CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

2414186 Raadsbesluit vaststelling Verordening maats. onderst. Delft 2024

Raadsvergadering 16 mei 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Vaststellen Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2024 (nr. 2414186)15.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De inwoner bepaalt met Delft Support (namens het college) wat het resultaat moet zijn. De inwoner bekijkt daarna met de zorgaanbieder hoe dat resultaat gehaald moet worden. Daarbij maken ze een keuze uit meerdere mogelijkheden. De inwoner heeft dus iets te kiezen. Derde lid 20

In dit lid wordt geregeld hoe een indicatie vanuit een andere gemeente wordt toegepast wanneer een cliënt naar Delft verhuist. Dit geldt voor indicaties voor huishoudelijke hulp en begeleiding. artikel 8 Hulp bij het huishouden De algemene voorziening ‘’basisvoorziening hulp bij het huishouden’’ is hulp bij het huishouden die wordt georganiseerd en betaald door de gemeente. Dat wordt alleen gedaan in speciale situaties. Inwoners die voldoen aan de voorwaarden kunnen hulp bij het huishouden inkopen bij bepaalde zorgaanbieders. Dat kan zonder indicatie. De zorgaanbieders die kunnen worden ingezet hebben een contract met de gemeente. Ze hebben een contract op het resultaatgebied regie en ondersteuning bij het huishouden. Het is de bedoeling dat deze hulp bij het huishouden alleen voor korte perioden wordt ingezet. Dat wil zeggen niet langer dan 6 maanden achter elkaar. artikel 9 t/m 15 In deze artikelen staan voorwaarden voor een aantal maatwerkvoorzieningen. Sommige van deze voorwaarden stonden eerst in de beleidsregel(s). artikel 9 Vervoer Dit artikel regelt wanneer iemand de regiotaxi mag gebruiken op kosten van de gemeente. Het artikel regelt ook voor welke afstanden de regiotaxi mag worden gebruikt. artikel 10 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen Dit artikel beschrijft gevallen waarin geen woonvoorziening, of woningaanpassing wordt gegeven.

In geval van verhuizing moet deze verhuizing nodig zijn vanwege een probleem met zelfredzaamheid of participatie. Of er moet vooraf overleg zijn met het college en toestemming zijn gegeven. Hierbij geldt dat er altijd gekeken wordt naar de individuele situatie en waar nodig maatwerk wordt toegepast. artikel 11 Rolstoel Een inwoner krijgt alleen een rolstoel als die nodig is om te bewegen in en om het huis. Dus als zonder de rolstoel een inwoner in en om zijn eigen huis niet zelfstandig kan bewegen. Er zijn 3 soort rolstoelvoorziening: • handmatig voortbewogen rolstoel; • elektrisch voortbewogen rolstoel; • aanpassingen aan de rolstoel. Aanpassingen zijn: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar de inwoner wel nodig heeft. Accessoires zijn extra opties die handig, of prettig zijn, maar niet echt nodig. Daarom worden die niet vergoed. Grenzen aan de verstrekking De richtlijn voor de verstrekking zegt dat de goedkoopste voorziening die het resultaat bereikt, wordt vergoed. Wil een inwoner een andere rolstoel die duurder is dan moet de inwoner zelf het verschil betalen. Het kan gebeuren dat iemand naar Delft verhuist en al een rolstoel vanuit de Wmo heeft. Dan kan de gemeente de rolstoel kopen van de gemeente waar de persoon vandaan komt. Dat kan alleen als de rolstoel in het kernassortiment van Delft voorkomt. De gemeente Delft betaalt dan 21

de restwaarde. Als een inwoner verhuist naar een andere gemeente kan de rolstoel aan de andere gemeente worden verkocht. Kosten van onderhoud, keuring, verzekering en reparatie van een rolstoel worden geheel vergoed tenzij sprake is van schade door verwijtbaar gedrag van zorgvrager of zijn gezinsleden. Kosten voor het opladen van de accu van een elektrische rolstoel worden niet vergoed. artikel 12 Sportvoorziening Een sportvoorziening is een voorziening waardoor de inwoner kan sporten. Dit kan als maatwerkvoorziening, of als een tegemoetkoming (geld) worden gedaan. Sporten is een manier om mensen te ontmoeten en sociale contacten te leggen. Als een cliënt niet kan sporten zonder specifieke sportvoorziening kan hiervoor een voorziening worden toegekend. Bijvoorbeeld een speciale rolstoel, of een zit-ski. Iedere cliënt die regelmatig wil sporten, zowel alleen als in teamverband kan in aanmerking komen voor een sportvoorziening. Als de sportvereniging voorzieningen heeft die de cliënt kan gebruiken dan is een sportvoorziening niet nodig. De sportvoorziening is niet bedoeld voor topsport, of professioneel sporten. In die gevallen verwachten we dat de cliënt de nodige voorzieningen al heeft. Of dat de professionele vereniging die voorzieningen regelt.

artikel 13 Kortdurend verblijf Als mantelzorgers tijdelijk of permanent niet meer in staat zijn om mantelzorg te bieden, zal een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf of logeeropvang nodig zijn. Voor de beoordeling of er sprake is van een noodzaak maakt de gemeente gebruik van de Handreiking respijtzorg. In de Handreiking respijtzorg staat welke mogelijkheden de gemeente heeft om de mantelzorger in een situatie van (dreigende) overbelasting te ontlasten. artikel 14 Ontmoetingscentra De ontmoetingscentra ondersteunen mantelzorgers en mensen met problemen. Bijvoorbeeld: een sociaal isolement, gebrek aan regie, lichamelijke klachten en dementie. De ondersteuning voorkomt overbelasting. Overbelasting wordt vastgesteld door een daartoe bevoegde deskundige. Zo kunnen mensen langer thuis wonen. De ontmoetingscentra zijn plekken waar ook Wlz-zorg gegeven wordt. Daardoor is een soepele overgang naar die zorg mogelijk. Het is dan niet nodig dat een cliënt naar een andere plek gaat. Er wordt gewerkt volgens de effectieve interventie. De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit: • Wenperiode en ondersteuning van de mantelzorger: Kennis maken met het gebruik van de ontmoetingscentra. De kennismaking is tijdelijk, minimaal 2 en maximaal 6 weken en maximaal 10 dagdelen.

• Tot en met zes dagdelen per week is de voorziening ontmoetingscentra een algemene voorziening en hierdoor zonder indicatie toegankelijk. • Reguliere deelname: Deelname vanaf zeven dagdelen per week. Hiervoor is een beoordeling nodig. artikel 15 Beschermd wonen, beschermd thuis en beschermd thuis geclusterd Delft voert de toegang tot de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen, beschermd thuis en beschermd thuis geclusterd uit. Delft doet dat namens de regiogemeenten Westland, MiddenDelfland en Pijnacker-Nootdorp. Deze maatwerkvoorzieningen zijn er voor inwoners met 22

psychische- en psychiatrische problemen die niet zelfstandig kunnen wonen, of die weinig zelfredzaam zijn. HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET artikel 16 Regels voor PGB In het eerste lid staat een verwijzing naar het centrale pgb-artikel van de wet (artikel 2.3.6). Dit lid staat er om in de verordening duidelijk de rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid staat dat het college op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb kan verstrekken. Het college is zelfs verplicht een pgb te verstrekken, als aan de voorwaarden is voldaan. Het is belangrijk dat alleen een pgb wordt verstrekt als de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Dat wil zeggen vraagt en toelicht. (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). De eis om toe te lichten is er zodat het duidelijk is dat de aanvrager zelf kiest voor een pgb. (Zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Artikel 16, tweede lid tot en met negende lid De wet biedt zorgvragers, of hun wettelijk vertegenwoordigers, de mogelijkheid om hun zorg in te kopen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het pgb is per definitie ‘maatwerk’. Het is daarom handig voor cliënten die geen, of onvoldoende passende zorg vinden in de bestaande voorzieningen. Bij de aanvraag van een maatwerkvoorziening kan de cliënt aangeven dat hij een pgb wenst.

De cliënt ontvangt dan schriftelijk informatie waarin staat wat de soort en omvang is van de maatwerkvoorziening. Met die informatie moet de cliënt een budgetplan opstellen. De cliënt dient dat plan daarna bij de gemeente in. Daarna vindt de beoordeling van het budgetplan plaats. Aan een pgb hangen voorwaarden. Deze staan in artikel 16. Een van die voorwaarden is dat de zorg die nodig is structureel van behoorlijke omvang moet zijn. Daarmee garandeert de gemeente dat de inzet van een pgb doeltreffend is, zoals de wet voorschrijft. Vijfde lid In dit lid staat welke reden er kunnen zijn om een PGB niet af te geven, of in te trekken. In veel gevallen gaat het erom dat het college geen besluit kan nemen over een pgb als niet alle informatie er is die het college daarvoor nodig heeft. Het kan ook voorkomen dat een cliënt onbewust verkeerde informatie geeft. In dat geval is er gelegenheid voor de cliënt om de informatie aan te passen. In ieder geval geldt dat het college op basis van de Wet verplicht is ondersteuning te verlenen. Als een cliënt daarvoor niet de goede informatie geeft dan zal dat meer tijd kosten, maar het ontslaat het college niet van haar verplichting. artikel 17 Hoogte PGB In artikel 17 staat hoe de hoogte van een pgb wordt bepaald. De wet zegt dat dit in de verordening moet staan. Dit staat in artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet.

Het is een berekeningswijze die een koppeling houdt tussen de pgb en vergelijkbare zorg in natura. Met een budget dat op deze manier is vastgesteld, moet een cliënt alles wat hij nodig heeft kunnen inkopen (dit staat ook in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Het college kan altijd een pgb weigeren als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). Het college mag een lager bedrag voor een pgb geven. Dat mag alleen als de cliënt met dat bedrag wel de zorg kan inkopen die hij nodig heeft. Een lager bedrag kan bijvoorbeeld als de zorg wordt geleverd door een ZZP’er. Die heeft minder kosten dan een grotere zorgorganisatie. 23

Het is de verantwoordelijkheid van het college om te bewijzen dat de hoogte van het pgb voldoende is om de zorg in te kopen. De bewijslast ligt bij het college. De cliënt of de zorgverlener moeten het aangeven als zij vinden dat een pgb niet voldoende is. Door deze manier van berekenen wordt de hoogte van een pgb vooral bepaald door wat het alternatief in natura kost. De tarieven die de gemeente met aanbieders heeft afgesproken kunnen in de Nadere regels worden gezet. Ook de verschillen tussen verschillende tarieven (de tariefdifferentiatie) wordt in de Nadere regels gezet. Wat wordt opgeschreven zijn uitgangspunten. Geen vaststaande tarieven. Dat is logisch omdat het gaat om maatwerk. Het kan gebeuren dat de hoogte van het pgb niet voldoende is. Dat is het geval als de cliënt kan laten zien dat hij niet alle zorg kan inkopen die hij nodig heeft. In dat geval wordt de hoogte van het pgb aangevuld, zo dat dit wel kan. Ook als dat betekent dat afgeweken wordt van de tarieven. Het college kan het pgb weigeren als het met zorg in natura goedkoper kan. HOOFDSTUK 5 BIJDRAGE IN DE KOSTEN artikel 18. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Bijdrage in de kosten De wet kent 2 soorten bijdragen in de kosten.

Voor een bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij er een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) en voor een algemene voorzieningen waarbij er geen duurzame hulpverleningsrelatie is. Als de gemeente een eigen bijdrage van de cliënt eist, geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief, zoals omschreven in artikel 2.1.4, 3e lid, en 2.1.4a, 4e lid, Wmo 2015. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze zelf. In de verordening moet worden opgenomen welke voorzieningen worden aangewezen. Voor de kosten van (collectief) vervoer maak de wet maakt een uitzondering. Dat geldt voor vervoer als maatwerkvoorziening en voor vervoer als algemene voorziening. De gemeente moet in de verordening zetten of het (collectief) vervoer onder het abonnementstarief valt. De gemeente moet in de verordening zetten hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De kostprijs wordt onder andere bepaald door de manier waarop de voorziening beschikbaar wordt gesteld. Dat kan bijvoorbeeld zijn door bruikleen, lease, huur, of koop. De aanbieder van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang bepaalt zelf de hoogte van de eigen bijdrage en int deze ook zelf.

Als een cliënt in de opvang nog kosten heeft voor een woning waarvan hij hoofdbewoner dan betaalt hij minder eigen bijdrage. Een cliënt betaalt ook minder eigen bijdrage als hij met een partner en/of kinderen in de opvang blijft. artikel 19. Hoogte bijdrage in de kosten Voor een algemene voorziening waarbij er geen duurzame hulpverleningsrelatie is, mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen. De eigen bijdrage is maximaal de kostprijs. De gemeente kiest ervoor bij de basisvoorziening hulp bij het huishouden een eigen bijdrage te heffen. De hoogte van de eigen bijdrage staat in de nadere regels. Vaststellen kostprijs 24

De wet verplicht de gemeente de kostprijs vast te stellen van: - een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet); - een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), en; - een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren; door een aanbesteding, na het raadplegen van de markt, of na overleg met de aanbieder. De kostprijs van een hulpmiddel, of woningaanpassing wordt ook bepaald door de manier waarop die wordt verstrekt. Dat kan zijn door huur, bruikleen, of eigendom. (Dit staat in artikel 18, zesde lid, onder b.) De eigen bijdrage voor een voorziening mag niet hoger zijn dan de kostprijs. Bij een hulpmiddel of woningaanpassing die in eigendom wordt gegeven kan na een tijd de eigen bijdrage optellen tot de kostprijs. Dan moet de eigen bijdrage stoppen. Het CAK let op wanneer de kostprijs is betaald. Het college moet dan stoppen met het innen van de eigen bijdrage. Als de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden gevraagd zolang de cliënt van de voorziening gebruikt. HOOFDSTUK 6 KWALITEIT artikel 20 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De wet zegt dat in de verordening moet staan welke kwaliteit voorzieningen moeten hebben. Dat staat in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet. In het eerste lid staan die kwaliteitseisen.

De eerste eis is dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend. Deze geeft de gemeente de ruimte om kwaliteitsstandaarden voor ondersteuning te ontwikkelen. Dat gebeurt in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders. GGD Haaglanden is aangewezen als toezichthouder kwaliteit Wmo. De kwaliteit moet ook worden gecontroleerd. Om te kunnen weten of de kwaliteit voldoende is wordt gewerkt met de kwaliteitsstandaard Wmo (tweede lid). In het vierde lid staat het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek. De wet verplicht dit. Dat staat in artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. artikel 21 Kwaliteitseisen pgb De gemeente is geen contractpartner bij de verstrekking van een PGB. Wel is de gemeente verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ondersteuning die wordt geboden. De wet geeft de gemeente die verantwoordelijkheid. In artikel 21 staat een lijst met kwaliteitseisen. De gemeente kan met deze lijst controleren of de zorg goed genoeg is. Is de zorg niet goed genoeg dan handhaaft de gemeente (grijpt de gemeente in). De eisen aan een instelling zijn anders dan de eisen aan een zelfstandige zorgverlener, of een zorgverlener uit het eigen netwerk. artikel 22 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet door derden (aanbieders) laten doen.

Alleen het vaststellen van de rechten en plichten van de cliënt moet het college zelf doen. Dat staat zo in de wet (in artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Als een voorziening door aanbieders wordt geregeld, moet het college regels stellen. Die regels zorgen ervoor dat er een goede verhouding is tussen de prijs en de kwaliteit. Die regels worden vastgelegd in de verordening. Ook dat staat in de wet (in artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Bij het stellen van die regels moet het college rekening houden met de deskundigheid van de beroepskrachten. Ook moet het college rekening houden met de arbeidsvoorwaarden van de aanbieders. Het college doet dat op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt de minimale eisen voor een goede prijs-kwaliteitverhouding. 25

Gemeenten kunnen meer regelen dan de wet voorschrijft. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 heeft niet de bedoeling alle mogelijkheden te geven. De regels zijn bedoeld om een vaste prijs of reële (redelijke, of onderbouwde) prijs te bepalen voor de diensten die aanbieders verlenen in opdracht van het college. Zo kan worden gegarandeerd dat de diensten goed beschikbaar zijn en de juiste kwaliteit hebben. Dit wordt gegarandeerd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet). Als er het woord voorziening staat, kan dat een algemene voorziening zijn, maar ook een maatwerkvoorziening. Dat staat in artikel 1.1.1 van de wet. Dit artikel gaat alleen over die diensten die onderdeel zijn van een voorziening. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gaat alleen over diensten die als onderdeel van een maatwerkvoorziening worden geleverd. Dat staat in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Het artikel gaat alleen over situaties waar het college een contract heeft met aanbieders en waar die aanbieders opdrachten uitvoeren voor het college om de wet uit te voeren. Als het college een subsidie geeft aan een aanbieder is dat geen contract. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 22 gaan daarom niet over subsidies.

Het college moet bij het vaststellen van de prijs voor een dienst rekening houden met de kwaliteit ervan en met de relatie tussen de cliënt en de zorgverlener. Bijvoorbeeld of deze relatie al langer bestaat ook voor de zorgrelatie er was. Dat staat in artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs beter beschreven. Hierdoor kan worden bekeken of de kostprijs elementen goed zijn verwerkt. De kostprijselementen die het college in ieder geval moet gebruiken om een vaste prijs of reële prijs vast te stellen staan in het derde lid van artikel 22. Het gaat om de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Een vaste prijs of reële prijs is opgebouwd uit meerdere onderdelen. Een van die onderdelen is de kosten van de beroepskracht. (derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer). De kosten voor de beroepskracht bestaan uit loonkosten en alle andere kosten die betaald moeten worden omdat de wet, of de CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) dat zegt.

In juridische taal: waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt. De wet gaat ervanuit dat de beroepskrachten worden ingezet tegen de arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld de hoogte van het salaris) die passen bij de vaardigheden die nodig zijn om de dienst goed uit te voeren. (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college moet dus ongeveer weten welke vaardigheden voor welke dienst nodig zijn en welke kosten daarbij horen. Het college bepaalt de prijs op basis van de CAO die geldt voor de sector die het werk uitvoert. (In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle 26

werknemers in de betreffende sector. Van het college wordt verwacht dat ze een reële kostprijs gebruiken. Dus een kostprijs die gebaseerd is op arbeidsvoorwaarden die op de sector van toepassing zijn. Ook als er geen CAO is (bijvoorbeeld bij buitenlandse werknemers, of zelfstandigen). Het college moet ook de opbouw van de kostprijs uitleggen. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Dat is vastgelegd in de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving. Die zegt dat een Nederlandse CAO ook geldt voor buitenlandse werknemers (uit de EU) die in Nederland werken. Als er geen COA is (geen algemeen verbindende en de werkgever heeft geen bedrijfstak-CAO) dan gelden de wettelijke minimale normen die staan in de Wet minimumloon en vakantiebijslag. Naast de kosten van de beroepskracht bestaat een reële prijs ook uit andere kosten.

Namelijk de redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Het college en de aanbieder kunnen afspraken maken om de kosten te verlagen. Bijvoorbeeld door afspraken over hoe de aanbieder rapporteert over het werk dat is gedaan. Ze kunnen geen afspraken maken over het verlagen van kosten die te maken hebben met de directe dienstverlening. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft alleen nut als duidelijk is voor welke handeling die prijs geldt. De vastgestelde reële prijs moet daarom een plek krijgen in de aanbiedingsprocedure en de overeenkomst met de derde. Na een aanbesteding wordt er gegund. Een aanbieder krijgt het werk. Op dat moment moet met die aanbieder ook een overeenkomst worden gesloten. (zie ook artikel 2.129 van de Aanbestedingswet 2012).

Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. In eenvoudig Nederlands ook wel de laagste prijs genoemd. Het college kan ook gunnen op basis van andere voorwaarden. Dat kan alleen als die voorwaarden duidelijk zijn genoemd in de aanbesteding. Elke aparte voorwaarde telt voor een bepaalde hoeveelheid mee in de uiteindelijke keuze. Pijs kan ook als criterium (voorwaarde) meedoen. De inschrijving met de laagste prijs scoort dan het hoogst op dat onderdeel. De door het college bepaalde reële prijs is daarbij een eis die wordt meegenomen. Een inschrijver kan nooit lager bieden dan de bepaalde reële prijs. Als een aanbieder dat toch doet wordt die inschrijving buiten de aanbesteding gehouden. Deze kan dan niet meer winnen. De reële prijs moet daarom goed worden onderbouwd. Hij speelt immers een grote rol in het bepalen van aanbieders met behulp van aanbestedingen. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open.

Eerste lid Dit artikel bepaalt dat het college een vast prijs, of een reële prijs bepaalt. Die prijs geldt als ondergrens voor de levering van een dienst door een aanbieder. Als het college een reële prijs vaststelt, mogen aanbieders een hogere prijs vragen. Ze mogen geen lagere prijs vragen dan de reële prijs. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, geldt die prijs. Tweede lid 27

Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst. Daaronder vallen de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Dat betekent dat de zorg zoveel mogelijk hetzelfde moet blijven voor de persoon die zorg krijgt. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht eerst uitvoerde. Doel van dat overleg is het overnemen van het personeel. Doordat er een reële prijs wordt betaald, moet het makkelijker zijn om personeel over te nemen tussen aanbieders. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen (onderdelen waaruit de kostprijs is opgebouwd). De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan elementen toevoegen. Vierde lid In het ondersteuningsplan staat welke resultaten behaald moeten worden. De cliënt kiest dan een zorgaanbieder om die zorg te verlenen. De cliënt spreek met de aanbieder af hoe die resultaten gehaald worden. Deze afspraken worden in het zorgplan gezet. Daarbij wordt tenminste opgeschreven: 1. welke acties moeten worden uitgevoerd; 2.

hoeveel tijd nodig is om het resultaat te bereiken; 3. hoe vaak de acties worden uitgevoerd. De eerste aanbieder kan ook andere partijen (bv welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De eerste aanbieder moet dan wel zorgen dat elke partij het juiste doet. Deze aanbieder noemen we de coördinerende aanbieder. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan per cliënt en beschrijft wat er gedaan wordt om het gevraagde resultaat te behalen. De aanbieder die door de cliënt gekozen is, levert een getekend zorgplan in bij de gemeente. Dat gebeurt binnen 10 dagen nadat de aanbieder het ondersteuningsplan heeft gekregen. Het zorgplan wordt ondertekend door de cliënt en de zorgaanbieder. De ondersteuning van cliënten start binnen vijf werkdagen na het ontvangen van de definitieve opdracht van de gemeente. HOOFDSTUK 7. TOEZICHT EN HANDHAVING artikel 23 Maatregelen onterecht toegekende voorzieningen. In dit artikel is de verordeningsplicht uitgewerkt. Die staat in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat de gemeente regels moet stellen om te bestrijden dat een client een maatwerkvoorziening, of pgb krijgt die hij niet nodig heeft. Bestrijden betekent in dit geval optreden als iemand een maatwerkvoorziening, of pgb krijgt die hij niet nodig heeft. Bestrijden betekent ook voorkomen dat die situatie ontstaat.

Daarom is in het eerste lid van het artikel de informatieplicht opgenomen. Dat betekent dat de gemeente cliënten goed moet informeren over welke zorg en ondersteuning ze kunnen krijgen. Het college kan een maatwerkvoorziening, of pgb intrekken. Ook als die al gegeven is. Het besluit tot verstrekking wordt dan ingetrokken. Dat gebeurt op grond van artikel 2.3.10 van de wet. Het besluit kan ook worden herzien (veranderd). Bijvoorbeeld de hoogte van een pgb kan worden veranderd. In het tweede lid is opgenomen in welke gevallen het college de beslissing kan veranderen en kan intrekken. Het college kan dit doen als: In het tweede lid staat uitgewerkt wat ook in artikel 2.3.10 van de wet staat. 28

Herziening en intrekking (het stopzetten, of veranderen van een gegeven voorziening, of pgb) zijn geformuleerd als een ‘kan’-bepaling. Het college kan het doen, maar het moet niet. Het college kan dat besluit laten afhangen van de omstandigheden. Artikel 24 Maatregelen bij misbruik In dit artikel staat hoe het college doet wat staat in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Het doel is misbruik van een maatwerkvoorziening, of pgb te bestrijden. Het college kan ook geld terugeisen (terugvorderen). In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten (terugeisen van geld om gemaakte kosten mee te verrekenen) opgenomen. Hierin staat ook dat het college geld terug mag eisen als er een maatwerkvoorziening, of pgb onterecht is gegeven. Ook staat hier dat het college een dwangbevel kan gebruiken om het geld terug te eisen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaat om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. In artikel 24 staat daarom dat het college voorzieningen kan terugeisen.

Dat kan als ze in bruikleen en in eigendom zijn gegeven. Hierbij kijkt het college nadrukkelijk naar de menselijke maat. Als er sprake is van fouten dan kunnen deze worden hersteld. Als er door fouten van de cliënt geld door het college wordt teruggevraagd dan wordt daarbij gekeken naar een passende regeling om de betaling te doen.

Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb In sommige situaties past het om de pgb betaling (tijdelijk) te stoppen. Dat past als een pgb bijna zal worden gestopt of veranderd. Het stoppen van de pgb betaling geeft ruimte om te onderzoeken wat er aan de hand is. Als duidelijk is wat er aan de hand is, kan het college een besluit nemen over de volgende stap. Het college vraag de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de betaling te stoppen. Het college doet dat op basis van artikel 2b, zesde lid onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Het college doet dat alleen als er goede reden is om te denken dat: 1) de cliënt niet goed, of niet alle informatie heeft gegeven waar de gemeente om heeft gevraagd. En het college een ander besluit had genomen als wel de goede, of alle informatie was gegeven, 2) de cliënt geen recht heeft op een pgb omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet, of 3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor iets anders gebruikt. Een cliënt heeft ook geen recht op een pgb op basis van punt 2 als hij niet in staat is een pgb goed te gebruiken. Dat betekent dat als de cliënt niet kan zorgen dat zorg op de juiste manier wordt ingekocht. Of als het de cliënt niet lukt de andere taken die bij een pgb horen goed uit te voeren. Een cliënt mag hierbij hulp krijgen van zijn sociale netwerk, of een vertegenwoordiger.

Het college moet kunnen uitleggen waarom zij de SVB vraagt de pgb stop te zetten, of aan te passen. De informatie die het college daarbij geeft moet zo goed zijn dat de SVB een goed besluit kan nemen. De betaling van de PGB kan maximaal 13 weken worden stopgezet. Er is voor maximaal 13 weken gekozen, omdat het ook maximaal 13 weken is in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. 29

Het tweede lid zegt ook dat het college de SVB kan vragen de PGB betaling stop te zetten als de cliënt in een zorginstelling verblijft. De cliënt moet daar dan minimaal 8 weken blijven. Dat staat in artikel 23, tweede lid, onder b. Dit artikel is er omdat de cliënt zijn pgb misschien niet nodig heeft wanneer hij is opgenomen in een instelling. Het college moet wel duidelijk maken dat de PGB niet nodig is als de cliënt is opgenomen. Als het college de PGB stop wil zetten tijdens de opname stuurt het college de cliënt hierover een brief. (Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.)

artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht-doelmatigheid Dit artikel is grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat in de verordening moet staan hoe wordt voorkomen dat maatwerkvoorzieningen, of pgb's worden gegeven als dit niet nodig is. Of doordat cliënten misbruik maken van de wet. In artikel 2.3.9 van de wet staat dat het college om de zoveel tijd moet onderzoeken of het nodig is een gegeven maatwerkvoorziening, of PGB terug te nemen. Soms is het college niet zeker of de ondersteuning goed is, werkt en op de juiste manier is gegeven. Het onderzoek dat vanuit de wet (artikel 2,3 en 9,) kan worden gedaan helpt niet goed om dat te bekijken. Daarom is artikel 18 in de verordening gezet. Daarin staat dat het college ook moet onderzoeken of de maatwerkvoorzieningen en pgb's op de goede manier zijn aangevraagd en gegeven. Ook kan worden bekeken of ze worden gebruikt op de manier zoals ze zijn bedoeld. Ook kan worden bekeken of de kwaliteit goed is. Dit onderzoek kan kijken naar de cliënt, maar ook naar de zorgverlener. Het onderzoek kan bestaan uit bijvoorbeeld bezoeken aan de cliënt, bezoeken aan de plek waar de zorg wordt gegeven, gesprekken met de cliënt en gesprekken met de aanbieder.

artikel 27 Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik In dit artikel staat wat het college doet, of laat doen tegen misbruik, of oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb's. Dit deed het college al, maar het stond nog niet in de verordening. Nu is dat erin gezet. HOOFDSTUK 8. BLIJK VAN WAARDERING EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN artikel 28 Blijk van waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen een jaarlijkse blijk van waardering krijgen (artikel 2.1.6 van de wet). Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Iemand kan dus mantelzorger zijn als een voorziening wel is aangevraagd, maar nog niet is gegeven. Het maakt niet uit waar de mantelzorger woont. Mantelzorgers voor cliënten die wonen in Delft kunnen de waardering krijgen. Ook als ze zelf niet in Delft wonen. In artikel 28 staat ook hoe het college die waardering regelt. Een mantelzorger kan bij het college worden aangemeld voor een waardering. Dat kan door de mantelzorger zelf, of door iemand anders worden gedaan. Het college kan extra regels stellen over hoe die aanmelding werkt. 30

artikel 29 Tegemoetkoming (meer)kosten Mensen met een beperking, of chronische psychische of -psychosociale problemen kunnen veel kosten hebben. Als kan worden bewezen dat de kosten het gevolg zijn van die beperking of chronische aandoening dan kan het college deze mensen helpen met geld. Dat staat in de wet. De gemeente kiest ervoor deze mensen te helpen met bijzondere bijstand. Niet op basis van de Wmo. Deze mensen kunnen een collectieve aanvullende verzekering krijgen die wordt betaald uit de bijzondere bijstand. Zo worden de kosten voor deze mensen een beetje beperkt. Het college kan artikel 29 gebruiken om andere kosten te dekken. Bijvoorbeeld taxikosten of verhuiskosten. Ook vindt de gemeente sporten heel belangrijk. Het college kan met dit artikel mensen helpen door (een deel) van de kosten voor sporten te betalen. HOOFDSTUK 9. OVERIGE BEPALINGEN artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet staat dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet altijd en zo snel mogelijk melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet staat dat het college personen aanwijst die toezicht moeten houden op het nakomen van de wet. Dat is de toezichthouder.

Daarbij staat in artikel 30 dat het college regelt hoe een calamiteit, of geweld gemeld kan worden. Ook staat in artikel 30 dat de toezichthouder elke melding onderzoekt. De toezichthouder geeft het college advies om calamiteiten en geweld in de toekomst te voorkomen. artikel 31 Klachtregeling Eerste lid In dit artikel staat dat het college regelt hoe je een klacht in kunt dienen. Dit staat kort in het artikel, omdat het recht een klacht in te dienen al uitgebreid is geregeld in de Awb. Tweede lid In dit lid staat dat ook aanbieders moeten zorgen dat klachten kunnen worden ingediend en dat er iets met die klachten wordt gedaan. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. 31

Derde lid In het derde lid staat hoe het college kan zorgen dat aanbieders goed zorgen dat klachten kunnen worden ingediend en opgevolgd. artikel 32 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Artikel 32 zegt voor welke voorzieningen medezeggenschap geldt. De wet verplicht het college dat te doen in artikel 2.1.3, tweede lid, onder e. Het gaat om medezeggenschap van cliënten bij besluiten van aanbieders. In de Wmo 2015 staat dat gemeenten regels mogen stellen over medezeggenschap. Dat heeft Delft gedaan in artikel 32. Daar staat in dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten vaststellen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid staat hoe het college kan zorgen dat dit ook door aanbieders wordt gedaan. HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN artikel 33 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het eerste lid verwijst naar de inspraakverordening die staat in artikel 150 van de Gemeentewet. Dit is een landelijke manier. Daardoor is inspraak op verschillende onderwerpen hetzelfde geregeld. Inspraak is een recht van iedereen die in de gemeente woont. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om in te vullen hoe die medezeggenschap precies wordt geregeld. artikel 34 Tariefswijziging/indexatie Het college maakt met aanbieders afspraken over de tarieven voor de ingekochte zorg in natura. Daarbij worden ook afspraken gemaakt over indexering van deze tarieven. Deze tarieven en indexeringen vormen de basis voor het bepalen van de pgb-tarieven. Dit geldt niet voor de pgb-tarieven voor het sociaal netwerk. Deze tarieven kunnen worden bekeken op de website van het Zorgknooppunt H5 (www.zorgknooppunth5.nl/info) artikel 35 Evaluatie De gemeente evalueert het Wmo beleid. Deze evaluatie van de gemeente staat los van de landelijke evaluatie. De gegevens die het college verzamelt voor de gemeentelijke evaluatie kunnen ook voor de landelijke evaluatie worden gebruikt. artikel 36 Intrekking verordening en overgangsrecht Behoeft geen toelichting artikel 37 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo 2015 om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Dat betekent dat als de verordening wordt gevolgd er iets wordt gedaan wat niet klopt met de bedoeling van het beleid het college toch een ander besluit kan nemen. In dat besluit verwijst het college dan naar artikel 37. 32

Ook een aanvrager kan het college vragen een besluit te nemen dat anders is dan de verordening door naar artikel 37 te verwijzen. Het college moet goed uitleggen waarom het nodig is de verordening niet te volgen en artikel 37 te gebruiken. artikel 38 Inwerkingtreding en citeertitel Behoeft geen toelichting.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14287759/1