CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

2120382 Voorzitter kamer II en III Adviescommissie voor Bezwaarschriften - reactie op voorstel verordening bezwaarschriften

Raadsvergadering 18 november 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake vaststelling verordening behandeling bezwaarschriften Delft (nr. 2116329)4.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de leden van de gemeenteraad van Delft

Datum

Onderwerp

17 mei 2021

Verordening behandeling bezwaarschriften

Geachte leden van de gemeenteraad, Op 22 april 2021 heeft het college bij u een voorstel tot het vaststellen van een Verordening behandeling bezwaarschriften ingediend. Bij de voorbereiding van dit voorstel zijn onder meer de kamervoorzitters van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (commissie) in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over een conceptvoorstel te geven. Van deze gelegenheid heeft de kamervoorzitter van kamer II en kamer III op 3 december 2020 gebruik gemaakt. De zienswijze is deels overgenomen. Voor zover de zienswijze niet is overgenomen, is daarvoor in het voorstel geen (overtuigende) motivering gegeven en heeft evenmin een terugkoppeling plaatsgevonden, met argumenten voor handhaving van de in het conceptvoorstel gemaakte keuzes. In de bijgevoegde notitie treft u tips en suggesties aan voor verbetering van het voorstel. Het gaat daarbij alleen om de artikelen die voor het werk van de onafhankelijke commissie van belang zijn en dus niet om hoofdstuk 4 (procedure ambtelijk horen). Wellicht ziet het college in de tips en suggesties aanleiding om een aangepast voorstel in te dienen of ziet u, in het kader van de behandeling van het voorstel in de raadsvergadering, daarin aanleiding om amendementen in te dienen. Hoogachtend,

mr. R.J.R. Hazen, Kamervoorzitter van Kamer II en Kamer III, mede namens P.H.J. Bleeker en mr. P. Oudkerk, leden van Kamer II, en mr. T.H. Disselkoen-van Raalte en mr. R.V.G. van Leeuwarden, leden van Kamer III.

1

NOTITIE Artikel 1 Begripsbepalingen Uit (de bepalingen van) de conceptverordening blijkt niet van een behoefte aan, of specifieke taken van, een voorzitter, naast de kamervoorzitters. Voor uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld het geven van een toelichting op het jaarverslag tijdens de raadscommissievergadering, kunnen de kamervoorzitters afspraken maken over wie naar buiten toe optreedt. Dat betekent dat het niet nodig is om de voorzitter als rechtsfiguur in de verordening te handhaven. U kunt onderdeel b uit artikel 1 schrappen. Artikel 2 Bevoegdheid commissie Wat in lid 2 staat, is niet volledig, omdat de commissie niet alleen het verwerend orgaan hoort, maar ook de indiener van het bezwaarschrift en eventuele andere belanghebbenden. Verder is een verwijzing naar artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht hier overbodig. in vergelijking met de huidige verordening is lid 3 behoorlijk ingekort. Met het nieuwe onderdeel b is beoogd om het huidige lid 4 te handhaven. In dat onderdeel is dat echter niet correct opgeschreven, omdat een bezwaarschrift niet wordt ingediend tegen een verzoek om vergoeding van de kosten, maar dat verzoek in het bezwaarschrift zelf wordt gedaan. U zou lid 2 en lid 3 anders kunnen opschrijven. Bijvoorbeeld: 2.

De commissie hoort belanghebbenden en het verwerend orgaan en adviseert het verwerend orgaan over de te nemen beslissing op een bezwaarschrift. 3. De commissie is niet bevoegd ten aanzien van: a) een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een besluit betreffende gemeentelijke belastingen of waardering onroerende zaken; b) een verzoek om vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de wet. Artikel 3 Kamers Met het voorstel wordt kamer III opgeheven. Wat is daarvoor de rechtvaardiging? Ontstaat er een probleem bij het voortbestaan van kamer III? Zo ja, wat is dat probleem, waaruit blijkt dat en waarom is de samenvoeging met kamer I de oplossing hiervoor? Alle leden van de commissie hebben ooit gesolliciteerd naar het lidmaatschap van een specifieke kamer en zijn vervolgens benoemd vanwege hun expertise op het rechtsgebied van die kamer. Dat betekent dat leden van kamer III niet zonder meer geschikt zijn of zijn bevonden voor het werkgebied van kamer I en, omgekeerd, dat leden van kamer I ook niet zonder meer geschikt zijn of zijn bevonden voor het werkgebied van kamer III. De voorgestelde herstructurering van de kamers kan leiden tot een aantasting van de kwaliteit van de commissie.

2

In het algemeen deel van de toelichting bij de conceptverordening is ter motivering van de beoogde herstructurering het volgende vermeld: (…). De samenvoeging van de kamers vergemakkelijkt de bemensing, onderlinge vervanging en draagt bij aan de standaardisatie en efficiency van het gehele werkproces (bijvoorbeeld voor wat betreft de intervallen en het gereed hebben van stukken). Met deze samenvoeging wordt ook een meer evenredige verdeling van zaken gerealiseerd. In veel andere gemeenten is een dergelijke indeling in twee kamers, één voor sociale vraagstukken en één voor de overige, gebruikelijk.

In de artikelsgewijze toelichting is daaraan het volgende toegevoegd: (…). Hiermee wordt gestreefd naar een meer gelijkmatige verdeling van de instroom van zaken. Daarnaast wordt hierdoor een herstructurering doorgevoerd die ook doorwerkt in de voorbereiding, bemensing en planning van zaken en zittingen (hiervoor kan, bijvoorbeeld, in het vervolg één vaste zittingsdag worden aangehouden). Bij het inplannen van de zittingen wordt rekening gehouden met de expertise van de leden.

Deze motivering is niet overtuigend. Wat betreft de door het college bedoelde bemensing en onderlinge vervanging is van belang dat het college de mogelijkheid heeft om een voldoende aantal leden in iedere kamer te laten benoemen. (Zie hiervoor ook de opmerkingen bij het nieuwe artikel 4.) Voor die bemensing en onderlinge vervanging heeft een kamer geen leden van een andere kamer nodig. Verder draagt samenvoeging van kamer I en kamer III niet bij aan een standaardisatie of efficiency van het werkproces. Er is geen verband tussen die onderwerpen en de structuur van de commissie. Wat betreft de door het college bedoelde evenredige verdeling van zaken is van belang dat kamer III, anders dan bijvoorbeeld kamer II, vaak te maken heeft met relatief bewerkelijk zaken, waardoor een hoorzitting in kamer III met in totaal 2 of 3 bezwaarschriften vaak vergelijkbaar is met een hoorzitting in kamer II met 4 tot 6 bezwaarschriften. Het in vergelijking tot kamer I en kamer II geringe aantal door kamer III te behandelen zaken is daargelaten dat uit het laatste jaarverslag blijkt van een stijgende lijn in dat aantal - niet relevant. Verder is het, anders dan het college stelt, na de samenvoeging van kamer I en kamer III niet mogelijk om bij het inplannen van hoorzittingen rekening te houden met de expertise van de leden.

Het zittingenrooster, met daarop de data van de hoorzittingen en de namen van bij de hoorzittingen betrokken kamervoorzitters en leden, wordt maanden van tevoren vastgesteld. Vervolgens wordt ongeveer twee weken vóór een hoorzitting de agenda met de op die hoorzitting te behandelen bezwaarschriften vastgesteld. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar de ouderdom van de bezwaarschriften in de voorhanden zaken. Met het oog op de wettelijke beslistermijnen is het niet mogelijk om de behandeling van een bezwaarschrift aan te houden tot iemand (kamervoorzitter of lid) met een specifieke deskundigheid zitting heeft. 3

Ten slotte wordt opgemerkt dat Nederland momenteel in 352 gemeentes is ingedeeld en dat er inderdaad voorbeelden zijn van gemeentes met een uit twee kamers bestaande onafhankelijke bezwaarschriftencommissie, net zoals er ook veel gemeentes zijn zonder een bezwaarschriftencommissie, of gemeentes met een bezwaarschriftencommissie zonder indeling in kamers of met een indeling in drie, vier of nog meer kamers. De door het college gestelde situatie in andere gemeentes is geen zelfstandig argument om de sinds jaar en dag bestaande situatie in Delft te veranderen. Gelet op het voorgaande is het niet noodzakelijk en niet wenselijk om kamer III op te heffen en haar zaken bij kamer I onder te brengen. De door het college beoogde herstructurering biedt alleen nadelen en geen voordelen. U zou het voorgestelde artikel 3 daarom als volgt kunnen wijzigen: De commissie heeft drie kamers: a) b) c)

kamer I, belast met zaken op het gebied van bouwen, wonen en verkeer; kamer II, belast met zaken op het gebied van werk, inkomen en zorg: Kamer III, belast met zaken anders dan die van kamer I en kamer II.

Artikel 4 Samenstelling van de commissie In lid 1 is het onderscheid tussen de samenstelling van de kamer en de hoorzitting miskend. Bij de hoorzitting zijn, naast de (plaatsvervangend) kamervoorzitter, slechts twee leden aanwezig, maar de kamer bestaat uiteraard uit meer dan twee leden die in die kamer zijn benoemd. Zie ook het laatste jaarverslag. Daaruit blijkt dat de drie kamers van de commissie op dit moment uit achtereenvolgens 5, 6 en 5 leden bestaan, inclusief de kamervoorzitters. Verder kan lid 2 kan vervallen. Zie het voorstel bij artikel 1. Lid 4 en lid 5 hebben betrekking op hetzelfde onderwerp. Wellicht is het mogelijk om ze samen te voegen. Met het oog op de leesbaarheid kan een opsomming (a, b, c en d) worden gegeven. Zo is het ook in de huidige verordening gedaan. Overigens is het in lid 4 niet nodig om een lid van het college te vermelden. Dat is immers een in lid 5 bedoeld lid van een bestuursorgaan. Verder ontbreekt in de opsomming in lid 5 de ambtenaar in dienst van de gemeente Delft. U zou artikel 4 als volgt kunnen wijzigen: 1. Elke kamer van de commissie bestaat uit een kamervoorzitter en ten minste twee leden. 2. De leden van een kamer zijn plaatsvervangend kamervoorzitter van de kamer waarin zij zijn benoemd. 3. Tot kamervoorzitter of tot lid van een kamer worden niet benoemd: a.

een lid van een raadscommissie of bestuurscommissie of een persoon die werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van een raadscommissie of bestuurscommissie;

4

b. de griffier of een medewerker van de griffie; c. een lid van een bestuursorgaan of een ambtenaar in dienst van de gemeente Delft; d. een lid van een orgaan dat is opgericht door middel van een gemeenschappelijke regeling, waaraan de gemeente Delft deelneemt, of een ambtenaar in dienst van dat orgaan. 4. De in het derde lid bedoelde personen worden evenmin tot kamervoorzitter of lid van de commissie benoemd, indien nog geen vier jaren zijn verstreken na het einde van hun benoeming of aanstelling in die hoedanigheid of functie. 5. Indien een kamervoorzitter of lid van de commissie een met het werk van de commissie onverenigbare betrekking als bedoeld in het derde lid aanvaardt, zal het college hem ontslag verlenen. Artikel 5. Benoeming, termijnen en ontslag Lid 1 In lid 1 kunt u ‘De voorzitter’ schrappen. Zie de opmerkingen bij artikel 1. Overigens wordt de voorzitter ook in de huidige verordening niet als zodanig benoemd. De kamervoorzitter van kamer I is in de huidige verordening immers van rechtswege voorzitter van de commissie. In de laatste volzin van lid 1 is vermeld dat herbenoeming niet vanzelfsprekend is en afhankelijk van het functioneren is. Dit roept de vraag op, gegeven de onafhankelijke positie van de commissie, door wie dat functioneren wordt beoordeeld en welke criteria daarbij van toepassing zijn.

Indien de laatste volzin blijft staan (en niet wordt verplaatst naar de toelichting), is het in ieder geval wenselijk dat in de toelichting wordt vermeld dat het functioneren wordt beoordeeld door diegenen met wie de betrokkene heeft samengewerkt. Dat zijn niet alleen de secretarissen, maar, bij het functioneren van de kamervoorzitter, ook de leden van de betreffende kamer en, bij het functioneren van de leden, de kamervoorzitter en de overige leden van de desbetreffende kamer. Verder zouden de kamervoorzitters in een voorzittersoverleg beoordelingscriteria kunnen vaststellen. In de artikelsgewijze toelichting bij de conceptverordening is vermeld dat met de maximale termijn van acht jaar onder meer de integriteit en onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Hiermee wordt gesuggereerd dat de duur van de aanstelling een negatieve invloed op de integriteit en onafhankelijkheid van een kamervoorzitter of lid van de commissie heeft. Dit is uiteraard niet het geval. U wordt verzocht om bewuste volzin, ter voorkoming van onnodige misverstanden, uit de artikelsgewijze toelichting te (laten) verwijderen. Lid 2 In vergelijking met de huidige verordening is de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van kamervoorzitters en leden overgedragen aan het college en beslist de raad hierover alleen nog in het uitzonderlijke geval van lid 7.

In de artikelsgewijze toelichting is ter motivering van deze wijziging het volgende

5

vermeld: (…). Het tweede lid beschrijft dat de voorzitter, de kamervoorzitter en de leden door het college worden benoemd en op eigen verzoek ontslagen. De raad ontvangt van deze besluiten een afschrift. Deze handelswijze past binnen de gebruikelijke bestuurspraktijk, waarin het dagelijks bestuur verantwoordelijk is voor het personeelsbeleid. Het orgaan dat benoemt is hiermee ook het orgaan dat ontslag verleent. Indien sprake is van gevoeligheden ten aanzien van dit onderwerp, wordt de raad zo nodig geïnformeerd of geraadpleegd. Voor het uitzonderlijke geval dat ontslag wegens disfunctioneren van een commissielid aan de orde is, blijft de raad bevoegd.

Deze wijziging berust dus blijkbaar op de veronderstelling dat de onafhankelijke kamervoorzitters en leden van een externe bezwaarschriftencommissie tot het personeel van de gemeente behoren. Dat klopt niet. Ook overigens is niet duidelijk wat er mis is met het handhaven van de huidige regeling, waarbij kamervoorzitters en leden, op voorstel van het college, door de raad worden benoemd. Lid 3 In vergelijking met de huidige verordening is lid 3 (‘De kamervoorzitter, de voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van het aftreden van de Gemeenteraad.’) nieuw. Niet duidelijk is wat het doel en het nut van deze wijziging is. In de artikelsgewijze toelichting ontbreekt op dit punt een toelichting. U zou lid 3 kunnen schrappen. Lid 4 In vergelijking met de huidige verordening is lid 4 (‘De aftredende of ontslag nemende kamervoorzitter, voorzitter en leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.’) nieuw. Hiermee wordt miskend dat een kamervoorzitter of lid na het einde van de benoemingstermijn of na ontslag niet meer in functie is en dus juridisch niet meer bevoegd is om als kamervoorzitter of lid te fungeren. Dit probleem wordt in de praktijk opgelost door diegene niet meer kort vóór het einde van de benoemingstermijn aan een hoorzitting te laten deelnemen en door op tijd een vervanger te benoemen.

U zou lid 4 kunnen schrappen. Lid 5 In vergelijking met de huidige verordening is lid 5 (‘De kamervoorzitter, de voorzitter en de leden van de commissie kunnen op ieder moment ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college.’) nieuw. Met het oog op het hiervoor vermelde probleem, waarvoor lid 4 geen oplossing biedt, is het niet onverstandig om een opzegtermijn te verbinden aan de mogelijkheid van het nemen van ontslag. Op die manier komt de continuïteit van de werkzaamheden van de commissie niet in gevaar. Lid 6 In vergelijking met de huidige verordening is lid 6 (‘De kamervoorzitter, de voorzitter en de leden van de commissie overleggen voorafgaand aan hun benoeming en herbenoeming een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan drie maanden.’) nieuw. Waarom wordt de eis van een

6

verklaring omtrent gedrag (VOG) gesteld? Zijn er in het verleden problemen geweest met kamervoorzitters of leden met een dubieus verleden? Overigens kost een VOG bij de gemeente Delft momenteel € 33,85 (bij een aanvraag online) of € 41,35 (bij een aanvraag bij de gemeente). Uit lid 6 valt af te leiden dat de betrokkene bij herbenoeming een nieuwe VOG moet aanvragen. Uit (de toelichting op) het voorstel blijkt niet dat de gemeente bereid is om deze kosten te vergoeden. U zou lid 6 kunnen schrappen. Gelet op het voorgaande zou u artikel 5 als volgt kunnen wijzigen: 1. De kamervoorzitters en de leden van de commissie worden door de raad benoemd, op voorstel van het college, voor een periode van vier jaar. Zij kunnen een keer worden herbenoemd voor een periode van vier jaar. Hiervan kan in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. 2. De kamervoorzitters en de leden van de commissie kunnen op ieder moment ontslag nemen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twee maanden. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college. 3. De raad kan, op voorstel van het college, een kamervoorzitter of lid van de commissie vóór het einde van de benoemingstermijn ontslag verlenen wegens het niet naar behoren functioneren.

Vóór het voorstel wordt gedaan, wordt de betrokken persoon en wordt, indien diegene lid van de commissie is, ook de kamervoorzitter in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven. Artikel 6. Vergoedingen (plaatsvervangende) leden en voorzitters U zou ‘de voorzitter’ uit lid 4 kunnen schrappen. Dat heeft hier geen toegevoegde waarde. Artikel 7. Bemiddeling en alternatieve geschillenoplossing Dit artikel is hier, gezien de titel van hoofdstuk 3 (‘Procedure behandeling door commissie’), een vreemde eend in de bijt. Blijkbaar is bedoeld om de commissie op te dragen niet tot behandeling van de zaak over te gaan voordat het verwerend orgaan onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor een alternatieve oplossing. In hoofdstuk 3 ontbreekt verder een artikel dat vergelijkbaar is met het huidige artikel 12 (‘Het verwerend orgaan legt met het bezwaarschrift alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de commissie over.’). Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt onder de op de zaak betrekking hebbende stukken verstaan: alle stukken die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. In de Delftse praktijk is gebleken dat het huidige artikel 12 soms niet in acht wordt genomen en dat de commissie daardoor geen volledig dossier heeft ontvangen.

Daarom is het wenselijk om deze bepaling ook in de nieuwe verordening te vermelden. U zou de aanhef c.q. koptekst van artikel 7 kunnen wijzigen in: 7

Artikel 7. Overleggen op de zaak betrekking hebbende stukken. Verder zou u de tekst van artikel 7 als volgt kunnen wijzigen: Het verwerend orgaan zendt het bestreden besluit, het bezwaarschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken naar de commissie. Daaraan voorafgaand mag het verwerend orgaan onderzoek doen naar de mogelijkheden voor een alternatieve oplossing van het geschil. Indien deze oplossing niet wordt bereikt, wordt de zaak in behandeling genomen door de commissie, waarbij het verwerend orgaan een schriftelijke toelichting op zijn standpunt kan indienen. Artikel 8. Inlichtingen inwinnen Geen opmerkingen. Artikel 9. Bevoegdheden kamervoorzitter In artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: (a) het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, (b) het bezwaar kennelijk ongegrond is, (c) de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, (d) de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of (e) aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Bij de toepassing van dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de vraag wie (de kamervoorzitter of de secretaris) bepaalt of een zich in dit artikel bedoelde situatie voordoet en de vraag op welke wijze (door middel van een advies van de commissie of door middel van een conceptbeslissing van de secretaris) de beslissing op bezwaar wordt voorbereid. Wat betreft de eerste vraag is in artikel 9 onder a en artikel 10 lid 1 onder b een bevoegdheidsverdeling gemaakt. Die verdeling is, gezien de gemaakte keuze voor behandeling van het bezwaarschrift door een onafhankelijke commissie, niet correct. Beslissingen over het niet-horen kunnen in voorkomende gevallen aan de inhoud raken. Dat geldt ook voor het oordeel of het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is (a) en voor het oordeel of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad (e). In die gevallen is het niet correct als de secretaris (ambtenaar van de gemeente) die beslissing neemt, maar is het wenselijk dat de commissie (kamervoorzitter) in de gelegenheid wordt gesteld om te bezien of de secretaris de situatie goed heeft ingeschat.

Wel kan de secretaris zelfstandig bepalen of de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord (c) en of de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat hij gebruik wil

8

maken van het recht om te worden gehoord (d). Dat zijn immers feitelijke kwesties. Wat betreft de tweede vraag valt uit artikel 10 lid 2 af te leiden dat (slechts) in de onder (a) en (e) bedoelde gevallen door de secretaris een conceptbeslissing wordt voorbereid en dat in de overige gevallen een advies aan de commissie wordt gevraagd. Deze taakverdeling is correct. U zou artikel 9 als volgt kunnen wijzigen: De kamervoorzitter beoordeelt: a) of de in artikel 7:3, aanhef en onder a, b of e, van de wet bedoelde situatie zich voordoet; b) of geheimhouding om gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 7:4, zesde lid, en artikel 7:6, tweede en vierde lid, van de wet, geboden is. Artikel 10. Bevoegdheden secretaris Onder verwijzing naar de hiervoor gemaakte opmerkingen bij artikel 9 en de hierna nog te maken opmerkingen bij artikel 11 zou u artikel 10 als volgt kunnen wijzigen: 1. De secretaris kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de wet. 2. De secretaris stelt de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid een verzuim, als bedoeld in de artikelen 6:5 en 6:6 van de wet, binnen een bepaalde termijn te herstellen. 3. De secretaris ziet erop toe dat partijen de op de zaak betrekking hebbende stukken vóór het horen kunnen inzien als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de wet. 4.

De secretaris beoordeelt of de in artikel 7:3, aanhef en onder c en d, van de wet bedoelde situatie zich voordoet. 5. Bij toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a en e, van de wet stelt de secretaris de conceptbeslissing op bezwaar op en stuurt deze naar het verwerend orgaan. , Artikel 11. Hoorzitting Lid 2 Tijdens de coronacrisis is ervaring opgedaan met het houden van hoorzittingen per telefoon en videohoorzittingen. Dit scheelt reistijd van de procesdeelnemers en is daardoor efficiënt. Dat neemt niet weg dat de inhoudelijke behandeling van een bezwaarschrift in het grootste deel van de gevallen beter zal verlopen bij rechtstreeks persoonlijk contact van de procesdeelnemers tijdens een fysieke hoorzitting. Bij een hoorzitting per telefoon of videohoorzitting is de communicatie gebrekkig en komt bepaalde non-verbale communicatie niet over. Fysieke interacties zijn veel rijker aan informatie dan beeldinteracties of auditieve interacties en dragen bij aan het gevoel dat het om een echte zitting gaat. Verder heeft niet iedereen een goede internetverbinding met bijbehorende apparatuur en is het moeilijk om via een hoorzitting per telefoon of videozitting bewijsmateriaal over te

9

leggen. Het uitgangspunt moet zijn dat hoorzittingen zo veel mogelijk fysiek plaatsvinden. In het bijzonder bij kwetsbare partijen en/of complexe dossiers is dat belangrijk voor een goede behandeling van de zaak. Verder zijn er gevallen waarin het echt nodig is om elkaar in de ogen te kunnen kijken en de belanghebbende zich gehoord weet. In de praktijk wordt de beslissing over het houden van de hoorzitting per telefoon of videoververbinding nu, tijdens de coronacrisis, genomen door de kamervoorzitter. Het is niet wenselijk dat, in afwijking van de praktijk, die beslissing in de toekomst door de secretaris wordt genomen. Dat in lid 2 is bepaald dat de beslissing in overleg met de kamervoorzitter wordt genomen, is niet voldoende. De secretaris zou dan immers kunnen afwijken van de zienswijze van de kamervoorzitter. Dat is niet wenselijk. U zou lid 2 als volgt kunnen wijzigen: 2. Indien de zaak daarvoor geschikt is, kan de kamervoorzitter, met instemming van belanghebbende(n) en het verwerend orgaan, bepalen dat de hoorzitting per telefoon of per videoverbinding wordt gehouden. Lid 5 Dit artikellid (‘De secretaris stelt de indiener in de gelegenheid het verzuim, genoemd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de wet binnen een bepaalde termijn te herstellen.’) hoort thuis bij de regels over het vooronderzoek en niet bij de regels over de hoorzitting.

U zou dit artikellid naar artikel 10 kunnen verplaatsen. Lid 6 Dit artikellid (‘De secretaris ziet erop toe dat partijen de op de zaak betrekking hebbende stukken vóór het horen kunnen inzien.’) ziet op de verplichting van 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht en is een doublure ten opzichte van artikel 10. Dit artikellid hoort eveneens thuis bij de regels over het vooronderzoek. Lid 8 In de eerste volzin is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het horen geschiedt door de plaatsvervangend kamervoorzitter en twee leden. Verder is de tweede volzin in strijd met artikel 7:13 lid van de Algemene wet bestuursrecht (en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over die bepaling). Uitsluitend de (uit drie personen bestaande) commissie (en niet de kamervoorzitter) kan de in de tweede volzin bedoelde beslissing nemen. U zou lid 8 als volgt kunnen wijzigen: 8. Het horen geschiedt in beginsel door de (plaatsvervangend) kamervoorzitter en twee leden van de commissie. Zij kunnen beslissen dat

10

het horen geschiedt door alleen de (plaatsvervangend) kamervoorzitter of de (plaatsvervangend) kamervoorzitter en een lid van de commissie. Artikel 12. Verzoek om uitstel hoorzitting Volgens artikel 16 lid 3 van de huidige verordening beslist de voorzitter over een verzoek om aanhouding. Uit het nieuwe artikel 12 volgt dat de secretaris beslist. Dat laatste is niet wenselijk. Dit is van oudsher immers een bevoegdheid van de kamervoorzitter en er is geen reden om dat te veranderen. U zou het nieuwe artikel 12 als volgt kunnen wijzigen: Een verzoek om uitstel van de hoorzitting moet worden gemotiveerd en moet worden ingediend bij de secretaris. De kamervoorzitter beslist of het verzoek wordt ingewilligd. Artikel 13. Niet deelnemen aan de behandeling Geen opmerkingen. Artikel 14. Openbaarheid hoorzitting Geen opmerkingen. Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging Geen opmerkingen. Artikel 16. Nader onderzoek Geen opmerkingen. Artikel 17. Beraadslaging en advisering De in lid 2 bedoelde beslissing over het advies wordt gegeven door de in artikel 11 lid 8 bedoelde (plaatsvervangend) kamervoorzitter en leden. In dat opzicht heeft lid 2 geen toegevoegde waarde. Daarnaast laat dat lid de mogelijkheid open dat de beslissing over het advies wordt genomen door personen (kamervoorzitter of andere leden) die niet bij de hoorzitting betrokken zijn geweest. Dat is niet toegestaan.

Daarom is het beter om lid 2, ter voorkoming van misverstanden, te schrappen. In vergelijking met het huidige artikel 20 wordt hier zowel lid 4 (‘Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid dat verlangt.’) als lid 6 (‘Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend.’) gemist. Lid 4 is geschrapt en lid 6 is naar het nieuwe artikel 18 verplaatst. Binnen de commissie wordt het bestaan van de mogelijkheid om een minderheidsstandpunt in te nemen als waardevol gezien. In de praktijk is van die mogelijkheid ook wel eens gebruik gemaakt. Daarom is het wenselijk dat deze mogelijkheid blijft bestaan. Verder hoort de bepaling over de ondertekening van het advies in artikel 17 te staan.

11

U zou zowel in artikel 17 als in artikel 18 de chronologische volgorde van de handelingen kunnen aanhouden. Dat leidt voor artikel 17 tot de volgende tekst: 1. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het advies. 2. Het advies wordt vastgesteld bij meerderheid van stemmen. 3. Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid dat verlangt. 4. Het advies is gemotiveerd en bevat een voorstel aan het verwerend orgaan voor de te nemen beslissing op het bezwaar. 5. Het advies wordt door de kamervoorzitter en de secretaris ondertekend. Artikel 18. Uitbrengen advies en beslissing op bezwaar Onder verwijzing naar de opmerkingen bij artikel 17 wordt voorgesteld om lid 3 hier te schrappen. Artikel 19. Vervolgprocedures Geen opmerkingen. Artikel 20. Jaarverslag Geen opmerkingen. Artikel 28. Intrekken oude verordening en overgangsrecht Op grond van de opmerkingen bij de artikelen 1 en 3 zou u artikel 28 als volgt kunnen wijzigen: 1. De Verordening Adviescommissie voor bezwaarschriften Delft, vastgesteld op 23 september 2010, wordt ingetrokken. 2. De kamervoorzitters en leden die bij inwerkingtreding van deze verordening deel uitmaken van de Adviescommissie voor bezwaarschriften, worden aangemerkt als kamervoorzitters en leden van de commissie, als bedoeld in artikel 4. 3.

De in het tweede lid genoemde personen komen voor herbenoeming in aanmerking, indien zij voldoen aan de vereisten van de artikelen 4 en 5. 4. De al verstreken benoemingstermijn van de kamervoorzitters en leden van de commissie onder de verordening van 23 september 2010, als bedoeld het eerste lid, wordt meegenomen bij de bepaling van de termijn, als bedoeld in artikel 5, eerste lid.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10135178/1