CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

2540531 Delfia Batavorum - reactie op Petitie “Slopen is Bezopen Wippolder Noord”

Commissie Sociaal Domein en Wonen 11 december 2025, gemeente DelftBij agendapunt: 2527367 Bewonerscommissie Wippolder Noord - Petitie slopen is bezopen Wippolder Noord2.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

COMMISSIE BEHOUD STADSSCHOON Secretariaat CBS: Oranje Plantage 36 ,2611 TK, Delft

Aan: de Gemeenteraad en het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Delft Postbus 78 2600 ME Delft

Betreft: Petitie “Slopen is Bezopen Wippolder Noord” Delft, september 2025 Geacht college en raadsleden, In een door 623 inwoners van Delft en Delfgauw ondertekende petitie vragen inwoners, ondernemers en omwonenden van Wippolder de Gemeente Delft om een beschermde status te verlenen aan een aanzienlijk aantal huizen in de Simonsstraat, de Johan Willem Frisostraat en Frederik Hendrikstraat. Hun doel: voorkomen dat deze in cultuurhistorisch opzicht waardevolle huizen worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. De Commissie Behoud Stadsschoon van Delfia Batavorum (CBS) behoort tot de ondertekenaars: ook wij zijn van mening dat deze vroeg twintigste-eeuwse woningen met hun unieke baksteengevels en bijzondere pannendaken voor onze stad behouden moeten blijven. In het bijgevoegde essay licht Koen Mulder, lid van CBS, docent aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft en auteur van een boek over metselpatronen, aan de hand van een “minicollege vroeg twintigste eeuwse metselwerkkunde” de motieven van CBS om de petitie te steunen nader toe. Zijn conclusie: “Laat deze gevels met rust.” Namens CBS vraag ik u dan ook om de oproep van de opstellers van de petitie de genoemde huizen in Wippolder Noord een beschermde status te geven, van harte te ondersteunen. Met vriendelijke groet, namens de Commissie Stadsschoon,

Willy Tiekstra, voorzitter

Pleidooi CBS: Wippolder - slopen is bezopen Over het behoud van de woningen en hun baksteengevels van de Simonsstraat, Frederik Hendrikstraat en Jan Willem Frisostraat Namens de Commissie Behoud Stadsschoon van Delfia Batavorum wil ik de bewonersvereniging Wippolder Noord steunen in hun strijd tegen de sloop van hun huizen. We vinden dat Delft bijzonder zuinig moet zijn op woningen, en speciaal hun baksteengevels en bijzondere pannendaken uit het begin van de twintigste eeuw. Deze zijn verfijnd en gemaakt op een arbeidsintensieve ambachtelijke wijze die heden ten dage niet meer mogelijk is. Het zijn geen door experts omarmde bijzondere voorbeelden van nieuwe architectuurtendensen of stromingen. Maar ze zijn gewoon goed en zorgvuldig gemaakt. Ze vormen een archief van ambachtelijke bouwkwaliteit die zeldzaam is geworden. Daarmee zijn ze belangrijk voor de bouwcultuur. Ze zijn onvervangbaar. Ook de R-ladder van circulariteit begint met de R’s van Refuse, Reuse and Repair. Er wordt tegenwoordig steeds vaker gedaan alsof stijging van grondprijzen rechtvaardigt om goede laagbouw te slopen. Alleen een monumentenstatus - waar wij voor pleiten - lijkt het bestaande hier te kunnen beschermen tegen de voortrazende economie.

Maar in een tijd waar we verspilling proberen tegen te gaan, past het gewoon niet om wat goed is weg te gooien: helemaal niet in een situatie waar slechts op papier meer woning wordt gecreëerd: kleinere units in het zelfde volume. We vinden ook dat een woningbouwvereniging er in de eerste plaats voor zijn bestaande bewoners moet zijn en hen moet steunen in hun streven. Het past niet om hun belangen in te ruilen voor hogere woningaantallen in een afgesproken excelsheet. De woningen verdienen een beschermde status. Om uit te leggen waarom deze woningen en dit straatbeeld behouden zouden moeten blijven, zou ik eigenlijk een kort college ‘metselwerkkunde vroeg twintigste eeuw’ moeten geven. Wat je hier in de Wippolder ziet is geen Het Schip in de Spaarndammerbuurt, maar het is wel ook bouwkunst uit de hoogtijdagen van de ambachtskunde in baksteen. Architect Dirk Oosthoek kan men kennen van bijzondere architectuur zoals het modemagazijn Lijnkamp op de De la Reyweg in Den Haag - beter bekend van het zendingswerk van het Maasbach imperium. Hier heeft in Delft heeft hij een vriendelijk bouwplan gemaakt dat aansluit op de achterkanten van de Delftgauwse weg. In de vroege twintigste eeuw zijn veel architecten hun arbeidszame leven begonnen als timmerlieden en metselaars in de bouw.

Het was nog geen tijd waarin kinderen die relatief snel tot 10 konden tellen per definitie naar hogeschool of universiteit werden gestuurd. Maar andersom betekende dat ook dat mensen die vermogens hadden boven de dagelijkse werkzaamheden, maar vaak ook mensen met (dus ook) een goed stel handen een avondschool bouwkunst volgden om verder in het architectonisch ontwerp te komen. Dat resulteerde er niet alleen in dat architecten enorme doorzetters waren die hun eigen beroep creëerden binnen de mogelijkheden die de praktijk ze bood, het gevolg was ook dat de ontwerper de uitvoeringspraktijk tot op het klisklezoortje en het duivenjagertje beheerste.

En wat goed is te beseffen is dat er zich toen ook heel veel van de moderne architectenpraktijk was waar men zich nog niet mee bezig hield. Er was nog nauwelijks werktuigbouwkundige of electrotechnische installatie, geen thermische isolatie en zelfs een badkamer kwam in veel arbeiderswoningen nog niet voor. Waar men zich destijds wél mee bezig hield was goed metselwerk. Hier in de wippolder werden arbeiderspaleisjes gebouwd, die misschien al wel niet meer zo vooruitstrevend als het Agnetapark, toch ook in eerste plaats een sierlijk, vriendelijk en fijnbesnaard straatbeeld schiepen. Rust, reinheid en regelmaat voor een betere meer zorgzame maatschappij. Omdat de Rijksoverheid meebetaalde aan de woningen, werden er ook door het Rijk hoge kwaliteitseisen gesteld. Aldus schiep men toen metselwerk dat in zijn verfijning na 1950 nauwelijks meer voorkomt. Op de tekening zie je hoe het metselwerk wordt aangeduid. Keurig wordt de boerenvlechting voor de schuine dakrand aangegeven, met precies de informatie die de metselaar nodig heeft. Hoe en waar je hem begint, hoe je hem eindigt. Maar de ruitvormige versieringen in geelkleurige bakstenen en de bloktand tussen boerenvlechting en kantpan is kennelijk door de architect met de ambachtsman pas in het werk verzonnen. Hetzelfde geldt voor de bloktand tussen boerenvlechting en kantpan.

Of voor het patroon van staande kopjes in de uitgemetselde ondersteuning van de erkers. Ze zijn - afgezien misschien van een nu verloren uitvoeringsschets - nooit uitgetekend. Men begreep elkaar. Je zou kunnen zeggen dat het gebouw nog wat beter werd dan op papier. De architect sprák op de bouw met de uitvoerende metselaars. (Nu spreken ze vaak niet eens dezelfde taal.) De liefde voor het bouwen van de makers ging veel verder dan het slaafs volgen van de contractstukken. Het werk straalt plezier uit in het maken. Metselaars waren uitermate trots op hun verrichtingen en het vak had aanzien. Zoals de schrijver F. Weijde van het boek Metselen in de jaren ‘30 schreef: “Niets werkt vernederender op een mens, dan de kennis te missen, die redelijkerwijs van hem verwacht wordt.” En dat geldt natuurlijk ook voor architecten en opdrachtgevers. Hoogtijdagen van de metselkunst.

Stedenbouw: Eenheid in verscheidenheid Voor iedereen die de kaart bestudeerd is duidelijk dat de woningen van Dirk Oosthoek een eenheid vormen rond de speelplaats. Het is een samenhangend ensemble, een compositie. waarbij de verbinding van de middenrij door middel van de lage tuinmuren met de Jan Willem Frisostraat en de Simonstraat de suggestie van een hoofdgebouw met zijvleugels suggereert. De koppen van de zijgevels zijn verlevendigd met bijzondere metselwerkdetails en reliëf. Van een afstand is de compositie in het verleden wel wat geweld aangedaan met de uitbouwen, waarvan het metselwerk van een veel lagere kwaliteit is.

Maar wie goed kijkt op de geveltekening van het totaal ziet de eenheid in verscheidenheid van het plan. Het hoort architectonisch bij elkaar, verbonden door eenzelfde materiaalgebruik en schaal, maar kent een fijne variatie aan details, andere oplossingen. Een variatie die alleen mogelijk is omdat nog niet elke uitzondering afzonderlijk begroot werd: het maakt het metselsteentje niet uit hoe het gelegd wordt. Je moest als architect alleen even bij blijven. Of je nu wat verschillende kozijnen vervaardigde of dat ze allemaal gelijk waren - dat zag je nog niet terug in de verzekering van het afbraakrisico. Het begint natuurlijk met de compositie van de dwarskappen: soms één, soms twee, een enkele keer drie. Het metselwerkvlak wordt met eerst een boerenvlechting, dan een bloktand en tot slot de kantpan met het dakvlak verenigd: de 19de, vroeg 20ste eeuwse subtiliteit waarmee bouwdelen en elementen zoals muur- en dakvlakken, hoeken, randen en openingen zich met veranderingen in hun configuratie en detail op elkaar reageren en de verbinding aangaan.

met boerenvlechting en bloktand in overgang naar kantpan

Dit is verfijning die in de standaard (woningbouw)architectuur van na de jaren 60 verloren is gegaan. Het is de wereld van de valse kop in de strekkenlaag die het kruisverband op de hoek of bij raam en deur met de rechte rand verzoent, de wereld van het geprofileerde hout dat met een profilering de licht en schaduwwerking op de rand verzacht of juist aanscherpt en die verandert bij de aansluiting van dwarshout of panelen. Het is een wereld waar het moderne (vaak vooral goedkope) ideaal van de detailloze abstractie nog niet is ingeslopen.

fraai metselwerk en afgrijselijk gerenoveerde jaren ‘80 voordeuren

oorspronkelijke verfijning in de variatie van het kozijndetail

Dat deze gebouwen een samenhangend ensemble vormen met subtiele variatie in de details een tweede laag voor wie beter kijkt - hoort bij een tijd die in de sociale woningbouw lang vervlogen lijkt. Het is de zorgvuldigheid van mensen die zelf met de schaarse materialen in hun handen hebben gestaan. Zo’n ensemble vernachelen vanwege een telling op een excelsheet is vanuit de architectuur van de stad eigenlijk crimineel. In Delft lijkt de binnenstad tot een openluchtmuseum verklaard te zijn, terwijl de erop aansluitende 19de eeuwse ring wel vogelvrij verklaard lijkt. Van Ezelsveldlaan tot Huis van Delft ligt er een nieuwe Atlantic Wall aan de Schie - alleen de Oostpoort legt nog verbinding naar een kleinschaliger buitengebied. Regelmatig hoor ik stadsgidsen in de binnenstad over de 17de eeuwse stad vertellen. Want er is weinig van vóór de stadsbrand van 1534. Maar toch hun verhaal is niet geheel juist. Fysiek niet helemaal juist. De gebouwgevels op de minder voorname grachten, trouwens zelfs op de Markt, zijn overwegend laat 19de en vroeg 20ste eeuws. Je zou dus kunnen stellen dat de woningen in Wippolder in de tijd eigenlijk een continuüm vormen met grote delen van die binnenstad. Ze hadden door de vrije ruimte alleen een wat meer planmatige opzet. En vergeet niet: 60 jaar geleden schroomde men ook niet om de oude meuk in de binnenstad op te ruimen.

Weg anatomisch theater of hup een snelweg er dwars doorheen. Als dat laatste gebeurd was had mijn huis uit 1915 er niet meer gestaan. Hartgrondig dankbaar ben ik de generatie die in de jaren ‘60 soms letterlijk voor dit eerste Kom-plan zijn gaan liggen. In de jaren ‘80 werd het binnengasthuis gesloopt. Hoewel het fijn is dat er sociale huisvesting in de binnenstad is gerealiseerd horen Anna Boogaart en Buiten Boogaart nergens meer bij; wat je zelfs als je ze niet afzichtelijk vindt nauwelijks kunt ontkennen. Het eerste vervaardigde studieontwerp lijkt nu juist dit type, met doorverbonden smalle gallerijtjes stiekem aan de achterkant, zonder enige verblijfskwaliteit, hier te willen realiseren. In het historisch centrum zou men deze fout – zeg maar het bombardement op de zuidelijke en noordelijke randen van de binnenstad van 1970-80 - nooit meer maken. Laten we die fout nu niet in de Wippolder opnieuw begaan.

Isoleren? Goed, renovatie kost geld. Maar de gebouwen lijken, afgezien misschien van de kopgevels, niet heel moeilijk te isoleren. Voor deze fraaie gevels zal het eerder van warm ondergoed en een muts moeten komen dan van een nieuwe overjas.

doorsnede over voorgevel Op tekening is te zien dat de bestaande vloerbalk niet helemaal tegen de gevel aanligt. Er is wat ruimte om de binnengevelisolatie voor de vloerrand lang te trekken zonder dat er koudebruggen ontstaan of de mogelijkheid van condens in de houten balken hier. Met een goede dampdichte folie aan de binnenzijde, af afgetapte dampdichte pir of resolisolate die aansluit op de nieuwe kozijnen zijn hier weinig condensatievochtproblemen te verwachten. Voor het dak zal de isolatie op het bestaande dakschot komen te liggen. De pannen moeten er af, maar kunnen als dat zorgvuldig gebeurt gewoon 10 cm hoger komen te liggen: de gootbak lijkt voldoende ruim en een wat verhoogde terugliggende opstand zal vanaf straat niet of nauwelijks te zien zijn. Het lastigste punt is vermoedelijk de plek waar gevelbinnenisolatie op de rand van vloer en dakspant doorgaand aangesloten wordt op de dakisolatie. De gootbak is voldoende groot om de goot in zijn geheel wat op te tillen en een echte tweede gootlijn zal hier niet bezwaarlijk zijn. Bij het optillen van pannen van de de dwarskappen biedt het reliëf van de tandlijn een ornament aanknopingspunt om extra ruimte te scheppen: met twee extra lagen halfsteens metselwerk (in hetzelfde tandreliëf?) kan ook hier de binnenwandisolatie doorlopend aangesloten worden op de verhoogde dakisolatie zonder koudebrug.

De uitstekende erkerverdieping is helemaal zijn geen enkel probleem. De isolatie aan de binnenzijde van de gevelconstructie loopt er gewoon langs. In het ergste geval krijgt de vloer hier een lichte verhoging en ontstaat vanzelf een erkerbank. Voor de beganegrondvloer geldt iets soortgelijks: ter plaatse van de steenachtige vloergewelfjes zou de vloer bovenop geïsoleerd kunnen worden. De houten vloerdelen kunnen worden verwijderd en plaats maken van een op isolatie drijvende beganegrondvloer die losgehouden kan worden van de dragende muren. Dat vermindert gewicht op de funderingsmuren of verhoogt dan gelijk plaatselijk hun draagcapaciteit voor andere verzwaringen.

Ons verzoek van de Commissie Behoud Stadsschoon: Soms lijkt het wel alsof bouwers een eeuw geleden gewoon kleinere, preciezere handen hadden. Alsof de oude knipvoeg van 10 mm en de huidige doorstrijkvoeg van 13 mm bijna symbool staan voor hoe men de afgelopen eeuw materiaal is gaan behandelen. Maar in die relatief gewone erfenis, honderd jaar oud, herkennen we dagelijks onze voorouders. Men kan als erfgoed expert aan waardestelling doen, maar die ‘gewone’ bouwcultuur staat nooit in een excelsheet - terwijl we er nu nog door worden omringd. Het verzoek is dus: laat deze gevels met rust. Repareer ze, herstel ze, isoleer ze, upgrade ze, maar verlies geen ambacht dat met de beste wil van de wereld anno 2025 niet meer te realiseren is. Repareren is belangrijk. Een goede knipvoeg kan nog steeds gemaakt worden door een ervaren voeger. Het herstellen van het houtwerk biedt mogelijkheden om die verfijnde profilering aan jonge timmerlieden of schrijnwerkers te leren. En binnen mag de woning opgewaardeerd worden met de de laatste stand van techniek op het gebied van hedendaagscomfort. (Oude details zijn daar toch bijna niet meer te vinden.) Deze kwaliteit metselwerk kán simpelweg niet meer zo gemaakt worden. Het ambacht in het werk is verdwenen - de balans tussen arbeid - en materiaalkosten is zodanig verschoven dat deze uitvoeringskwaliteit niet langer past bij de moderne uitvoering.

Wat weg gaat komt nooit meer terug.

Namens Commissie Behoud Stadsschoon van historische vereniging Delfia Batavorum, Koen Mulder (auteur van het boek Het Zinderend Oppervlak over metselwerkpatronen)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16046790/1