2403030 Toelichting regels bijlagen regels paradijspoort verkleind
Tekst van het document
Energie en Duurzaam bouwen
3.5.5.1 Delft Energieneutraal 2050 Bij nieuwbouw of herontwikkelingen gelden de doelstellingen uit het Delftse klimaatbeleid. De basis hiervoor is de nota Delft Energieneutraal 2050. Uitgangspunt is dat voor een nieuwe woon- of bedrijfsbestemming de ambitie voorligt om een scherpere energieprestatie te realiseren dan de landelijke normen. Hiervoor hanteert Delft de Trias energetica: 1. het verminderen van de vraag door energiebesparing bij eindgebruikers; 2. het toepassen van duurzame bronnen; 3. het (verder) optimaliseren van de toepassing van fossiele bronnen naar energie-efficiency en betrouwbaarheid. Relatie tot ontwikkeling Wanneer in de toekomst een bouwvergunning aangevraagd wordt voor nieuw te realiseren woningen op de locatie, zal voldaan moeten worden aan het Bouwbesluit voor wat betreft de energieprestatie. Daarmee wordt tegelijkertijd invulling gegeven aan het Delftse klimaatbeleid 'Delft Energieneutraal 2050'. Conclusie bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 24
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie Het Delftse klimaatbeleid 'Delft Energieneutraal 2050' staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.5.5.2 Beleid duurzaam bouwen Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. Voor het thema energie zijn de ambities in de nota Delft energieneutraal 2050 vastgelegd. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan. De gemeentelijke GPR ambities worden periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling worden in een anterieure overeenkomst vastgelegd. Relatie tot ontwikkeling Bij de nadere planuitwerking dient voldaan te worden aan de eisen uit het Bouwbesluit. De gemeentelijke GPR ambities zullen voor onderhavig plan in de anterieure overeenkomst worden vastgelegd. Conclusie Het Beleid duurzaam bouwen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
3.5.5.3 Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 Met een groeiende wereldbevolking en consumptie per persoon groeit ook het belang om grip te krijgen op alle producten en grondstoffen die we gebruiken. Er moet minder of anders gebruik gemaakt worden van de voorraden en natuurlijke hulpbronnen die we tot onze beschikking hebben. Daarom is het van belang dat ook in Delft wordt toegewerkt naar een circulaire economie. Een circulaire economie is een economisch systeem van gesloten kringlopen, waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen en hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt. De belangrijkste ambitie is een 100% circulaire economie in 2050, gelijk aan de landelijke ambitie uit het Rijksbreed programma Circulaire Economie. In deze visie is de ambitie uiteengezet in ambities per 'prioritaire keten'. Dit gaat om Bouw, Biomassa & voedsel, Kunststoffen, Maakindustrie en Consumptiegoederen. De doelstellingen behorende bij deze ambities luiden als volgt: In de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 zijn voor vijf sectoren de navolgende ambities/doelstellingen opgesteld: Bouw: er wordt gebouwd zoals met lego; modulair, losmaakbaar en flexibel. Bouwmaterialen zijn hergebruikt, gerecycled en recyclebaar, of biobased.
Biomassa & voedsel: voedselverspilling wordt teruggedrongen en organische reststromen worden zo hoogwaardig mogelijk verwerkt. Kunststoffen: het gebruik van eenmalige plastics wordt teruggedrongen, er worden zoveel mogelijk gerecyclede en biobased plastics gebruikt en de inzameling en recycling wordt verbeterd, bijvoorbeeld op evenementen. Maakindustrie: bedrijven worden gestimuleerd om hun producten of diensten circulair te maken of hun productieprocessen te vernieuwen, bijvoorbeeld innovatieve toepassingen voor ingezameld plastic. Consumptiegoederen: producten worden langer en effectiever gebruikt, bijvoorbeeld door ze te repareren of te delen. Afgedankte producten worden goed ingezameld en zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt. Voor de uitvoering van de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050, wordt nog een Uitvoeringsplan Circulaire Economie opgesteld. Relatie tot ontwikkeling bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 25
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie Dit bestemmingsplan creëert de planologische ruimte voor woningbouw op de verdiepingen ter plaatse van het plangebied. Er is echter nog geen concreet bouwplan bekend. Indien de ontwikkeling die dit bestemmingsplan maakt daadwerkelijk wordt gerealiseerd, zal in de nadere uitwerking daarvan onderzocht worden in hoeverre circulair kan worden gebouwd en/of worden gesloopt. Conclusie De Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.5.5.4 Besluit bodemenergiesystemen De toepassing van bodemenergie, een techniek om woningen en gebouwen energiezuinig te maken, levert een bijdrage aan de realisatie van de gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Door de snelle groei kunnen belangen tussen diverse bodemenergiesystemen onderling en andere belangen met elkaar in conflict komen. Bij de aanleg van een open bodemenergiesysteem dient te worden voldaan aan de Waterwet. Bij de aanleg van een gesloten systeem moet worden voldaan aan het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en de Verordening en Beleidsregel gesloten bodemenergiesystemen gemeente Delft 2015. Zie hierbij ook hetgeen in bovenstaande onder ambities is vermeld. Relatie tot ontwikkeling Vooralsnog is geen sprake van de aanleg van een open of gesloten bodemenergiesysteem.
Wanneer daar in de nadere planuitwerking toch sprake van is, zal voldaan moeten worden het Besluit bodemenergiesystemen en de daarbij behorende verordeningen en beleidsregel(s). Conclusie Het Besluit bodemenergiesystemen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg. 3.5.6
Nota Groen 2012-2020
In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding, gebaseerd op de zowel de ruimtelijke, sociale, ecologische, economische en fysische waarden van groen. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. Uit de beleidsnota blijkt verder dat gestreefd wordt naar het omvormen van harde oevers naar een natuurvriendelijke inrichting, tenzij dat om stedenbouwkundige, technische of financiële redenen niet wenselijk is. Voor bomen geldt dat gestreefd wordt naar behoud. Mocht behoud of verplanten van bomen niet mogelijk zijn, dan geldt een (financiële) herplantplicht. Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard zonder groenelementen.
Bij de nadere planuitwerking wordt er naar gestreefd om zoveel als mogelijk natuurinclusief te bouwen (zie hiervoor ook paragraaf 3.5.9 van deze toelichting). In ieder geval is de realisatie van een groen dek verplicht (dit wordt privaatrechtelijk geregeld). Vooralsnog biedt dit bestemmingsplan slechts de kaders voor het toevoegen van extra woningen op de locatie. Conclusie De Nota Groen 2012 - 2020 staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 26
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie 3.5.7
Kadernota 2021
In de Kadernota zijn de ambities ('opgaven') voor de stad geformuleerd. Delft zet onder meer in op het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven en kennisinstellingen, het voorzieningenniveau en de woningvoorraad. Voor een goed en aantrekkelijk economisch ecosysteem is een blijvende stimulerende omgeving nodig: van een passend aanbod van bedrijfsvastgoed, excellente dienstverlening van de gemeente, goede verbindingen voor OV, auto en fiets tot het vergroten van gelijke kansen in het onderwijs en ruimte voor onderwijsfaciliteiten, tot bereikbaarheid van sport en een aanbod van verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Verder heeft Delft in 2040 hoogwaardige en moderne voorzieningen voor alle inwoners van de stad. Het gaat hierbij om toekomstvaste en bij de tijd behorende voorzieningen die inwoners van alle leeftijden en met alle levensstijlen kunnen bedienen. Delft heeft verder de ambitie om tot 2040 15.000 nieuwe woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwe woningen zorgen ervoor dat Delft een aantrekkelijke woonstad is voor zittende en nieuwe bewoners. Op deze manier draagt de stad bij aan de regionale opgave om het vestigingsklimaat te versterken. Die ambitie is regionaal vastgelegd in het regionale investerings programma en de Roadmap Next Economy van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.
Bovendien zorgen passende woningen ervoor dat bedrijven zich makkelijker kunnen vestigen, omdat er een goed woningaanbod met voldoende keuzemogelijkheid is voor werknemers, en studenten die na hun studie in Delft willen blijven wonen. Relatie tot ontwikkeling Dit bestemmingsplan voorziet in het creëren van de planologische ruimte voor het toevoegen van woningen op de planlocatie. Daarmee wordt bijgedragen aan de ambitie om 15.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad en wordt de planlocatie toekomstbestendig gemaakt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Kadernota 2021. 3.5.8
Coalitieakkoord Delft 2018-2022
Het doel van het Coalitieakkoord is een stad waar het goed wonen, werken en verblijven is, en een stad waarin voor iedereen een plek is die goed en betaalbaar is. In het akkoord wordt ingezet op het realiseren van de ambities uit de Woonvisie, het realiseren van 15.000 woningen en het versterken van de economische positie met nieuwe werklocaties die moeten leiden tot 10.000 extra banen. Relatie tot ontwikkeling De planlocatie wordt in het akkoord niet specifiek benoemd, maar draagt wel bij aan het realiseren van de 15.000 woningen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Coalitieakkoord Delft 2018 - 2022. 3.5.9
Kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen
Om de kwaliteit van de stedelijke omgeving te behouden en te versterken is het kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgesteld. Het kader streeft naar een integrale aanpak op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur noodzakelijk, dat moet leiden tot een natuurinclusieve stad. Een natuurinclusieve stad is immers een dynamische groene, gezonde en levendige stad voor mens, dier en plant. De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Hierbij is het begrip Natuurinclusief bouwen/ontwikkelen gedefinieerd als ‘bouwen en ontwikkelen zodanig dat (ook) de natuur er baat bij heeft’. Het gaat er dus niet alleen om strikt uitvoering te geven aan deWet natuurbescherming voor wat betreft de strikt beschermde soorten, maar ook juist om proactief te handelen ten bate van de natuur en vooral ook voor het behouden van een prettige leefkwaliteit en ecosysteem in de stad. In de duurzaamheidsstrategie van de gemeente Delft (2017) (en zoals opgenomen in de omgevingsvisie, zie paragraaf 3.5.1) wordt ingezet op behoud en het versterken van de biodiversiteit.
Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 27
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie maatregelen. Het concrete kader resulteert in een aantal maatregelen die gelden voor zowel nieuwbouw als voor renovaties. De maatregelen kunnen worden door vertaald naar diverse schaalniveaus en elementen. Er is onderscheid gemaakt in: Het inbouwen van specifieke voorzieningen voor specifieke (plant- en dier) soorten (bv. nestkasten voor mussen, insectenstenen). Gebouw gebonden ingrepen (bv. groene daken en gevels). Gebouw gebonden omgeving/buitenruimte (bv. (collectieve) tuinen op eigen perceel). Openbare ruimte (bv. pocketparks, natuurspeelplaatsen, bermen, wegen, taluds etc.). De gemeente heeft een puntensysteem ontwikkeld op basis van bovenstaande schaalniveaus, waarbij een integrale benadering is gegeven aan klimaatadaptatieve- en natuurinclusieve maatregelen ten behoeve van droogte, hitte en wateroverlast. Het puntensysteem maakt duidelijk welke type maatregelen gewenst zijn binnen de ruimtelijke context in de huidige situatie en de mogelijkheden van de nieuwbouw en renovatie. Het puntensysteem biedt richting en houvast, maar tegelijkertijd moet er ruimte zijn/blijven voor de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars. Om die reden is een (dynamische) lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelende partij of initiatiefnemer zelf een keuze kan maken.
De grootte van een project is bepalend voor welke eisen worden gesteld. Zo wordt bij een grootschalige ontwikkeling een grotere inspanning verwacht dan bij een kleinschalige (bouw)ingreep. Ook is er verschil in typologie van de bebouwing waarbij bij eengezinswoningen andere voorwaarden gesteld worden dan bij hoogbouw, mede afhankelijk van de kansen voor biodiversiteit en leefwijze van soorten. Als basisprincipe geldt dat de inzet op natuurinclusief bouwen en ontwikkelen hoger is naarmate een project een grotere omvang heeft. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen of gekozen wordt voor enkele waardevolle maatregelen (score 3 of meer) of realisatie van meerdere kleine maatregelen (score 1 en 2). Relatie tot ontwikkeling De footprint van de bebouwing in het plangebied bedraagt < 2.000 m2 en dit bestemmingsplan staat een bouwhoogte van maximaal 15 meter toe. Daarmee is het een middelgroot project en dienen de volgende punten minimaal behaald te worden: 4 punten voor maatregelen op de gevel/het dak; en 3 punten voor verblijven in gebouwen; en 4 punten voor de omgeving. Omdat in het plangebied zich geen omgeving c.q. openbare ruimte bevindt, is met gemeente Delft overeengekomen dat de punten voor de omgeving in beginsel moeten worden gecompenseerd op de gevel/het dak of de verblijven in gebouwen.
Opgemerkt wordt dat deze compensatie enkel hoeft plaats te vinden indien dit mogelijk en ecologisch zinvol is. Om te beoordelen of aan de vereiste puntentelling uit het 'Kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen' kan worden voldaan, is door Van der Goes & Groot een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijk te treffen maatregelen bij een eventuele planontwikkeling. Het onderzoek van Van der Goes & Groot is als bijlage 1 in deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek volgt dat, mits de te behalen punten voor de omgeving gecompenseerd kunnen worden bij de gevel/het dak en/of het verblijf, het mogelijk is om bij de herontwikkeling van de Paradijspoort aan de door de gemeente Delft gestelde doelen en voorwaarden voor wat betreft natuurinclusief ontwikkelen kan worden voldaan. In het onderzoek van Van der Goes & Groot worden hierbij diverse maatregelpakketten voorgesteld. Om te borgen dat bij een eventuele herontwikkeling ook daadwerkelijk wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van natuurinclusief bouwen, is in de Regels Paradijspoort C&A locatie van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat het gebruik van de gronden waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend voor het hoger bouwen dan de bestaande situatie (zoals gedefinieerd in artikel 1.14 van de Regels Paradijspoort C&A locatie, slechts is toegestaan indien wordt aangetoond dat in het plangebied voldaan wordt aan het minimum aantal punten voor natuurinclusief bouwen (gevel/dak, verblijven in gebouwen en omgeving (indien mogelijk gecompenseerd bij gevel/dak, verblijven in gebouwen)) zoals omschreven in hoofdstuk 3 van het rapport 'Paradijspoort 15 te Delft, ecologische versterking en ontwikkeling' dat als bijlage is opgenomen in de planregels. De natuurinclusieve maatregelen zullen bovendien duurzaam in stand moeten worden gehouden en er dient tenminste invulling te worden gegeven aan de realisatie en duurzame instandhouding van een groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) met een oppervlakte van tenminste 30 % van het bebouwde oppervlak. bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 28
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het 'Kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen' van gemeente Delft. 3.5.10 Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering In de in oktober 2022 vastgestelde beleidsregel "Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkelingen en herstructurering" worden de regels die als uitgangspunt worden gebruikt bij planvorming en die met betrokken partijen worden vastgelegd in schriftelijke afspraken. Dit document vormt daarmee een concretisering en uitwerking van zowel de gemeentelijke Klimaatadaptatie Strategie als het provinciale Convenant Klimaatadaptief Bouwen voor de Delftse situatie. In februari 2019 is de Klimaatadaptatie Strategie vastgesteld door de gemeenteraad. De strategie is vooral een visie op Klimaatadaptatie in Delft. De strategie uit 2019 gaat over heel Delft en over alle domeinen, dus zowel over de openbare ruimte als over private percelen (inclusief bebouwing). Ongeveer de helft van Delft is eigendom van burgers, corporaties en bedrijven. Een tweede onderscheid is tussen de bestaande stad en de nieuwbouwontwikkelingen.
Voor nieuwbouw is in 2018 in het kader van de verstedelijkingsalliantie door de provincie Zuid-Holland met verschillende partners het Convenant Klimaatadaptief Bouwen (https://bouwadaptief.nl) gesloten. De gemeente Delft heeft het convenant ook ondertekend, en werkt dit nu in deze beleidsregel uit voor de Delftse situatie. Daarmee wordt het beleidsthema klimaatadaptatie voor nieuwbouw in het beleid verankerd. Het doel van het convenant is het verminderen van (1) wateroverlast, (2) hittestress, (3) droogte en (4) bodemdaling en daarnaast het vergroten van de biodiversiteit (5). Onderdeel (6) “overstromingen” wordt niet nader uitgewerkt in de beleidsregel omdat dit is neergelegd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Aan de hand van deze thema’s worden de uitgangspunten die gewenst zijn alsmede de randvoorwaarden/spelregels beschreven. De spelregels zijn als beleidsregels van toepassing op alle nieuwbouwontwikkelingen, gebiedsontwikkelingen en herstructureringen. Bij afwijking van de eisen moet dit worden gemotiveerd en aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd. Bij de plantoetsing wordt door de ontwikkelende partij aangetoond op welke wijze aan de spelregels invulling is gegeven. Deze worden door de gemeente beoordeeld, in samenhang met andere eisen. De afwijkingen worden bestuurlijk geaccordeerd.
De in de nota opgenomen spelregels voor klimaatadaptatie vormen een eerste set als uitwerking van zowel de gemeentelijke strategie als het provinciale convenant. Rond klimaatadaptatie is nog niet alles bekend en afstemming op de lokale situatie moet soms nog plaats vinden (maatwerk). Maar het is in dit stadium belangrijker de eerste stappen te zetten. Dit betekent dat de spelregels op basis van ervaringen en nieuwe inzichten regelmatig zullen worden gemonitord, geëvalueerd en bijgesteld (“leren en versnellen”). De spelregels worden iedere 2 jaar geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Relatie tot ontwikkeling De planlocatie is gelegen in de binnenstad van Delft. Op dit moment is de planlocatie volledig verhard. Maatregelen binnen het plangebied kunnen bijdragen aan een klimaatadaptievere omgeving. In het kader van het voorkomen van wateroverlast geldt het navolgende aandachtspunt. De binnenstad van Delft is aangesloten op het boezemwater en is kwetsbaar als het water stijgt. Dit resulteert al snel in wateroverlast en schade in de lage delen van de binnenstad. Om de binnenstad weerbaarder te maken tegen plotselinge peilstijging van het boezemwater, zijn kantelstuwen aangelegd. Als er veel neerslag wordt verwacht, sluiten de stuwen de binnenstad af van de boezem. Door het vroegtijdig bemalen wordt er meer ruimte gemaakt voor de regen die in het centrum valt.
Dit systeem biedt echter geen garantie dat er niets kan gebeuren. Een ontwikkeling zoals Paradijspoort biedt bij uitstek een kans om in de dichtbebouwde binnenstad regenwater vast te houden daar waar het valt. Hiermee wordt voorkomen dat het direct de gracht in stroomt en voor overlast kan zorgen. Zo wordt Delft met de te treffen maatregelen op het gebied van waterberging weer een beetje weerbaarder tegen het veranderende klimaat. De benodigde waterberging bedraagt in lijn met de Delftse ambities en eisen voor klimaatadaptatie 70 mm. Voor het plangebied met een oppervlakte van 1.573 m2 betekent dit (1.573 m2 x 0,07 m1) 110 m3 bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 29
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie aan benodigde waterberging. Op dit moment wordt een mogelijke opzet voor een dergelijke waterberging in combinatie met natuurinclusieve maatregelen binnen het plangebied nader verkend. In de planregels is voorzien in een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat het gebruik van de gronden waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend voor het hoger bouwen dan de bestaande situatie (zoals gedefinieerd in artikel 1.14 van de Regels Paradijspoort C&A locatie) slechts is toegestaan indien in het plangebied waterberging van 110 m3 is gerealiseerd, in stand wordt gehouden en te allen tijde effectief beschikbaar wordt gehouden. Tot slot is in het onderzoek van Van der Goes & Groot ook een doorkijk gegeven naar de mogelijk te treffen maatregelen, teneinde bij een herontwikkeling van de locatie te voldoen aan de eisen uit het gemeentelijk beleid op het gebied van klimaatadaptatie. In het onderzoek is dan ook ingegaan op de betreffende beleidsregel. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.
Met betrekking tot de eis dat ter plaatse van de planlocatie intensief groen gerealiseerd wordt met een omvang van ten minste 50% van het oppervlak van dat perceel kan worden geconcludeerd dat vanwege de in de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting met betrekking tot natuurinclusief bouwen (zie ook paragraaf 3.5.9) reeds geborgd is dat een groot deel van de bebouwing van een groendak dan wel groene gevel worden voorzien, zodat aan deze eis kan worden voldaan. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het Delftse ambities en eisen ten aanzien van klimaatadaptatie.
bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 30
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten en onderzoek
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1
Algemeen
Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. 4.1.2
Relatie tot ontwikkeling
Het plangebied kent op basis van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – 3'. Op basis hiervan dient bij bodemingrepen die dieper reiken dan 200 cm onder maaiveld (tenzij een het een inpandige ontgraving betreft) en/of over een oppervlakte wordt uitgevoerd die kleiner is dan 50 m2 een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Vooralsnog worden geen bodemingrepen voorzien. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan overgenomen. Het plangebied is daarnaast gelegen in beschermd stadsgezicht. Voor de ontwikkeling die dit bestemmingsplan voorstaat, het verhogen van de bouwhoogte en daarmee extra planologische ruimte voor woningen creëren, geldt dat deze ontwikkeling geen afbreuk doet aan het beschermmd stadsgezicht. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van deze toelichting. In dit bestemmingsplan wordt de gebiedsaanduiding 'beschermd stadsgezicht' - net als in het geldende bestemmingsplan - op de verbeelding en in de regels opgenomen. 4.1.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan niet aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan in de weg.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Algemeen
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelig object en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 31
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Tabel 4.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. 4.2.2
Relatie tot ontwikkeling
Dit bestemmingsplan maakt ten opzichte van de huidige planologische situatie geen nieuwe functies mogelijk. Het creëert voornamelijk planologische ruimte voor het toevoegen van extra woningen op de verdiepingen van de bestaande bebouwing. In het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering kan derhalve gesteld worden dat dit bestemmingsplan, voor wat betreft dit onderdeel, consoliderend van aard is. Als gevolg van dit bestemmingsplan zullen omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering en aan de relevante richtafstanden uit de Staat van Bedrijfsactiviteiteiten dan wel aan de categorieën uit de Staat van Functiemenging (uit de VNG-publicatie) wordt voldaan. Immers, de bedrijven in de directe nabijheid van het plangebied betreffen allen categorie A-bedrijven. Hiervoor geldt dat deze op pandniveau gemengd kunnen worden met woningen. Van een belemmering van eventuele bedrijvigheid of hinder voor de (nieuwe) woningen is derhalve geen sprake. Daar komt bij dat voor het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld voor technische installaties, te allen tijde voldaan moet worden aan het Activiteitenbesluit. 4.2.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan in de weg.
4.3
Bezonning
4.3.1
Algemeen
Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terassen of speelplekken.Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. Voor bezonning en schaduwwerking gelden geen wettelijke normen. Om te toetsen of een ruimtelijke ontwikkeling zorgt voor een onaanvaardbare schaduwwerking wordt in Nederland doorgaans gerefereerd aan de 'lichte' TNO-norm voor bezonning. Deze norm schrijft ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag voor in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in het midden van de vensterbank binnenkant raam van een woonkamer.
bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 32
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie 4.3.2
Relatie tot ontwikkeling
Door SIM Studio is een bezonningsstudie uitgevoerd naar de bestaande en toekomstige situatie. De volledige bezonningsstudie is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hieronder worden de relevante resultaten nader toegelicht. In de bezonningsstudie is de bebouwing rondom het plangebied in kaart gebracht. Een weergave hiervan is op figuur 4.1 weergegeven.
Figuur 4.1 Luchtfoto plangebied, plangebied en omliggende bebouwing gearceerd Het rood omlijnde gebied betreft het plangebied. De geel omlijnde gebieden zijn de verschillende gebouwen met mogelijkheid tot wonen (op de verdiepingen). Op de begane grond van de verschillende functies zijn winkels gesitueerd. Deze geveldelen zijn daarom niet meegenomen in de analyse. Cluster 2 heeft alleen aan de oostzijde woningen, het overige deel heeft een commerciële functie. Voor de volledigheid zijn cluster 5 en 7 ook meegenomen in het onderzoek. Gezien de afstand tussen de bouwlocatie en cluster 5 zal het cluster geen verandering ondervinden. De woningen in cluster 7 zijn noordwest georiënteerde gevels. In de huidige situatie zijn er geen woningen in cluster 8. Cluster 8 is desondanks meegenomen, omdat conform het bestemmingsplan woningen op de verdiepingen zijn toegestaan. Uit de bezonningsstudie volgt dat clusters 2, 3, 4, en 6 in de toekomstige situatie voldoen aan de 'lichte' TNO-norm. Twee gevels in cluster 1 en 8 voldoen niet aan de 'lichte' TNO-norm. Daarnaast voldoen de noordwest georiënteerde gevels in cluster 5 en 7, zowel in de huidige als in de toekomstige situatie, niet aan de 2 uur bezonning. In cluster 1 gaat het om de bovenste verdieping van Paradijspoort 2 t/m 22. De bezonningstijd varieert over de lengte van de gevel.
Aan de noordzijde van de gevel is de minimale bezonning 1 uur en 52 minuten. De rest van de gevel heeft een bezonning van 1 uur en 44 minuten. De afname ten opzichte van de huidige situatie is ongeveer een half uur. Daarnaast wordt op maximaal 16 minuten na niet voldaan aan de 'lichte' TNO norm. Voor de noordwest georiënteerde gevels in cluster 5 geldt dat de voorgestelde ontwikkeling niet voor een afname van het aantal uren zorgt. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geldt dat deze bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 33
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie woningen niet voldoen aan de ‘lichte’ TNO-norm. Voor de noordwest georiënteerde gevels in cluster 7 geldt dat de voorgestelde ontwikkeling een kleine afname veroorzaakt van het aantal uren bezonning. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geldt dat deze woningen niet voldoen aan de ‘lichte’ TNO-norm. De enige verandering in het aantal bezonningsuren is rondom de dakrand (en derhalve niet ter plaatse van de ramen). Daarmee is deze verandering acceptabel. In cluster 8 gaat het om de west georiënteerde gevel van de Pynepoort 4 t/m 16. Opgemerkt dient te worden dat in de huidige situatie er zich geen woningen bevinden. Cluster 8 is meegenomen in de analyse omdat conform het bestemmingplan op de verdiepingen wonen toegestaan is. De bezonningduur van deze gevel in de toekomstige situatie is 1 uur en 37 minuten, wat 23 minuten korter is dan waar de 'lichte' TNO-norm vanuit gaat. Gezien er in de huidige situatie geen woonfunctie aanwezig is, is de afname voor de huidige situatie niet relevant. Verder is het niet duidelijk aan welke zijde eventueel de woonkamer wordt voorzien indien de verdiepingen bewoond gaan worden.
Aangezien sprake is van de ligging in een hoogstedelijke omgeving - waar de omliggende woningen ook in zijn gelegen - en het feit dat de gemeente Delft staat voor een flinke verstedelijkingsopgave waarbij voorzien moet worden in de grote vraag naar woningen, is de beperkte afname van bezonning acceptabel. 4.3.3
Conclusie
Het aspect bezonning staat niet aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan in de weg.
4.4
Bodem
4.4.1
Algemeen
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. 4.4.2
Relatie tot ontwikkeling
Wonen is in de toekomstige (planologische) situatie enkel toegestaan op de verdiepingen. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Toekomstige bewoners komen immers niet in aanraking met de grond. Daarnaast geldt dat wonen reeds is toegestaan op de planlocatie. Wanneer wordt voorzien in bouwwerkzaamheden waarbij grondroerende werkzaamheden worden verricht, dient een verkennend bodemonderzoek bij de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen worden overlegd. Dit vormt een wettelijk indieningsvereiste. 4.4.3
Conclusie
Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.5
Duurzaamheid
4.5.1
Algemeen
Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Duurzaamheid is een speerpunt van Delft. Delft werkt aan de ambitie om in 2050 een energieneutrale stad te zijn, zodat er dan geen CO2-emissies meer afkomstig zijn van fossiele energiebronnen. Hierop wordt ingezet door onder andere minder energie te gebruiken, duurzame energie op te wekken, minder afval te produceren en milieuvriendelijke materialen te gebruiken. Een duurzame leefomgeving maakt de gemeente niet alleen. Vandaar dat met het bedrijfsleven afspraken worden gemaakt over duurzaam bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 34
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie ondernemen. Zo wordt erop toegezien dat bedrijven, zorginstellingen en scholen energiebesparende maatregelen treffen. 4.5.2
Relatie tot ontwikkeling
Dit bestemmingsplan voorziet enkel in de planologische ruimte voor het realiseren van extra woningen op de planlocatie. Van een concreet bouwplan is nog geen sprake. Eventuele afspraken ten aanzien van duurzaamheid worden geregeld in de voor dit plan te sluiten anterieure overeenkomst. Voor het overige zal bij de nadere planuitwerking voldaan moeten worden aan het dan geldende (wettelijke) beleid ten aanzien van duurzaamheid. 4.5.3
Conclusie
Het aspect duurzaamheid staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. 4.6.2
Relatie tot ontwikkeling
Soortbescherming Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bestaand (winkel)pand mogelijk. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is derhalve een ecologische quickscan uitgevoerd om uit te wijzen of op de locatie (verblijfplaatsen van) beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn. De ecologische quickscan is uitgevoerd door Tritum Advies op 29 augustus 2019 en is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Uit de ecologische quickscan volgt dat nader onderzoek naar vleermuizen bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 35
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie noodzakelijk is. Overige (verblijfplaatsen van) beschermde soorten flora en fauna waren niet aanwezig. Ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot heeft in 2021 het nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Uit het nader onderzoek volgt dat in het plangebied geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen voorkomen. In het plangebied zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan de aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor leermuizen binnen het plangebied maakt verder slechts een klein deel uit van een groter foerageergebied en is geen 'essentieel' deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Het is gelet op voorgaande niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van de Wnb. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie hanteert geen externe werking als het gaat om het NNN, de Nee-tenzij toets is derhalve niet aan de orde. Het plangebied betreft tevens geen weidevogelleefgebied of een ander gebied dat is beschermd overeenkomstig het provinciale natuurbeleid.
Dergelijk beschermd gebied zal derhalve niet verloren gaan of aangetast worden. Het plangebied is verder op ruim 10 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" gelegen. Overige Natura 2000-gebieden zijn op een grotere afstand van de planlocatie gelegen. De nieuw toe te voegen woningen zullen te allen tijde aardgasvrij gerealiseerd moeten worden. Daarnaast zal, vanwege de ligging in autoluw gebied (zie ook paragraaf 4.10), de verkeersaantrekkende werking van het plan zeer beperkt zijn. Op basis van voorgaande in combinatie met de ruime afstand waarop het Natura 2000-gebied is gelegen, kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen significant negatief effect op het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" heeft. Volledigheidshalve is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 5 bij deze toelichting. Daaruit volgt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurinclusief bouwen Door Van der Goes & Groot is een studie uitgevoerd naar de te treffen natuurinclusieve maatregelen. Een en ander conform de eisen uit het gemeentelijk beleid, zoals eerder in paragraaf 3.5.9 van deze toelichting is opgenomen.
In de Regels Paradijspoort C&A locatie van dit bestemmingsplan is geborgd dat in de nadere uitwerking van dit plan wordt voorzien in de vereiste maatregelen, zoals beschreven in het rapport. De volledige studie is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting.
4.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Verder is ook het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) van kracht. Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 36
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. 2. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. 4.7.2
Relatie tot ontwikkeling
Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute, te weten de A13; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Figuur 4.1: uitsnede risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl) Hieronder wordt specifiek nog ingegaan op de risicovolle inrichting DSM en de Rijksweg A13 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Risicovolle inrichting DSM Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich de risicovolle inrichting DSM. Op de bedrijfsactiviteiten van DSM is het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo) van toepassing, het bedrijf valt daarmee onder de werking van het Bevi. De plaatsgebonden risicocontour voor DSM ligt op het eigen terrein. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 1.500 meter. Het plangebied valt hier (net) buiten. Transport van gevaarlijke stoffen Rijksweg A13 Ten noordoosten van het plangebied ligt de A13 ligt op meer dan 900 meter van het plangebied. Over deze weg worden licht ontvlambare gassen zoals LPG vervoerd (stofcategorie GF3). Uit het RNVGS en het basisnet blijkt dat de A13 een plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar (PR10-6) heeft van 17 meter gemeten vanaf het midden van de weg. Daarnaast ligt er aan weerszijden van de A13 een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het plangebied ligt niet binnen deze zone. Over de A13 vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen zoals bijvoorbeeld LPG en toxische gassen. Het invloedsgebied van de A13 wordt bepaald door het vervoer van deze toxische gassen en bedraagt 4.000 meter.
Het plangebied bevindt zich binnen dit invloedsgebied. Om de gevolgen van een calamiteit waarbij toxische stoffen vrijkomen te beperken dienen er voorzorgsmaatregelen te worden genomen. Er bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 37
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie wordt geadviseerd om bij de nieuw te bouwen gebouwen rekening te houden met eenvoudig te sluiten ventilatie om de gevolgen van de vrijgekomen toxische stoffen te beperken. Ramen en andere ventilatieopeningen moeten kunnen worden gesloten. Geadviseerd wordt om de gebouwen te voorzien van uitschakelbare (mechanische) ventilatie. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning ten aanzien van de nieuwbouw dient hier rekening mee te worden gehouden. Het bevoegd gezag dient conform het Bevt advies te vragen aan de veiligheidsregio in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. 4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Het bevoegd gezag dient conform het Bevt advies te vragen aan de veiligheidsregio in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid.
4.8
Geluid
4.8.1
Algemeen
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. 4.8.2
Relatie tot ontwikkeling
De ontwikkeling is gelegen binnen de geluidzone van de wegen Zuidwal en de St. Sebastiaansbrug. Door Tritium Advies is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de beoogde ontwikkeling, zie ook bijlage 6 van deze toelichting. In het akoestisch onderzoek is tevens aandacht besteed aan de nabijgelegen 30 km/uur wegen. De resultaten uit het onderzoek zijn hieronder samengevat weergegeven. Voor de 30 km/uur weg Gasthuislaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Voor de gezoneerde wegen Zuidwal en St. Sebastiaansebrug geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het weg- en tramverkeer de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Gelet op voorgaande wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder voldaan. Aangezien geen sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, is een onderzoek naar bronen overdrachtsmaatregelen of het vaststellen van hogere waarden niet aan de orde. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. 4.8.3
Conclusie
Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 38
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Algemeen
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: 1. woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; 2.
kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.9.2
Relatie tot ontwikkeling
In onderhavig geval is sprake van de realisatie van maximaal 50 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Op basis van de kaarten van Atlas Leefomgeving (2019) kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor NO2 24 µg/m3 bedraagt, voor PM10 19 µg/m3 bedraagt en voor PM2,5 10 µg/m3 bedraagt.
De grenswaarden van zowel fijnstof als stikstofdioxide worden derhalve niet overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. 4.9.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan in de weg.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte en -normering, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 39
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie 4.10.2 Relatie tot ontwikkeling Het toestaan van maximaal 50 woningen heeft mogelijk consequenties voor het aspect verkeer en parkeren. In dat kader is het relevant dat conform het huidige bestemmingsplan reeds diverse functies en woningen zijn toegestaan. Ten aanzien van de niet-woonfuncties gelden dezelfde regels als volgens het huidige bestemmingsplan. Aangezien het maximaal aantal woningen niet in de planregels van het huidige bestemmingsplan was vastgelegd was het in principe al mogelijk om ter plaatse 50 woningen te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan staat slechts een verruiming van de bouwmogelijkheden toe. Desondanks wordt in voorliggende paragraaf nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Parkeren In voorliggend bestemmingsplan is in de planregels een algemene bouwregel opgenomen waarmee wordt geborgd dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect parkeren, gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw, in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van auto's op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden. Er kan een omgevingsvergunning worden verleend wanneer op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien en deze in stand wordt gehouden.
De locatie is (in de huidige situatie) gedeeltelijk gelegen in een autoluw (plus) gebied en grenst aan een voetgangersgebied. In het mobiliteitsplan Delft 2040 is een gefaseerde uitbreiding van de autoluwe (plus) gebieden voorzien. Indien de uitbreiding van autoluwe (plus) gebieden plaatsvindt zoals in het mobiliteitsplan Delft 2040 is voorzien, komt de locatie geheel in een autoluw gebied te liggen. Indien sprake is van een entree van de nieuwe woningen in het autoluwe (plus) gebied (danwel een gehele ligging van de woningen binnen het autoluwe (plus) gebied), dan wordt aan bewoners geen parkeervergunning en geen bezoekersvergunning verleend. Uitgangspunt is namelijk dat de auto in deze gebieden zoveel als mogelijk wordt geweerd. Primair staat in deze gebieden voet-, fietsverkeer en bereikbaarheid via openbaar vervoer centraal. Dit betekent ook dat het in deze situatie niet vereist is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Indien bewoners ofwel bezoekers hun auto willen parkeren, zijn zij aangewezen op betaald parkeren tegen commerciëel tarief. De Zuidpoortgarage/parkeergarage Zuidpoort is bijvoorbeeld gelegen op een afstand van < 300 meter. De initiatiefnemer zal de toekomstige bewoners hierover informeren.
Inpandig zal een fietsenberging worden gerealiseerd, zodat voldoende ruimte wordt gerealiseerd voor de toekomstige bewoners (en bezoekers) om hun fietsen te stallen. Indien van complete nieuwbouw wordt uitgegaan, wordt vooraf aan het ontwerpproces met de gemeente verkend of zich kansen aandienen met betrekking tot de ruimtelijke en gebruikskwaliteit van de omgeving. Zo kan een openbare fietsenstalling of ruimtelijke verbetering bij de Achtersack kansrijk zijn. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van een worstcase-situatie. De uitgangspunten hiervoor zijn als volgt: parkeren geschiedt volledig op eigen terrein en de kencijfers voor middeldure koopappartementen uit de CROW zijn gehanteerd (zeer sterk stedelijk, ligging centrum). Wanneer 50 woningen gerealiseerd zullen worden, dan zal sprake zijn van relatief kleine appartementen (in de anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar ligt overigens wel een ondergrens voor het gebruiksoppervlak vast door te bepalen dat sprake is van een gebruiksoppervlak van tenminste 50 m2 per appartement). Het kan zowel gaan om huur- als koopappartementen. De kengetallen voor de verkeersaantrekkende werking van dure huurappartementen zijn vergelijkbaar met middeldure koopappartementen. De kengetallen voor goedkope koopappartementen en goedkope/middeldure huurappartementen vallen lager uit.
Alleen de kengetallen voor dure koopappartementen vallen hoger uit. Wanneer dure koopappartementen gerealiseerd worden, dan zullen er echter grotere en minder appartementen worden gerealiseerd. Gezien voorgaande zijn de kengetallen voor middeldure koopappartementen/dure huurappartementen representatief voor de te verwachten maximale verkeersaantrekkende werking. Het gemiddelde kencijfer betreft in dat geval 3,3 verkeersbewegingen per woning. In totaal komt dit neer op een verkeersgeneratie van 165 verkeersbewegingen per etmaal. Naar verwachting kan deze verkeersgeneratie - als deze worstcase situatie zich voordoet - goed worden opgevangen door de huidige ontsluiting. bestemmingsplan "Paradijspoort C&A locatie" (vastgesteld) 40
bestemmingsplan Paradijspoort C&A locatie Ontsluiting De bereikbaarheid van langzaam verkeer is goed te noemen. De locatie is (in de huidige situatie) gedeeltelijk gelegen in een autoluw (plus) gebied en grenst aan een voetgangersgebied. In het mobiliteitsplan Delft 2040 is een gefaseerde uitbreiding van de autoluwe (plus) gebieden voorzien. Indien de uitbreiding van autoluwe (plus) gebieden plaatsvindt zoals in het mobiliteitsplan Delft 2040 is voorzien, komt de locatie geheel in een autoluw (plus) gebied te liggen. De autoluwe (plus) gebieden, die voor gemotoriseerd verkeer slechts bereikbaar zijn via pollers, hebben geen parkeervoorzieningen en zijn alleen toegankelijk voor beperkt bestemmingsverkeer (laden en lossen of voor bewoners die hun parkeervoorziening op eigen terrein willen bereiken en hiervoor beschikken over een ontheffing). Bewoners en bezoekers parkeren daarbij hun auto in het gebied direct buiten het voetgangersgebied. Gemotoriseerd verkeer wordt (in de huidige situatie) voornamelijk ontsloten via de route Zuidwal, Ezelsveldlaan, Kruisstraat, Achtersack. Het treinstation is op een afstand van circa 600 meter gelegen vanaf het plangebied en is daarmee zowel lopend als per fiets goed bereikbaar. Via dit station zijn zowel Den Haag als Rotterdam met de trein bereikbaar.