2. Gewijzigd Bestemmingsplan Schieoevers Noord (KD en NH) toelichting regels bijlagen bij de regels
Tekst van het document
bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 85
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)
4.11
Bodem
4.11.1 Kader De Wet bodembescherming stelt regels om de bodem en het grondwater te beschermen. Doel van de wet is bewerkstelligen dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie die in het betreffende gebied wordt toegestaan. Er worden verschillende klasses in de bodemkwaliteit onderscheiden met een verschillend niveau van toegestane verontreiniging in de bodem. Indien de bodem te sterk verontreinigd is voor de beoogde functie, moet een sanering uitgevoerd worden. De wijze van saneren en de afspraken daarover worden in een zogenaamde BUS-procedure uitgevoerd en gerapporteerd. Voor het toepassen van grond en baggerspecie is het Besluit Bodemkwaliteit van belang, waaronder geregeld is welke kwaliteit grond toegepast kan worden voor welke functie. Het wettelijke kader kent een eigen vergunningtraject waarin rapportages over bodemkwaliteit, toe te passen grond en eventuele saneringen worden gemaakt en getoetst door het bevoegd gezag. 4.11.2 Onderzoek Kabeldistrict Vanaf de jaren negentig van de 20e eeuw zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de bodemkwaliteit van het plangebied Kabeldistrict. In 2021 is in een vooronderzoek een bundeling van de verschillende onderzoeken opgenomen (Bijlage 48). Dit is vervolgens beoordeeld door de gemeente, deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 29.
Uit het vooronderzoek blijkt dat ter plaatse van de locatie meerdere ernstige verontreinigingen voorkomen. In het vooronderzoek is een overzicht opgenomen van de verontreinigingen die in de bodem van de projectlocatie zijn aangetroffen. Deze verontreinigingen kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën: 1. De diffuus heterogeen verontreinigde ophooglaag die binnen de gehele projectlocatie aanwezig is. De laag bestaat voor een deel uit meer dan 50% antropogene materialen. Dit deel van de ophooglaag betreft daarmee geen bodem. Deze laag is aanwezig ter plaatse van Schieweg 15, Schieweg 60, de huidige openbare ruimte (Schieweg) en de loskade langs de Schie. 2. Historische gevallen van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie, inclusief restverontreinigingen van eerder uitgevoerde bodemsaneringen. Deze verontreinigingen zijn aanwezig ter plaatse van de Schieweg 15, de huidige openbare ruimte (Schieweg) en de loskade langs de Schie. 3. Nieuwe verontreinigingen, inclusief restverontreinigingen van gesaneerde nieuwe verontreinigingen. Deze verontreinigingen zijn alleen ter plaatse van Schieweg 60 aanwezig. Nieuwe verontreinigingen zijn verontreinigingen die overwegend na 1987 zijn veroorzaakt. Op deze verontreinigingen is zorgplicht van toepassing. Geen van de verontreinigingen is als spoedeisend aangeduid, zodat geen directe sanering noodzakelijk is.
Wel dient voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden een sanering plaats te vinden. Een saneringsplan daarvoor is nog niet opgesteld. De bodemkwaliteit is onvoldoende voor het realiseren van een woonfunctie, maar is voldoende in beeld. Daarmee vormt het aspect bodem geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan, maar dient wel sanering volgens het wettelijke kader uitgevoerd te worden. Nieuwe Haven Ter plaatse van Nieuwe Haven hebben diverse fabrieken en bedrijven gestaan. Er is daarom in de periode vanaf 1992 een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in bijlagen 14, 15, 16, 41, 49, 50 en 51. Het overzicht hiervan is opgenomen in de Memo Beoordeling bodemkwaliteit Nieuwe Haven (zie Bijlage 31). De onderzoeken hebben inzichtelijk gemaakt dat sanering van de bodem noodzakelijk was, omdat er ernstige verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn. Op de locatie Octatube is in 2014 een sanering uitgevoerd overeenkomstig een BUS-melding (groen omlijnd in onderstaand figuur). De locatie van Substrate is in 2016-2017 gedeeltelijk gesaneerd (blauw gemarkeerde deel). Het oostelijke deel van deze locatie dient nog gesaneerd te worden (geel omlijnde deel). Voor de bodemsanering op deze locatie is een saneringsplan opgesteld.
De saneringsdoelstelling is erop gericht om de risico's voor verspreiding en contact weg te nemen, zodanig dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het nieuwe gebruik. Hiervoor is (westelijke deel) en wordt (oostelijke deel) mobiele bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 86
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) verontreiniging (zoals olie) verwijderd en waar nodig worden de immobiele verontreinigingen (zoals zware metalen) verwijderd of geïsoleerd.
Figuur 4.20: Weergave fasering bodemsanering (bron: gemeente Delft, 2021). De sanering van de locatie Octatube uit 2014 betrof een ontgraving en het afvoeren van verontreinigde grond tot een diepte van 1 meter onder het toenmalige maaiveld. Ter plaatse van de ontgraven grond is een nieuwe isolerende leeflaag aangebracht, eveneens van 1 meter. De sanering is als afgerond beschouwd door het bevoegd gezag en daarmee is het terrein geschikt voor de beoogde woonfunctie. Het westelijke gedeelte van de locatie Substrate is eveneens gesaneerd. Hier is een groot deel van de overtollige grond in de bodemlaag tot 1,5 meter onder het originele maaiveld herschikt. De overtollige verontreinigde en niet herschikbare grond (gemiddeld een laag van 1 meter) is afgevoerd of tijdelijk in depot geplaatst. Ter plaatse is een gemiddeld 1 meter dikke isolerende leeflaag aangebracht. De sanering is bijna helemaal als afgerond beschouwd door het bevoegd gezag. Alleen is in het noordwesten van het plangebied in het grondwater een te hoge concentratie vinylchloride aangetroffen. In overleg met het bevoegd gezag wordt dit gemonitord tot en met 2024. Indien noodzakelijk worden eerder maatregelen getroffen om de gevolgen van de verontreiniging te beperken als de werkzaamheden voor het bouwen voor 2024 gestart worden.
Dit is geregeld in het saneringsplan en de afspraken die daarover gemaakt zijn met het bevoegd gezag. Het oostelijke gedeelte van de locatie Substrate is nog niet gesaneerd. Voor de locatie is wel een saneringsplan opgesteld. Ook hiervoor is voorgesteld een schone leeflaag van gemiddeld 1 meter aan te brengen tot het nieuwe maaiveld. Eventueel is het ook mogelijk de verontreiniging te isoleren door verharding of te realiseren bebouwing aan te brengen. Daarbij dient dan de isolerende maatregel in stand te blijven. In het bestemmingsplan is daarom geregeld dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan de leeflaag een vergunning van het bevoegd gezag nodig is. In 2022 is de kade ten zuiden van de Rotterdamseweg nader onderzocht (zie bijlage 10 en 32). De locatie is in gebruik als openbare ruimte, bestaande uit kade, groenvlakken en wegcunet met klinkers/kasseien. De locatie blijft na de herinrichting, aanleg nieuwe groenvlakken en vernieuwing wegcunet, in gebruik als openbare ruimte. Op de locatie is hoogstwaarschijnlijk sprake van een ophooglaag met daarin heterogeen verspreid licht tot gemiddeld matige verontreiniging met zware metalen. In een strook aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn diverse boringen in de ondergrond (gemiddeld vanaf 0,5 m-mv) gestuit op een niet doordringbare harde laag.
Plaatselijk (zuidwestzijde) is in de ondergrond een spot van een sterke verontreiniging met koper aangetroffen. Ook is in de ondergrond een spot met een sterke verontreiniging van minerale olie aangetroffen. De sterk verhoogde gehalten (koper en minerale olie) zijn aangetroffen in een volume dat kleiner is dan 25 m3. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 87
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Hierdoor is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wanneer ter plaatse van de spots met sterk verontreinigde grond graafwerkzaamheden plaatsvinden, dan zullen de werkzaamheden voorafgaand aan de uitvoering afgestemd moeten worden met de gemeente. Dit kan met behulp van het opstellen van een plan van aanpak. Daarnaast zal er rekening gehouden moeten worden met dat voor de afvoer en afzet van vrijkomende grond over het algemeen alleen een AP04 onderzoek (kwaliteitsverklaring) door aannemers en grondacceptanten wordt geaccepteerd als kwaliteitsbewijs. Aan de zuidwestkant van het plangebied is de bodem niet nader onderzocht. Hier wordt geen wijziging van de functie mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Daarom is een onderzoek hier niet noodzakelijk. Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op dit terreindeel hebben verontreinigingen aangetoond. Op basis van deze onderzoeken is in 2013 door het bevoegd gezag een beschikking ernst & spoed opgesteld wegens een calamiteit aan de Rotterdamseweg 202. Daarbij is gesteld dat de locatie nog vóór de calamiteit d.d. 10 september 2010 verontreinigd was met onder andere zware metalen, PAK en olie.
Deze verontreinigingen zijn beschouwd als historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987), die zijn veroorzaakt door de gebruikers van de locatie Rotterdamseweg 222. Nadien heeft een calamiteit voorgedaan ten noorden en oosten van locatie Rotterdamseweg 222. De nieuw ontstane verontreiniging met olie is in de periode november 2010 en januari 2011 gesaneerd tot aan de historische verontreinigingen. In 2016 heeft een actualiserend bodemonderzoek op locatie Rotterdamseweg 222 plaatsgevonden (zie Bijlage 11). Hierin heeft gericht onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijk nog aanwezige 'nieuwe' verontreiniging afkomstig van de calamiteit. In het rapport aangeduid als vlek 1 en vlek 4. In de conclusie wordt vermeld dat de verontreinigingen met minerale olie (vlek 1 en vlek 4) niet zijn aangetoond. Er kan daarom gesteld worden dat bij het huidige gebruik in de categorie “ander groen, bebouwing, infrastructuur, industrie is vastgesteld er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s; geen onaanvaardbare risico’s voor mens, het ecosysteem en/of verspreiding van verontreinigd grondwater. Saneringsmaatregelen zijn daarom niet in de beschikking opgelegd bij behoud van het gebruik. Bij een bestemmingswijziging in een latere fase naar een ander (gevoeliger) gebruik moet opnieuw bekeken worden of sanerende maatregelen wel noodzakelijk zijn.
Met deze beschikbare informatie en de opgenomen regeling voor het niet zonder vergunning dieper graven dan de leeflaag bieden voldoende bescherming. Daarmee vormt het aspect bodem geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Laga De gemeente heeft voor Laga separaat een beoordeling opgesteld van de bodemkwaliteit (zie Bijlage 30 en Bijlage 34). Op de locatie is sprake van een ophooglaag met daarin concentraties van enkele zware metalen boven de interventiewaarde. De sterk verhoogde gehalten zijn aangetroffen in een volume dat groter is dan 25 m3. Hierdoor is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze verontreiniging wordt alleen aangetroffen in de ophooglaag en is aanwezig vanaf maaiveld tot circa 1,0 m-mv. Indien ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging graafwerkzaamheden plaatsvinden, moet een saneringsplan (BUS-melding) ingediend worden bij het bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Haaglanden. De saneringswerkzaamheden moeten uitgevoerd worden door een BRL7001 gecertificeerde aannemer en begeleid worden door een BRL6001 erkend milieukundig begeleider. Ten behoeve van het bestemmingsplan is redelijkerwijs in kaart gebracht wat de bodemkwaliteit is. De bodem is geschikt te maken voor de beoogde bestemming. Afhankelijk van de definitieve inrichting wordt (een deel van) de verontreinigde grond verwijderd.
Met behulp van de bodemonderzoeken zijn op dit moment zoveel mogelijk de risico's inzichtelijk gemaakt. 4.11.3 Conclusie Op basis van de onderzoeken en saneringen die plaatsgevonden hebben in het plangebied kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit in een deel van het gebied Nieuwe Haven voldoende is om de functie wonen te realiseren. In een deel van het gebied dient nog een sanering uitgevoerd te worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. In dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen die het in tact laten van de leeflaag regelen, zodat contact met en verspreiding van vervuilde onderliggende lagen uit het gebied voorkomen wordt. Voor Kabeldistrict is voldoende inzichtelijk welke verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn. Hier bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 88
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) dient een saneringsplan opgesteld te worden volgens de Wet bodembescherming en het Besluit Uniforme Sanering (BUS).
4.12
Explosieven
Voor het deelgebied Kabeldistrict is door Saricon een analyse gedaan naar de verwachting op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (zie Bijlage 17). Na beoordeling van de risico's acht Saricon het treffen van maatregelen in relatie tot het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten niet noodzakelijk. In het deelgebied Nieuwe Haven heeft in grote delen al grondroering plaatsgevonden in het kader van een bodemsanering. Wel dienen de risico's op het aantreffen van niet gesprongen explosieven inzichtelijk gemaakt te worden voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit is verplicht vanuit de ARBO-wetgeving en behoeft daarom niet specifiek geregeld te worden in het bestemmingsplan. Het aspect 'explosieven' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.13
Water
4.13.1 Kader Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Gezien de ligging aan verschillende zijden van de Schie is voor Kabeldistrict en Nieuwe Haven separaat een watertoets opgesteld (zie Bijlage 60 en 62). Binnen Nieuwe Haven is voor de roeivereniging Laga en het noordoostelijke deel een eigen watertoets opgesteld (zie Bijlage 61 en 63). De conclusies en aanbevelingen uit deze toetsen worden hieronder per deelgebied uiteengezet. 4.13.2 Toetsing Kabeldistrict Waterberging Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt af. De exacte invulling van de binnenhoven is nog niet bekend, maar de afname van verhard oppervlak door water en groenzones in het park en in het weefsel leidt tot zeker 2,2 ha minder verhard oppervlak. De afname van verhard oppervlak leidt ertoe dat vanuit de beleidsregels van het hoogheemraadschap van Delfland een compenserende waterberging niet nodig is. Dit blijkt ook uit de watersleutel.
Vanuit het Convenant klimaatadaptief bouwen is een waterberging van 50 mm voor het verhard oppervlak voorgeschreven. Bij de ontwikkeling is ervoor gekozen om naast de 50 mm waterberging voor verhard oppervlak, ook in het straatprofiel in de openbare ruimte ruimte op te nemen, zodat de extra neerslag (boven de 50 mm die in de waterberging wordt opgevangen) van een piekbui van 90 mm gecontroleerd op straat kan blijven staan om schade te voorkomen. Waterberging van de bouwvelden wordt primair gezocht op de daken. Berging voor de terreinverharding van de binnenhoven kan worden gevonden in groenvoorzieningen van de binnenhoven of in ondergrondse berging (bijvoorbeeld infiltratiekratten). In de openbare ruimte is waterberging voorzien in de wegfundering, oppervlaktewater, groenstroken, waterpleinen, wadi’s en op straat. De precieze invulling van de waterberging wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Daar waar ontgraving ten behoeve van aanleg van waterberging dieper reikt dan de 1,0 tot 1,1 m-mv (-0,5/0,6m NAP) zullen aanvullende saneringsmaatregelen getroffen moeten worden. Afvoer hemel- en afvoerwater De waterberging en de afvoer voorzieningen voor het regenwater binnen het plangebied worden ingericht op het bergen en vertraagd afvoeren van 50 mm neerslag.
Bij een bui van 90 mm dient schade aan panden voorkomen te worden en dienen de hoofdwegen berijdbaar te blijven voor hulpdiensten (< 30 cm water op straat). Het extra water dat bij een 90 mm bui valt wordt deels geborgen binnen het straatprofiel en in de evt. overcapaciteit van waterbergingen en wordt deels versneld afgevoerd richting het oppervlaktewatersysteem van het hoogheemraadschap. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 89
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Het watersysteem van het Kabeldistrict, oppervlaktewater en regenwater, dient aangesloten te worden op de omliggende polders. Opties zijn de ringsloot, welke een peil van -1,33 m NAP heeft en de polder ten westen van het spoor, die een peil van -2,70 m NAP heeft. Uit afstemming met de gemeente Delft blijkt dat het vuilwater aan de zuidwestzijde van het Kabeldistrict kan worden aangeboden aan het gemeentelijk stelsel. Hier ligt een put die de afvoer op -4,13 m NAP via een leiding met diameter 600mm mogelijk maakt. Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit in het te realiseren oppervlaktewater binnen het plangebied goed te houden, wordt geadviseerd de mogelijkheden te onderzoeken om dit op een robuuste manier aan te sluiten op het omliggende watersysteem. Indien er onvoldoende ruimte beschikbaar is om een robuuste koppeling met het systeem te maken, dient overwogen te worden om het oppervlaktewater in het plan te laten vervallen en de gereserveerde ruimte in te zetten als bijvoorbeeld een droge waterberging (bijv. een wadi). Grondwater Bij het ontwerp van het Kabeldistrict dient aandacht te zijn voor de grondwaterstanden en de zettingsgevoeligheid van de ondergrond binnen het plangebied en in de omgeving. In de huidige situatie komen lokaal (te) hoge grondwaterstanden voor in verhouding tot de functies in het gebied.
Daarnaast vinden de ontwikkelingen plaats op een kleiige ondergrond en is er sprake van behoud van bestaande bebouwing met (deels) houten paalfundering. Aangezien het plan op een later tijdstip nog nader ingevuld wordt met stedenbouwkundige plannen, zijn nog geen keuzes gemaakt ten aanzien van de toekomstige bouw- en vloerpeilen. Geadviseerd wordt om in een waterhuishoudingsplan een drainageontwerp en een peilenvoorstel met geotechnisch onderzoek uit te werken, rekening houdend met bovenstaande risico’s binnen het plangebied. Dit is technisch oplosbaar en vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Door het globale karakter van het plan biedt het voldoende mogelijkheden om hieraan nadere invulling te geven. Waterveiligheid Aan de noordzijde en oostzijde van het plangebied bevindt zich een waterkering. Voor de ontwikkeling zijn (grondroerende) werkzaamheden en objecten (kelders) in de kernzone beschermingszone van deze keringen voorzien. De kering aan de noordzijde van het plangebied betreft een polderkade, met een kruinhoogte van 0,6 meter boven het hoogste aangrenzende polderpeil. De kruinhoogte is -0,9 m NAP, ca. 90 cm onder maaiveld. Binnen de kernzone van de polderkade wordt bebouwing aangebracht. De bebouwing betreft hoogbouw met en zonder kelder.
In verband met de fundering zullen bij alle raakvlakken werkzaamheden nodig zijn die de polderkade raken. Omdat het omliggende maaiveld tijdens realisatie en na uitvoering van de werkzaamheden hoger blijft dan de kruinhoogte van de kade ontstaan er geen risico’s voor de waterveiligheid. Het hoogheemraadschap van Delfland heeft gedurende het watertoetsproces aangegeven dat er geen garantie kan worden gegeven dat het aanleggen van kelders in de kernzone van de polderkade vergunbaar is. De werkzaamheden binnen de kernzone van de kade zijn vergunningplichtig. De kering aan de oostzijde van het plangebied betreft de regionale kering van de Schie. Raakvlakken met deze keringen betreffen mogelijke graafwerkzaamheden in de beschermingszone van de kering (aanleg Schieplein en mogelijke ondiepe ontgraving in de parkstructuur). Voor werkzaamheden die binnen de beschermingszone plaatsvinden is eveneens een vergunning benodigd. Waterkeringen worden in het onderhavige bestemmingsplan beschermd door middel van een dubbelbestemming. 4.13.3 Toetsing Nieuwe Haven Waterberging Nieuwe Haven Er is een toename van verhard oppervlak in het plangebied, maar er is voldoende mogelijkheid om maatregelen te treffen waarmee waterberging gecreëerd kan worden.
Uit de watersleutel volgt dat de waterbergingsopgave 3.400 m2 is als open water gerealiseerd wordt, en 680 m3 als water op andere bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 90
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) manieren vastgehouden wordt. In het plangebied kan water oppervlakkig geborgen worden in wadi’s, infiltratiekratten en ondergrondse bergingen. Hiermee kan invulling gegeven worden aan de Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces. In de regels van het bestemmingsplan is dan ook een voorwaardelijke verplichting rondom het bergen van water opgenomen. Ook kan er extra water geborgd worden op daken door middel van groene of blauwe daken, waarbij meer effectieve berging gerealiseerd kan worden met blauwe daken. In de huidige plannen is rekening gehouden met 476 m3 op de daken, 90 m3 in de ligweide, 100 m3 in de plantage en 105 m3 ondergrondse waterberging ter plaatse van het plein. De totale capaciteit van deze bergingsopties is 771 m3. Aanvullend op de waterberging volgt uit het “Convenant klimaatadaptief bouwen” dat onder meer door de provincie Zuid-Holland en de gemeente Delft is ondertekend, dat in het plangebied geen schade op mag treden aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u). Dit is een aandachtspunt voor de ontwerp- en realisatiefase. Het maaiveld wordt zo ingericht dat water oppervlakkig kan afvoeren naar de Schie in het geval de bergingen volledig zijn gevuld.
Figuur 4.21: Voorstel afstroomrichtingen. Bron: Watertoets Nieuwe Haven. Laga Voor de toename aan verhard oppervlak dient een waterbergingsvoorziening t.b.v. een waterberging met een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. Een aantal opties is hiervoor geschikt, waaronder een groenblauw dak en een ondergrondse wateropslag (eventueel met waterdoorlatende verharding). In het plangebied is sprake van een toename van het verhard oppervlak van naar schatting 1.100 m2. De Watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland geeft aan dat hiermee 107,3 m3 waterberging gecreëerd moet worden. In het huidige ontwerp lijkt voldoende mogelijkheid en ruimte te zijn en in mogelijk kan de waterberging (gedeeltelijk) buiten het plangebied, in hetzelfde of een lagergelegen peilgebied plaatsvinden. Hiermee kan invulling gegeven worden aan de Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces. In de regels van het bestemmingsplan is dan ook een voorwaardelijke verplichting rondom het bergen van water opgenomen. Aanvullend op de waterberging volgt uit het “Convenant klimaatadaptief bouwen” dat onder meer door de provincie Zuid-Holland en de gemeente Delft is ondertekend, dat in het plangebied geen schade op mag treden aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u).
Dit is een aandachtspunt voor de ontwerp- en realisatiefase. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 91
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Rotterdamseweg (noordoostelijk deel Nieuwe Haven) Voor een perceel aan de Rotterdamseweg aan de noordoostzijde van Nieuwe Haven is een separate watertoets uitgevoerd. Het gebied heeft een areaal van 4.397 m2. Deze is in de uitgangssituatie planologisch volledig verhard, en blijft dat in de toekomstige situatie ook. De watersleutel berekent een compensatieopgave van 211 m2 oppervlaktewater voor klimaat 2050. Aangezien er in het gebied geen oppervlaktewater aanwezig is, en er geen goed ontsloten oppervlaktewater binnen de perceelsgrenzen gegraven kan worden, ligt de keuze voor alternatieve waterberging meer voor de hand. De opgave is dan 42.1 m3 waterberging. Deze opgave is uitwisselbaar met de waterbergingsopgave vanuit het gemeentelijk beleid. Afvoer hemel- en afvoerwater Nieuwe Haven De bodemopbouw in het plangebied leent zich niet goed voor het infiltreren van hemelwater. Daarom moet elke wadi of waterberging uitgerust worden met drainage en een slokop en gekoppeld zijn aan een HWA systeem. Overtollig hemel- en grondwater kan vanuit de waterberging vertraagd afgevoerd worden naar de boezem, of naar het bestaande HWA in de Rotterdamseweg. Dit uitgangspunt moet afgestemd worden met het Hoogheemraadschap van Delfland en afdeling beheer openbare ruimte van de gemeente Delft.
Hierbij moet ook de constructieve veiligheid van de kadeconstructie meegenomen worden. Laga Infiltratie van hemelwater is in het plangebied beperkt mogelijk, vanwege een slecht doorlatende bodem. Daarom zal het hemelwater na waterberging bij voorkeur worden geloosd op het aanliggende boezemwater (de Schie) aan de westzijde van het plangebied. De vuilwaterafvoer moet worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel aan de Rotterdamseweg. Rotterdamseweg (noordoostelijk deel Nieuwe Haven) Ten oosten van het plangebied ligt parallel aan de Rotterdamseweg een tweetal strengen gemengde riolering, alsook een hemelwaterafvoer. Hemelwater dient gescheiden te worden ingezameld van het afvalwater. In afstemming met de gemeente kan worden gekeken op welke streng het vuilwaterriool kan worden aangesloten bij eventuele ontwikkelingen. Hemelwater moet, conform de visie en het beleid van zowel HHD en de gemeente Delft, zo veel als mogelijk worden vastgehouden. Overtollig hemelwater zal worden geborgen, geïnfiltreerd of hergebruikt waar mogelijk, en uiteindelijk worden overschotten vertraagd afgevoerd. Indien het neerslagvolume de waterberging overstijgt, kan het hemelwater oppervlakkig naar de openbare ruime worden afgevoerd.
In lijn met de duurzaamheidsvisie en het convenant dient tenminste 50 liter waterberging per m2 verharding (gebouwen of terreinverharding) te worden gerealiseerd. De berging is na volledige vulling in niet eerder dan 24 uur, en uiterlijk in 48 uur weer leeg en beschikbaar voor de volgende bui. Een alternatief is een gestuurde berging die zorgt voor lediging voor aanvang van een volgende bui. Ten aanzien van waterkwaliteit wordt door de ontwikkeling geen verslechtering verwacht. Het vasthouden, afkoppelen en bergen van hemelwater draagt bij aan het voorkomen van overstorten van gemengde rioolwaterstelsels op het oppervlaktewater. Het toepassen van uitlogende materialen in de schil van gebouwen dient te worden voorkomen. Waterkwaliteit Nieuwe Haven Voor het afvalwater kan gebruik worden gemaakt van het huidige rioolstelsel. Hiermee wordt geen extra berging gerealiseerd. De waterkwaliteit en ecologie krijgt voldoende aandacht binnen de ontwikkeling. Er wordt aanbevolen om tijdens de ontwikkeling van de Nieuwe Haven te kijken naar schuilplaatsen voor vissen. De steigers van roeivereniging Laga lijken hiervoor een goede optie. Laga De omvang van de steiger en vlonder valt buiten de voorwaarden van de Algemene Regels en is daarom vergunningsplichtig. Negatieve effecten op de ecologie en waterkwaliteit moeten worden beperkt en daar waar mogelijk worden verbeterd.
Hiervoor is daarom een vergunningplicht voorgeschreven. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 92
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Rotterdamseweg (noordoostelijk deel Nieuwe Haven) Ten aanzien van waterkwaliteit wordt door de ontwikkeling geen verslechtering verwacht. Het vasthouden, afkoppelen en bergen van hemelwater draagt bij aan het voorkomen van overstorten van gemengde rioolwaterstelsels op het oppervlaktewater. Het toepassen van uitlogende materialen in de schil van gebouwen dient te worden voorkomen. Grondwater Nieuwe Haven Met het bestaande maaiveld in Nieuwe Haven wordt niet voldaan aan de ontwateringseis van 70 cm (eis uit het GRP). Om de lokale grondwaterstanden in het plangebied beter inzichtelijk te maken wordt aanbevolen om aanvullende metingen te doen in het plangebied. Deze zijn benodigd voor de verdere uitwerking van de ruimtelijke aanpassingen. Laga Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat het bouwpeil van de gebouwen voldoende hoog kan worden om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen. Het gebouw dient waterdicht te zijn om (grond)wateroverlast te voorkomen. Om de lokale grondwaterstanden in het plangebied beter inzichtelijk te maken is het aan te raden om aanvullende grondwaterstandmetingen en doorlatendheidsmetingen in het plangebied uit te voeren. Deze zijn benodigd voor de verdere onderbouwing en uitwerking van de ruimtelijke aanpassingen.
De bouwhoogte is tevens van belang om goed aan te sluiten op de aanliggende waterkering. Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt gaat de voorkeur uit naar het ophogen van het terrein zonder drainage toe te passen. Bij een ophoging dient rekening te worden gehouden met de stabiliteit op de omgeving. Rotterdamseweg (noordoostelijk deel Nieuwe Haven) Het huidige maaiveld varieert in hoogte tussen de 0,20 m NAP in het noordoosten, tot ca. -0,25 m NAP in het zuidwesten (bron: AHN4). Dit resulteert in een drooglegging tussen de 0,6 – 0,2 meter. De grondwaterstand wordt beïnvloed door het waterpeil in de Schie, alsook het lagergelegen waterpeil in de naastgelegen Zuidpolder van Delfgauw waar -2,16 m NAP wordt gehanteerd. Hierdoor ligt de grondwaterstand mogelijk dieper dan het waterpeil van de Schie. Aanvullende metingen moeten vaststellen wat de ontwateringsdiepte is en in welke mate er ophoging nodig is om te voldoen aan de gemeentelijke ontwateringseisen conform het GRP. De bodemopbouw in het gebied bestaat uit ca. 0,5 m zand, met direct daaronder een veenlaag van 3 meter (bron: Dinoloket, TNO). Een tweede zandlaag bevindt zich tussen de 3,5 – 5 m -mv, gevolgd door meerdere veen- en kleilagen. Dit maakt de bodem zettingsgevoelig en is een aandachtspunt bij het bepalen van het bouwpeil en de ontwatering.
De ondiepe kleilaag maakt het niet mogelijk om hemelwater volledig op de kavel te verwerken. Hier moet bij de klimaatopgave rekening mee worden gehouden. Waterveiligheid Het plangebied voor Nieuwe Haven (incl. het noordoostelijke deel) en Laga ligt buitendijks, waardoor het bouwpeil een extra aandachtspunt is vanwege mogelijk hoogwater. Het gebied ligt rond 0,00 m NAP en daarmee op voldoende hoogte t.o.v. het waterpeil. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone en kernzone van de regionale waterkering (Rotterdamseweg). Het verrichten van werkzaamheden is daarom vergunningplichtig. Waterkeringen worden in het onderhavige bestemmingsplan beschermd door middel van een dubbelbestemming. Vergunningen Er is een watervergunning nodig voor het lozen vanaf nieuw verhard oppervlak en nieuwe lozingen van afgekoppelde verharding. Tevens is er een watervergunning vereist voor het eventueel lozen van water vanuit nieuwe waterbergingen op het oppervlaktewatersysteem. Als laatste is er ook een watervergunning nodig voor werkzaamheden in de beschermingszone van de Rotterdamseweg. Laad en loswal bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 93
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Voor de kade bij de Nieuwe Haven tegenover Hordijk blijft een laad- en loswal aanwezig. Deze is opgenomen in de verbeelding van het onderhavige bestemmingsplan. 4.13.4 Conclusie Het hoogheemraadschap is door de gemeente betrokken bij de waterhuishoudkundige indeling van het gebied. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.14
Natuur
4.14.1 Kader De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). De beoordeling is opgesplitst in beschermde soorten en beschermde gebieden. 4.14.2 Soortbescherming Quickscan Kabeldistrict Voor Kabeldistrict is door Van der Goes en Groot (2020) een ecologische QuickScan opgesteld, de volledige toets is opgenomen in Bijlage 42. Het deelgebied is in potentie geschikt voor de aanwezigheid van de volgende soorten: Vogels. Grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen. Vogels In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Ransuil, Kerkuil en Gierzwaluw.
Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Grondgebonden zoogdieren Daarnaast komen mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren voor die zijn beschermd als ‘andere soort’. Het gaat om de Steenmarter. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. Vleermuizen In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk.
Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten aangetroffen, dan is een ontheffing benodigd. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 94
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Vervolgonderzoek Kabeldistrict (exclusief Suezgebouw) Op basis van de QuickScan is ecologisch vervolgonderzoek uitgevoerd door Van der Goes en Groot in 2020. Het 'Suezgebouw' is behandeld in een apart onderzoek (zie de volgende paragraaf), dit is namelijk de eerste concrete ontwikkellocatie. Er zal per ontwikkelfase nog vervolgonderzoek uitgevoerd moeten worden gezien de lange doorlooptijd van de realisatie. Dit is geborgd in het vergunningenspoor. Het onderzoeksrapport voor Kabeldistrict is meegenomen in Bijlage 37. Vanuit de QuickScan volgt dat nader onderzoek benodigd is voor de volgende beschermde soorten: Ransuil, Kerkuil en Gierzwaluw. Steenmarter. Vleermuizen. De Ransuil, Kerkuil en Steenmarter zijn niet aangetroffen tijdens de veldinventarisatie. Tijdens de inventarisatie zijn wel de Gierzwaluw, Bosuil en vleermuizen aangetroffen. Tabel 4.6: Uitkomsten nader ecologisch onderzoek Kabeldistrict.
Voor de jaarrond beschermde nestlocatie van de Gierzwaluw is een ontheffing benodigd voorafgaand aan werkzaamheden die de verblijfplaats aantasten. Voor het mogelijke aantasten van de verblijfplaatsen van vleermuizen is ook een ontheffing benodigd. Bij de ontheffingsaanvraag dienen passende mitigerende en compenserende maatregelen te worden beschreven. In het vervolgonderzoek wordt aangegeven dat gezien de geplande werkzaamheden en de mogelijkheden om geschikte voorzieningen te plaatsen, benodigde ontheffingen kunnen worden verkregen. Vervolgonderzoek Suezgebouw (Kabeldistrict) Door Van der Goes en Groot (2020) is een nader onderzoek uitgevoerd bij het Suezgebouw, het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 39. Het Suezgebouw is separaat onderzocht omdat dit de eerste concrete ontwikkellocatie is. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. Bij het Suez gebouw zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Tabel 4.7: Uitkomsten nader ecologisch onderzoek Suezgebouw.
bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 95
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)
Figuur 4.22: Ligging van het Suezgebouw in het rode kader. QuickScan Nieuwe Haven Voor Nieuwe Haven is door Van der Goes en Groot (2020) een ecologische QuickScan opgesteld, de volledige toets is opgenomen in Bijlage 43. Het deelgebied is in potentie geschikt voor de aanwezigheid van de volgende soorten: Amfibieën. Vogels. Grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen. Amfibieën Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Vogels In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer, Huismus, Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Vleermuizen Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, was op basis van de quick scan vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Dit vervolgonderzoek is uitgevoerd (zie onderstaande alinea's). bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 96
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Vervolgonderzoek Nieuwe Haven In het deelgebied Nieuwe Haven is door de Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 38). De vleermuizen worden verwacht in de bestaande bebouwing in het zuidoosten van het plangebied. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen en er zijn ook geen aanwijzingen voor incidenteel gebruik. Er is ook geen sprake van essentieel foerageergebied, aangezien er slechts eenmaal een langsvliegende dwergvleermuis werd gehoord. Het plangebied maakt ook geen essentieel deel uit van een vliegroute. Voor het deelgebied Nieuwe Haven is daarom geen ontheffing Wnb benodigd. Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten.
Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. Stadsnatuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden vanuit beide ecologische QuickScans voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen of inmetselstenen; Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd, omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen; Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten. Daarnaast is het kader voor natuurinclusief bouwen van toepassing op de onderhavige ontwikkeling, deze wordt behandeld in paragraaf 4.18).
4.14.3 Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland, Weidevogelgebieden en Houtopstanden Binnen de deelgebieden liggen geen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er liggen ook geen ecologische verbindingszones binnen het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2,3 kilometer. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Weidevogelleefgebied Binnen het plangebied is geen Weidevogelleefgebied of belangrijk Weidevogelgebied aanwezig. Beschermde Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond van de Wnb wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand. Het eventuele kappen van bomen dient wel getoetst te worden aan het gemeentelijke beleid middels een kapvergunning. Dit is buiten het bestemmingsplan geregeld en staat vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 97
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Natura 2000 Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' ligt op circa 11 km ten westen van het plangebied. Directe effecten kunnen gezien de afstand uitgesloten worden. Uit het stikstofonderzoek in Bijlage 55 blijkt dat de onderhavige ontwikkeling in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. Als gevolg van het onderhavige bestemmingsplan is per saldo geen sprake van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. 4.14.4 Conclusie Er zijn diverse beschermde soorten aanwezig in zowel Kabeldistrict als Nieuwe Haven. Uit het vervolgonderzoek volgt dat er geen negatieve effecten worden verwacht. Indien benodigd wordt een ontheffing aangevraagd, waarin de benodigde maatregelen zijn opgenomen. Ook wordt voldaan aan de randvoorwaarden in het kader van gebiedsbescherming. Het aspect 'natuur' vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.15
Archeologie
4.15.1 Kader Archeologische waarden in de bodem zijn beschermd onder de Erfgoedwet. Op basis van deze wet en het Besluit ruimtelijke ordening dienen de (verwachte) archeologische waarden meegewogen te worden bij de totstandkoming van nieuwe ruimtelijke plannen. Er dient onderzocht te worden in hoeverre (potentiële) archeologische waarden die in de bodem aanwezig zijn aangetast kunnen worden door de voorgenomen ontwikkelingen. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie schrijft voor op welke wijze het archeologische onderzoek uitgevoerd moet worden om inzichtelijk te maken in hoeverre archeologische waarden aangetast worden. In beide delen van het plangebied is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden. De uitkomsten hiervan zijn beschreven in de onderstaande alinea’s. 4.15.2 Onderzoek Voor het gehele gebied van Schieoevers Noord geldt dat voor de archeologische verwachting van de ondiepe ondergrond de ontstaansgeschiedenis vanaf het midden Holoceen relevant geacht wordt. Vanaf dit moment was een afwisseling van veenontwikkeling en invloed van de zee via getijdengeulen van belang voor de ontwikkeling van de bodem. De bodem bestaat dan ook uit een afwisseling van veenlagen en zand- en kleiafzettingen. Kabeldistrict Voor Kabeldistrict is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Transect (zie Bijlage 6).
In dit gebied staat een fabrieksgebouw uit de periode tussen 1949 en 1962 en een kantoorgebouw uit 1986. De omvang van de panden beslaat een oppervlakte van ongeveer 6,5 ha. Onder de panden zijn kelders aanwezig met een totale oppervlakte van ca. 14.000 m2. De diepte van de kelders is onbekend. Onder de rest van de gebouwen zijn puinlagen gestort stalen balken, poeren en heipalen aanwezig. De puinlagen onder de fabriek reiken gemiddeld tot 150 cm onder maaiveld. Onder het kantoor is dat tussen 50 en 100 cm onder maaiveld. In het gebied worden geen resten verwacht uit de vroege middeleeuwen. Voor resten uit de Late ijzertijd, Romeinse tijd en late middeleeuwen geldt wel een middelhoge verwachting voor het gehele gebied. Voor het noorden van het plangebied geldt een hoge verwachting voor resten van historische bebouwing vanaf de 16e eeuw (mogelijk ook eerder). Nieuwe Haven Ten behoeve van de ontwikkelingen in Nieuwe Haven is in de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar het voorkomen van archeologische resten. Op voorhand geldt voor het gebied een hoge verwachting voor resten uit de Romeinse tijd, late middeleeuwen en nieuwe tijd. In verband met een bodemsanering ter plaatse van het perceel Rotterdamseweg 202 is in 2015 een bureau- en verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8). Tevens heeft archeologische begeleiding plaatsgevonden in 2010 en 2016.
Aangezien de resultaten van de archeologische waarnemingen uit 2010 niet eerder bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 98
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) gepubliceerd waren zijn deze samen met het latere onderzoek beschreven in de rapportage van 2017 van ArcheoWest (zie Bijlage 5). In het midden van het in het bureauonderzoek onderzochte terrein heeft in de 20e eeuw een bodemsanering plaatsgevonden tot 4 m onder het maaiveld. In dit gebied worden daarom geen relevante archeologische resten verwacht. In de overige delen van het onderzochte gebied is middels bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek in beeld gebracht welke archeologische sporen verwacht kunnen worden. Onderstaande figuur geeft aan welke gebieden verkennend onderzocht zijn en in hoeverre de bodem ter plaatse van de boringen nog in tact was. Voor het noordwestelijke deel van het plangebied is in 2016 een archeologische begeleiding uitgevoerd, gekoppeld aan de bodemsanering die daar plaatsgevonden heeft. De sanering had een diepte tot 0,65m -NAP. Bij de sanering zijn geen archeologische resten verstoord, wel is aangetoond dat op dieper niveau mogelijk nog resten ui de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen aanwezig zijn. Deze lagen beginnen vanaf ca. 0,75 m -NAP. Dit is ongeveer 0,95 m onder het maaiveld.
Figuur 4.23: Boorpuntenkaart met de dikte van verstoorde lagen (Bron: ArGeoBoor rapport 1351, 2015). In 2010 was aan de zuidwestzijde van het onderzoeksgebied eveneens een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij naar verwachting de noordelijke muur van een gebouw is aangetroffen uit de 18e en/of 19e eeuw met aansluitend een stuk van een tegelvloer. Eventuele resten van het gebouw kunnen zich ten zuiden van het onderzochte gebied bevinden. Tevens is dieper in de grond een cultuurlaag uit de Romeinse tijd aangetroffen met Romeins aardewerk. Tijdens het onderzoek konden geen hoogtematen worden genomen. De gevonden sporen zijn bij de sanering in het gebied (zie het gele vlak in bovenstaand figuur) verdwenen, maar maakten mogelijk deel uit van een behoudenswaardige vindplaats. Deze vondsten tonen aan dat ook ten zuiden van deze waarneming naar verwachting archeologische sporen aangetroffen kunnen worden. Dit gebied is niet onderzocht. Hiervoor dient dan ook een archeologische dubbelbestemming opgenomen te worden om de resten in de bodem te bewaren. Ook voor de rest van Nieuwe Haven wordt beschreven dat overal waar de grond niet dieper dan 1 m-NAP gesaneerd is, mogelijk nog archeologische resten aanwezig zijn. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 99
bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) Voor het zuidwestelijke deel van het archeologische onderzoeksgebied geldt dat bodemroerende ingrepen dieper dan 145 cm onder het maaiveld niet kunnen worden uitgevoerd zonder een nader archeologisch onderzoek. Hier heeft na het inventariserend veldonderzoek geen nader archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In dit deel blijft de huidige bebouwing behouden. Er wordt hier wel een dubbelbestemming opgenomen. Laga Voor de locatie van Laga zijn in 2019 een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4 en Bijlage 7). Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er een middelhoge verwachting geldt voor archeologische resten uit de Romeinse periode, late middeleeuwen en nieuwe tijd. Het bureauonderzoek wees uit dat de bovengrond van de locatie mogelijk verstoord was, maar dat de diepte ervan onbekend was. Daarom is een archeologisch booronderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat de bodem ter plaatse van Laga grotendeels verstoord is. Tevens zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor archeologische vindplaatsen binnen het plangebied. Het perceel is dan ook vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
4.15.3 Conclusie Gezien de archeologische verwachting van het deelgebeid Kabeldistrict dient archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd te worden als grondwerkzaamheden dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld. Hierbij wordt geadviseerd een archeologisch booronderzoek uit te voeren. Het booronderzoek kan ook een betere voorspelling geven van de intactheid van de bodem. Dit is op dit moment in grote delen van het deelgebied Kabeldistrict onduidelijk. Gezien de kans op het voorkomen van archeologische sporen is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie opgenomen voor het gehele gebied van Kabeldistrict. Op basis van het bureau- en veldonderzoek is voor Nieuwe Haven geconcludeerd dat ter plaatse van het gesaneerde deel van het plangebied archeologisch gezien geen beperkingen zijn voor de voorziene bodemingrepen. Voor het overige deel van Nieuwe Haven is een dubbelbestemming archeologie opgenomen om verstoring van laatmiddeleeuwse en Romeinse sporen te voorkomen. Bij grondroeringen dieper dan 0,65 m -NAP dient nader archeologisch onderzoek plaats te vinden in de vorm van proefsleuven. Dit is in de regels geborgd met een ondergrens voor een onderzoeksplicht bij 30 cm onder het maaiveld en een oppervlakte van 50 m2. Voor Laga is middels archeologisch onderzoek aangetoond dat geen archeologische resten in de ondergrond verwacht worden.
Op deze locatie is daarom geen nader archeologisch onderzoek nodig en de dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan is daarom voor deze locatie verwijderd. Met de opgenomen dubbelbestemming vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.16
Cultuurhistorie
4.16.1 Kader Cultuurhistorische waarden zijn beschermd onder de Erfgoedwet. Dit betreft onder meer monumentale panden, maar ook landschappelijke waarden. Het niveau van bescherming verschilt per soort erfgoed, zo komen in Delft zowel rijks- als gemeentelijk beschermde gebouwde monumenten voor. Landschappelijke waarden heeft de gemeente niet specifiek beschermd. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische hoofdstructuur waarin waardevolle gebieden, ensembles en elementen zijn weergegeven. Voor deze Cultuurhistorische hoofdstructuur streeft de provincie naar behoud en herkenbaarheid. 4.16.2 Toetsing Cultuurhistorische waarden Het gebied van Schieoevers Noord was tot in de 19e eeuw grotendeels agrarische grond met een strokenverkaveling die kenmerkend is voor veengebieden. De Schie was hier (naar verwachting) in de 12e eeuw gegraven en functioneerde als handels- en transportader. Later werd deze vaart ook als trekvaart in gebruik genomen. De huidige Schieweg vormde het jaagpad langs de vaart. Historisch bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)" (vastgesteld) 100