CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bp Pleysierschool en ISK (toelichting regels en bijlagen bij regels)

Raadsvergadering 12 september 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake bestemmingsplan Pleysierschool en ISK (nr. 2323314)36.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Het realiseren van een sportzaal sluit daarnaast aan bij de behoefte van sportverenigingen en draagt bij aan de verduurzamingsambities. Met de vestiging van deze twee scholen en sportaccomodatie wordt voorzien in een versteviging van het diverse onderwijsaanbod. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de omgevingsvisie. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 24

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

3.3.2

Kadernota 2021

In de Kadernota zijn de ambities ('opgaven') voor de stad geformuleerd. Delft zet onder meer in op het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven en kennisinstellingen, het voorzieningenniveau en de woningvoorraad. Voor een goed en aantrekkelijk economisch ecosysteem is een blijvende stimulerende omgeving nodig: van een passend aanbod van bedrijfsvastgoed, excellente dienstverlening van de gemeente, goede verbindingen voor OV, auto en fiets, vergroten van gelijke kansen in het onderwijs en ruimte voor onderwijsfaciliteiten, tot bereikbaarheid van sport en een aanbod van verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Verder heeft Delft in 2040 hoogwaardige en moderne voorzieningen voor alle inwoners van de stad. Het gaat hierbij om toekomstvaste en bij de tijd behorende voorzieningen die inwoners van alle leeftijden en met alle levensstijlen kunnen bedienen. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het benodigde voorzieningenaanbod op onderwijs en sport en is in lijn met de Kadernota.

3.3.3

Beleidsnota bouwhoogten Delft

Deze nota bevat een analyse en onderbouwing van de maximaal toelaatbare bouwhoogten in Delft. Daarbij is rekening gehouden met onder andere het stadsbeeld van Delft en het zicht op de kerktorens in de historische binnenstad. De nota is niet bedoeld als absolute norm voor hoogbouw, maar als leidraad bij het ontwikkelen van hoogbouw in Delft. Het bestemmingsplan maakt geen bouwhoogtes mogelijk boven de 40 meter. Voor de onderhavige ontwikkeling is geen Hoogbouw Effect Rapportage benodigd. Voorts is de architectuur in de wijk Voorhof neutraal en zijn de toppen van de torens zijn niet of nauwelijks verbijzonderd. Voor de hogere woongebouwen is de galerijflat, met zijn sterke horizontale belijning, het overwegende type. De diepte van de woongebouwen, ook van de hoogbouw bedraagt over het algemeen niet meer dan 12 meter. De hoge flats hebben derhalve een ruimtelijke werking van slanke schijven. Vanwege het vrij gelijkmatige beeld, de grote maten van de openbare ruimte en het vele groen, kan het wijzigen van de bouwhoogtekarakteristiek bijdragen aan de verlevendiging van deze stadsdelen. Het onderhavige bestemmingsplan met een gelaagde bouw van ca. 13 - 19 meter hoog is derhalve in lijn met de Beleidsnota bouwhoogten Delft.

3.3.4

Beleid hogere waarden wet geluidhinder

In het kader van ruimtelijke plannen of reconstructies van geluidbronnen wordt onderzocht wat de geluidsbelasting aan de gevels van de aanwezige geluidsgevoelige functies is. Als de in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt overschreden, maar de uiterste toegestane grenswaarde niet en maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen niet doelmatig zijn of deze overwegende bezwaren ontmoeten, dan is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen: een zogenaamde hogere waarde besluit. Voorwaarde is wel dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. In het rapport 'Beleid hogere waarden wet geluidhinder' (geactualiseerd april 2013) is het gemeentelijk beleid opgenomen met betrekking tot deze hogere waarden. Of sprake is van in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt in paragraaf 4.3 behandeld.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 25

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK 3.3.5

Nota Groen

In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er wordt beschreven welke groene kwaliteiten in het plangebied bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding, gebaseerd op de zowel de ruimtelijke, sociale, ecologische, economische en fysische waarden van groen. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. De groenstructuren langs de grotere wegen maken onderdeel uit van de stedelijke Ecologische Hoofdstructuur zoals opgenomen in de Nota Groen. Ecologisch verbindt het netwerk de stad met het buitengebied via een raster van ecologische verbindingszones. Uitgangspunt is dat de bestaande groenen waterstructuur in stand wordt gehouden en waar mogelijk worden versterkt.

Indien door een ontwikkeling groen in omvang en/of kwaliteit achteruit gaat of zelfs verdwijnt, is het uitgangspunt dat dit gecompenseerd dient te worden, in de vorm van nieuw groen, verhoging van de kwaliteit van het groen of in de vorm van een bijdrage in de Ecologiereserve (financiele compensatie). Voor de bepaling van de invulling van de compensatieplicht is o.a. van belang de bijdrage en waarde van groen in de stedelijke structuur te bepalen en ook de bestemming van het groen speelt een rol. Het onderdeel van deze ecologische structuur heeft in het bestemmingsplan de functie aanduiding 'ecologische verbindingszone' gekregen. Dit bestemmingsplan maakt in de bestaande ecologische structuren geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, langzaam verkeerroutes zijn op grond van de onderliggende bestemming wel toegestaan. De ecologische verbindingszone dient groen te worden ingericht. Het water uit de waterstructuur wordt verbreed en wordt hiermee robuuster. In paragraaf 4.14 en 4.15 wordt ingegaan op de manier waarop natuurinclusief en klimaatadaptief gebouwd en ontwikkeld wordt. In het Planuitwerkingskader dat is opgesteld voor onderhavige ontwikkeling worden de nabijgelegen groenstructuren geborgd. Het onderhavige bestemmingsplan is in lijn met de Nota.

3.3.6

Mobiliteitsprogramma Delft 2040

De gemeenteraad heeft op 28 januari 2021 definitief ingestemd met het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. De stad wil de komende jaren groeien in aantal inwoners en arbeidsplaatsen wat leidt tot meer mobiliteit en extra drukte op de beschikbare ruimte. Om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid, is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad. Het mobiliteitsprogramma toont de visie voor de komende 20 jaar, tot 2040, om de stad bereikbaar en leefbaar te houden. Om dit mogelijk te maken wordt ingezet op een mobiliteitstransitie waarbij de infrastructuur in de stad beter wordt benut door voorrang te geven aan ruimte, efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. Het openbaar vervoer en de fiets moeten in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Ook de deelauto kan als alternatief voor de particuliere auto bijdragen aan efficiënter autogebruik. Concreet zijn de belangrijkste pijlers van het beleid: Ruimte geven door ruimte te maken voor: 1. meer verblijfsruimte en minder ruimte voor verplaatsen. 2. ruimte maken door minder autoritten. 3. ruimte maken door minder autoparkeren. Meer schone en actieve/ gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen.

Openbare ruimte verbeteren. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 26

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Tegengaan van 'vervoersarmoede'. Verbeteren van de verkeersveiligheid. De verkeersaspecten die samenhangen met de voorgenomen ontwikkeling worden behandeld in paragraaf 4.1.

3.3.7

Nota Parkeernormen 2018 - update 2021

Het parkeernormenbeleid van de gemeente Delft is erop gericht om bij bouwontwikkelingen in voldoende parkeercapaciteit voor zowel de auto als de fiets te voorzien. Parkeernormen zijn er niet voor om bestaande tekorten aan parkeerplaatsen op te lossen. De gemeente Delft kiest als basis voor haar autoparkeernormen de parkeerkencijfers uit CROW publicatie 317: kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. De parkeerkencijfers van het CROW hebben tevens de input gevormd voor de oude Nota Parkeernormen 2013. Bij het toepassen van de parkeerkencijfers van het CROW zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: ln de gebieden binnenstad en schil binnenstad geldt het minimale parkeerkencijfer als referentiepunt. ln alle overige gebieden wordt het gemiddelde parkeerkencijfer als referentiepunt gehanteerd. Een uitzondering op deze toedeling is het Delftse autoluwplusgebied. ln dit voornamelijk voetgangersgebied is een geslotenverklaring van kracht, gereguleerd met behuIp van kentekenherkenning. Extra autoverkeer is in dit gebied ongewenst, daarom is in dit gebied de parkeernorm nul en is de Autoluwplusregeling van kracht. ln het autoluwplusgebied worden geen nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. Dit betekent ook geen parkeerplaatsen op eigen terrein. Binnen de parkeerkencijfers van het CROW wordt onderscheid gemaakt naar mate van stedelijkheid en ligging in de stedelijke zone.

De mate van stedelijkheid is voor de gemeente Delft vastgesteld op de hoogste categorie: zeer sterk stedelijk (dit betekent dat er in de gemeente Delft per vierkante kilometer gemiddeld meer dan 2.500 adressen gevestigd zijn). De ligging in de stedelijke zone kan per bouwontwikkeling verschillen. Bij het bepalen van de stedelijke zone wordt de ligging van de voordeur als uitgangspunt gehanteerd. Er kan voor één of meerdere functies binnen een bouwontwikkeling sprake zijn van bijzondere omstandigheden op basis waarvan een alternatieve toepassing van parkeernormen wenselijk is. Voor deze alternatieve toepassing is in de Facetherziening Parkeren (artikel 5.3 onder a) een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Via bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de normatieve parkeerbehoefte. Wanneer verwacht wordt dat een bouwontwikkeling vergezeld zal gaan met een relatief hoog fietsgebruik, en er derhalve meer fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden dan de norm voorschrijft, kan een reductie op de parkeernorm voor de auto toegepast worden. De hoogte van deze reductie is locatieafhankelijk en verschilt per situatie. De parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt behandeld in paragraaf 4.1.

3.3.8

Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000)

Het Waterplan is gericht op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer. Vanuit een integrale visie op duurzaam stedelijk waterbeheer en rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten) beschrijft het Waterplan de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn. Duurzaam waterbeheer richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Gezond wil zeggen: een watersysteem met een waterkwaliteit en een ecologische kwaliteit die past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse. Veerkrachtig betekent dat verstoringen door bijvoorbeeld extreme regenval of incidentele verontreiniging relatief gemakkelijk kunnen worden opgevangen en dat systemen zich relatief gemakkelijk kunnen herstellen van ecologische verstoringen, zoals achteruitgang of (lokaal) zelfs volledig verdwijnen van soorten. Binnen de mogelijkheden die gezonde en veerkrachtige watersystemen bieden wordt een duurzaam gebruik van watersystemen (onder meer recreatie en scheepvaart) zoveel mogelijk bevorderd. Bij duurzaam waterbeheer worden water, ecologie en ruimtelijke ordening in samenhang bezien, bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 27

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK gebruikmakend van de 'natuurlijke' karakteristieken en de ligging van de watersystemen in het omringende landschap. Het betekent dat wordt aangesloten bij natuurlijke processen (water als ordenend principe) en bestaande ecologische structuren, en dat hiermee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij herinrichting van woonwijken en bij nieuwbouw. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.12.

3.3.9

Waterstructuurvisie (2006)

De Waterstructuurvisie heeft als doel het verbeteren van de waterkwaliteit en het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. In de visie wordt gestreefd naar 92 m² per hectare. Voor de realisatie van de wateropgave wordt zoveel mogelijk aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herstructureringen. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.12.

3.3.10 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast beschrijft het gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) hoe we de aankomende jaren (vanaf 2022 tot en met 2026) invulling zullen geven aan onze watertaken en hoe dit bijdraagt aan onze ambities. Daarmee geeft het vGRP ook een onderbouwing van de rioolheffing. Afvalwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Traditioneel doet de gemeente dit door het aanleggen en onderhouden van een rioleringsstelsel. Dat stelsel vervoert, in tegenstelling tot de decentrale voorzieningen, afvalwater van huishoudens en bedrijfspanden naar de waterzuivering. De laatste jaren is er ook aandacht voor decentrale waterzuivering, waarbij afvalwater lokaal gezuiverd en hergebruikt of geloosd wordt. Hemelwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (regen, sneeuw en hagel) dat op openbaar terrein terecht komt. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking en vertraagde afvoer van hemelwater. Er zijn verschillende manieren waarop gemeentes invulling geven aan deze inspanningsverplichting.

Afkoppelen is niet altijd wenselijk, zo zijn gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit in principe niet geschikt voor afkoppelen aangezien bij afkoppelen de afvoer naar het oppervlaktewater toeneemt. Uitgangspunt is het gescheiden inzamelen en afvoeren van hemelwater. Het hemelwater gescheiden van de vuile afvalwaterstroom verwerken is een meer duurzame invulling van de zorgplicht dan gemengd inzamelen. Het gemengd inzamelen en verwerken van hemelwater en vuilwater is een erfenis uit het verleden die vooral in de oudere delen van de stad nog vaak voorkomt. Nadeel van gemengde verwerking is dat schone waterstromen vuil worden en dat de kans groter is dat de openbare ruimte en inwoners met vuil afvalwater in aanraking komen. De gemeente anticipeert op klimaatveranderingen zodat het risico op wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk wordt beperkt. Het rioleringsstelsel is en wordt ontworpen om bij normale neerslag het water te kunnen afvoeren. Hiertoe wordt de landelijke richtlijn aangehouden voor de berekening van benodigde capaciteit. Bij extreme buien kan wateroverlast ontstaan. Dit betekent dat er mogelijk een aantal keren per jaar enige tijd water op straat blijft staan.

Grondwaterzorgplicht De verantwoordelijkheden van de gemeente op het gebied van grondwater zijn genuanceerder dan de andere twee zorgplichten: er geldt een inspanningsverplichting ('zoveel mogelijk') in plaats van de resultaatverplichting (afvalwater) of de inspanningsverplichting (hemelwater) wanneer perceeleigenaren hemelwater redelijkerwijs niet kúnnen afvoeren naar het oppervlaktewater of de bodem (hemelwaterzorgplicht). In het kort stelt de grondwaterzorgplicht de gemeente niet verantwoordelijk voor de grondwaterstand. De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het tegengaan van bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 28

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Wel is de gemeente in sommige gevallen verantwoordelijk voor het zo veel mogelijk beperken van structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast (te hoge) of -onderlast (te lage grondwaterstand). De gemeente is verplicht haar grondwaterzorgplicht na te komen om structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast zo veel als mogelijk te beperken. Zij kan hierop worden aangesproken. Toepassing van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 vindt plaats bij de uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.

3.3.11 Duurzaam- en natuurinclusief bouwen Delft Energieneutraal 2050 Bij nieuwbouw of herontwikkelingen gelden de doelstellingen uit het Delftse klimaatbeleid. De basis hiervoor is de nota Delft Energieneutraal 2050. Uitgangspunt is dat voor een nieuwe woon- of bedrijfsbestemming de ambitie voorligt om een scherpere energieprestatie te realiseren dan de landelijke normen. Hiervoor hanteert Delft de Trias energetica: 1. het verminderen van de vraag door energiebesparing bij eindgebruikers; 2. het toepassen van duurzame bronnen; 3. het (verder) optimaliseren van de toepassing van fossiele bronnen naar energie-efficiency en betrouwbaarheid. Beleid duurzaam bouwen Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. Voor het thema energie zijn de ambities in de nota Delft energieneutraal 2050 vastgelegd. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan.

De gemeentelijke GPR ambities worden conform RPK periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling worden door de gemeente als bouwheer geborgd. Voor de te ontwikkelen gebouwen geldt voor alle functies een GPR Gebouw Score, waarbij minimaal de volgende scores behaald moeten worden: DPG* Gezondheid Gebruikskwaliteit Toekomstwaarde

8.0, waarbij Energie en Milieu afzonderlijk minimaal 7.5; 8.0; 8.0; 8.0.

* DPG staat voor Duurzaamheids-Prestatie-Gebouwen en omvat zowel Energie als Milieu. Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 Met een groeiende wereldbevolking en consumptie per persoon groeit ook het belang om grip te krijgen op alle producten en grondstoffen die we gebruiken. Er moet minder of anders gebruik gemaakt worden van de voorraden en natuurlijke hulpbronnen die we tot onze beschikking hebben. Daarom is het van belang dat ook in Delft wordt toegewerkt naar een circulaire economie. Een circulaire economie is een economisch systeem van gesloten kringlopen, waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen en hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt. De belangrijkste ambitie is een 100% circulaire economie in 2050, gelijk aan de landelijke ambitie uit het Rijksbreed programma Circulaire Economie. In deze visie is de ambitie uiteengezet in ambities per 'prioritaire keten'. Dit gaat om Bouw, Biomassa & voedsel, Kunststoffen, Maakindustrie en Consumptiegoederen. Voor de uitvoering van de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050, wordt nog een Uitvoeringsplan Circulaire Economie opgesteld. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 29

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Op 30 september 2021 is de nota Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen door de gemeenteraad vastgesteld. Om de kwaliteit van de stedelijke omgeving te behouden en te versterken is een integrale aanpak op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur noodzakelijk, dat moet leiden tot een natuurinclusieve stad. Een natuurinclusieve stad is een dynamische groene, gezonde en levendige stad voor mens, dier en plant. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Overigens blijft de wet Natuurbescherming met inbegrip van de zorgplicht gelden voor elk project. De natuurinclusieve maatregelen gelden zowel bij nieuwbouw als bij renovatie. De maatregelen kunnen worden door vertaald naar diverse schaalniveaus en elementen. Er is onderscheid gemaakt in: Het inbouwen van specifieke voorzieningen voor specifieke (plant- en dier) soorten (bv. nestkasten voor mussen, insectenstenen) Gebouw gebonden ingrepen (bv. groene daken en gevels) Gebouw gebonden omgeving/buitenruimte (bv. (collectieve) tuinen op eigen perceel). De omgeving betreft de niet-bebouwde ruimte of buitenruimte, behorend bij de ontwikkeling en een zone van 50 cm tot 2 meter rondom de ontwikkeling of binnentuin.

Bij gebiedsontwikkelingen kunnen maatregelen eventueel ook gekoppeld worden aan de openbare ruimte. Openbare ruimte (bv. pocketparks, natuurspeelplaatsen, bermen, wegen, taluds etc.). Besluit bodemenergiesystemen De toepassing van bodemenergie, een techniek om woningen en gebouwen energiezuinig te maken, levert een bijdrage aan de realisatie van de gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Door de snelle groei kunnen belangen tussen diverse bodemenergiesystemen onderling en andere belangen met elkaar in conflict komen. Bij de aanleg van een open bodemenergiesysteem dient te worden voldaan aan de Waterwet. Bij de aanleg van een gesloten systeem moet worden voldaan aan het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en de Verordening en Beleidsregel gesloten bodemenergiesystemen gemeente Delft 2015. De 'hardware' die bodemenergie mogelijk maakt dient in beginsel weggewerkt te worden op eigen terrein en niet in de openbare ruimte. Duurzaamheidsambities onderhavige ontwikkeling De ambities voor duurzaamheid en natuurinclusief bouwen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.14.

3.3.12 Klimaatadaptiestrategie In 2019 is de Klimaatadaptatie Strategie vastgesteld door de gemeenteraad. De strategie is vooral een visie op Klimaatadaptatie in Delft. De strategie uit 2019 gaat over heel Delft en over alle domeinen, dus zowel over de openbare ruimte als over private percelen (inclusief bebouwing). In de Delftse strategie zijn de volgende 2 inhoudelijke speerpunten geformuleerd: 1. Een veerkrachtig systeem met maximale sponswerking 2. Geen toename van hittestress In 2018 heeft Delft het Convenant Klimaatadaptieve Bouwen getekend. Partners in het convenant zijn onder andere de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland, de meeste gemeenten, maatschappelijk organisaties en projectontwikkelaars. Op basis van de gemeentelijke klimaatadaptatiestrategie (2019) en het provinciale convenant (2018) heeft de gemeente Delft de ambities en regels voor klimaatadaptief bouwen uitgewerkt in de 'Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' (2022). Daarmee is het beleidsthema klimaatadaptatie voor nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in het beleid van de gemeente Delft verankerd. Het doel van de beleidsregel is het verminderen van (1) wateroverlast, (2) hittestress, (3) droogte en (4) bodemdaling en daarnaast het vergroten van de biodiversiteit (5).

Onderdeel (6) “overstromingen” is niet nader uitgewerkt in de beleidsregel want dit is belegd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. De toetsing aan het convenant met betrekking tot het watersysteem vindt plaats in paragraaf 4.12. Op bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 30

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK de overige aspecten binnen klimaatadaptatie wordt ingegaan in paragraaf 4.15.

3.3.13 Ambities en regels klimaatadaptief bouwen In oktober 2022 is door het college het beleid 'Ambities en regels klimaatadaptief bouwen, Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' vastgesteld. In deze beleidsregel zijn de ambities en regels voor klimaatadaptief bouwen voor de gemeente Delft aangegeven. In het Planuitwerkingskader (PUK), opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting, wordt aandacht gevraagd voor het klimaatadaptief inrichten van de locatie met als richtlijn het vasthouden en bergen van een bui van 60 mm per m2. Dit kan als waterberging maar ook als alternatieve vasthoudmaatregelen. De toetsing aan het convenant met betrekking tot het watersysteem vindt plaats in paragraaf 4.12. Op de overige aspecten binnen klimaatadaptatie wordt ingegaan in paragraaf 4.15.

3.3.14 Warmteplan Delft 2021 In december 2021 heeft de gemeenteraad van Delft de Transitievisie Warmte (Warmteplan Delft 2021) vastgesteld. Het Warmteplan is een visie document en geeft voor de bestaande bebouwde omgeving een eerste inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen per buurt. Per CBS buurt is door CE Delft met behulp van het model CEGOIA het warmte alternatief met de laagste nationale kosten berekend. Het CEGOIA-model berekent de nationale kosten van duurzame warmteopties. Dit is een eerste modelmatige benadering op basis van kentallen. Op basis van deze modelberekeningen komt voor dit plangebied all-electric na 2030 als voorkeurstechniek voor de bestaande situatie naar voren. De warmtetechniek voor de bestaande bebouwing van een buurt is niet per se de meest logische oplossing voor de nieuwbouw in diezelfde buurt. Voor de nieuwbouw ontwikkelingen in dit plangebied zijn warmtenetten en bodemenergiesystemen (WKO) eventueel gezamenlijk met de Protestantse Christelijke Bejaardenhuisvesting (Marcushof) het meest geëigende en duurzame alternatief voor verwarming en koeling zonder aardgas. De mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen van de voorgenomen ontwikkeling staan beschreven in het Planuitwerkingskader en worden meegenomen in het het bouwplan voor de scholen en de sportzaal.

3.3.15 Monumentenbeleid 2007-2017 Een belangrijk onderdeel in het gemeentelijke monumentenbeleid zoals opgenomen in de beleidsnota Monumentenbeleid 2007-2017 is het in de ruimtelijke planvorming benoemen en waar mogelijk beschermen van cultuurhistorische waarden: van gebouwen, objecten en (deel)structuren. Het beleid voor de periode vanaf 2017 moet nog opgesteld worden, maar zal wat betreft ruimtelijke ordeningsaspecten zoveel mogelijk het huidige beleid voortzetten. De toetsing met betrekking tot cultuurhistorie wordt gedaan in paragraaf 4.11.

3.3.16 Welstandsnota Delft De Woningwet (2003) verplicht gemeenten om eigen welstandsbeleid te formuleren. Welstandsoordelen mogen volgens die wet alleen gebaseerd zijn op criteria die worden genoemd in een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota. Het doel van de Welstandsnota Delft (maart 2021) is: het plaatsen van de welstandsbeoordeling binnen een door de gemeenteraad vastgesteld inhoudelijk kader waarmee de rechtszekerheid voor de burger wordt gediend; het verhogen van de kwaliteit van de welstandsadvisering; meer samenhang bieden in het beleid dat zich richt op het uiterlijk van de stad. De welstandsnota wil vooral duidelijkheid scheppen over de inhoud van de welstandstoets. De toets is gebaseerd op 3 algemene criteria, namelijk: A. Stedenbouwkundige samenhang; B. Evenwichtig gevelbeeld; bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 31

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK C. Passende detaillering, materiaal- en kleurgebruik. Daarnaast worden drie welstandsniveaus onderscheden, die variëren van bijzonder welstandsniveau tot welstandsluw niveau. Deze niveaus corresponderen met drie verschillende gebieden van Delft (zie Figuur 1.14). Deze niveaus betreffen: 1. Bijzonder Welstandsniveau; 2. lobaal Welstandsniveau; 3. Welstandsluw Niveau.

Figuur 3.4: Welstandskaart gemeente Delft en uitsnede welstandkaart. Bron: Welstandskaart online. Op bovenstaande Welstandskaart is te zien dat het plangebied grenzend aan de Aart van der Leeuwlaan onder het 'Welstandsluwniveau' valt als ook onder Zone langs hoofdweg, historische routes en zichtlocaties. Voor het Bijzonder Welstandsniveau geldt dat alle criteria A, B en C van toepassing zijn. Maatgevend bij het bepalen van het lichtpaarse gebied is: alle beschermd stads- en dorpsgezichten; alle monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen; bebouwing langs hoofdwegen, langs historische routes en zichtlocaties; hoogbouw met een bouwhoogte van 30 meter of meer. Voor het Globaal Welstandsniveau gelden enkel criteria A en B. Maatgevend bij de keuze van het blauwe gebied is: gebieden en zones rond het historisch gebied van Delft. In dit gebied zijn zones langs hoofdwegen en historische routes op de kaart gearceerd. Binnen deze zones geldt voor naar de weg gekeerde gevels van hoofdgebouwen dat daarvoor teven criteria C van toepassing is. De toetsing van het plan aan de Welstandsnota is nader uitgewerkt in paragraaf 4.11.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 32

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

3.4

Hoogheemraadschap Delfland

3.4.1

Waterbeheersplan 2022-2027

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027, 'Keuzes maken en kansen benutten' is het document waarin het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het programma beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Delfland investeert de komende jaren volop in het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels gaan het waterbeheer de komende decennia ingrijpend veranderen. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. Delfland spreidt daarom de maatregelen in de tijd, zodat het tempo aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie en het gebied. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet.

In het kader van de watertoets vindt overleg plaats tussen de gemeente Delft en het hoogheemraadschap van Delfland.

3.4.2

Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014)

De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten.

3.4.3

Watervergunning

Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; activiteiten binnen het waterstaatwerk en de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen; activiteiten binnen het waterstaatwerk en bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering. 3.4.4

Handreiking watertoets

Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit komt aan de orde in paragraaf 4.12.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 33

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

3.5

Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen de relevante ruimtelijke beleidskaders vanuit het rijk, de provincie, de gemeente en het Hoogheemraadschap.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 34

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten en onderzoek

4.1

Verkeer en parkeren

4.1.1

Kader

Door de transformatie van de locatie aan de Aart van der Leeuwlaan verandert in vergelijking met de huidige situatie de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De verandering in de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkellocatie heeft ook effect op de omliggende wegen. Ten behoeve van de herontwikkeling en het effect hiervan op de infrastuctuur is door Antea Group (2022) een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3 bij de toelichting.

Figuur 4.1: Locatie ten aanzien van een aantal hoofdstructuren. Bron: Gemeente Delft.

4.1.2

Verkeersgeneratie en -afwikkeling

Als gevolg van de twee middelbare scholen en de sportzaal worden 171,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal toegevoegd (zie de onderstaande tabel 4.1). Deze verkeersgeneratie zorgt voor een beperkte toename op de omliggende wegen, op de Aart van der Leeuwlaan is de etmaalintensiteit in 2032 ca. 950 motorvoertuigbewegingen, op de Pierre van Hauwelaan/Martinus Nijhofflaan ca. 4.450 en op de Prinses Beatrixlaan ca. 17.000. De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op de doorstroming van wegen en kruispunten rondom het plangebied. Tabel 4.1: Tabel verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Bron: Anteagroup.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 35

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

4.1.3

Parkeerbalans

De locatie ligt in het parkeergebied 'Schil Binnenstad'. De parkeernorm voor de school, exclusief halen en brengen is 2,6 per 100 leerlingen. Dat betekent dat er afgerond drie parkeerplaatsen voor de Pleysierschool nodig zijn en vier voor de ISK (exclusief Kiss & Ride). De parkeernorm voor fietsen is gerelateerd aan de oppervlakte: 14,0 per 100 m2 BVO voor leerlingen en 0,5 per 100 m2 BVO voor docenten. De parkeernorm voor de sportzaal bedraagt 1,6 per 100 m2 BVO. Dubbelgebruik met de parkeerbehoefte van de school is mogelijk. Het gemeentelijk beleid gaat er vanuit dat het parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen in principe op eigen terrein wordt opgelost. Omdat het aanleggen van parkeren op eigen terrein slecht inpasbaar is en er in de openbare ruimte nog restcapaciteit aanwezig is, wordt, passend binnen het beleidskader, gekozen voor een oplossing waarbij het parkeren deels in de openbare ruimte wordt opgelost. De parkeernormen worden geborgd in het bestemmingsplan.

4.1.4

Conclusie

De verkeersgeneratie van de ontwikkeling kan afgewikkeld worden op het omliggende wegennet. De parkeervoorzieningen zijn geborgd in de parkeernormen. Voor het aspect 'verkeer en parkeren' worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

4.2.1

Kader

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht om in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan te tonen dat (toekomstige) bewoners en gebruikers een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarnaast dient aangetoond te worden dat (bestaande) bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand wordt een milieuzone genoemd. Ten behoeve van de herontwikkeling is door de AnteaGroup het aspect bedrijven en milieuzonering beschouwd. het volledige rapport is als bijlage 2 bij de toelichting meegenomen. Om te bepalen in hoeverre er voldoende afstand is tussen bedrijven en gevoelige objecten kan gebruik gemaakt worden van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, versie 2009. De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. Het is geen wet, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNG-afstanden) tot gevoelige objecten. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is.

De VNG-brochure bevat specifieke regelingen voor "gemengde gebieden" en "gebieden met functiemenging". Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 36

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen; (delen van) woongebieden met kleinschalige of ambachtelijke bedrijvigheid. Wanneer er sprake is van functiemenging, dan zijn de richtafstanden uit de VNG-publicatie voor bedrijfsactiviteiten die voldoen aan bepaalde voorwaarden niet van toepassing. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn in dit kader handreikingen opgenomen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in gebieden met functiemenging. In bijlage 4 van de VNG-publicatie is een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen voor gebieden met functiemenging. In deze lijst zijn bedrijfsactiviteiten gecategoriseerd in A, B en C bedrijven: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden ingevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoodfinfrastructuur. 4.2.2

Toets

Gebiedstype Het plangebied bevindt zich in de wijk Voorhof in Delft-Zuid. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke functiemenging tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. De omgeving rondom het plangebied kan geclassificeerd worden als een 'gemengd gebied'. Er is sprake van bestaande woonfuncties gecombineerd met maatschappelijke functies. Het plangebied is bovendien gelegen naast een grote verkeersontsluitingsweg (Prinses Beatrixlaan). Omliggende bedrijvigheid De school is een milieugevoelige functie en daarom dient gekeken te worden naar de ligging t.o.v. omliggende bedrijfsfuncties. Rondom het plangebied bevinden zich enkele functies die bedrijvigheid mogelijk maken: Ten noorden van het plangebied is op de bestemming 'Gemengd' een kantoor en gezondheidscentrum aanwezig (Aart van der Leeuwlaan 8/10); Ten noordwesten van het plangebied is op de bestemming 'Maatschappelijk' een kerk aanwezig (Obrechtstraat 50); Ten noordwesten van het plangebied is op de bestemming 'Maatschappelijk' een middelbare school aanwezig (Obrechtstraat 48). Het kantoor en het gezondheidscentrum hebben op basis van de VNG-brochure een maximale indicatieve hinderafstand van 30 meter (milieucategorie 2). De afstand tussen het plangebied en de afstand tot deze (gemengde) bestemming bedraagt meer dan 40 meter, hiermee zijn geen knelpunten te verwachten.

Ten opzichte van de maatschappelijke bestemmingen aan de Obrechtstraat (kerk en middelbare school) bedraagt de afstand meer dan 80 meter. Op basis van de planologische situatie zijn hier alleen maatschappelijke bestemmingen mogelijk met een maximale indicatieve hinderafstand van 30 meter (milieucategorie 2). Daarom wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat Gevoelige functies in de omgeving bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 37

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Voor de beoogde school- en sportbebouwing geldt op basis van de VNG-brochure voor gemengd gebied een indicatieve hinderafstand van 10 meter voor het onderwijs (milieucategorie 2) en 30 meter voor de sportzaal (milieucategorie 3.1). In beide gevallen betreft het een richtafstand voor geluid. Voor een middelbare school geldt ook een richtafstand van 10 meter voor gevaar. Met de huidige footprint liggen er geen woonvlakken binnen de richtafstand voor geluid en gevaar behorende bij de school. De richtafstand voor geluid geldt ook voor bijbehorende schoolpleinen, gelegen aan de westzijde van de scholen. Er liggen geen woningen binnen 10 meter van het plangebied, dus ook voor het schoolplein wordt voldaan aan de richtafstand. Er werd met de getoetse footprint niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter voor de sportzaal. De woningen ten zuiden van het plangebied lagen circa 3 meter binnen de richtafstand. Gelet hierop is de sportzaal in noordelijke richting verschoven en is de minimale richtafstand van de sportzaal ten opzichte van de woningen ten zuiden van het plangebied geborgd via het bestemmingsplan. Functiemenging binnen plangebied Binnen het plangebied is een combinatie van school- en sportbebouwing voorzien. De school is een milieugevoelige functie.

De menging binnen het plangebied van een school met een sportzaal wordt hier daarom ook getoetst. In de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging' valt zowel onderwijs als een sportzaal onder categorie B. Deze combinatie is mogelijk bij elkaar, wel dienen het onderwijs en de sportzaal akoestisch van elkaar te worden gescheiden. Daarmee wordt voldaan aan de eisen die aan functiemenging worden gesteld volgens de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering.

4.2.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering is beschouwd in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling van twee scholen voor middelbaar onderwijs en een sportzaal. De conclusies van deze analyse zijn als volgt: In relatie tot omliggende bedrijfsfuncties wordt voldaan aan de maximale indicatieve hinderafstand. Er wordt voldaan aan de indicatieve richtafstand van de school t.o.v. omliggende woonfuncties. Door het opnemen van een aanduiding 'Sportzaal' in het in het bestemmingsplan wordt de indicatieve hinderafstand voor geluid die geldt voor de sportzaal (30 meter) ten opzichte van de omliggende woningen geborgd. Voor de functies binnen het plangebied kan onder voorwaarden (akoestische afscheiding) worden voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit de systematiek van 'Bedrijven en milieuzonering' wordt daarmee een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd. Er bestaat daarbij geen aanleiding om dit aspect nader te onderzoeken. Dit geldt zowel vanuit het plangebied als vanuit de omgeving. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.3

Geluid

4.3.1

Kader

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met woningen, geluidsgevoelige gebouwen, nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast dient getoetst te worden aan het gemeentelijke geluidbeleid. De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is daarom alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg, spoor en gezoneerd industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van een geluidsgevoelige functie (onderwijs) en het plangebied ligt binnen de geluidszone van gezoneerde wegen.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 38

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK 4.3.2

Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai

Voor de nieuwbouw is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, het volledige rapport is als bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan meegenomen. Doel van het akoestisch onderzoek is om de geluidbelasting op de te projecteren school vanwege nabijgelegen wegen en de trambaan in beeld te brengen. Ook 30 km/h-wegen zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek. Op basis van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid kan beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Resultaten De geluidbelasting vanwege de Pierre van Hauwelaan/Martinus Nijhofflaan inclusief trambaan is niet hoger dan 48 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Derhalve is sprake van een aanvaardbare geluidsituatie. De geluidbelasting vanwege de 30 km/uur-weg Aart van der Leeuwlaan is eveneens niet hoger dan 48 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). In analogie met de Wet geluidhinder is er derhalve sprake van een aanvaardbare geluidsituatie als gevolg van de Aart van der Leeuwlaan en Pierre van Hauwelaan/Martinus Nijhofflaan. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Prinses Beatrixlaan (incl. aftrek art. 110g Wgh) hoogstens 59 dB Lday bedraagt. Hiervoor is een onderzoek naar maatregelen van toepassing. Indien maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op bezwaren, dienen hogere waarden te worden vastgesteld.

Maatregelen Uit de maatregelenoverweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen financieel en stedenbouwkundig niet uitvoerbaar zijn. Onder voorwaarden (ingevolge het gemeentelijk geluidbeleid) is het mogelijk om hogere waarden vast te stellen voor de Prinses Beatrixlaan: Woningen en andere geluidgevoelige gebouwen dienen altijd een geluidluwe zijde te hebben. Dit is een gevel met een gecumuleerde geluidbelasting van 55 dB zonder aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. Meer den de helft van de lokalen dient niet aan de hoogst geluidsbelaste zijde te worden gesitueerd. Uit de indicatieve berekening blijkt dat, op basis van het laatste bouwplan, het merendeel van de lokalen niet aan de hoogst geluidbelaste zijde (westzijde) is gesitueerd. Deze voorwaarde is geborgd in het bestemmingsplan en dient getoetst te worden bij de uitwerking van het bouwplan. In verband met de aanwezigheid van de waterkering, is de ligging van het bouwvlak zodanig veranderd (in het kader van de vaststelling van het definitieve bestemmingsplan) dat deze voor een klein deel buiten het eerder vastgestelde bouwvlak valt. Uit de aanvullende indicatieve berekening (bijlage 4 van de toelichting) blijkt dat de (afgeronde) maatgevende geluidbelasting Lday aan de zuidzijde van het bouwvlak niet hoger is dan de resultaten uit het onderzoek uit 2022.

Het Hogere Waardenbesluit behoeft geen aanpassing, aangezien de hogere waarde is gebaseerd op de geluidbelasting op de maatgevende, westelijke zijde van het bouwvlak, welke zich binnen het eerder gehanteerde bouwvlak bevindt. Derhalve zal de geluidbelasting daar als gevolg van het veranderde bouwvlak niet hoger worden. Geluiduitstraling verkeersgeneratie In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is ook gekeken naar de invloed van het extra verkeer als gevolg van de school op de omgeving. De hoogste geluidtoename op de nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen (vanwege het verkeer op de Aart van der Leeuwlaan) is minder dan 1,5 dB. Er is geen sprake van een significante geluidtoename.

4.3.3

Geluidscontouren

Geluidcontouren omliggende bedrijven en voorzieningen De school is een milieugevoelige functie en daarom dient gekeken worden naar de ligging ten opzichte van omliggende bedrijfsfuncties, zie bijlage 2 bij toelichting. Rondom het plangebied bevinden zich enkele functies die bedrijvigheid mogelijk maken: Ten noorden van het plangebied is op de bestemming gezondheidscentrum aanwezig (Aart van der Leeuwlaan 8/10);

'Gemengd' een kantoor en

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 39

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Ten noordwesten van het plangebied is op de bestemming 'Maatschappelijk' een kerk aanwezig (Obrechtstraat 50); Ten noordwesten van het plangebied is op de bestemming 'Maatschappelijk' een middelbare school aanwezig (Obrechtstraat 48). Het kantoor en het gezondheidscentrum hebben op basis van de VNG-brochure een maximale indicatieve hinderafstand van 30 meter (milieucategorie 2). De afstand tussen het plangebied en de afstand tot deze (gemengde) bestemming bedraagt meer dan 40 meter, hiermee zijn geen knelpunten te verwachten. Ten opzichte van de maatschappelijke bestemmingen aan de Obrechtstraat (kerk en middelbare school) bedraagt de afstand meer dan 80 meter. Op basis van de planologische situatie zijn hier alleen maatschappelijke bestemmingen mogelijk met een maximale indicatieve hinderafstand van 30 meter (milieucategorie 2). Ook hier wordt voldaan aan de richtafstand. Hierdoor worden er geen negatieve geluideffecten verwacht van omliggende geluidproducerende functies. Menging van functies binnen plangebied Voor de functies binnen het plangebied kan onder voorwaarden (akoestische afscheiding) worden voldaan aan een aanvaardbaar geluidklimaat. Geluidcontour school en sportzaal t.o.v.

omliggende woningen Uit de eerder genoemde beoordeling aan de hand van de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' volgt dat er geen woonvlakken liggen binnen de 10 meter contour rondom de school. Hier worden dan ook geen wezenlijk negatieve geluideffecten verwacht. Ten aanzien van omliggende woningen werd met de getoetste footprint niet voldaan aan de indicatieve hinderafstand voor geluid die geldt voor de sportzaal van (30 meter). Hierdoor is de sportzaal in noordelijke richting verschoven. Uit onderstaande situatietekening blijkt dat de sportzaal zich bevindt in het noordelijke deel van het gebouw wat op meer dan 30 meter van woningen ligt. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar geluidklimaat. De situering van de sportzaal is in het bestemmingsplan geborgd via een aanduiding Sportzaal.

Figuur 4.2: Situering van de sportzaal binnen de footprint. Bron: Gemeente Delft (2022).

4.3.4

Conclusie

De geluidbelasting van de Prinses Beatrixlaan ligt boven de voorkeursgrenswaarde, hiervoor dienen mitigerende maatregelen genomen te worden bij de school. De maatregelen zijn opgenomen in het hogere waarden besluit. Het hogere waarden besluit is gekoppeld aan het bestemmingsplan, daarmee zijn de maatregelen geborgd. De school ligt als gevoelige functie niet binnen de geluidcontouren van omliggende bedrijfsfuncties. De menging met een sportzaal is mogelijk met een akoestische scheiding. De geluidcontour van de school en sportzaal ligt niet over gevoelige functies in de omgeving daar de sportzaal in het noordelijke deel van bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 40

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK de footprint gerealiseerd wordt. Dit is geborgd in het bestemmingsplan. Voor het aspect 'geluid' worden met bovenstaande mitigerende maatregelen geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Kader

De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. Tabel 4.2: Grenswaarden uit de Wet milieubeheer voor NO2, PM10 en PM2,5.

* grenswaarde van toepassing bij wegen waarvan ten minste 40.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is . Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 , de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10.

Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 41

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen schrijft voor dat scholen tenminste 50 meter van provinciale en 300 meter van rijkswegen verwijderd moeten zijn als sprake is van (dreigende) overschrijding van normen voor luchtkwaliteit. Onderhavige locatie voldoet hieraan. Er is geen aanvullend gemeentelijk beleid van kracht voor gevoelige bestemmingen.

4.4.2

Toets

In het kader van onderhavige ontwikkeling is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door Antea Group (2021), het volledige rapport is meegenomen als bijlage 5 bij de toelichting. In dit onderzoek is een NIBM-toets uitgevoerd en zijn gevoelige bestemmingen en de goede ruimtelijke ordening beoordeeld. NIBM-toets Met de NIBM-tool (versie 23 april 2022) is de maximale toename van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer door het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en commerciële voorzieningen. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool opgenomen. In het kader van het verkeersonderzoek voor de onderhavige ontwikkeling is een verkeersgeneratie van 171,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal bepaald voor een weekdag. Voor de NIBM-berekening is uitgegaan van 1,2% vrachtverkeer.

Figuur 4.3: Berekening worstcase planeffect met de NIBM-tool (versie 2022). Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat de maximale bijdrage van het voorgenomen plan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 minder is dan 1,2 µg/m3. Op basis hiervan is aannemelijk dat het voorgenomen plan niet in betekenende mate bijdraagtaan de toename van luchtverontreinigende bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (vastgesteld) 42

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK stoffen. Afstand tot rijks- en provinciale wegen Uit het Besluit gevoelige bestemmingen van toepassing volgen beperkingen voor scholen binnen 50 meter van provinciale en 300 meter van rijkswegen verwijderd. Er is geen aanvullend gemeentelijk beleid van kracht voor gevoelige bestemmingen. De A4 en de A13 liggen respectievelijk op tenminste 1.800 meter en 2.500 meter van het plangebied. Hier wordt dus ruim voldaan aan de afstandsnorm van 300 meter ten opzichte van rijkswegen. De N470 ligt op ca. 850 meter van het plangebied. Er wordt derhalve ook voldaan aan de norm van 50 meter tussen de scholen en een provinciale weg. De afstandsnormen voor scholen uit het Besluit gevoelige bestemmingen staan verdere besluitvorming niet in de weg. Beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2021). Met de Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst.

De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de verkeersgegevens voor de rijkswegen en de wegen in beheer van provincies en gemeenten. De (maximale) concentraties ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht voor de meest kritische stoffen in Nederland: NO2, PM10 en PM2,5. Tabel 4.3: Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in µg/m3 en toetsing aan de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde rekenpunten.

Op basis van de resultaten uit de NSL Monitoringstool kan worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe verder dalen.

4.4.3

Conclusie

De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen, waarbij de toekomstige situatie zich ruim binnen bestaande normen voor luchtkwaliteit begeeft. De school ligt verder op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen, daarom vormt het Besluit gevoelige bestemmingen ook geen belemmering. Daarnaast kan op basis van de NSL Monitoringstool worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe steeds verder dalen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect 'luchtkwaliteit' staat verdere besluitvorming niet in de weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12833970/1