1a IGVO Bijlagen bij toelichting IGVO
Tekst van het document
Pagina 16
vleermuisverblijfplaatsen in te bouwen, die de aangetroffen verblijfplaatsen ruimschoots mitigeren, mocht het niet mogelijk zijn om de toren te behouden. Er zijn geen redelijke alternatieven met minder ecologische impact voor de voorgenomen sloop activiteit. De uitvoering van de sloop is locatie gebonden en kan niet op een andere plek worden uitgevoerd. De sloop zal plaats vinden in de ecologisch meest gunstige periode waardoor er geen redelijke alternatieven met minder ecologische impact zijn. Er is geen bevredigende oplossing, zoals genoemd in artikel 3.8, lid 5, sub a Wet natuurbescherming. Volksgezondheid en openbare veiligheid De voorgenomen ontwikkeling, i.e. het slopen van de panden en het afvoeren van het asbest, is noodzakelijk in het kader van het wettelijk belang 'openbare veiligheid of volksgezondheid' uit de Vogelrichtlijn (artikel 9 lid 1 sub a Vogelrichtlijn, respectievelijk artikel 3.3, lid 4, sub b onder 1 Wnb) en de Habitatrichtlijn ( artikel 16 lid 1 sub e Habitatrichtlijn, respectievelijk artikel 3.8 lid 5 sub b onder 3 Wet natuurbescherming). De gebouwen zijn al enkele jaren niet meer in gebruik is. In verband met de aanwezigheid van astbest (de asbestrapportage is bijgevoegd in bijlage 7) en brandveiligheid is (tijdelijk) gebruik nauwelijks mogelijk. Het beheer is beperkt tot bewaking.
De kans op verval en vandalisme is groot en door de aanwezigheid van onbevoegden (’s nachts) kan het leiden tot onveilige situaties. In het kader van de openbare orde is gewenst om de leegstand (na overdracht aan de gemeente) een zo kort mogelijke termijn in beslag te laten nemen. Bij brand bestaat kans op ongewenste verspreiding van asbest in de (woon)omgeving en daarmee gevaar voor de volksgezondheid. Bij voorkeur wordt de asbest zo snel mogelijk verwijdert, binnen de financiële en technische mogelijkheden. Het huidige gebouwencomplex is sterk verouderd. Bij hergebruik kunnen deze niet optimaal worden geïsoleerd, waardoor de gebouwen een verhoogde mate van energie gebruiken. Nieuwbouw van de IGVO biedt kans om bij te dragen aan bijna energie neutrale gebouwen (BENG) die een bijdrage leveren aan het terugbrengen van CO2uitstoot en de daarbij behorende klimaatsveranderingen. Ook dit komt de Volksgezondheid ten goede. Op grond van het voorgaande zijn wij hierom van mening dat de wettelijke belangen 'volksgezondheid of openbare veiligheid' voldoende onderbouwd zijn.
Eco-Niche
Pagina 17
4: Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft Bijlage 4 als los PDF-document bijgevoegd.
Uitsnede resultaat vleermuizen uit rapport ‘Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft’.
Vleermuisverblijfplaatsen buiten planlocatie (Tauw, 2016).
Eco-Niche
Pagina 18
5: Vervolgonderzoek wilde planten, huismussen, roofvogels, gierzwaluwen en vleermuizen Bijlage 5 als los PDF-document bijgevoegd.
Eco-Niche
Pagina 19
6a: Tijdelijke vleermuis kraamkast Hieronder worden voorbeelden gegeven van voor dit project geschikte tijdelijke vleermuis kraamkasten met meerdere lagen.
Vivara pro VK MP03 (51 x 79 x 16 cm)
Waveka Schwegler 2FTH (70 x 50 x 19,5 cm)
Faunaprojecten VMT3 - Kraamkast (80 x 72 x 11,7 cm)
Eco-Niche
Pagina 20
6b: Permanente vleermuis inbouwkast Hieronder worden voorbeelden gegeven van voor dit project geschikte permanente vleermuisinbouwkasten. Voor kraamverblijfplaatsen dienen drie tot vier elementen boven elkaar geschakeld ingebouwd te worden.
Vivara Pro IB VL01 en 02 (21 x 50 x 16 cm en 21 x 50 x 6 cm)
Waveka Schwegler 1W1 (54,5 x 34,5 x 9,5 cm)
Waveka Schwegler 2FR (47,5 x 20 x 12,5 cm)
Waveka Schwegler 3FE (basiselement 40 x 25 x 5 cm) + (achterwand 40 x 25 x 10 cm) + (aanvliegstuk 7,7 x 25 x 3 cm)
Eco-Niche
Pagina 21
Faunaprojecten VMPK1 inbouw kraamkast (80 x 76 x 12 cm)
Faunaprojecten VMPM3 en VMPM3u schakelbare inbouwkasten (48,7 x 22 x 14,5 cm)
Eco-Niche
Pagina 22
7 Asbestinventarisatie Bijlage 7 als los PDF-document bijgevoegd.
Eco-Niche
Pagina 23
bestemmingsplan IGVO
Bijlage 3 Nader onderzoek soorten Wnb
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 38
Vervolgonderzoek wilde planten, huismussen, roofvogels, gierzwaluwen en vleermuizen Julianalaan 136 te Delft
november 2019
E co - N i ch e wrvanesch@eco-niche.nl www.eco-niche.nl
Inhoudsopgave 1: Inleiding ........................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding .................................................................................................... 3 1.2 Doelstelling .................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer .................................................................................................... 3 2: Project en planlocatie ......................................................................................... 4 2.1 Project ......................................................................................................... 4 2.2 Planlocatie.................................................................................................... 4 3: Methode ........................................................................................................... 5 3.1 Wilde planten ............................................................................................... 5 3.2 Huismussen .................................................................................................. 5 3.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) ..................................................................
5 3.4 Gierzwaluwen ............................................................................................... 6 3.5 Vleermuizen ................................................................................................. 6 3.6 Overige soortgroepen .................................................................................... 7 4: Resultaten ........................................................................................................ 8 4.1 Wilde planten ............................................................................................... 8 4.2 Huismus....................................................................................................... 8 4.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) .................................................................. 8 4.4 Gierzwaluw..................................................................................................10 4.5 Vleermuizen ................................................................................................10 4.6 Overige soortgroepen ...................................................................................13 5: Effecten op beschermde soorten .........................................................................
15 5.1 Wilde planten ..............................................................................................15 5.2 Huismus......................................................................................................15 5.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) .................................................................15 5.4 Gierzwaluw..................................................................................................15 5.5 Vleermuizen ................................................................................................15 5.6 Overige soortgroepen ...................................................................................16 6: Conclusie......................................................................................................... 17 6.1 Effecten op beschermde soorten ....................................................................17 6.2 Vervolgstappen ............................................................................................17 Bronnen .............................................................................................................. 19 Bijlage 1: Functies voor beschermde soorten ........................................................... 20 Bijlage 2: Uitleg Wet natuurbescherming .................................................................
22 Bijlage 3: Gemelde kwetsbare en beschermde soorten (NDFF) ................................... 24 Eco-Niche
Pagina 2
1: Inleiding 1.1 Aanleiding In verband met de sloop van de bebouwing van ‘Gele Scheikunde TU Delft’ aan de Julianalaan 136 in Delft zijn in 2016 Flora- & faunaonderzoeken uitgevoerd in het kader van de natuurwetgeving (Tauw, oktober 2016). Gemeente Delft heeft Eco-Niche verzocht om een update van deze onderzoeken. Enerzijds omdat de gegevens verouderd zijn en anderzijds vanwege de veranderde wetgeving, namelijk van Flora- en faunawet (2002) naar Wet natuurbescherming (2017). De planlocatie is tevens kleiner dan de toenmalige planlocatie. Het vervolgonderzoek omvat de volgende ‘voor- en najaarsonderzoeken’: wilde planten, huismussen, roofvogels (sperwer en boomvalk), gierzwaluwen en vleermuizen. Deze soort(groep)en zijn wettelijk beschermd en de functionaliteit van de planlocatie mag daarom niet afnemen. Voor de overige soortgroepen zijn de omstandigheden en de wetgeving niet zodanig gewijzigd, dat dit tot andere conclusies zou leiden. Dit zijn de soortgroepen: grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en kwetsbare en algemene broedvogelsoorten. Desalniettemin wordt de aanwezigheid van deze overige beschermde soorten kort onderbouwd en getoetst aan de Wet natuurbescherming en daarmee een update van de toenmalige quickscan (Tauw,2016). Voorliggende rapportage vormt het resultaat van bovengenoemde.
1.2 Doelstelling De doelstellingen van het vervolgonderzoek zijn: - Het vaststellen van de aan- of afwezigheid van beschermde wilde planten, huismussen, roofvogels (sperwer/boomvalk), gierzwaluwen en vleermuizen; - Bij aanwezigheid: het vaststellen van de functionaliteit van de planlocatie voor de aangetroffen soorten; - Update quickscan - Het bepalen van de vervolgstappen.
1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving van het project en de planlocatie en hoofdstuk 3 gaat in op de toegepaste onderzoeksmethode(s). De resultaten van de onderzoeken komen aan bod in hoofdstuk 4, waarna in hoofdstuk 5 de effecten van het project worden beoordeeld. Op basis van de conclusie van de onderzoeken, in hoofdstuk 6, worden in hetzelfde hoofdstuk de te nemen vervolgstappen gepresenteerd.
Eco-Niche
Pagina 3
2: Project en planlocatie Dit hoofdstuk definieert alleen de ecologisch relevante uitgangspunten van het project.
2.1 Project Ter reductie van het aantal vierkante meters gebruiksoppervlak, exploitatielasten en CO 2 wil de TU Delft een aantal gebouwen afstoten of slopen (Tauw, 2016). Voor een beschrijving van de geplande ontwikkelingen wordt verwezen naar de Flora- & faunaonderzoeken (Tauw, 2016).
2.2 Planlocatie De planlocatie ligt tussen de Michiel de Ruyterweg en de Prins Bernardlaan en bestaat uit een aaneengesloten gebouw met twee zijvleugels en een rij van vier woningen aan de Michiel de Ruyterweg 33 t/m 39. De te onderzoeken planlocatie wordt in de onderstaande figuur weergegeven. Voor een gedetailleerde beschrijving van de planlocatie wordt verwezen naar de Flora- & faunaonderzoeken (Tauw, 2016). Er is in de tussentijd niets gewijzigd, de planlocatie is alleen kleiner geworden.
Planlocatie binnen rode kader (bron: Kaartgegevens ©2019 Google).
Eco-Niche
Pagina 4
3: Methode Eco-Niche houdt, als lid van Netwerk Groene Bureaus, de inventarisatiemethodes en protocollen aan, die algemeen aanvaard dan wel vereist worden door het bevoegd gezag. Deze methodes leiden doorgaans tot een goed beeld van de te onderzoeken soort(groep)en op de planlocatie en zijn onderdeel van de kwaliteitsborging van onze fauna-onderzoeken. Indien we hier van afwijken is het om ecologische redenen en zullen we dit nader onderbouwen. Hieronder wordt per soort of soortgroep de onderzoeksmethode weergegeven.
3.1 Wilde planten Tijdens één bezoek in het groei- en bloeiseizoen (half mei) wordt de planlocatie afgezocht op beschermde planten inclusief de muurvegetatie. De aangetroffen muurplanten (Tauw, 2016) zijn niet meer beschermd in de huidige wetgeving.
3.2 Huismussen Het onderzoek naar de huismus is uitgevoerd conform de richtlijnen voor onderzoek, zoals beschreven in het ‘Kennisdocument Huismus’ (BIJ12, 2017). Het kennisdocument stelt onder meer eisen aan het weer, tijdstip, de geschikte onderzoeksperiode en het aantal bezoeken. Deze eisen zijn gekoppeld aan de functies die een planlocatie voor huismussen kan hebben. In bijlage 1 staat een toelichting op de functies en wanneer ze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Op basis van het formaat van de planlocatie is de volgende inspanning vastgesteld: 2 bezoeken door 1 onderzoeker. De bezoeken worden in de periode 1 maart t/m 15 mei uitgevoerd en tussen twee bezoeken zit minimaal 10 dagen. De bezoeken worden overdag uitgevoerd op tijdstippen dat huismussen actief zijn, vanaf 1 uur na zonsopkomst. Tijdens de veldbezoeken is op de planlocatie gekeken naar in- en uitvliegende huismussen, territorium- en nestindicerend gedrag, sporen (uitwerpselen, nesten, etc.), de aanwezigheid van jonge huismussen, rustende huismussen in groenblijvende struiken, foeragerende huismussen en locaties waar stofbaden genomen worden.
3.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) Het onderzoek naar roofvogels wordt uitgevoerd aan de hand van de broedperiode van de - niet op voorhand uit te sluiten - soorten boomvalk en sperwer. Een kennisdocument of protocol voor deze soorten met jaarrond beschermde nesten is nog niet beschikbaar, maar er bestaat wel een algemene aanpak. Aangenomen kan worden dat er geen broedende sperwers en boomvalken aanwezig zijn als er tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode mei tot en met juni geen broedende roofvogels zijn waargenomen. De inventarisatie vindt plaats bij goede omstandigheden met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Op basis van het formaat van de planlocatie is de volgende inspanning vastgesteld: 3 bezoeken door 1 onderzoeker.
Eco-Niche
Pagina 5
3.4 Gierzwaluwen Het onderzoek gierzwaluw is uitgevoerd conform de richtlijnen voor onderzoek, zoals beschreven in het ‘Kennisdocument Gierzwaluw’ (BIJ12, 2017). Het kennisdocument stelt onder meer eisen aan het weer, tijdstip, de geschikte onderzoeksperiode en het aantal bezoeken. Deze eisen zijn gekoppeld aan de functie die een planlocatie voor gierzwaluwen kan hebben (zie bijlage 1). Op basis van het formaat van de planlocatie is de volgende inspanning vastgesteld: 3 bezoeken door 1 onderzoeker. De bezoeken worden in de periode 1 juni t/m 15 juli uitgevoerd, waarvan minimaal 1 bezoek in de periode 20 juni t/m 7 juli. Tussen twee bezoeken zit minimaal 10 dagen. De bezoeken worden in de avond uitgevoerd vanaf 1 uur voor zonsondergang totdat alle gierzwaluwen zijn ingevlogen en/of uit de planlocatie zijn vertrokken. De bezoeken worden (in verband met efficiëntie) zo mogelijk voorafgaand aan (en gecombineerd met) de avondbezoeken voor vleermuizen uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken is op de planlocatie gekeken naar in- en uitvliegende gierzwaluwen, territorium- en nestindicerend gedrag, sporen (uitwerpselen, nesten, etc.) en de aanwezigheid van jonge gierzwaluwen.
3.5 Vleermuizen Het onderzoek is uitgevoerd conform het ‘Vleermuisprotocol 2017’ (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Het protocol stelt onder meer eisen aan het weer, materiaal, het tijdstip, de geschikte onderzoeksperiode, het aantal bezoeken en de benodigde inspanning (aantal onderzoekers). Deze eisen zijn gekoppeld aan de functies die een planlocatie voor vleermuizen kan hebben (zie bijlage 1). In de Flora- & faunaonderzoeken (Tauw, 2016) is reeds vastgesteld dat de volgende soorten op de planlocatie voorkomen (maar geen verblijven): gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Van deze soorten is in de Flora- & faunaonderzoeken ook vastgesteld welke functies onderzocht dienen te worden en op basis daarvan en het formaat van de planlocatie is de volgende inspanning bepaald: Tabel 1: benodigde bezoeken en inspanning volgens offerte Bezoek:
Onderzoeksperiode:
Gericht op:
Zomeravond
15 mei - 15 juli
Zomer-/kraamverblijf alle soorten
Aantal onderzoekers 2
Zomeravond LV
15 mei - 15 juli
Zomer-/kraamverblijf laatvlieger
2
Zomerochtend
15 mei - 15 juli
Zomer-/kraamverblijf alle soorten
2
Massawinterverblijf 1
1 aug - 10 sept
gewone dwergvleermuis
2
Massawinterverblijf 2
1 aug - 10 sept
gewone dwergvleermuis
2
Najaar 1
15 aug - 1 okt
Paarverblijf alle soorten
2
Najaar 2
15 aug-1 okt
Paarverblijf alle soorten
2
Najaar 3 TV
1 okt - 1 dec
Paarverblijf tweekleurige vleermuis
n.v.t.
Najaar 4 TV
1 okt - 1 dec
Paarverblijf tweekleurige vleermuis
n.v.t.
De bezoeken worden uitgevoerd door meerdere onderzoekers, zodat minimaal 75% van het gebied kan worden overzien. Tussen twee bezoeken zit minimaal 20 dagen voor onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen en minimaal 30 dagen voor onderzoek naar kraamverblijfplaatsen. Om de kansrijke, warmere avonden in juni beter te benutten Eco-Niche Pagina 6
en te zorgen voor een optimale spreiding van de bezoeken, wordt voor het tweede avondbezoek ten behoeve van de laatvlieger een tussenperiode van minimaal 20 dagen aangehouden (in plaats van 30 dagen). Dit is een ecologisch onderbouwde afwijking van het protocol. Het onderzoek naar vleermuizen vindt plaats met behulp van een batdetector van het type Petterson D240x. Tijdens de veldbezoeken is op het planlocatie gekeken naar in- en uitvliegende vleermuizen, territorium- en zwermgedrag, sporen (uitwerpselen) en de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en vleermuizen op route. Veldinterpretaties Gewone dwergvleermuizen baltsen al vliegend in hun territorium. Ergens binnen dit territorium ligt de paarverblijfplaats, maar deze is echter niet altijd te lokaliseren. Indien binnen dit territorium tijdens de zomer al een zomerverblijfplaats is vastgesteld dan wordt het paarverblijfplaats aan deze verblijfplaats toegekend. Een paarverblijfplaats wordt ook als winterverblijfplaats voor een kleine groep of solitair overwinterde vleermuizen beschouwd op basis van het voorzorgsbeginsel. Kleine winterverblijfplaatsen in gebouwen zijn namelijk niet tot nauwelijks te onderzoeken en tijdens milde winters voldoen hiervoor ook de kleinere, weinig beschutte verblijfplaatsen, zoals achter dakranden.
3.6 Overige soortgroepen De aanwezigheid van de overige beschermde soorten wordt vastgesteld dan wel uitgesloten op basis van een veldbezoek en een literatuuronderzoek. Wij baseren onze verwachting op de aanwezige biotopen in combinatie met de aangetroffen en gemelde soorten. We houden daarbij altijd rekening met andere seizoensinvloeden en weersomstandigheden dan die tijdens het veldbezoek. Een belangrijke bron die we gebruiken is de Nederlandse Database Flora- en fauna (NDFF). Deze wordt voor elke soortgroep, tijdens het schrijven van deze rapportage, geraadpleegd met de query beschermde soorten binnen een straal van 1,5 kilometer van de planlocatie, in de laatste 5 jaar. Het gaat om de volgende soortgroepen: grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en kwetsbare en algemene broedvogelsoorten.
Eco-Niche
Pagina 7
4: Resultaten In dit rapport worden alleen waarnemingen genoemd die bepalend zijn voor de te onderzoeken functies, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Functies van beschermde soorten die tijdens het onderzoek buiten de planlocatie zijn waargenomen worden ook vermeld. Dit geldt ook voor toevallige waarnemingen van andere dan de onderzochte beschermde soorten, zoals nestlocaties van algemene broedvogelsoorten, mits deze relevant zijn voor de effectbeoordeling. Van de resultaten worden eerst de bezoekdata weergegeven, waarna de totalen per bezoek en de aangetroffen functies gepresenteerd worden.
4.1 Wilde planten Bezoeken Tabel 2 geeft de bezoekdatum, start- en eindtijd en de weeromstandigheden op deze datum weer. Het bezoek is onder optimale weersomstandigheden uitgevoerd conform het protocol. Tabel 2: bezoekdata en weersomstandigheden wilde planten Bezoek: Datum: Tijd: Temperatuur Bezoek 1 15-05-2019* 15:00 - 17:30 uur 18 °C
Windkracht 3 Bft
Bewolking 0%
*combinatie met roofvogelbezoek.
Standplaatsen wilde planten De planlocatie heeft geen standplaatsen van beschermde wilde planten. De volgende soorten die tijdens het Flora- en faunaonderzoek op de planlocatie zijn aangetroffen werden beschermd onder de Flora- en faunawet, maar zijn niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming: gele helmbloem, klein glaskruid, steenbreekvaren en tongvaren. Onder andere op de vochtige muur onder de fietsenstalling is nog steeds een muurvegetatie van niet beschermde mossen, steenbreekvarens, tongvarens, muurvarens en mannetjesvarens aanwezig.
4.2 Huismus Bezoeken Tabel 3 geeft de bezoekdata, start- en eindtijden en de weeromstandigheden op deze data weer. De bezoeken zijn onder optimale weersomstandigheden uitgevoerd conform het kennisdocument. Tabel 3: bezoekdata en weersomstandigheden huismussen Bezoek: Datum: Tijd: Temperatuur Bezoek 1 17-04-2019 10:48 - 11:48 uur 12°C Bezoek 2 08-05-2019 09:00 - 10:00 uur 8°C
Windkracht 2 Bft 2 Bft
Bewolking 0% 100%
Totaal aanwezige huismussen per bezoek Tijdens geen van de bezoeken zijn huismussen waargenomen op de planlocatie. Nestlocaties en functioneel leefgebied De planlocatie heeft geen nestlocaties en functioneel leefgebied van huismussen, aangezien er geen huismussen zijn waargenomen.
Eco-Niche
Pagina 8
4.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) Bezoeken Tabel 4 geeft de bezoekdata, start- en eindtijden en de weeromstandigheden op deze data weer. De bezoeken zijn onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Tabel 4: bezoekdata en weersomstandigheden roofvogels (sperwer en boomvalk) Bezoek: Datum: Tijd: Temperatuur Windkracht Bewolking Bezoek 1 08-05-2019 09:00 - 10:00 uur 8°C 2 Bft 100% Bezoek 2 15-05-2019 15:00 - 17:30 uur 18 °C 3 Bft 0% Bezoek 3 17-06-2019 11:00 - 12:00 uur 20°C 2 Bft 0% (zonnig)
Totaal aanwezige roofvogels (sperwer en boomvalk) per bezoek Tabel 5 geeft per bezoek het aantal aanwezige roofvogels (sperwer en boomvalk) op de planlocatie en in de directe omgeving. Tabel 5: aantal aanwezige roofvogels per bezoek op de planlocatie en in directe omgeving bezoek: Aantal roofvogels Aantal roofvogels binnen de planlocatie buiten de planlocatie Bezoek 1 0 0 Bezoek 2 0 1 (slechtvalk) Bezoek 2 0 0
Nestlocaties en functioneel leefgebied Op de planlocatie zijn geen nesten van roofvogels (sperwer of boomvalk) aanwezig en ook geen functioneel leefgebied. Tijdens de bezoeken is de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van roofvogels en zijn de bomen onderzocht op aanwezigheid van nesten. In geen van de bomen op de planlocatie zijn nesten van roofvogels aanwezig en er zijn op de planlocatie geen roofvogels waargenomen. In de directe omgeving van de planlocatie is wel een roofvogel waargenomen en een nestlocatie aanwezig. Het gaat om een slechtvalk. In de onderstaande figuur wordt de buiten het plangebied aangetroffen nestplaats weergegeven met een symbool en nummer en deze wordt met hetzelfde nummer in tabel 6 nader toegelicht.
Nestplaatsen van roofvogels. Bron kaartondergrond: OpenStreetMaps.
Eco-Niche
Pagina 9
Tabel 6: essentiële functies roofvogels buiten planlocatie Soort Aantal nesten Locatie (adres en positie) Slechtvalk
1
Julianalaan 134, toren bouwkunde
4.4 Gierzwaluw Bezoeken Tabel 7 geeft de bezoekdata, start- en eindtijden en de weeromstandigheden op deze data weer. De bezoeken zijn onder optimale weersomstandigheden uitgevoerd conform het kennisdocument. Tabel 7: bezoekdata en weersomstandigheden gierzwaluwen Bezoek: Datum: Tijd (uur): Temp Wind Bezoek 1 10-06-2019 20:30 - 22:15 uur 17°C 1 Bft Bezoek 2 23-06-2019 20:30 - 00:05 uur* 26°C 1 Bft Bezoek 3 11-07-2019 20:20 - 22:20 uur 17°C 1 Bft
Bewolking 100% 90% 20%
* Combinatie met vleermuisbezoek.
Totaal aanwezige gierzwaluwen per bezoek Tabel 8 geeft per bezoek het aantal aanwezige gierzwaluwen op de planlocatie en in de directe omgeving. Dit betreft een schatting op basis van de activiteit gedurende het gehele bezoek van zowel laag- als hoogvliegende gierzwaluwen. Tabel 8: aantal aanwezige gierzwaluwen per bezoek op de planlocatie en in directe omgeving bezoek: Aantal laagvliegende Aantal hoogvliegende gierzwaluwen gierzwaluwen Bezoek 1 0 0 Bezoek 2 0 6 Bezoek 3 0 0
Nestlocaties De planlocatie heeft geen nestlocaties van gierzwaluwen. Binnen de planlocatie zijn geen laagvliegende gierzwaluwen waargenomen en dus ook geen nestlocaties aanwezig. De laagvliegende gierzwaluwen concentreren zich buiten het plangebied. Ten oosten van het plangebied, boven de begraafplaats en een woonwijk nog verder richting het oosten, is een groep van 6 hoogvliegende gierzwaluwen waargenomen.
4.5 Vleermuizen Bezoeken Tabel 9 geeft de bezoekdata, start- en eindtijden en de weeromstandigheden op deze data weer. De bezoeken zijn onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol. Tabel 9: bezoekdata en weersomstandigheden vleermuizen Bezoeknaam: Datum: Tijd: Zomerochtend 21-05-2019 03:39 - 05:39 uur Zomeravond LV 05-06-2019 21:50 - 23:55 uur Zomeravond 23-06-2019 20:30 - 00:05 uur* Zomeravond (extra)** 26-06-2019 22:00 – 22:45 uur Massawinterverblijf 1 22-08-2019 00:00 – 02:00 uur Massawinterverblijf 2 03-09-2019 00:00 – 02:00 uur Najaar 1 22-08-2019 00:00 – 02:00 uur Najaar 2 17-09-2019 20:51 - 22:51 uur
Temperatuur 11°C 16°C 26°C 17°C 15°C 16°C 15°C 13°C
Wind 2 Bft 3 Bft 1 Bft 2 Bft 1 Bft 1 Bft 1 Bft 2 Bft
Bewolking 100% 100% 90% 30% 20% 40% 20% 40%
* Combinatie met gierzwaluwbezoek. ** Tijdens het bezoek ‘zomeravond (extra)’ zijn uitvliegende gewone dwergvleermuizen geteld.
Eco-Niche
Pagina 10
Totaal aanwezige vleermuizen per bezoek, ongeacht de functie Tabel 10 geeft per bezoek en per soort het aantal aanwezige vleermuizen op de planlocatie en in de directe omgeving. Dit betreft een schatting op basis van de activiteit gedurende het gehele bezoek, ongeacht het gedrag en de functie. In de tabel worden alle waargenomen soorten genoemd; de overige soorten zijn dus niet waargenomen. Tabel 10: aantal aanwezige vleermuizen per bezoek op de planlocatie en in directe omgeving Bezoek: Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Zomerochtend 4 0 Zomeravond 4 0 Zomeravond LV 25 1-3 Zomeravond (extra) 32 0 Massawinterverblijf 1/Najaar 1 2-5 0 Massawinterverblijf 2 3-5 0 Najaar 2 4-5 0
Verblijfplaatsen De planlocatie heeft verblijfplaatsen van vleermuizen. In tabel 11 wordt totaaloverzicht gegeven van het totaal aantal verblijfplaatsen binnen de planlocatie.
een
In de onderstaande figuur worden de aangetroffen verblijfplaatsen weergegeven met symbolen en nummers en deze zijn met dezelfde nummers in tabel 11 en 12 nader toegelicht.
Verblijfplaatsen van vleermuizen. Bron kaartondergrond: OpenStreetMaps. Tabel 11: totaal aantal verblijfplaatsen vleermuizen binnen de planlocatie Nr. Functie Soort Aantal exemplaren 1. Kraamverblijfplaatsen1) Gewone dwergvleermuis 25-30 2.
Zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen2)
Eco-Niche
Gewone dwergvleermuis
2
Aantal verblijfplaatsen 1 1
Pagina 11
1) De kraamverblijfplaats (nummer 1) ligt aan de Prins Bernardlaan 6 aan de zuidwestzijde van de toren. Tijdens het bezoek ´zomeravond´ vlogen er ca. 25 gewone dwergvleermuizen uit aan de zijkant bij de zwarte pijp (zie foto) en later op de avond vlogen ze in bij andere pijpjes aan de zijkant. Tijdens het bezoek ´zomeravond (extra)´ vlogen er 30 gewone dwergvleermuizen uit vanaf de oostelijke gevel, vlak onder de dakrand (zie foto). Dezelfde kraamkolonie gebruikt beide gebouwen als kraamverblijfplaats. 2) De zomerverblijfplaats (nummer 2) ligt aan de Prins Bernardlaan 6 onder het boeibord, waar tijdens het bezoek ‘zomerochtend’ een zwermende en invliegende gewone dwergvleermuis is waargenomen (zie foto). Onder het boeibord zijn daarnaast uitwerpselen van vleermuizen zichtbaar. Tijdens het bezoek ‘zomeravond (extra) zijn hier twee uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tijdens de najaarsbezoeken baltste een gewone dwergvleermuis nabij het gebouw en boven het water. De zomerverblijfplaats ligt binnen het baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis en daarom de paarverblijfplaats samengenomen met de zomerverblijfplaats.
Verblijfplaats 1a. Prins Bernardlaan 6, zuidwestzijde van de toren met detail van de invliegopening (rechts): zwarte pijp bovenaan (tijdens bezoek ‘zomeravond lv’).
Verblijfplaats 1b. 2e locatie met ca. 30 uitvliegers (avondbezoek extra)
Eco-Niche
Verblijfplaats 2. onder boeiboord, 2 invliegers (ochtendbezoek) en 2 uitvliegers (avondbezoek extra)
Pagina 12
Tabel 12: omschrijving verblijfplaatsen vleermuizen buiten de planlocatie Nr. Functie soort Aantal exemplaren 3. 4. 5.
Essentiële vliegroute Essentieel foerageergebied Essentieel foerageergebied
Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis
14 25 6-15
Functionele leefomgeving: foerageergebieden en vliegroutes De planlocatie heeft geen functie als essentieel foerageergebied, omdat er diverse alternatieven zijn. Buiten de planlocatie is wel essentieel foerageergebied aanwezig aan de Prins Bernardlaan 6, voor het gebouw bij bomenrij en watergang (4) en begraafplaats Jaffa (5). De waargenomen vleermuizen foerageren verspreid over de planlocatie en met name in de directe omgeving daarvan, zowel boven de watergang als op de begraafplaats. Vanaf het kraamverblijf vliegen de vleermuizen richting deze begraafplaats en terug.. Binnen de planlocatie zelf is de foerageeractiviteit laag. De planlocatie heeft geen functie als essentiële vliegroute, maar buiten de planlocatie is wel een essentiële vliegroute aanwezig aan de Prins Bernhardlaan; tussen kraamverblijfplaats en begraafplaats, langs bomenrij (3). Vanaf de kraamverblijfplaats (locatie 1a.) vliegen de gewone dwergvleermuizen richting de begraafplaats. Tijdens het bezoek ‘zomeravond lv’ zijn minimaal 14 gewone dwergvleermuizen waargenomen, die in de richting van de begraafplaats vliegen en halverwege de avond ook weer terugkeren naar de kolonie. De gewone dwergvleermuizen volgen de bomenrij in de Prins Bernhardlaan niet of nauwelijks, maar vliegen vrijwel rechtstreeks naar de begraafplaats.
4.6 Overige soortgroepen Per soortgroep wordt onderbouwd of beschermde soorten wel of niet op de planlocatie kunnen worden uitgesloten op basis van het literatuuronderzoek en het onderstaande veldbezoek: Tabel 13: bezoekdata en weersomstandigheden overige soortgroepen Bezoeknaam: Datum: Tijd: Temperatuur veldbezoek 17-06-2019* 11:00 - 12:00 uur 20°C
Wind 2 Bft
Bewolking 0% (zonnig)
* Combinatie met roofvogelbezoek.
Vogels In de omgeving van de planlocatie zijn twee kwetsbare broedvogelsoorten gemeld (bijlage 3), maar niet op de planlocatie zelf (NDFF). Deze kwetsbare soorten (watersnip en koekoek) stellen hoge eisen aan hun broedlocatie. Een specifieke biotoop, voldoende ruimte, beschutting en voldoende voedselaanbod in de nabije omgeving voor de kuikens zijn een vereiste. Op de planlocatie zijn geen van deze vereisten aanwezig en daarom kunnen de gemelde en ook andere kwetsbare soorten als broedvogel worden uitgesloten. In de omgeving van de planlocatie zijn diverse algemene broedvogels gemeld (NDFF) en tijdens het veldbezoek zijn o.a. gaai, goudhaan, grote bonte specht, houtduif, kauw, merel, pimpelmees, winterkoning en zwartkop waargenomen. Op de planlocatie kan een nest van een algemene broedvogel niet worden uitgesloten. In de begroeiing kunnen algemene broedvogels nestelen. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving van de planlocatie zijn 11 beschermde grondgebonden zoogdieren gemeld (Bijlage 3), waarvan geen op de planlocatie zelf (NDFF). Tijdens het locatiebezoek zijn geen sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Onder de struiken op de planlocatie zijn vaste verblijfplaatsen van algemene muizensoorten of een egel te verwachten. Soorten als vos, konijn, en een kleine marterachtige als de wezel Eco-Niche Pagina 13
worden hooguit als passant (‘s nachts) verwacht. Andere beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uit te sluiten, omdat de biotoopkenmerken ontbreken en/of de planlocatie buiten het natuurlijk verspreidingsgebied ligt. Amfibieën In de omgeving van de planlocatie zijn vijf beschermde amfibieënsoorten gemeld (zie bijlage 3), waarvan geen op de planlocatie zelf (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. Ondanks dat water op de planlocatie ontbreekt kan een gewone pad of overwinterende kleine watersalamander niet volledig worden uitgesloten. Deze zouden vanaf de naastgelegen watergang de planlocatie kunnen bereiken. De dichtstbijzijnde populatie rugstreeppadden is gemeld op meer dan 5 km afstand (NDFF). Op de planlocatie ontbreekt het biotoop voor deze pionier. Vanwege de barrièrewerking door ongeschikt tussenliggend biotoop, wordt niet verwacht dat rugstreeppadden uit het buitengebied tot de planlocatie worden aangetrokken, indien als gevolg van werkzaamheden de planlocatie verandert in een pionier-biotoop. Andere beschermde amfibieën kunnen worden uitgesloten, omdat de vereiste habitatkenmerken ontbreken en de planlocatie buiten het natuurlijk verspreidingsgebied ligt. Reptielen In de omgeving van de planlocatie zijn geen beschermde reptielen gemeld (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn echter geen potentiële broedhopen op de planlocatie aangetroffen.
Wegens het ontbreken van geschikt habitat op de planlocatie zijn ook andere beschermde reptielensoorten uitgesloten. Vissen In de omgeving van de planlocatie zijn geen beschermde vissoorten gemeld (NDFF). Beschermde vissoorten zijn vanwege het ontbreken van water op de planlocatie uitgesloten. Ongewervelden Onder ongewervelden vallen kleine dieren zoals insecten (vlinders, libellen, kevers) maar ook wormen, kreeftachtigen en schelpdieren. De beschermde soorten in deze groepen stellen doorgaans hoge eisen aan hun biotoop/habitat, zoals een uitmuntende waterkwaliteit en specifieke waardplanten. Op al deze factoren is gelet. In de omgeving van de planlocatie zijn geen beschermde ongewervelde gemeld (NDFF). Op de planlocatie zijn beschermde ongewervelden uit deze groepen uitgesloten. Soortspecifieke waardplanten en ander benodigd habitat voor beschermde soorten uit deze groep ontbreken op de planlocatie en bij de aangrenzende watergangen.
Eco-Niche
Pagina 14
5: Effecten op beschermde soorten De effecten van het project worden, op basis van de resultaten uit hoofdstuk 4 en de uitgangspunten uit hoofdstuk 2, getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2).
5.1 Wilde planten Negatieve effecten op beschermde wilde planten is uit te sluiten, omdat op de planlocatie geen beschermde soorten wilde planten aanwezig zijn.
5.2 Huismus Negatieve effecten op huismussen is uit te sluiten, omdat op de planlocatie geen huismussen aanwezig zijn.
5.3 Roofvogels (sperwer en boomvalk) Negatieve effecten op roofvogels (sperwer en boomvalk) zijn uit te sluiten, omdat er geen roofvogels (sperwer en boomvalk) op de planlocatie zijn waargenomen. De slechtvalk nestkast buiten de planlocatie ligt buiten de invloedzone van de werkzaamheden op de planlocatie.
5.4 Gierzwaluw Negatieve effecten op gierzwaluwen zijn uit te sluiten, omdat op de planlocatie geen nestlocaties van gierzwaluwen aanwezig zijn.
5.5 Vleermuizen Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet uit te sluiten, omdat met de sloop van het hoofdgebouw (aan de Prins Bernhardlaan 6) verblijfplaatsen verloren gaan en er sprake kan zijn van verstoring tijdens de werkzaamheden (Art 3.5). De kraamkolonie gewone dwergvleermuizen maakt van twee verschillende gebouwen gebruik, namelijk de toren van het gebouw met de lange vleugel aan de Prins Bernhardlaan en het gebouw met de lange vleugel aan de Mekelweg. In dit laatste gebouw is ook een zomer- en paarverblijfplaats aanwezig. De vliegroute en het foerageergebied liggen buiten de planlocatie. Van negatieve effecten op de vliegroute en het foerageergebied kan bijvoorbeeld sprake zijn als er een veel sterkere verlichting wordt aangebracht dan nu aanwezig is. Dergelijke effecten zijn niet aan de orde bij reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden op de planlocatie. De gewone dwergvleermuizen steken nu ook de (verlichte) straat over richting de begraafplaats.
Eco-Niche
Pagina 15
5.6 Overige soortgroepen Vogels Op de planlocatie zelf kunnen nesten van kwetsbare vogelsoorten worden uitgesloten, maar een nest van een algemene broedvogelsoort niet. Met het rooien van de vegetatie kan potentieel nest van een algemene vogelsoort op de planlocatie verloren gaan wat in overtreding is met de Wet natuurbescherming. Het is verboden om nesten te beschadigen of weg te nemen (Art 3.1 lid 2). Grondgebonden zoogdieren en amfibieën Als gevolg van het project gaan potentieel vaste verblijfplaatsen en/of gaat potentieel leef- of overwinteringsgebied verloren. De beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën die op de planlocatie kunnen worden aangetroffen, vallen echter onder de vrijstelling volgens de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland, 2016). Wat betreft deze soortgroepen is er geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek voor beschermde soorten uit deze groepen is niet nodig, de zorgplicht is wel van toepassing (artikel 1.11). Reptielen, vissen en ongewervelden Negatieve effecten zijn niet aan de orde, omdat de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroepen op de planlocatie is uitgesloten.
Eco-Niche
Pagina 16
6: Conclusie Van april t/m september 2019 heeft Eco-Niche, in opdracht van Gemeente Delft, voor het project Julianalaan 136 te Delft het vervolgonderzoek naar huismussen, roofvogels (sperwer/boomvalk), gierzwaluwen en vleermuizen uitgevoerd. De aan- of afwezigheid van de onderzochte beschermde soorten en de functies van de planlocatie dienden te worden vastgesteld. Van de overige beschermde soorten van de grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, kwetsbare en algemene broedvogelsoorten is de aan- of afwezigheid tevens onderbouwd. Vervolgens is getoetst of het project negatieve effecten heeft op de aanwezige beschermde soorten en functies. Hieronder de conclusie inclusief de te nemen vervolgstappen.
6.1 Effecten op beschermde soorten In tabel 14 is samengevat van welke waargenomen beschermde soorten de planlocatie beschermde functies heeft en of het project hier negatieve effecten op heeft. Tabel 14: totaal beschermde soorten, functies en effecten Soort(groep) Beschermde functie Gewone dwergvleermuis kraamverblijfplaats Gewone dwergvleermuis Zomer-, paar-, winterverblijfplaatsen Gewone dwergvleermuis Essentiële vliegroute Gewone dwergvleermuis Essentieel foerageergebied Algemene broedvogelsoorten nesten
Aantal 1 1
Negatieve effecten Ja Ja
1 2
Nee Nee Ja, tenzij
6.2 Vervolgstappen Vervolgstappen zijn nodig om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De vervolgstappen bestaan uit een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming, maatregelen en het opstellen van een ecologisch werkprotocol. Daarnaast geldt altijd de Zorgplicht. Ontheffingaanvraag Bij Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland dient voor de volgende soorten ontheffing aangevraagd te worden: - Vleermuizen voor artikel 3.5, namelijk voor gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). In de ontheffingsaanvraag dienen mitigerende maatregelen en een onderbouwing van het wettelijk belang te worden opgenomen (zie bijlage 2). Maatregelen gewone dwergvleermuis Om de gewone dwergvleermuis te beschermen dienen zowel tijdens de werkzaamheden als in het toekomstige project voorzieningen te worden aangebracht. Een stelregel zegt dat per verloren of verstoorde verblijfplaats vier tijdelijke vleermuiskasten (tijdens de bouw) en vier permanente ingebouwde vleermuiskasten (in het toekomstige project) nodig zijn. De tijdelijke mitigatie dient aanwezig te zijn tijdens het volgende kraamseizoen om één volledig seizoen overlap te hebben met de bestaande kraamverblijfplaats. Geadviseerd wordt ook deze maatregelen in een ecologisch werkprotocol uit te werken.
Eco-Niche
Pagina 17
Maatregelen algemene broedvogelsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten gelden volgende maatregelen, omdat vernietiging van een nest niet is toegestaan: - Voer de rooiwerkzaamheden buiten de broedperiode uit. De broedperiode is globaal van maart t/m juli, maar er dient rekening gehouden te worden met verschillen per vogelsoort en jaarlijkse / seizoensafhankelijke afwijkingen vanwege de weersomstandigheden. Overleg dit met een ecoloog. OF: - Laat een ecoloog vooraf aan de werkzaamheden controleren op nesten. Indien nesten worden aangetroffen: overleg vervolgmaatregelen. Ecologisch werkprotocol Het ecologisch werkprotocol is een praktisch document, waarin maatregelen worden uitgewerkt om tijdens de uitvoering te voorkomen dat negatieve effecten op beschermde soorten ontstaan. Dit betreft onder andere maatregelen voor vleermuizen en algemeen voorkomende broedvogelsoorten en de ecologische begeleiding tijdens de sloop en bouw. Het ecologisch werkprotocol kan met de ontheffingsaanvraag worden meegestuurd als praktische invulling van de mitigerende maatregelen en de zorgplicht. Zorgplicht De zorgplicht (Art 1.11) geldt voor alle soortgroepen, dus ook als ze niet beschermd zijn (zie bijlage 2). Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren.
Dit kan door dieren de gelegenheid te geven om uit te wijken en ze niet opzettelijk te doden: - overleg bij het aantreffen van gewervelde dieren met de ecoloog hoe er omheen gewerkt kan worden of hoe ze verplaatst kunnen worden tot op een veilige afstand van de werkzaamheden. --------------------------------------------------------------------------------------------------Rapportage: Carolien van der Graaf (MSc.) Borging: Willem van Esch (Msc.)
Eco-Niche heeft het onderzoek zo secuur en compleet als mogelijk uitgevoerd. Er kunnen echter geen rechten aan dit onderzoek worden ontleend. Natuur is dynamisch en daarmee niet altijd even voorspelbaar. We adviseren dan ook om indien er tijdens de werkzaamheden – ondanks alles – toch nog andere beschermde soorten op de planlocaties worden aangetroffen, hiervoor contact met ons op te nemen om adequate maatregelen te treffen.
© Eco-Niche 2019 Eco-Niche is lid van het Netwerk Groene Bureaus en houdt zich daarmee aan de bijbehorende kwaliteitseisen, richtlijnen en protocollen van dit netwerk
Eco-Niche
Pagina 18
Bronnen
Onderzoeksmethodes 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (NGB) en Zoogdiervereniging (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. BIJ12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017). Kennisdocument Huismus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017). Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0, juli 2017. Floron (2015). Protocol voor het inventariseren van muurplanten, versie 1.0, 1 oktober 2015. Wetgeving
7. 8.
Wet natuurbescherming: www.rijksoverheid.nl Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2016, nr34. 9. Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming), Staatscourant nr 55791, 28 oktober 2016. 10. Ministerie van Economische Zaken (december 2016). Brochure Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, versie 1.3. Lokaal 11. Tauw (concept, 13 oktober 2016). Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft; Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01, J.H.C. Nagtegaal. 12. Webcam slechtvalk nestkast: www.youtube.com/watch?v=k61rqpV0BPE (14 mei 2018). 13. Webcam slechtvalk nestkast: www.youtube.com/watch?v=MmL1FnmSj4E (maart 2019).
Eco-Niche
Pagina 19
Bijlage 1: Functies voor beschermde soorten Functies voor wilde planten Alle standplaatsen zijn wettelijk beschermd: Standplaats: bodem of ondergrond waar de planten wortelen en groeien met een geschikte combinatie van biotische en abiotische factoren, waaronder vochtigheid, kalken voedselrijkdom. Voor muurvegetatie is dit een horizontaal, schuin of verticaal stenig oppervlak.
Functies voor roofvogels (sperwer en boomvalk) Alle nestlocaties zijn wettelijk beschermd: Nestlocatie: nest waar eieren gelegd worden en de jongen opgroeien. Het functioneel leefgebied is wettelijk beschermd indien aantasting het functioneren van een nestlocatie aantast. Ontbreekt één van de volgende onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt voor de sperwer of boomvalk: Functioneel leefgebied: voedsel (voor volwassen en jongen), plukplaats en schuilplaatsen voor pas uitgevlogen juvenielen (takkelingen).
Functies voor huismussen Alle nestlocaties zijn wettelijk beschermd: Nestlocatie: nest waar eieren gelegd worden en de jongen opgroeien, dat buiten het broedseizoen ook als slaapplaats gebruikt kan worden. Het functioneel leefgebied is wettelijk beschermd indien aantasting het functioneren van een nestlocatie aantast. Ontbreekt één van de volgende onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt voor de huismus: Functioneel leefgebied: dekking en rustplaats in de winter (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), voedsel (voor volwassen en jongen), plekken voor stofbaden en drinkwater (BIJ12, 2017).
Functies voor gierzwaluwen Alle nestlocaties zijn wettelijk beschermd. Nestlocatie: nest waar eieren gelegd worden en de jongen opgroeien. Het functioneel leefgebied is wettelijk beschermd indien aantasting het functioneren van een nestlocatie aantast, maar dat is bij gierzwaluwen niet aan de orde. De gierzwaluw brengt het grootste deel van zijn leven door in de lucht. Alleen om te broeden verlaten gierzwaluwen tijdelijk het luchtruim en komen ze aan het aardoppervlak (BIJ12, 2017).
Eco-Niche
Pagina 20
Functies voor vleermuizen De onderstaande definities zijn overgenomen uit het vleermuisprotocol (NGB, 2017). Alle typen verblijfplaatsen zijn beschermd: Zomerverblijfplaats: een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn, waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats: een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paarverblijfplaats: een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats: een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijf-plaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden.
Het functioneel leefgebied is wettelijk beschermd indien aantasting van de onderstaande elementen het functioneren van een verblijfplaats aantast: Vliegroute: een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute: een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied: een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
Eco-Niche
Pagina 21
Bijlage 2: Uitleg Wet natuurbescherming De effecten van het project zijn getoetst aan de natuurwetgeving en daarmee aan hoofdstuk 2 en 3 uit de Wet natuurbescherming. Hieronder wordt de Wet natuurbescherming uitgelegd. De uitleg is gebaseerd op de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie Economische Zaken. Doel van de wet De Wet natuurbescherming is gericht op het beschermen, ontwikkelen en gebruiken van de natuur en waardevolle landschappen vanwege de intrinsieke waarde, de biologische diversiteit en de cultuurhistorische en maatschappelijke functies. De wet regelt in hoofdstuk 2 en 3 de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van natuurgebieden en de in het wild levende planten- en diersoorten. Verboden De Wet natuurbescherming bevat een aantal verbodsbepalingen om ervoor te zorgen dat in het wild levende soorten en natuurgebieden zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'.
Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten en gebieden in principe verboden zijn: Verbodsbepalingen binnen de gebiedsbescherming: Het is verboden een plan / project te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van het natuurlijk habitat of het habitat van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Verbodsbepalingen binnen de soortenbescherming per beschermingsregime: De wet kent voor beschermde soorten drie verschillende beschermingsregimes: paragraaf 3.1 voor soorten uit de Vogelrichtlijn, paragraaf 3.2 voor soorten uit de Habitatrichtlijn en paragraaf 3.3 voor de overige nationaal beschermde soorten. Daarnaast geldt voor alle inheemse planten en dieren een zorgplicht. Vogelrichtlijn §3.1
Habitatrichtlijn §3.2
Nationaal beschermd §3.3
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Eco-Niche
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen Niet van toepassing
Pagina 22
Vogelrichtlijn §3.1
Habitatrichtlijn §3.2
Nationaal beschermd §3.3
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11) heeft betrekking op de intrinsieke waarde van natuur. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in dat een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen of het nalaten daarvan nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, dergelijke handelingen achterwege laat of maatregelen treft om de gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Ontheffing en vergunning De initiatiefnemer blijft altijd verantwoordelijk voor (de gevolgen van) zijn/haar plan/project, maar van het verbod op schadelijke activiteiten ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincie of het ministerie van Economische Zaken. Een vergunning-/ontheffingaanvraag kan ook, via de gemeente, aanhaken bij de procedure van de omgevingsvergunning (Omgevingswet). Hierbij legt de gemeente de aanvraag voor aan de provincie. De provincie geeft vervolgens op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Ontheffing soortenbescherming: Van de verboden voor beschermde soorten kan met een ontheffing, vrijstelling, gedragscode of provinciale verordening worden afgeweken, mits aan 3 criteria wordt voldaan: 1.
een andere bevredigende oplossing voor de activiteit is niet mogelijk. 2. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. 3. het project / plan heeft een in de wet genoemd algemeen belang. Voor de overige nationaal beschermde soorten (§3.3) zijn in de wet meer wettelijke belangen opgenomen dan voor de soorten uit Vogel- en Habitatrichtlijn (§3.1 en §3.2), waaronder het algemene belang van ‘ruimtelijke ontwikkelingen’. Vergunning gebiedsbescherming: Van de verboden in beschermde natuurgebieden kan met een vergunning of provinciale verordening worden afgeweken, mits uit een ‘passende beoordeling’ blijkt dat het plan / project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, of als aan de ADCcriteria wordt voldaan: A: er zijn geen alternatieve oplossingen; D: het plan/project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en C: de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Eco-Niche
Pagina 23
Bijlage 3: Gemelde kwetsbare en beschermde soorten (NDFF) A: Vogels Bedreigde vogelsoorten Soort Watersnip
aantal meldingen* 1
Kwetsbare vogelsoorten Soort Koekoek
aantal meldingen* 3
B: Grondgebonden zoogdieren Soort Bosmuis Bunzing Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel
aantal meldingen* 10 2 87 8 1 6 41 1 1 4 1
C: Amfibieën Soort Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
aantal meldingen* 2 15 5 11 2
* laatste 5 jaar in straal van ca. 1,5 km
Eco-Niche
Pagina 24
bestemmingsplan IGVO
Bijlage 4 Quickscan soorten Wnb
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 63
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft
Concept, 13 oktober 2016
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Verantwoording Titel Opdrachtgever Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Uitvoering veldwerk
Projectnummer
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft TU Delft J.F.E. Hack J.H.C. Nagtegaal D. van der Est Maikel Aragon van den Broeke, Daan Dekker, James Lidster, Bram Rijksen, Kees Straates, Carolien Wegstapel en Saskia Wijte. 1238403
Datum
23 (exclusief bijlagen) 13 oktober 2016
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking.
Aantal pagina's
Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv BU Meten, Inspectie & Advies Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht Telefoon +31 30 28 24 82 4
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -
NEN-EN-ISO 9001
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
5\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
6\23
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
Inhoud Verantwoording en colofon .......................................................................................................... 5 1
Inleiding .......................................................................................................................... 9
1.1 1.2 1.3
Aanleiding ........................................................................................................................ 9 Huidige situatie en beoogde werkzaamheden ................................................................ 9 Flora- en faunawet ........................................................................................................ 10
2
Onderzoeksmethoden ................................................................................................. 11
2.1
Doel onderzoek ............................................................................................................. 11
2.2 2.2.1 2.2.2
Verwachte soorten ........................................................................................................ 11 Vleermuizen .................................................................................................................. 11 Huismussen ................................................................................................................... 11
2.2.3 2.2.4 2.3
Gierzwaluwen ................................................................................................................ 11 Vaatplanten ................................................................................................................... 11 Methoden veldonderzoek .............................................................................................. 12
2.3.1 2.3.2 2.3.3
Vleermuizen .................................................................................................................. 12 Huismussen ................................................................................................................... 13 Gierzwaluwen ................................................................................................................ 13
2.3.4
Vaatplanten ................................................................................................................... 14
3
Resultaten .................................................................................................................... 15
3.1 3.2 3.3
Vleermuizen .................................................................................................................. 15 Huismus ........................................................................................................................ 16 Gierzwaluw .................................................................................................................... 16
3.4
Vaatplanten ................................................................................................................... 16
4
Effectbeschrijving ....................................................................................................... 20
4.1 4.2 4.3
Vleermuizen .................................................................................................................. 20 Huismussen ................................................................................................................... 20 Gierzwaluwen ................................................................................................................ 20
4.4
Vaatplanten ................................................................................................................... 20
5
Conclusies en vervolgstappen .................................................................................. 21
5.1 5.1.1 5.1.2
Conclusies ..................................................................................................................... 21 Vleermuizen .................................................................................................................. 21 Huismussen ................................................................................................................... 21
Flora- & faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft - versie 1 - Concept
7\23
Concept
Kenmerk R001-1238403JNA-nda-V01
8\23
5.1.3 5.1.4
Gierzwaluwen ................................................................................................................ 21 Vaatplanten ................................................................................................................... 22