Ruinerwold, deelplan Dijkhuizen 111 compressed (1)
Tekst van het document
V: VLAREL erkende verrichting W: Waals Gewest erkende verrichting
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC: 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Akkoord Pr.coörd.
VA TESTEN RvA L010
Bijlage (A) met de opgegeven deelmonsterinformatie behorende bij het analysecertificaat. 2022007533/1 Pagina 1/1 Monster nr. Barcode
Uw monsteromschrijving Boornr
12516393
Van
Tot
Uw datum monstername
Monsteromsch./Monstername ID
01-1-1 01 (150-250)
0680537515
01
150
250
19-Jan-2022
1
0680537479
01
150
250
19-Jan-2022
2
0800973904
01
150
250
19-Jan-2022
3
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Bijlage (B) met opmerkingen behorende bij analysecertificaat 2022007533/1 Pagina 1/1 Opmerking 1)
De toetswaarde van de som is gelijk aan de sommatie van 0,7*RG
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
.
Bijlage (C) met methodeverwijzingen behorende bij analysecertificaat 2022007533/1
Analyse
Pagina 1/1
Methode
Techniek
Methode referentie
Barium (Ba)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Cadmium (Cd)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Kobalt (Co)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Koper (Cu)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Kwik (Hg)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Molybdeen (Mo)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Nikkel (Ni)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Lood (Pb)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Zink (Zn)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Metalen
Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen
Aromaten (BTEXN)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Xylenen som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Styreen
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Vluchtige organische halogeenkoolwaterstoffen
VOCl (11)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Tribroommethaan (Bromoform)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Vinylchloride
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,1-Dichlooretheen
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
DiClEtheen som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,1-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,2-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,3-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
DiChlprop. som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
W0215
GC-FID
pb 3110-5
Minerale olie
Minerale olie (C10-C40)
Nadere informatie over de toegepaste onderzoeksmethoden alsmede een classificatie van de meetonzekerheid staan vermeld in ons overzicht "Specificaties analysemethoden", versie juni 2020.
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Bijlage 4: Getoetste analyseresultaten en toetsingswaarden
Verkennend bodemonderzoek, Boeregroentje te Ruinerwold, BO215124/JHB
Tabel 1: Gemeten gehalten in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Grondmonster Grondsoort Zintuiglijke bijmengingen Certificaatcode Boringnummer(s) Traject (m -mv) Humus Lutum Datum van toetsing Monsterconclusie
% ds % ds
MM01 Zand
MM02 Zand
2022003861 01, 02, 03, 04, 05, 06, 07, 08 0,00 - 0,50 4,30 2,80 19-1-2022 Voldoet aan Achtergrondwaarde Meetw GSSD
2022003861 01, 01, 01, 01, 02, 02, 02 0,50 - 2,50 0,70 3,10 19-1-2022 Voldoet aan Achtergrondwaarde Meetw GSSD
METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<20 <0,2 <3 <5 <0,05 16 <1,5 <4 <20
<49 (6) <0,2 <7 <7 <0,05 24 <1,1 <8 <30
PAK Anthraceen Benzo(a)anthraceen Benzo(a)pyreen Benzo(g,h,i)peryleen Benzo(k)fluorantheen Chryseen Fenanthreen Fluorantheen Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen Naftaleen PAK 10 VROM
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<0,05 0,051 0,056 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 0,087 <0,05 <0,05
<0,04 0,051 0,056 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 0,087 <0,04 <0,04 0,44
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 PCB (som 7)
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C21 Minerale olie C21 - C30 Minerale olie C30 - C35 Minerale olie C35 - C40 Minerale olie C10 - C40
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<3 <5 <5 <11 7,8 <6 <35
OVERIG Droge stof Lutum Organische stof (humus) Gloeirest
% m/m % % % (m/m) ds
81,8 2,8 4,3 96
Projectcode: Ruinerwold, Boeregroentje Projectcode: BO215124
<0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,002 <0,011
5 (6) 8 (6) 8 (6) 18 (6) 18,1 (6) 10 (6) <57
Index
-0,03 -0,05 -0,22 -0 -0,05 -0 -0,42 -0,19
<20 <0,2 <3 <5 <0,05 <10 <1,5 <4 <20
<48 (6) <0,2 <7 <7 <0,05 <11 <1,1 <7 <31
-0,03 -0,05 -0,22 -0 -0,08 -0 -0,42 -0,19
<0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05 <0,05
<0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,35
-0,03
<0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,004 <0,025
0
-0,03
<0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 -0,01
-0,03
Index
<3 <5 <5 <11 <5 <6 <35
82 3,1 <0,7 99
11 (6) 18 (6) 18 (6) 39 (6) 18 (6) 21 (6) <123
-0,01
---------<D 8,88 >AW 8,88 6 # GSSD Index
: Geen toetsnorm aanwezig : kleiner dan de detectielimiet : <= Achtergrondwaarde : > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : Heeft geen normwaarde : verhoogde rapportagegrens : Gestandaardiseerde meetwaarde : (GSSD - AW) / (I - AW) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 2: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming AW
WO
IND
I
METALEN Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140
1,2 35 54 0,83 210 88 39 200
4,3 190 190 4,8 530 190 100 720
13 190 190 36 530 190 100 720
PAK PAK 10 VROM
mg/kg ds
1,5
6,8
40
40
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7)
mg/kg ds
0,02
0,04
0,5
1
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C40
mg/kg ds
Projectcode: Ruinerwold, Boeregroentje Projectcode: BO215124
190
190
500
5000
Tabel 3: Gemeten concentraties in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsing Monsterconclusie
01-1-1 19-1-2022 1,50 - 2,50 24-1-2022 Overschrijding Streefwaarde Meetw GSSD
METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
61 <0,2 <2 4,2 <0,05 <2 <2 <3 28
61 <0,1 <1 4,2 <0,04 <1 <1 <2 28
PAK Naftaleen PAK 10 VROM
µg/l -
<0,02
<0,01 <0,00020(11)
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <0,2 <0,2
<0,1 <0,1 <0,1 <0,21 <0,1 <0,1 <0,1
AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) meta-/para-Xyleen (som) ortho-Xyleen Styreen (Vinylbenzeen) BTEX (som) Som 16 Aromatische oplosmiddelen GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN cis + trans-1,2-Dichlooretheen 1,1-Dichlooretheen cis-1,2-Dichlooretheen trans-1,2-Dichlooretheen Dichloormethaan Trichloormethaan (Chloroform) Tribroommethaan (bromoform) Tetrachloormethaan (Tetra) 1,1-Dichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,2-Dichloorpropaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) Vinylchloride Dichloorpropanen (0,7 som, 1,1+1,2+1,3) Dichloorpropaan 1,3-Dichloorpropaan CKW (som) 1,1-Dichloorpropaan OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C21 Minerale olie C21 - C30 Minerale olie C30 - C35 Minerale olie C35 - C40 Minerale olie C10 - C40
<0,2 <0,1 <0,2 <0,9
0,02 -0,05 -0,23 -0,18 -0,06 -0,23 -0,01 -0,22 -0,05
0
-0 -0,03 -0,01 0
-0,02
<0,77(2,14)
µg/l
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,1 <0,1 <0,1 <0,2 <0,2 <0,2 <0,1 <0,2 <0,2 <0,2 <0,1 <0,1 <0,2 <0,1 <0,1
µg/l
0,42
µg/l µg/l µg/l µg/l
<0,2 <1,6 <0,2
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
<10 <10 <10 <15 <10 <10 <50
Projectcode: Ruinerwold, Boeregroentje Projectcode: BO215124
Index
<0,14 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1(14) <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1
<0,42 <0,1
0,01 0,01
0 -0,01 0,01 -0,01 -0,02 0 0 -0,05 0 0,01
-0
<0,1
7(6) 7(6) 7(6) 11(6) 7(6) 7(6) <35
-0,03
---------<D 8,88 8,88 8,88 11 14 2 6 # GSSD Index
: Geen toetsnorm aanwezig : kleiner dan de detectielimiet : <= Streefwaarde : > Streefwaarde : > Interventiewaarde : Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie : Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing : Enkele parameters ontbreken in de som : Heeft geen normwaarde : verhoogde rapportagegrens : Gestandaardiseerde meetwaarde : (GSSD - S) / (I - S) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 4: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming S
S Diep
Indicatief
I
METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
50 0,4 20 15 0,05 15 5 15 65
PAK Naftaleen
µg/l
0,01
70
AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
0,2 4 7 0,2 6
30 150 1000 70 300
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN cis + trans-1,2-Dichlooretheen 1,1-Dichlooretheen Dichloormethaan Trichloormethaan (Chloroform) Tribroommethaan (bromoform) Tetrachloormethaan (Tetra) 1,1-Dichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) Vinylchloride Dichloorpropaan
µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l
0,01 0,01 0,01 6 0,01 7 7 0,01 0,01 24 0,01 0,01 0,8
20 10 1000 400 630 10 900 400 300 130 500 40 5 80
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C40
µg/l
50
600
Projectcode: Ruinerwold, Boeregroentje Projectcode: BO215124
200 0,06 0,7 1,3 0,01 1,7 3,6 2,1 24
625 6 100 75 0,3 75 300 75 800
150
Bijlage 5: Toelichting toetsingskader
Verkennend bodemonderzoek, Boeregroentje te Ruinerwold, BO215124/JHB
Toelichting toetsingskader De analyseresultaten zijn beoordeeld aan de hand van het toetsingskader van VROM (Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant 27 juni 2013, jaargang 2013, nummer 16675). Hierin worden achtergrondwaarden, streefwaarden- en interventiewaarden onderscheiden. Deze hebben de volgende betekenis:
De streefwaarde/achtergrondwaarde (S/AW) geeft het concentratieniveau in grond of grondwater aan, waarboven sprake is van een aantoonbare verontreiniging. In de bodem kan door natuurlijke oorzaken de streefwaarde worden overschreden. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in grond of grondwater aan, waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.
Er is sprake van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” (volgens de Wet Bodembescherming) indien voor tenminste één stof de interventiewaarde wordt overschreden voor een volume in tenminste 25 m³ grond of in tenminste 100 m³ grondwater. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging of bij de aanwezigheid van actuele risico’s is er in principe een saneringsnoodzaak. Op basis van de resultaten van een verkennend of nulsituatie kan over de ruimtelijke schaal waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde zich voordoet meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Conclusies ten aanzien van een eventuele saneringsnoodzaak kunnen daarom niet op basis van de resultaten van een verkennend of nulsituatie worden getrokken. Het vaststellen in hoeverre sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (vaststellen saneringsnoodzaak) wordt bepaald middels de uitvoering van een nader onderzoek. Dit nader onderzoek dient plaats te vinden indien er een vermoeden bestaat van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Verkennend bodemonderzoek, Boeregroentje te Ruinerwold, BO215124/JHB
bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Dijkhuizen 111 (vastgesteld)
Bijlage 2 Archeologisch bureauonderzoek
80
Boeregroentje tegenover 13, Ruinerwold (gemeente De Wolden) Archeologisch bureauonderzoek
Rubicon Erfgoed Rapport 099 CONCEPT
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Colofon Auteur Versie Datum Rubicon Erfgoed projectnummer
H.G. Pape-Luijten Concept 05-01-2022 22001
Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever
Bureau voor Planvorming & Advies T. Melenhorst
Bevoegde overheid Contactpersoon bevoegde overheid
Gemeente De Wolden M. Zwart-van der Laan
Adviseur bevoegde overheid Contactpersoon adviseur bevoegde overheid
Libau n.n.t.b.
Onderzoeksmelding (ARCHIS3) Beheer documentatie
5148711100 Rubicon Erfgoed, Rheden
Vrijgave Naam
Datum
Handtekening
H.G. Pape-Luijten Senior KNA Bureauonderzoek Archeoloog Actorregistratienummer 23021110
05-01-2022
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Inhoudsopgave Samenvatting ............................................................................................................................... 1 Inleiding ...................................................................................................................................... 2 Aanleiding onderzoek ................................................................................................................ 2 Doelstelling onderzoek............................................................................................................... 2 Werkwijze onderzoek ................................................................................................................ 2 Kaders onderzoek ..................................................................................................................... 2 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4 Locatie en planvorming ................................................................................................................. 5 Afbakening plan- en onderzoeksgebied ....................................................................................... 5 Huidige situatie plangebied ........................................................................................................
5 Toekomstige situatie plangebied ................................................................................................ 6 Landschappelijke informatie .......................................................................................................... 7 Inleiding landschappelijke informatie .......................................................................................... 7 Beknopte landschapsontwikkeling............................................................................................... 7 Paleogeografie .......................................................................................................................... 8 Geologie ................................................................................................................................... 8 Geomorfologie .......................................................................................................................... 9 Bodem ..................................................................................................................................... 9 Grondwater .............................................................................................................................. 9 Conclusie landschappelijke informatie .......................................................................................
10 Archeologische informatie............................................................................................................ 11 Inleiding archeologische informatie........................................................................................... 11 Archeologische verwachting op provinciaal niveau ..................................................................... 12 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau .................................................................. 12 Archeologische monumenten ................................................................................................... 12 Archeologische vondstmeldingen .............................................................................................. 12 Archeologische onderzoeksmeldingen ....................................................................................... 12 Conclusie archeologische informatie ......................................................................................... 13 Cultuurhistorische informatie ....................................................................................................... 14 Inleiding cultuurhistorische informatie ......................................................................................
14 Beknopte lokale en regionale geschiedenis ................................................................................ 14 Historisch kaartmateriaal ......................................................................................................... 14 Conclusie cultuurhistorische informatie ..................................................................................... 15 Verwachtingsmodel, conclusie en advies ....................................................................................... 16 Verwachtingsmodel ................................................................................................................. 16 Conclusie en advies ................................................................................................................. 17 Bronnen ..................................................................................................................................... 19 Documenten ........................................................................................................................... 19 Overig .................................................................................................................................... 19 Bijlage 1 – Inleiding ....................................................................................................................
20 Bijlage 2 – Locatie en planvorming ............................................................................................... 22 Bijlage 3 – Landschappelijke informatie ........................................................................................ 27 Bijlage 4 – Archeologische informatie ........................................................................................... 32 Bijlage 5 – Cultuurhistorische informatie ....................................................................................... 34 Bijlage 6 – Verwachtingsmodel, conclusie en advies ...................................................................... 38
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Samenvatting Ter plaatse van een tweetal percelen aan het Boeregroentje te Ruinerwold (Ruinerwold F 3444 en 3449), bestaat het voornemen om een deel van het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een lage verwachting geldt voor alle periodes. Hoewel de aard van de bodemopbouw en de mate van eventuele bodemverstoring niet op basis van bureauonderzoek kan worden vastgesteld, is er ons inziens vanwege die lage archeologische verwachting geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Een deel van het plangebied ligt op de gemeentelijke archeologische beleidskaart binnen een bufferzone rondom een aantal historische elementen, maar dit betreft een aantal (in elk geval) 19e-eeuwse huizen aan de Dijkhuizen die voor de verwachting van het plangebied zelf – dat destijds in gebruik was als weiland – verder niet relevant zijn.
Op basis van het bureauonderzoek wordt dan ook geadviseerd het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling en in het nieuwe bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming op te nemen: de vrijstellingsgrens van 3 ha die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is gekoppeld aan zones met lage archeologische verwachting is niet van toepassing op de beperkte oppervlakte van het plangebied. Zie Bijlage 6 (figuur 21) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie. Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente De Wolden) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid, de gemeente De Wolden. Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd.
1
Inleiding Aanleiding onderzoek Ter plaatse van een tweetal percelen aan het Boeregroentje te Ruinerwold (Ruinerwold F 3444 en 3449), bestaat het voornemen om een deel van het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Doelstelling onderzoek Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is het vaststellen van de specifieke archeologische verwachting van een plangebied. Op basis hiervan wordt een advies gegeven over aanbevolen archeologische vervolgstappen. Werkwijze onderzoek In het bureauonderzoek wordt de archeologische verwachting van een plangebied gespecificeerd aan de hand van informatie uit databases, kaartmateriaal, onderzoeksrapporten en literatuur over ontwikkelingen in het landschap (geologie, geomorfologie, bodem) en de bewoningsgeschiedenis (archeologie en recente historie). De eerste stap is dan ook het raadplegen en analyseren van verschillende bronnen: • ARCHIS 3, de nationale archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), is een primaire bron: zij biedt toegang tot de bekende landschappelijke informatie (geomorfologische kaart, bodemkaart inclusief grondwaterstand) en archeologische informatie (monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen) en in en rond het plangebied.
Het bureauonderzoek wordt ook aangemeld bij ARCHIS, zodat het later zelf weer gebruikt kan worden als bron in andere onderzoeken; • Cultuurhistorische basisinformatie volgt uit (waar mogelijk en beschikbaar) gebiedspecifieke literatuur, alsook uit historisch kaartmateriaal (betrokken van o.a. het Kadaster); • Overige bronnen geven aanvullende informatie, zoals over de opbouw van de ondergrond (DINOloket) en bekende bodemvervuiling (Bodemloket); • Bovenstaande opsomming is uiteraard niet uitputtend en kan per project uitgebreid worden, bijvoorbeeld met kennis van archeologische vrijwilligers en professionele (overheids)archeologen, of boorgegevens van milieukundige onderzoeken. De informatie die uit de verschillende bronnen is vergaard wordt vervolgens gerangschikt, geduid, gekoppeld en verwerkt in tekst en kaartmateriaal middels een GIS (Geografisch Informatie Systeem). Uit deze elementen wordt een rapport opgebouwd, met een verwachtingsmodel en advies als kernpunten. Dit rapport wordt vervolgens in concept aangeboden aan de opdrachtgever ter controle en aan de bevoegde overheid ter beoordeling. Na verwerking van eventuele opmerkingen wordt het rapport definitief gemaakt en afgemeld bij ARCHIS. Kaders onderzoek Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd binnen wettelijke, beleidsmatige, juridisch-planologische en procesmatige kaders.
Deze kaders zijn onderling met elkaar verbonden.
2
Wettelijke kaders In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland of de stad waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in Nederland geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Vanuit de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. In feite is de Wamz een concrete invulling en verbreding van deze verplichting. Sinds 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Een gedeelte van de Monumentenwet 1988 is daarmee opgegaan in de Erfgoedwet.
Een ander deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet, maar bevindt zich nu nog in het overgangsrecht. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is dat roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten in de Erfgoedwet staan, terwijl de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet komen. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die later naar de Omgevingswet gaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt (naar verwachting in 2022).
Beleidskaders De veranderende wetgeving in de afgelopen decennia heeft gezorgd voor decentralisatie, waarmee de verantwoordelijkheid voor het opstellen en handhaven van archeologiebeleid verschoven is naar de gemeentes. Het archeologische beleid van de gemeente De Wolden is vastgelegd in een archeologische beleidskaart uit 2012 met bijbehorende toelichting.1 Het overgrote deel van het plangebied ligt op de beleidskaart in een zone met een lage archeologische verwachting, met vrijstellingsgrenzen van 3 ha en 30 cm -Mv. Een klein deel van het plangebied valt binnen een gebied in de categorie ‘historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties’, met vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm -Mv. De in het plangebied voorziene bodemingrepen overschrijden de geldende vrijstellingsgrenzen. Derhalve geldt een onderzoeksplicht.
Juridisch-planologische kaders Om de koppeling met de ruimtelijke ordening te maken, worden de verwachtingen van archeologische beleidskaarten (al dan niet aangevuld of gewijzigd door recenter archeologisch onderzoek) juridischplanologisch ingebed, zowel op provinciaal niveau in inpassingsplannen, alsook op gemeentelijk niveau in bestemmingsplannen. In de vigerende beheersverordening Ruinerwold (vastgesteld 30-06-2016) kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, met vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm -Mv ter plaatse van de zone binnen het plangebied die op de gemeentelijke archeologische
1
Keunen e.a., 2012.
3
beleidskaart als historische kern (etc.) is aangemerkt.2 Omdat voor de planvorming een nieuw bestemmingsplan nodig is wordt de onderzoeksplicht bepaald op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, niet op basis van de beheersverordening.
Procesmatige kaders Vanuit de archeologische beroepsgroep is in de afgelopen jaren continu gestreefd naar verbetering van het archeologische proces. Aan de basis hiervan ligt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt de eisen en randvoorwaarden aan de procesmatige kwaliteit van archeologisch onderzoek, wat bijdrage levert aan de borging van de inhoudelijke kwaliteit van het onderzoek. Dit bureauonderzoek is opgesteld aan de hand van de vigerende versie van de KNA (4.1), specifiek Protocol 4002 Bureauonderzoek en de daarin opgenomen specificaties LS01-LS06. Het hoofdstuk met cultuurhistorische informatie binnen dit bureauonderzoek (zie leeswijzer hierna) is opgesteld aan de hand van beschikbare historische bronnen, kaartmateriaal, ervaring en expert judgment. Na goedkeuring van het bureauonderzoek door de bevoegde overheid wordt het definitieve rapport digitaal gedeponeerd bij het e-depot van ARCHIS, conform specificatie DS05. Leeswijzer Het bureauonderzoek dat op deze inleiding volgt is opgedeeld in een aantal tekstuele hoofdstukken, die hieronder zijn weergegeven. Tussen haakjes is per hoofdstuk aangegeven welke specificatie(s) uit Protocol 4002 Bureauonderzoek van toepassing is/zijn. • • • • •
Locatie en planvorming (LS01, LS02, LS03); Landschappelijke informatie (LS04); Archeologische informatie (LS04); Cultuurhistorische informatie (LS04); Verwachtingsmodel, conclusie en advies (LS05, LS06).
In de lopende tekst van bovenstaande hoofdstukken wordt verwezen naar afbeeldingen. Deze zijn achteraan het bureauonderzoek opgenomen in bijlagen, die gekoppeld zijn aan de inleiding en gelijknamige hoofdstukken. N.B. Een bureauonderzoek van Rubicon Erfgoed is letterlijk de verslaglegging van een lopend onderzoek, wat betekent dat informatie in eerdere hoofdstukken (zoals verwachte landschapselementen) door feiten in latere hoofdstukken (zoals archeologische waarnemingen) bevestigd, ontkracht of genuanceerd kunnen worden.
2
In de beheersverordening heeft de zone met een lage verwachting, die vanuit de beleidskaart voor het overgrote deel van het plangebied van toepassing is, binnen de dubbelbestemming geen daaraan gekoppelde planregels gekregen.
4
Locatie en planvorming Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied betreft de percelen, of delen daarvan, waarbinnen de toekomstige bodemingrepen zullen plaatsvinden. De plangebiedgrenzen zijn in dit geval gelijk aan de grenzen zoals verstrekt door de opdrachtgever. Het zijn de percelen die kadastraal bekend staan als Ruinerwold F 3444 en 3449. De administratieve gegevens van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het onderzoeksgebied betreft wegens aanwezigheid van bekende archeologische waarden in de nabije omgeving een gebied met een straal van 500 m rond het plangebied (zie het hoofdstuk Archeologische informatie). De ligging van het plan- en het onderzoeksgebied op de topografische kaart en een recente luchtfoto zijn te zien in Bijlage 2 (figuren 2-3). Gegeven
Informatie
Toponiem
Boeregroentje (tegenover 13)
Plaats
Ruinerwold
Gemeente
De Wolden
Provincie
Drenthe
Kaartblad
16H
Coördinaten (bounding box)
MIN: 213.652/526.866 MAX: 213.706/526.907 CNT: 213.679/526.886
Oppervlakte
Circa 1080 m2
Tabel 1: Gegevens plangebied.
Huidige situatie plangebied Het plangebied betreft een deel van een groter terrein, dat ligt tussen het Boeregroentje en de Dijkhuizen te Ruinerwold. Het terrein ligt momenteel braak. De reeds bestaande woningen aan de andere kant van het Boeregroentje dateren uit 2008 volgens de BAG Viewer van het Kadaster en maken daarmee deel uit van een recente uitbreidingswijk aan de oostzijde van Ruinerwold.3 De huidige situatie van (de directe omgeving van) het plangebied op Google Streetview is afgebeeld in Bijlage 2 (figuren 4-5). In het Bodemloket staan voor het overgrote deel van het plangebied geen uitgevoerde milieukundige onderzoeken in het plangebied vermeld, noch is er sprake van geregistreerde saneringen die de bodem ter plaatse (verder) zouden kunnen hebben verstoord. De randen van het plangebied zijn meegenomen in de melding ‘voldoende onderzocht/gesaneerd’ ten behoeve van het oude bestemmingsplan De
3
bagviewer.kadaster.nl.
5
Perenhof (locatie DR169000274), maar naar verwachting heeft dit geen invloed gehad op het plangebied zelf.4 Toekomstige situatie plangebied Het nieuwe bestemmingsplan voor het plangebied voorziet in herbestemming ten behoeve van woningbouw, waarbij vier levensloopbestendige woningen zullen worden gebouwd in een enkel bouwvolume. De funderingsdiepte voor de woningen is nog niet bepaald, maar zal naar verwachting minimaal 80 cm -Mv bedragen (vorstvrije aanleg). Daarnaast zal een nieuwe boom worden geplant en zijn er een zevental parkeerplaatsen voorzien binnen het plangebied (Bijlage 2, figuren 9-14).
4
bodemloket.nl.
6
Landschappelijke informatie Inleiding landschappelijke informatie De archeologische verwachting van een plangebied is in de eerste plaats afhankelijk van de bewoningsmogelijkheden van het landschap. Op basis van informatie over de geologie (diepere ondergrond), geomorfologie (landschapsvormen), bodem (bodemvorming- en types) en de grondwaterstand kunnen de bewoningsmogelijkheden in en rond een plangebied in kaart worden gebracht. Beknopte landschapsontwikkeling5 Eén van de belangrijkste vestigingsfactoren tot in de Middeleeuwen was de aanwezigheid van natuurlijk voorkomende hoge – en dus droge – delen in het landschap. In de omgeving van het plangebied waren dat de oevers van actieve waterlopen en de drooggevallen beddingen van waterlopen waarvan de sedimentatie is gestopt. Het plangebied ligt in de archeoregio van het Friese veengebied, in een relatief laaggelegen regio ten westen van het Drents Plateau. Ruinerwold en haar omgeving liggen tussen de gekanaliseerde riviertjes Oude Vaart (Beilerstroom) en Wold Aa (Ruiner Aa). De hedendaagse aanblik van Drenthe is in hoge mate het resultaat van de invloed van de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 238.000 – 126.000 jaren geleden). Het Saalien is een geologisch tijdvak binnen de etage van het Midden-Pleistoceen en is de laatste periode waarin het landijs van Scandinavië tot in Nederland reikte.
Onder de enorme fysieke druk van dit landijs werden hele delen van Nederland als het ware opgestuwd, waarbij de kenmerkende hoge wallen – stuwwallen – ontstonden die tegenwoordig nog enkele van de hoogste landschapsvormen van Nederland zijn. De stuwwallen in dit gebied, zoals de Havelterberg en Bisschopsberg op circa 5 km ten noorden van Ruinerwold, zijn gestuwde afzettingen van grondmorene. Tijdens het Saalien werd door het oprukkend landijs eerst dit complex gevormd, om vervolgens in een tweede fase van ijsuitbreiding, waarin de Veluwe werd gevormd, te worden ‘overreden’ door het ijs. Grondmorene of keileem is een mengsel van zand, leem en keien dat onder landijs is afgezet. Keileem heeft door de slechte waterdoorlaatbaarheid grote invloed op het Drentse en Overijsselse landschap gehad; de grote veengebieden ontstonden later als een direct resultaat van de plaatselijk zeer natte grond. Op het Saalien volgde het Eemien, een interglaciaal (een periode tussen twee glacialen in) waarin de temperatuur leek op die van de huidige periode – het Holoceen – of zelfs nog wat warmer. Het Eemien eindigde rond 116.000 jaren geleden met de intrede van de laatste ijstijd, het Weichselien.
Hoewel het landijs ditmaal niet tot in Nederland geraakte en het relatief minder koud was dan in het voorgaande Saalien, veranderde ons land wel in een bevroren poolwoestijn waar vooral de invloed van de wind voor nieuwe landschappelijke veranderingen zorgde. Omdat het merendeel van de vegetatie verdween door de ijzige kou werd het zand uit drooggevallen beken en rivieren niet meer ‘vastgehouden’, met als resultaat dat de wind dit opstoof en soms over grote afstanden elders in Nederland als een deken deponeerde, soms met grote zandruggen tot gevolg. De bewegingen van dit zogenaamde dekzand (Formatie van Boxtel, al dan niet Laagpakket van Wierden) werden pas aan banden gelegd toen het klimaat wederom verbeterde, toen rond 11.700 jaren geleden onze huidige geologische periode begon: het Holoceen. Hiermee kwam het Pleistoceen tot een einde en begon het Kwartair. Door nieuwe vegetatie kon het dekzand niet meer verstuiven en werd de basis gelegd voor ons huidige landschap. 5
De Mulder e.a., 2003; Van Zijverden en De Moor, 2014; Stouthamer e.a., 2015.
7
De flanken van de stuwwallen, ruggen en welvingen van grondmorene en/of dekzand boden plaats aan grotere nederzettingen, terwijl lokaal voorkomende kopjes als tijdelijke verblijfplaatsen konden worden benut. In de overgang van het Mesolithicum naar het Neolithicum trad een sterke vernatting van het landschap op en raakten grote delen van Noord-Nederland bedekt met veen. In Drenthe en Overijssel ontstonden omvangrijke hoogveengebieden, waar tegenwoordig door grootschalige ontginning in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bijna niets meer van over is. Paleogeografie Op de paleogeografische kaarten in Bijlage 3 (figuren 9-10)6 is in grote lijnen de landschappelijke ontwikkeling te volgen van het plangebied en haar omgeving, over een periode van 11.000 jaren. De pleistocene situatie laat zien dat het plangebied destijds in relatief laaggelegen zandgebied lag (boven 0 m NAP), tussen enkele rivierlopen in. In de navolgende situaties is te zien dat het landschap dat het landschap gaandeweg verdrinkt: nadat de invloed van de zee afneemt ten gunste van de rivieren begint tussen de vele stroompjes van het vlechtende riviersysteem steeds meer veen te groeien, waarbij het laaggelegen zandgebied overgroeid raakt. Het plangebied lag vanaf 3850 voor Chr.
volledig te midden van het veen, een situatie die effectief tot in de Late Middeleeuwen voortduurde: met de ontginningen van het veen vanaf deze periode werd het veengebied alsmaar verder teruggedrongen, maar restanten ervan bleven in de ondergrond van het landschap achter. Geologie Volgens de geologische kaart van 2021 ligt het plangebied ter plaatse van afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel (BX4), ongedifferentieerd of toe te wijzen aan het Laagpakket van Wierden, oftewel dekzand en overige periglaciale afzettingen.7 Vervolgens is gekeken naar geologische boringen in of nabij het plangebied om dit te nuanceren. Deze zijn helaas niet (in afdoende lithologisch en lithostratigrafisch detail) aanwezig. Daarom is ook gekeken naar een geschikt ondergrondmodel om alsnog een uitspraak te doen.8 Centraal in het plangebied is middels de Appelboor BRO DGM v2.2 de volgende bodemopbouw gemodelleerd, met een gemodelleerde maaiveldhoogte van 1,8 m NAP: Diepte
Lithostratigrafie
Lithologie
Ouderdom
1,8 m - -1,6 m
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig
Pleistoceen/Holoceen
-1,6 m - -16,8 m
Formatie van Kreftenheye
Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, zandig; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus
Pleistoceen
Tabel 2: Gegevens geologische eenheden Appelboor BRO DGM v2.2.
De appelboring laat lithostratigrafisch een opbouw zien van ten eerste bijna drie en een halve meter afzettingen uit de ongedifferentieerde Formatie van Boxtel, wat in dit geval zowel op dekzand en op smeltwaterafzettingen kan duiden. Daaronder bevinden zich de oude rivierafzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye.
6
Dataset nationaalgeoregister.nl, op basis van kaarten ontleend aan Vos e.a., 2018. dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 8 Idem. 7
8
De top van het pleistocene oppervlak (Bijlage 3, figuur 11) ligt tegenwoordig in het bereik van 0-10 m NAP.9 Dit strookt met de verwachting dat afzettingen van de Formatie van Boxtel vanaf het maaiveld aangetroffen kunnen worden. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart van 2019 (Bijlage 3, figuur 12)10 ligt het plangebied ter plaatse van een vlakte van smeltwaterafzettingen (M12). Vlakke terreinen, gevormd door afzettingen van het smeltwater van het landijs in het Saalien, treffen we aan de buitenzijde van de stuwwallen aan. Ze zijn door het smeltwater afgezet, dat via laagten in en openingen tussen de stuwwallen naar het niet door het landijs bedekte gebied stroomde.11 Volgens de landschapsverwachtingskaart behorende bij het gemeentelijk archeologiebeleid ligt het plangebied in een dekzandvlakte, al dan niet vervlakt door veen en/of overstromingsmateriaal (code Dvv), maar het is ook mogelijk dat dit een vlakte van sneeuwsmeltwaterafzettingen bedekt met dekzand (code Dvn) zou moeten zijn, gelet op het feit dat de huidige geomorfologische kaart recenter is dan de landschapsverwachtingskaart. Het verschil in reliëf in het plan- en onderzoeksgebied is te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).12 In Bijlage 3 (figuur 13) is ten eerste een uitgezoomd kaartbeeld te zien, waarop vooral het relatief vlakke reliëf van dit laaggelegen gebied blijkt.
De insert toont een focus op het plangebied met andere verschaling, waardoor het microreliëf ter plaatse duidelijk wordt. Hieruit blijkt dat het maaiveld binnen het plangebied iets afloopt richting het noordwesten. De maaiveldhoogte varieert daarmee van 1,8 m tot 2,2 m NAP. Bodem Op de bodemkaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 14)13 is de bodem binnen het plangebied gekarteerd als veldpodzolgronden in leearm en zwak lemig fijn zand (Hn21). Dit zijn laag gelegen zandgronden met een humeuze tot humusrijke bovengrond, die dunner dan 30 cm is; daaronder bevindt zich een laag, die bruin gekleurd is door ingespoelde humeuze stoffen (humuspodzol-B). Soms komt tussen de bovengrond en de inspoelingshorizont een loodzandlaag voor. Deze gronden worden veel aangetroffen in de lage heidevelden, die nu vrijwel allemaal zijn ontgonnen.14 Grondwater De grondwaterstand en de fluctuaties daarin hebben effect op zowel de aantrekkelijkheid van bodems voor bewoning/gebruik, alsook op de conservering van archeologische resten in die bodems. De grondwaterstand wordt in twee uitersten ten opzichte van maaiveld gemeten: de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG).
Boven de GHG blijven onverbrande organische resten, zoals begraven botmateriaal, hout, leer of textiel, in het zandgebied meestal niet tot nauwelijks bewaard – uitzonderingen zijn in waterputten en onderin diep ingegraven sporen. Boven de GHG resteren vrijwel alleen verbrande organische resten (bijvoorbeeld crematieresten en houtskool) en anorganische resten, zoals aardewerk en vuur-/natuursteen. In het rivierengebied gaat deze redenering echter minder goed tot niet op, afhankelijk van de situatie ter plaatse. Volgens de grondwaterspiegeldieptekaart van 2021 heeft het grootste deel van het plangebied een grondwatertrap 9
nationaalgeoregister.nl. dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 11 legendageomorfologie.wur.nl. 12 ahn.arcgisonline.nl. 13 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 14 De Bakker, 1966. 10
9
IVc (GHG >80 cm -Mv, GLG 80-120 cm -Mv) en een klein deel een grondwatertrap IVu (GHG 40-80 cm -Mv, GLG 80-120 cm -Mv).15 Conclusie landschappelijke informatie Op basis van de informatie die in dit hoofdstuk is verzameld is duidelijk geworden dat het plangebied is een regio ligt die in de loop van de prehistorie is verdronken onder invloed van een stijgende zeespiegel – en dus grondwaterniveau. Daarbij is een dik pakket veen afgezet, dat later weer is ontgonnen.
15
dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
10
Archeologische informatie Inleiding archeologische informatie De archeologische verwachting van een plangebied wordt naast het landschap mede bepaald door de daadwerkelijk vastgestelde bewoningsgeschiedenis. Eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, terreinen van archeologische waarde (monumenten) en archeologische vondstmeldingen in de omgeving kunnen de verwachting nader specificeren en soms zelfs informatie verschaffen over de mogelijke diepteligging en conserveringsgraad van archeologische resten in het plangebied. Periode
Deel-/subperiode
Afkorting
Alternatieve periode
Van
Tot
Nieuwe Tijd
Nieuwe Tijd C
NTC
Late Nieuwe Tijd
1850 na Chr.
heden
Nieuwe Tijd B
NTB
Midden-Nieuwe Tijd
1650 na Chr.
1850 na Chr.
Nieuwe Tijd A
NTA
Vroege Nieuwe Tijd
1500 na Chr.
1650 na Chr.
Late Middeleeuwen B
LMEB
Late Middeleeuwen
1250 na Chr.
1500 na Chr.
Late Middeleeuwen A
LMEA
Volle Middeleeuwen
1050 na Chr.
1250 na Chr.
Vroege Middeleeuwen D
VMED
Ottoonse Tijd
900 na Chr.
1050 na Chr.
Vroege Middeleeuwen C
VMEC
Karolingische Tijd
725 na Chr.
900 na Chr.
Vroege Middeleeuwen B
VMEB
Merovingische Tijd
525 na Chr.
725 na Chr.
Vroege Middeleeuwen A
VMEA
Merovingische Tijd
450 na Chr.
525 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd B
ROMLB
350 na Chr.
450 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd A
ROMLA
270 na Chr.
350 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd B
ROMMB
150 na Chr.
270 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd A
ROMMA
70 na Chr.
150 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd B
ROMVB
25 na Chr.
70 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd A
ROMVA
12 voor Chr.
25 na Chr.
Late IJzertijd
IJZL
250 voor Chr.
12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
IJZM
500 voor Chr.
250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
IJZV
800 voor Chr.
500 voor Chr.
Late Bronstijd
BRONSL
1100 voor Chr.
800 voor Chr.
Midden-Bronstijd B
BRONSMB
1500 voor Chr.
1100 voor Chr.
Midden-Bronstijd A
BRONSMA
1800 voor Chr.
1500 voor Chr.
Vroege Bronstijd
BRONSV
2000 voor Chr.
1800 voor Chr.
Laat-Neolithicum B
NEOLB
2450 voor Chr.
2000 voor Chr.
Laat-Neolithicum A
NEOLA
2850 voor Chr.
2450 voor Chr.
Midden-Neolithicum B
NEOMB
3400 voor Chr.
2850 voor Chr.
Midden-Neolithicum A
NEOMA
4200 voor Chr.
3400 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum B
NEOVB
4900 voor Chr.
4200 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum A
NEOVA
5300 voor Chr.
4900 voor Chr.
Laat-Mesolithicum
MESOL
6450 voor Chr.
4900 voor Chr.
Midden-Mesolithicum
MESOM
7100 voor Chr.
6450 voor Chr.
Vroeg-Mesolithicum
MESOV
8800 voor Chr.
7100 voor Chr.
Laat-Paleolithicum B
PALEOLB
18.000 BP
8.800 voor Chr.
Laat-Paleolithicum A
PALEOLA
35.000 BP
18.000 BP
Midden-Paleolithicum
PALEOM
300.000 BP
35.000 BP
Vroeg-Paleolithicum
PALEOV
-
300.000 BP
Middeleeuwen
Romeinse Tijd
IJzertijd
Bronstijd
Neolithicum
Mesolithicum
Paleolithicum
Tabel 3: Indeling archeologische periodes in Nederland (bron: Archeologisch Basis Register).
11
Archeologische verwachting op provinciaal niveau De provincie Drenthe heeft in het kader van haar Omgevingsvisie Drenthe 2014 een elftal gebieden van provinciaal belang aangemerkt, afkomstig uit haar Cultuurhistorisch Kompas. Het plangebied valt niet binnen één van deze gebieden.16 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente De Wolden grotendeels in een zone in een zone met een lage archeologische verwachting, gebaseerd op de landschappelijke ligging in een dekzandvlakte (of vlakte van smeltwaterafzettingen). Een klein deel van het plangebied valt binnen een gebied in de categorie ‘historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties’, wat gekoppeld is aan een bufferzone rond een tweetal historische elementen (huizen of boerderijen) van vóór 1832 aan de Dijkhuizen. Archeologische monumenten Binnen het onderzoeksgebied staan geen archeologische monumenten geregistreerd in ARCHIS3. Archeologische vondstmeldingen Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen archeologische vondstmeldingen (vondsten gedaan buiten formele onderzoeksmeldingen, uitgezonderd ouder onderzoek dat met terugwerkende kracht is aangemeld) geregistreerd in ARCHIS3.
Archeologische onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS3 zes onderzoeksmeldingen geregistreerd (Bijlage 4, figuur 15). ZaakID
Toponiem
Verwerving
Jaar
2168049100
Sportpark Dijkhuizen
archeologisch: bureauonderzoek
2007
2168057100
Sportpark Dijkhuizen
archeologisch: booronderzoek
2007
2426447100
Dijkhuizen
archeologisch: bureauonderzoek
2013
4598625100
Burg. Nijsingweg
archeologisch: bureauonderzoek
2018
4627290100
Winterjan 35
archeologisch: booronderzoek
2018
4649177100
Winterjan 35
archeologisch: bureauonderzoek
2018
Tabel 4: Onderzoeksmeldingen in het plangebied.
16
provincie.drenthe.nl; Provincie Drenthe, 2009.
12
Er is weinig onderzoek gedaan binnen het onderzoeksgebied, met vier bureauonderzoeken (die geen nieuwe primaire informatie leveren die van belang is voor onderhavig onderzoek) en twee booronderzoeken. Het bureau- en verkennend/karterend booronderzoek aan de Winterjan 35, op circa 230 m NW van het plangebied, is het meest relevant gezien. De bodemopbouw op de bewuste locatie bestond uit een bouwvoor, op verstoorde zandlagen, met op twee locaties een restant van een Bhorizont op dekzand. De bodem was grotendeels verstoord tot in de C-horizont.17 Conclusie archeologische informatie De bekende archeologische waarden binnen een straal van een halve kilometer rondom het plangebied zijn zeer gering; er is nog nauwelijks onderzoek gedaan in (dit deel van) Ruinerwold en vondsten zijn niet bekend. Dit is in lijn met de algehele lage verwachting die vanuit de landschapsontwikkeling volgt (uitgezonderd de historische elementen, zoals in het volgende hoofdstuk toegelicht).
17
Singh e.a., 2018.
13