rotterdamseweg is nu al een drukke en overbelaste weg. Het verkeer zal in de toekomst nog meer toenemen. Er is niet onderzocht wat de effecten van het plan zijn op de doorstroming, verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling op de Rotterdamseweg. De al gevestigde bedrijven maken zich zorgen over de huidige en toekomstige logistiek en verkeersafwikkeling op de Rotterdamseweg. b. De verkeersveiligheid is in het geding i.v.m. de grote aantallen fietsers. Door de beoogde aanleg van de Gelatinebrug zal het fietsverkeer nog meer toenemen. Dit is onvoldoende onderzocht. 7. Gedateerde onderzoeken a. Veel onderzoeken zijn gedateerd. De laatste flora-en faunaonderzoeken dateren uit 2017.

Pagina 3 van 10

4512569 8. Ruimtelijk beleid a. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is sprake van een tekort van 2500 kamers voor studenten in Delft. De ruimtelijke onderbouwing maakt niet inzichtelijk waar de aantallen aangaande dit tekort op zijn gebaseerd, waar die kamers zouden moeten worden gerealiseerd en of die aantallen ook daadwerkelijk realistisch zijn. Mede in het licht van de coronapandemie zal het aantal uitwonende studenten sterker gaan afnemen in vergelijking met de trendprognose. 9. Vleermuizen a. Tijdens de bouw van het woongebouw kunnen de vleermuizen in de verblijfplaatsen van de Korvezeestraat worden verstoord. Ook is een aantasting van de vliegroute mogelijk. De ingediende zienswijzen over deze onderwerpen en onze reactie erop zijn als volgt: Ad. 1: Algemeen a. Wij bestrijden de opvatting dat het beoogde bouwplan leidt tot een onevenredige verdichting van het campusgebied en daarmee tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. In dit verband merken wij op dat wij in het kader van een goede ruimtelijke ordening alle ruimtelijk relevante belangen in het kader van het onderhavige bouwplan hebben afgewogen. In deze belangenafweging hebben wij betrokken dat sprake is van een duidelijke behoefte aan studentenhuisvesting op de TU-campus. Ten aanzien van het aspect parkeren verwijzen wij naar hetgeen onder punt 5 van hierover is opgenomen. b.

Het vigerende bestemmingsplan heeft inderdaad de dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’. Om de werkzaamheden op een veilige manier te kunnen uitvoeren zal de TU Delft netbeheerder Stedin vragen om de hoge druk gasleiding, die nu onder de parkeervakken aan de Balthasar van der Polweg doorloopt, een kleine twee meter te verplaatsen. Hierdoor komt de gasleiding verder weg te liggen van de beoogde bouwactiviteiten ten behoeve van project BalPol4. In combinatie met de toepassing van schroefpalen in plaats van heipalen wordt hiermee de veiligheid gegarandeerd. Door de verplaatsing komt de gasleiding voortaan in de stoep van de Balthasar van der Polweg te liggen waardoor deze in de toekomst ook beter bereikbaar is voor Stedin. Deze zal een van haar aannemers opdracht geven voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en daarbij alle gangbare veiligheidsvereisten in acht nemen en werken conform de Veiligheidsinstructie AardGas voor de Energiebedrijven (VIAG). Dat het bouwplan is gesitueerd op gronden met deze dubbelbestemming brengt naar ons oordeel niet met zich mee dat in het geheel niet gebouwd zou mogen worden op deze locatie. Naar ons oordeel is hiermee de veiligheid gedurende de werkzaamheden voldoende geborgd. c.

Ten aanzien van het ontbreken van het welstandsadvies merken wij op dat de Adviescommissie omgevingskwaliteit (AOK) op 10 oktober 2013 een positief advies heeft uitgebracht ten aanzien van het bouwplan. d. Op 27 september 2016 hebben wij een positief advies van de brandweer ontvangen, waarin wordt aangegeven dat er geen bezwaren zijn om de vergunning niet te verlenen. Naar ons oordeel is met dit positieve advies van de brandweer voldoende duidelijk dat het beoogde bouwproject voldoende veilig is. e. Het onderhavige bouwplan is in strijd met de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo, biedt de Wabo de mogelijkheid om van een bestemmingsplan te kunnen afwijken. Voorwaarde hiervoor is dat de betreffende activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motvering Pagina 4 van 10

4512569 van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Met de door TAUW opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 16 november 2020 wordt hiermee voldaan. Wij stellen ons dan ook op het standpunt dat een evenwichtige afweging van alle ruimtelijk relevante feiten en omstandigheden heeft plaatsgehad, waarbij rekening is gehouden met alle betrokken partijen. Ad 2 Procedure a. Nadat wij in 2013 de stukken terinzage hadden gelegd, hebben wij op basis van de toentertijd ingediende zienswijze besloten om de procedure niet door te zetten. Na deze periode hebben wij contact gehouden met een aantal zienswijze-indieners over de voortgang van het proces. Uiteindelijk hebben wij rond 2020, nadat wij alle punten van de eerder ingediende zienswijzen hadden meegenomen, in overleg met de aanvrager besloten om de procedure weer op te pakken. Voorafgaand hieraan hebben wij de toenmalige zienswijzeindieners uitgenodigd voor een voorlichtingsavond. Ondanks het feit dat de ingediende aanvraag dateert uit 2013 stellen wij ons op het standpunt, dat wij nog steeds bevoegd zijn om deze te verlenen. Voorts stellen wij ons op het standpunt dat onderhavige ontwikkeling al is opgenomen in de milieueffectrapportage TU-Midden. b. Artikel 3:18 van de Awb geeft de beslistermijn voor besluiten op aanvraag die met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure worden voorbereid en genomen.

In de hoofdregel bedraagt die beslistermijn zes maanden. Lid 2 biedt een mogelijkheid tot verlenging van die termijn, als het een zeer ingewikkeld of omstreden aanvraag betreft. Deze beslissing tot verlenging moet zijn gedaan binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag en voordat het ontwerp ter inzage wordt gelegd. Dit zijn termijnen van orde. Dit betekent dat deze termijn niet juridisch bindend is, het is een streeftermijn. Na het verlopen van de beslistermijn blijft het bestuursorgaan bevoegd en verplicht een besluit te nemen. In goed overleg met de aanvrager hebben wij in 2013 besloten om de procedure rond [vergunningverlening tot nader orde aan te houden. Dit in afwachting van nader uit te voeren onderzoeken naar aanleiding van de toen binnengekomen zienswijzen. c. Wij verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling d.d. 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205. Daarin oordeelt de Afdeling dat de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) weliswaar was voorbereid door het college, maar dat de raad zelfstandig het besluit genomen had om een verklaring van geen bedenkingen af te geven als het definitieve besluit daartoe is. De Afdeling geeft in deze uitspraak uitdrukkelijk aan dat deze handelwijze niet in strijd is met de wet.

In onderhavige procedure stellen wij ons op het standpunt dat de raad op basis van de door het college toegezonden stukken een zelfstandig oordeel heeft gegeven om de benodigde vvgb af te geven, zodat van een ‘hamerstuk’ geen sprake is geweest. Daarnaast merken wij op dat een vergelijking met de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1511 niet aan de orde is, omdat in dat specifieke geval de raad niet zelf het besluit om een vvgb te geven had genomen. Ten slotte merken wij op dat het ontwerpbesluit vvgb wel degelijk ter inzage is gelegd door ons. Ad 3: Milieuzonering a. Wij merken op dat tussen de bedrijven en het plangebied zich al woningen bevinden. Voor zover bedrijven al beperkt zouden worden in hun mogelijkheden, zal het onderhavige bouwproject naar ons oordeel daar niet verder aan bijdragen. Deze al aanwezige bedrijven worden immers al beperkt door de woningen, welke op kortere afstand gelegen zijn. Daarbij merken wij op dat er geenszins sprake is van een geluidhindercontour, die het plangebied overlapt. De geluidzone van het industrieterrein betreft een planologisch aandachtsgebied waarbinnen woningbouw mogelijk is als wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB dan wel een te verlenen hogere waarde. Deze systematiek is vergelijkbaar met wegverkeerslawaai. Er is, naar ons oordeel, dan ook Pagina 5 van 10

4512569 geen sprake dat realisatie van onderhavige woonbestemming zal leiden tot meer klachten over geluidhinder. b. Wij stellen ons op het standpunt dat in dit specifieke geval de Wet Geluidhinder binnen het ruimtelijk kader voor industrielawaai van toepassing is en niet de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. Dit betekent dat is uitgegaan van de op het industrieterrein aanwezige ‘vergunde bedrijven’. Wij stellen ons op het standpunt dat binnen het kader van de Wet geluidhinder voor industrielawaai rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Daarbij is van belang dat binnen deze systematiek van de Wet Geluidhinder de richtafstand niet bepalend is. Het aan ons ontwerpbesluit ten grondslag gelegde onderzoek is in dit verband daarom voldoende deugdelijk. Ad 4: Geluid a. In het zonebeheersmodel zijn de geluidemissiegegevens opgenomen voor de verschillende bedrijven op het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan valt Lijm en Cultuur ook onder deze geluidszonering en is hierin terug te vinden. De Omgevingsdienst Haaglanden houdt dit zonebeheersmodel bij. Wij bestrijden dan ook de opvatting dat de geluidsbelasting van Lijm en Cultuur in dit verband niet zou zijn meegenomen. b. Uit het door Tauw ingediende akoestisch onderzoek d.d. 14 juli 2020 volgt dat de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein ten hoogste 50 dB(A) bedraagt.

Gelet op de ligging van het gebouw, binnen de geluidszone, wordt geadviseerd om een hogere grenswaarde van 55 dB(A) vast te stellen, zodat de beoogde studentenwoningen aan de Balthasar van der Polweg worden beschermd tegen industrielawaai zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor de aanwezige bedrijven. Dit besluit hogere waarden wordt tegelijkertijd met ons definitieve besluit voor het bouwproject vastgesteld. Hiermee wordt naar ons oordeel op alle bouwlagen voldaan aan de eisen van 55 dB(A). c. De door de bedrijven te veroorzaken maximale geluidsniveaus zijn in de huidige situatie al begrensd door de aanwezige woningen aan de Leeghwaterstraat en de Balthasar van der Polweg. Dit betekent dat ook bij de beoogde nieuwe studentenwoningen de grenswaarden zullen worden gerespecteerd. Ten aanzien van de in ons beleid opgenomen eis dat sprake moet zijn van een geluidsluwe zijde merken wij op dat in dit verband een uitzondering wordt gemaakt. De maatgevende geluidsbelasting betreft namelijk het wegverkeerslawaai. Naar ons oordeel zijn wij in dit verband niet gehouden om een hogere geluidsbelasting vast te leggen, zodat wij op dit punt van ons beleid kunnen afwijken. Daarbij is van belang dat het gaat om in industrielawaai en niet om wegverkeerslawaai. d.

Weliswaar is de gecumuleerde geluidsbelasting van delen van de nieuwbouw inderdaad hoger dan 55 dB(A), maar dit houdt naar ons oordeel echter geen verband met de spoorlijn, de Kruithuisweg en de Schieweg. In het kader van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het geluid hebben wij een nieuwe afweging gemaakt in ons hogere waardenbesluit, dat tegelijk met het definitieve besluit zal worden genomen. Ten aanzien van de gevels hebben wij vastgesteld dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden op grond van het Bouwbesluit 2012 ten minste 20 dB(A) moet bedragen. Naar ons oordeel wordt aan deze bouwkundige eis voldaan, zodat een nader onderzoek niet noodzakelijk is. e. Juist om ruimte te bieden voor huidige en toekomstige bedrijven wordt in het hogere waardenbesluit in waarde van 55 dB(A) vastgesteld. Hiermee hebben wij wel degelijk ruimte gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden.

Pagina 6 van 10

4512569 ad 5 Parkeren a. Het toetsingskader wordt gevormd door de beleidsregels parkeren Campus TU Delft 2016 voor het bepalen van de normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Voor de functie ‘studentenwoning’ geldt in dit verband een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per wooneenheid. In totaal worden 136 studentenwoningen gerealiseerd hetgeen een parkeerbehoefte genereert van 136 x 0,15 = 20,4 parkeerplaatsen. Afgerond levert dit een aantal van 21 parkeerplaatsen op. Wij stellen ons daarom op het standpunt dat de berekening in de ruimtelijke onderbouwing correct is. b. De parkeernorm voor studentenwoningen bedraagt 0,15 parkeerplaatsen per wooneenheid. Dit is inclusief een bezoekersaandeel van 0,1 parkeerplaats per wooneenheid. Gelet op de parkeereis van 21 parkeerplaatsen wordt daarmee in voldoende mate voorzien in het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers. Ten aanzien van het campuscontract merken wij op dat DUWO standaard een dergelijk contract afsluit, zodat is gewaarborgd dat bewoning op de campus uitsluitend is voorbehouden aan studenten. c. In het kader van de parkeeroplossing mag- conform de beleidsregels parkeren Campus TU Delft - gebruik worden gemaakt van de bestaande parkeerplaatsen als op het maatgevende moment en binnen de maximale loopafstanden voldoende restcapaciteit beschikbaar is.

Voor de beoogde ontwikkeling is sprake van voldoende restcapaciteit als de bezetting van de parkeerplaatsen binnen een loopafstand van 400 meter op het maatgevende moment 85% bedraagt. In onderhavig geval geldt een parkeereis van 21 parkeerplaatsen. Het bouwproject zal worden gerealiseerd op een openbaar toegankelijk parkeerterrein, waardoor 111 parkeerplaatsen zullen verdwijnen, hetgeen betekent dat er in totaal een oplossing zal moeten worden gevonden voor 132 parkeerplekken (21 + 111). Op basis van het parkeeronderzoek is aangetoond dat er op het maatgevend moment binnen een loopafstand van 400 meter voldoende restcapaciteit is om de parkeervraag van 132 parkeerplaatsen te faciliteren. In het door ons uitgevoerde onderzoek is het aantal geparkeerde auto’s afgezet tegen de beschikbare parkeercapaciteit. De openbare ruimte heeft een capaciteit van 724 parkeerplaatsen. Op het drukste tijdstip 13.00-15.00 zijn 441 parkeerplaatsen bezet (61%). De te benutten restcapaciteit bij een maximale bezettingsgraad van 85% is maximaal 174 parkeerplaatsen (615 = aantal parkeerplekken bij 85% bezetting - 441 = werkelijke bezetting). Dit is ruim voldoende om de extra parkeerbehoefte te faciliteren, ook als er 111 parkeerplaatsen verdwijnen voor het bouwproject. Voor onderhavig bouwproject dient namelijk een oplossing gevonden te worden voor 132 parkeerplaatsen.

Er blijven daarna dus nog 42 in de openbare ruimte over (174-132). d. In februari 2019 is een parkeeronderzoek uitgevoerd, waarin eveneens de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de omgeving van het bouwproject is gemeten. Dit onderzoek is uitgevoerd op een dinsdag buiten de schoolvakanties om, zonder grote evenementen en onder normale weersomstandigheden. Een dinsdag kan naar ons oordeel als een representatieve dag worden aangemerkt voor het vaststellen van de parkeerbehoefte op een werkdag. Wij stellen ons dan ook op het standpunt dat wij dit onderzoek aan onze ruimtelijke onderbouwing ten grondslag mochten leggen. Los van het bovenstaande merken wij op dat een parkeeroplossing moet worden gevonden binnen een loopafstand van 400 meter ten opzichte van de beoogde bouwontwikkeling. Bij het bepalen van de restcapaciteit wordt daarom gekeken naar de bezetting op gebiedsniveau. Het kan evenwel voorkomen dat er in (delen) van bepaalde straten c.q. secties sprake is van een bezetting die hoger ligt dan 85%. In de nabijgelegen straten is dan nog voldoende vrije parkeercapaciteit. Uit ons parkeeronderzoek blijkt dan ook dat de bezetting van parkeerplaatsen niet boven de 61% uitkomt.

Pagina 7 van 10

4512569 Bij de bepaling van de hoeveel restcapaciteit is de reguliere parkeersituatie leidend. De resultaten van het door ons uitgevoerde onderzoek geven naar ons oordeel een representatief beeld van de parkeersituatie. Incidentele pieken in de bezetting- bijvoorbeeld door een evenement bij Lijm en Cultuur- kunnen niet worden uitgesloten, maar doen echter geen afbreuk aan het feit dat er in de normale situatie ruim voldoende parkeercapaciteit is om te voorzien in de parkeervraag van de bouwontwikkeling. De aanleg van nieuwe parkeerplaatsen om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen is daarmee naar ons oordeel niet noodzakelijk. e / f. Ook de nota Parkeernormen 2013 voorzag in de mogelijkheid voor gebieden om een aparte parkeervisie te maken. Dit was opgenomen in artikel 4.2.7, van de bijlage nota Parkeernormen 2013. Het gebied TU Campus is hierin zelfs expliciet benoemd. Na vaststelling was de Beleidsregel Parkeren TU Campus het juridisch toetsingskader, beleidsmatig geborgd via de nota Parkeernormen 2013. Bij het maken van de nota Parkeernormen 2018 is deze borging overgenomen. Voor de aanvraag van dit plan maakt het- naar ons oordeel- dus geen verschil of er teruggevallen wordt op de nota uit 2013. Beide nota’s stellen namelijk dezelfde Beleidsregel Parkeren TU Campus in werking, zodat hiermee wordt voorzien in parkeerterreinen binnen de gestelde loopafstanden. g.

Wij erkennen dat tot op heden nog geen onttrekkingsbesluit is genomen. Dit ontrekkingsbesluit zal alsnog zo spoedig mogelijk door ons worden genomen om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. h. Ten aanzien van parkeerlocatie aan de Leeghwaterstraat /Feldmannweg merken wij op dat in de directe nabijheid een omgevingsvergunning is verleend voor een parkeergarage. Totdat deze parkeergarage feitelijk in gebruik is genomen zullen de parkeerplaatsen gelegen aan de Leeghwaterstraat / Feldmannweg kunnen worden gebruikt om in de parkeerbehoefte te voorzien. i. In 2016 heeft het ons college de ‘Parkeervisie Campus TU’ vastgesteld. Deze visie draagt bij aan het bereiken van de doelstellingen uit de campusvisie, waaronder het creëren van een parkachtig en autoluw binnengebied met een prettige en veilige omgeving voor fietsers en voetgangers. Om dit doel te bereiken zijn in deze Parkeervisie de volgende onderdelen uitgewerkt: a. aangepaste loopafstanden van de Nota Parkeernormen 2013, b. specifieke parkeernormen, omdat uit onderzoek is gebleken dat de gemeentelijke normen voor onderwijsfuncties niet goed toepasbaar zijn op de functies op de campus en c. minimalisering van uitwijkgedrag c.q. bescherming van de omgeving tegen overlast.

Ten aanzien van de inhoud en totstandkoming van de Parkeervisie uit 2016 merken wij op dat, aan de hand van de hierboven geformuleerde doelstellingen uit de campusvisie, alle rechtstreeks betrokken belangen zijn meegewogen. j. Ten aanzien van deze zienswijze merken wij op dat wij gehouden zijn op te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend, conform vaste jurisprudentie van de Afdeling. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970. Ad 6 Verkeersafwikkeling a. Op grond van de CROW-normen geldt voor een studentenkamer (niet zelfstandige studentenwoning) een kencijfer van 0,8-1,2 mvt per etmaal. Wij merken op dat het effect als gevolg van de beoogde ontwikkeling met betrekking tot zowel de verkeersintensiteit en ook de verkeersveiligheid beperkt is. Studenten- welke op de campus wonen- zullen te voet of per fiets naar de faculteit gaan. Voor zover een student de beschikking heeft over een auto, dan zal dit voertuig naar ons oordeel vooral gebruikt worden op de vrijdag en de zaterdag om naar het ouderlijk huis toe te gaan. Ten aanzien van pakketdiensten en vuilnisauto’s merken wij op dat deze ritdiensten vrijwel uitsluitend buiten het spitsuur om plaats zullen hebben. Pagina 8 van 10

4512569 Het vorenstaande leidt naar ons oordeel tot de gevolgtrekking dat geen sprake zal zijn van overbelasting van de plaatselijke infrastructuur. Wij stellen ons dan ook op het standpunt dat in dit verband geen nader onderzoek noodzakelijk is. b. Ten aanzien van de verkeersveiligheid rondom de Gelatinebrug merken wij op dat het fietsverkeer van de studentencampus voor het grootste gedeelte niet zal kruisen. Dit fietsverkeer zal voornamelijk via de Cornelis Drebbelweg zijn weg naar de TU-campus vinden. Naar ons oordeel zal de verkeersveiligheid als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet verslechteren en hebben wij alle ruimtelijke aspecten hiermee voldoende afgewogen. Ad 7 Gedateerde onderzoeken a. Ten aanzien van de zienswijze dat de aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegde onderzoeken gedateerd zijn, merken wij het volgende op. Het bevoegd gezag mag zich bij het nemen van besluiten in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Via de wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht, is deze houdbaarheidsbepaling in artikel 3.1a Wabo opgenomen.

Deze houdbaarheidsbepaling staat er echter niet aan in de weg dat ook gegevens en onderzoeken, welke ouder zijn dan twee jaar mogen worden gebruikt. In deze procedure is op 26 juni 2020 een geactualiseerd akoestisch onderzoek uitgevoerd, het verkennend bodemonderzoek op 23 juni 2020, een geactualiseerd ecologisch onderzoek op 21 augustus 2020, onderzoek externe veiligheid op 24 juni 2020, de meest recente parkeertellingen dateren uit 2019 en het stikstofdeposito-onderzoek dateert van 4 juni 2020. Op grond van het vorenstaande bestrijden wij de opvatting dat de aangeleverde onderzoeken niet aan onze besluitvorming ten grondslag gelegd zouden kunnen worden. Ad 8 Ruimtelijk beleid a. Elk jaar brengen KENCES (de brancheorganisatie van sociale studentenhuisvesters) en het Ministerie van BZK de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting uit. Op basis van cijfers van CBS, DUO en het Ministerie van OCW, aangevuld met de uitkomsten van de enquêtes ingevuld door studenten, worden prognoses opgesteld die inzicht bieden in de groei van het aantal studenten op landelijk niveau. Ook worden jaarlijks lokale rapporten en prognoses opgeleverd. Zo ook van de groei van de aantallen studenten in Delft. De lokale prognoses laten al jaren zien dat met name de TU Delft de komende jaren flink blijft groeien. Ook de lokale prognoses zijn gebaseerd op bovengenoemde bronnen.

Het lokale Apollo-rapport over Delft gaat uit van een groei van 28.660 studenten in 2020 naar 33.500 in 2028. Dit is HBO en universiteit bij elkaar. In 2020 wonen 16.170 studenten in Delft. De prognoses voorspellen een toename van 19% uitwonende studenten, wat neerkomt op 19.800 in Delft wonende studenten in 2028. De TU Delft hanteert zelf ook prognoses en gaat anno 2020 uit van een maximale groei tot 28.500 studenten die aan de universiteit studeren. Hoewel de TU de groei lager schat dan het Apollo-rapport (aantal studenten TU Delft in 2028 is o.b.v. Apollo 29.900), is er ook in die prognose nog steeds sprake van een flinke toename van het aantal studenten de komende jaren. Ten aanzien de locatie van de studentenwoningen merken wij het volgende op. Delft heeft in 2018 het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting ondertekend. Het Actieplan vraagt gezamenlijke inzet van de gemeente, onderwijsinstellingen en studentenhuisvesters om in tien jaar een lokaal evenwicht te bereiken tussen vraag en aanbod in studentenhuisvesting. In de Taskforce Studentenhuisvesting (overlegorgaan tussen de TU Delft, DUWO en gemeente Delft) is de ambitie uitgesproken om minimaal 2.500 studenteneenheden bij te bouwen tot en met 2026. De betrokken partijen onderzoeken welke locaties binnen én buiten Delft mogelijkheden bieden om deze bouwopgave te realiseren.

Uitgangspunt bij het zoeken van de locaties is de Pagina 9 van 10

4512569 Woonvisie 2016-2023 van de gemeente Delft. Hierin is opgenomen dat grootschalige clusters van studentenwoningen op en rond de TUD-campus worden gebouwd. De bouw van onderhavige studentencomplex aan de Balthasar van de Polweg, past daarmee uitstekend in de visie van de gemeente Delft en die van de Taskforce op studentenhuisvesting en draagt bij aan het oplossen van de tekorten op gebied van studentenhuisvesting. Ten aanzien van de impact van de Coronapandemie merken wij het volgende op. In de Landelijk Monitor Studentenhuisvesting 2020 is de impact van Corona onderzocht. Hoewel het onzeker is van welk scenario uit moet worden gegaan, zien we dat Corona beperkt invloed heeft op de groei van het aantal studenten in Delft. Mogelijke verklaringen voor de beperkte impact van Corona zijn de internationale aantrekkingskracht van de TU Delft, waardoor het aantal internationale studenten groeit. Veel buitenlandse studenten komen hun hele bachelor en/of master in Delft doen. Met name EU-studenten zijn ondanks Corona toch naar Nederland gekomen. Het aantal Nederlandse studenten blijft de komende jaren echter ook stijgen. Voor Delft zijn ook een mild en een impactvol scenario met coronaeffecten uitgerekend: als de ‘gewone’ trend zich voorzet, groei het aantal studenten in Delft van 28.660 studenten in 2020 naar 33.500 in 2028.

Als er sprake is van een milde impact van corona, groeit het aantal studenten in Delft van 28.660 in 2020 naar 33.400 in 2028. Als er sprake is van een impactvol scenario, groeit het aantal studenten van 28.600 in 2020 naar 32.350 in 2028. Zelfs als er sprake is van een impactvol scenario, dan groeit het aantal studenten dus nog steeds met 13%. Ad 9 Vleermuizen Omdat het onderhavige bouwproject invloed heeft op de leefomgeving van de aanwezige dwergvleermuizen is op grond van artikel 2.27 van de Wabo een verklaring van geen bedenkingen van de provincie Zuid-Holland aangevraagd en aan ons verleend. Conclusie Op grond van het bovenstaande stellen wij ons, na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, op het standpunt dat de ingediende zienswijzen voor ons geen aanleiding vormen om af te zien van medewerking aan het voorgenomen bouwplan.

Pagina 10 van 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9934296/1