RES 1.0 regio Drenthe.pdf
Tekst van het document
3.3.4 Zonne- en windenergie We geven met onderstaande taartdiagrammen en grafieken een beeld van de realisatiegraad en status van de opwek van hernieuwbare elektriciteit. We doen dat voor windenergie, zon-op-land en zon-op-dak. In de grafieken die daarna volgen geven we voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit totaalbeelden voor de RES-regio Drenthe en specifieke informatie per gemeente.
Foto: Lars Blaauw 20
Download Feiten en cijfers per gemeente
27
INHOUD
WINDPROJECTEN OP LAND
Projecten gerealiseerd/in aanbouw Projecten vergunning verleend/in procedure/voorbereiding Ambities
Figuur 2: totalen van projecten windenergie
ZON-OP-LANDPROJECTEN
Projecten vergunning verleend/in procedure/voorbereiding Projecten gerealiseerd/in aanbouw Ambities
Figuur 3: totalen van projecten van zon-op-landprojecten
ZON- OP-DAKPROJECTEN
Ambities Projecten SDE beschikt Projecten niet SDE beschikt Projecten SDE gerealiseerd Figuur 4: totalen van opwekking elektriciteit door zon-op-dak voor projecten SDE gerealiseerd, SDE beschikt, niet SDE gerealiseerd (>15 kWp) en resterende ambitie
Totaaloverzichten opwek hernieuwbare elektriciteit In onderstaande grafieken is de bijdrage van de RES-regio Drenthe inzichtelijk gemaakt en weergegeven. In de bijlagen ‘Feiten en cijfers per gemeente RES 1.0 regio Drenthe’ en ‘Energieproductie (TWh) per gemeente en waterschap op projectniveau’21 staat detailinformatie die de basis vormt voor de onderstaande grafieken.
21
28
Download Feiten en cijfers per gemeente Energieproductie (TWh) per gemeente en waterschap op projectniveau
INHOUD
Grafiek 2: totalen voor opwek hernieuwbare elektriciteit door windenergie, zonne-energie op land, zonne-energie op daken per fase en de techniekneutrale ambities
Grafiek 3: opwek hernieuwbare elektriciteit door windenergie per gemeente
29
INHOUD
Grafiek 4: opwek hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie op land per gemeente
Grafiek 5: opwek hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie op dak per gemeente
30
INHOUD
Grafiek 6: totale opwek hernieuwbare elektriciteitsdoor wind, zon en techniekneutraal per gemeente
3.3.5 Zonne-energie op daken, grootschalig en kleinschalig We vinden het als RES-regio belangrijk om de komende tijd vanuit efficiënt ruimtegebruik nadrukkelijk in te zetten op opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak. Dit is in lijn met de motie Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 32813, nr. 204) en de daaropvolgende brief van Minister Wiebes d.d. 23 augustus 2019.
Grootschalige zon-op-dak stimuleren en realiseren Om grootschalige opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak te stimuleren en realiseren, voeren de partners van de RES-regio Drenthe allerlei activiteiten uit: • Slimme oplossingen problemen netcapaciteit We onderzoeken slimme oplossingen voor netcapaciteitsproblemen. Op veel plekken in Drenthe is de beschikbare netcapaciteit een beperkende factor in het realiseren van zon-op-dak. Door kennis en ervaringen te delen over specifieke oplossingen die al in de markt aanwezig zijn en het beschikbaar stellen van expertise worden zoveel mogelijk casussen geholpen om duurzame opwek te realiseren. Actief wordt ingezet op initiatieven in een vergevorderd stadium, zoals projecten die al een SDE-beschikking hebben. •
Overheidsgebouwen Als overheid hebben we een belangrijke voorbeeldfunctie door op de daken van onze gemeentelijke, provinciale en waterschapgebouwen zonnepanelen te leggen. Hiermee inspireren we inwoners en bedrijven.
• Energieneutrale bedrijventerreinen In de gemeenten Assen, Hoogeveen, Noordenveld en Tynaarlo vindt de pilot Energieneutrale bedrijventerreinen plaats. Opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak is onderdeel van deze pilot.
31
INHOUD
• Maatschappelijk vastgoed Voor het realiseren van opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak zetten we ook RES-regio breed in op eigenaren van maatschappelijk vastgoed, waaronder scholen, dorps- en buurthuizen en verpleegtehuizen. Eigenaren van klein maatschappelijk vastgoed kunnen de komende jaren begeleiding krijgen bij hun verduurzamingsopgaven. • Energiecoöperaties Voor energiecoöperaties is subsidie beschikbaar voor de voorbereiding voor energieprojecten. Hiermee is het voor energiecoöperaties mogelijk een haalbaarheidsonderzoek te laten uitvoeren voor opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dakprojecten. Ondernemers • Om opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak te stimuleren, startte de provincie Drenthe in samenwerking met betrokken partners een project dat is gericht op daken van het midden- en kleinbedrijf (MKB) en agrariërs. In de gemeenten Emmen, Assen, Hoogeveen en Midden-Drenthe zijn projecten gestart om opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak te stimuleren bij ondernemers. Dit gebeurt in samenhang met duurzame maatregelen zoals besparing. Ook wordt gewerkt aan een regionaal aanbod waarbij ondernemers worden gefaciliteerd en gestimuleerd om hun daken te benutten voor zonne-energie.
Hierbij wordt ingezet op menskracht met expertise over opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak en ondersteuning bij haalbaarheidsonderzoek, waaronder dakconstructieonderzoek en de uitwerking van business cases. • Agrarische ondernemers Specifiek voor agrarische ondernemers wordt in de gemeenten Noordenveld, Tynaarlo en Aa en Hunze in samenwerking met LTO Noord een pilot voorbereid. Met adviesrapporten krijgen agrarische ondernemers informatie over de voordelen en kansen die er zijn om zon op hun dak te realiseren. Gebiedsgericht kijken we of er koppelingen mogelijk zijn in de aansluiting op het net. Op die manier worden investeringen in kabels en het net zo effectief en efficiënt mogelijk georganiseerd. Na afloop van de pilot evalueren we of deze aanpak een vervolg krijgt op andere plekken in andere gemeenten. • Meer gemeentelijke bevoegdheden De verwachting is dat gemeenten in 2022 meer bevoegdheden krijgen om opwek van duurzame elektriciteit door zon-op-dak of klimaat-adaptieve maatregelen op daken te verplichten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt de mogelijkheid opgenomen om in het omgevingsplan maatwerkregels op te stellen voor nieuwbouw van industriegebouwen en overige gebouwen.
• Zonnepanelen op parkeerterreinen We onderzoeken de mogelijkheden om opwek van duurzame elektriciteit op parkeerterreinen te realiseren door deze te overkappen met zonnepanelen. We zien deze overkapping als onderdeel van de invulling van zon-op-dak. Richting de RES 2.0 zal duidelijk worden wat de bijdrage aan deze duurzame opwekking is.
TT Circuit Assen: motoren parkeren onder zonnepanelen Bij het TT Circuit in Assen is een uniek zonnepark gecreëerd: 14.000 motoren kunnen worden geparkeerd onder 21.000 zonnepanelen. De zonnepanelen wekken zo’n 0,005 TWh stroom op (het gebruik van 2.000 gezinnen). De door het park opgewekte elektriciteit wordt gebruikt door bedrijven in de omgeving van het circuit en geleverd aan het openbare net. Dit is een goed voorbeeld van meervoudig ruimtegebruik (zie paragraaf 3.5).
32
INHOUD
Landelijke kleinschalige opwek zon-op-dak Kleinschalige duurzame opwek van elektriciteit door zon-op-dak met een vermogen van minder dan 15 kWp wordt niet meegenomen in de RES-bijdrage aan de landelijke opgave van 35 TWh. Als de opbrengst in Nederland van kleinschalige opwek met zon-op-dak echter hoger is dan 7 TWh, dan mag de extra opbrengst wel worden meegerekend als extra ambitie bovenop de 35 TWh. Als het gaat om kleinschalige duurzame opwek van elektriciteit door zon-op-dak wordt uitgegaan van een autonome groei van 7 TWh. Uit de gegevens van het CBS blijkt dat in 2018 de genormaliseerde productie van duurzame elektriciteit door zonne-energie op woonhuizen neerkomt op 1,7 TWh. Als de lijn van 2016-2018 zich doorzet, komen we in Nederland uit op ten minste 7,5 TWh aan duurzame opwek in 2030. Deze prognose sluit aan bij de verwachting van de autonome groei in het Klimaatakkoord. Duurzame opwek van elektriciteit door kleinschalig zon-pv heeft in theorie potentie voor een veel sterkere groei en sluit goed aan bij de voorkeursvolgorde zon.
Kleinschalige zon-op-dak in Drenthe Naast grootschalige duurzame opwek elektriciteit door zon-op-dak zetten we in de RES-regio Drenthe ook in op kleinschalige opwek met zon-op-dak. Dit is in 2016 in de Drentse Energiedeal vastgelegd. Verdere realisering van kleinschalige opwek vindt onder andere plaats via het project Expeditie energie-neutraal wonen van de provincie Drenthe. De ambitie van de Expeditie is om in 2040 energieneutraal te zijn in de gebouwde omgeving. In de onderstaande grafieken 7 en 8 is een overzicht van het aantal TWh dat werd opgewekt door kleinschalig duurzame opwek van elektriciteit door zon-op-dak in Drenthe over de periode 2016-2020 en een overzicht waarbij dit is gespecificeerd voor de Drentse gemeenten. Voor de hier vermelde cijfers is gebruik gemaakt van de gegevens uit de Klimaatmonitor (CBS). Bij de Concept RES waren de gegevens afkomstig van het zonnepanelen detectieonderzoek van het bedrijf NEO (In opdracht van provincie Drenthe). Het onderzoek wordt momenteel herzien. In afwachting van deze herziening zijn voor deze RES 1.0 de cijfers uit de Klimaatmonitor gebruikt.
Grafiek 7: Opwek hernieuwbare elektriciteit door zon door panelen op woningen in Drenthe (TWh) bron: klimaatmonitor (CBS) * staat voor prognose
33
INHOUD
Grafiek 8: Opgewekte zonnestroom door panelen op woningen (kleinschalig) per gemeente (TWh) bron: klimaatmonitor (CBS) * staat voor prognose
3.4 Energie-infrastructuur 3.4.1 Inleiding In een maatschappij die (vrijwel) volledig draait op fossiele elektriciteitscentrales is het elektriciteitsnet ontworpen op de vraag van de eindgebruikers, die bekend en voorspelbaar is; “U vraagt, wij draaien”. Hernieuwbare elektriciteit is echter volledig afhankelijk van het weer, het moment op de dag en het seizoen, wat gevolgen heeft voor het gebruik van het elektriciteitsnetwerk. De netbeheerders, die verantwoordelijk zijn voor voldoende capaciteit van het elektriciteitsnet, kunnen alleen investeren in uitbreiding en verzwaring van het net op basis van concrete elektriciteitsplannen van overheden en marktpartijen. De RES geeft een concreet toekomstbeeld voor het volume duurzaam opgewekte elektriciteit in 2030. Er zijn echter nog veel Foto: Enexis
34
INHOUD
onzekerheden, zoals de ontwikkeling van de elektrificatie van mobiliteit, bedrijfsprocessen en de warmtevoorziening tot 2030. Verder is bijvoorbeeld de prognose voor moeilijk stuurbare zonne-energie op daken (nog) onduidelijk. Het is en blijft nodig de planvorming van gemeenten, provincie en waterschappen continu af te stemmen met de netbeheerders en vertegenwoordigers van maatschappelijke sectoren. Deze afstemming heeft betrekking op de ruimtelijke keuzes en afwegingen, nut noodzaak en wenselijkheid en volgordelijkheid van projecten, efficiency en effectiviteit (CO2-effecten) van te ontwikkelen energie-infrastructuur. De Drentse overheden spreken uit dat ze deze afstemming een belangrijke plaats geven in al hun afwegingen.
Om deze afstemming te waarborgen, wordt een integrale projectgroep in het leven geroepen die opereert onder de bestuurlijke structuur van de RES-regio Drenthe. Onderdeel daarvan is een zogenaamde routekaart voor netcapaciteit die dan periodiek wordt herijkt op grond van recente ontwikkelingen en plannen. In deze paragraaf zijn de bevindingen en aanbevelingen weergegeven van de doorrekening van de energienetten door Enexis Netbeheer, RENDO en TenneT. Hierbij horen de bijlagen Netimpact-rapportage RES 1.0 regio Drenthe en Deelnetvorming TenneT22 .
Decentrale elektriciteitssystemen Netbeheer Nederland stelt in de factsheet ‘Systeemefficiëntie’ dat decentrale energiesystemen een belangrijke bijdrage leveren aan systeemefficiëntie. Met de decentrale elektriciteitssystemen zijn de opwek en het gebruik van duurzame elektriciteit lokaal zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Netbeheer Nederland plaatst de decentrale elektriciteitssystemen in de categorie maatregelen waarover in de RES’en afspraken moeten worden gemaakt. Als RES-regio Drenthe maken we hierover afspraken. In de bijlage ‘Te maken afspraken RES-regio Drenthe’23 staat hierover meer informatie.
3.4.2 Beschrijving situatie De RES-regio Drenthe deelde in november 2020 de bijdrage met Enexis, RENDO en TenneT. Enexis rekende deze bijdrage door in afstemming met RENDO. Bij het bepalen van de netimpact is ook kleinschalige zonne-energie meegenomen en de toenemende elektriciteitsbehoefte voor de gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw en industrie. Hierbij is specifiek gekeken naar de impact op de hoogspanning- en middenspanningstations (HS/MS-stations). De inschatting van de kosten voor middenspanning (MS) en laagspanning (LS) zijn indicatief en niet gebaseerd op de gegevens die zijn aangeleverd door de RES-regio. Deze inschatting is gemaakt op basis van een scenariostudie waarbij is gerekend met vergelijkbare duurzame zon-vermogens zoals in het RES-bod.
Spanningssoorten elektriciteitsnet Op het elektriciteitsnet worden drie spanningssoorten onderscheiden: - Hoogspanning (HS): de spanning vanaf 110.000 volt (of verkort: 110 kV). TenneT is de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. - Middenspanning (MS): de spanning tussen de grofweg 1 kV tot 50 kV. Vanaf deze spanning wordt het elektriciteitsnet door de regionale netbeheerders beheerd. Voor Drenthe zijn dit Enexis en RENDO. - Laagspanning (LS): de spanning lager dan 1,5 kV, zoals 230 V wat thuis uit het stopcontact komt.
22
Download Net-impact-rapportage en Deelnetvorming TenneT
23
Download Afspraken RES-regio Drenthe
35
INHOUD
Toekomstige nieuwe stations en stationuitbreidingen Op onderstaande kaart zijn toekomstige nieuwe stations en stationuitbreidingen weergegeven. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op deze werkzaamheden.
3.4.3 Netimpact RES 1.0 Op 14 stations zijn nu knelpunten. Op drie stations ontstaan knelpunten voor 2025. Op één station ontstaat een knelpunt na 2025. Deze knelpunten zijn een gevolg van beperkte capaciteit op de HS/MS-stations van Enexis en/of op het hoogspanningsnet van TenneT.
Uitbreidingen HS/MS-stations Om de knelpunten op te lossen die mede ontstaan door de bijdrage vanuit de RES-regio, moeten Enexis en RENDO investeren op 15 HS/MS-stations waar uitbreidingen noodzakelijk en mogelijk zijn. Voor deze stations geldt dat de beschikbare capaciteit op het net van Enexis en RENDO pas kan worden benut na uitbreiding van het hoogspanningsnet van TenneT.
Geplande uitbreidingen
36
Stations waar na uitbreiding een deel van de RES-bijdrage kan worden aangesloten:
Stations waar na uitbreidingen niet voldoende capaciteit beschikbaar is om de RES-bijdrage aan te kunnen sluiten:
Stations waar na uitbreidingen nog extra capaciteit beschikbaar is voor opwek:
• Coevorden • Emmen Weerdinge • Gasselte Kraanlanden • Kropswolde • Steenwijk • Vierverlaten • Zeijerveen
• Hoogeveen • Kropswolde • Musselkanaal Zandberg
• Bargermeer • Gasselte Kraanlanden • Klazienaveen Zwet • Veendam • Vierverlaten • Zeijerveen
INHOUD
Nieuwe stations Vier nieuwe HS/MS-stations moeten worden gerealiseerd. De haalbaarheid van de RES-bijdrage is afhankelijk van de realisatie van deze stations bij: • Ter Apelkanaal • Veenoord-Boerdijk • ten noorden van Meppel • ten zuiden van Hoogeveen Momenteel vinden over deze nieuwe stations gesprekken plaats tussen TenneT, Enexis, RENDO en de betreffende gemeenten. Door het realiseren van deze stations worden knelpunten op de stations Meppel, Stadskanaal, Hoogeveen en Musselkanaal Zandberg opgelost. Ook voor de stations Veenoord en Emmen Weerdinge zijn de uitbreidingsmogelijkheden beperkt en biedt een nieuw station uitkomst. Door de locatie en beperkte uitbreidingsmogelijkheden van station Marsdijk wordt de opgewekte elektriciteit door grootschalige zonne- en windenergie zoveel mogelijk aangesloten op station Zeijerveen. Op station Zeijerveen is na uitbreidingen nog capaciteit voor extra opwek. Het combineren en verplaatsen van zoekgebieden kan investeringen beperken. Door het combineren van zoekgebieden zijn één of meerdere stationsuitbreidingen misschien niet nodig - zie bijlage Netimpact-rapportage RES 1.0.24
Netimpact TenneT Om de knelpunten op te lossen, zijn netuitbreidingen door TenneT noodzakelijk. Het huidige hoogspanningsnet in Drenthe is één aaneengesloten 110 kV-net. Deze structuur is niet geschikt om de RES-bijdrage te faciliteren. Op alle 110 kV-stations in Drenthe is onvoldoende capaciteit beschikbaar. TenneT gaat daarom dit 110 kV-net verdelen in zogenaamde deelnetten. Elk deelnet wordt met een koppelstation verbonden met het landelijke 220/380 kV-net. Nadere uitleg over deelnetten is beschreven in bijlage Netimpact-rapportage RES 1.0. In Drenthe is slechts één koppelstation (Zeijerveen). In de komende jaren worden twee nieuwe koppelstations gerealiseerd (rond Veenoord en ten noorden van Hoogeveen). De RES-bijdrage van de regio Drenthe kan worden gefaciliteerd met de netuitbreidingen die in het Investeringsplan 2020 zijn vermeld. Op bovenstaande kaart zijn zowel zoekgebieden (groene cirkels) als twee concrete projecten (blauwe cirkels) weergegeven met betrekking tot nieuwe HS/MS-stations.
3.4.4 Investeringsplannen netbeheerders De maatschappelijke kosten voor het verzwaren en uitbreiden van de LS-, MS- en HS/MS-stations van Enexis en RENDO worden geschat tussen de 422 en 585 miljoen euro. Dit bedrag is exclusief de kosten die TenneT maakt. De maatschappelijke kosten voor het verzwaren en uitbreiden van het hoogspanningsnet in en rond Drenthe worden geschat op 700 miljoen euro. Hierbij moet worden opgemerkt dat een deel van de investeringen ook ten goede komt aan de RES-regio’s Groningen en West-Overijssel. De RES 1.0 geeft richting aan de Investeringsplannen van Enexis, RENDO en TenneT, die tweejaarlijks wordt herijkt. Tussentijdse aanpassingen kunnen impact hebben op de haalbaarheid van de RES. Het gaat hier om bijvoorbeeld aanvragen die nog geen vergunning van de gemeente hebben of niet vergunningsplichtig zijn en toch door Enexis, RENDO en TenneT in behandeling moeten worden genomen in verband met aansluitplicht.
24
Download Netimpact-rapportage
37
INHOUD
3.4.5 Aanbevelingen De netbeheerders Enexis, RENDO en TenneT komen met de volgende aanbevelingen: • Langdurig proces Er dient rekening te worden gehouden met het vergunningenproces vanuit een gemeente. De netbeheerders adviseren de overheden dringend om het bestemmen en vergunnen van elektriciteitsprojecten gelijk op te laten lopen met de realisatie van de daarvoor benodigde infrastructuur. • Clustering van projecten Door projecten te clusteren zijn deze van voldoende omvang om direct te kunnen worden aangesloten op een HS/ MS-station. Dit schept bovendien meer ruimte op de onderliggende netten. • Ruimte vrijhouden voor netuitbreidingen In de meeste gevallen is het niet verstandig om de ruimte direct aangrenzend aan stations te gebruiken voor het plaatsen van zonnepanelen. Bij uitbreidingen van stations is deze ruimte, zowel boven- als ondergronds, waarschijnlijk nodig voor bijvoorbeeld extra kabeltracés. Gemeenten kunnen deze ruimte reserveren in de omgevingsplannen. MS- en MS/LS-stations staan meestal in woonwijken. Ook op LS-niveau staan de regionale netbeheerders de komende jaren voor een uitdaging in de bebouwde omgeving door onder andere de warmtetransitie en de toename van elektrische laadinfrastructuur voor vracht- en personenvervoer. Delen van het LS-net moeten worden verzwaard, waardoor straten opengebroken moeten worden.
Deze werkzaamheden worden vanuit de RES bezien, buiten beschouwing gelaten. Hierbij een weergave van het ruimtebeslag en de individuele doorlooptijden van netuitbreidingen:
Ruimtebeslag netuitbreidingen Uitbreiding HS/MS-station
0 m2 (situatie-afhankelijk)
Nieuw HS/MS-station
15.000 - 40.000 m2
Nieuw MS-station
200 - 4.000 m2
Nieuw MS/LS-station
10 - 35 m2
Kabelcircuit MS (ondergronds)
1 - 10 m (tracébreedte)
Kabelcircuit LS (ondergronds)
± 1 m (tracébreedte)
Individuele doorlooptijden netuitbreidingen Nieuw HS/MS-station
5 tot 7 jaar
Uitbreiding HS/MS-station
3 tot 6 jaar
Nieuw MS-station
2,5 tot 3 jaar
Kabelcircuit MS
0,5 tot 3 jaar
Nieuw MS/LS station
0,5 tot 1 jaar
Kabelcircuit MS (ondergronds)
0,5 tot 1 jaar
3.4.6 Doorkijk richting RES 2.0 In aanloop naar de RES 2.0 werken de netbeheerders verder aan een integrale doorrekening door de impact van alle energiethema’s mee te nemen. Zo is er meer aandacht voor Groengas, waterstof, warmte en de ontwikkelingen van andere sectoren zoals landbouw, industrie, mobiliteit, datacentra en gebouwde omgeving.
Routekaart RES en elektriciteitsnetwerk 2030 De gemeenten, provincie en netbeheerders gaan een routekaart RES en elektriciteitsnetwerk 2030 ontwikkelen voor een regionale aanpak en programmering van de uitbreidingen van het elektriciteitsnetwerk. In deze routekaart elektriciteitscapaciteit komt voor alle projecten voor hernieuwbare elektriciteit te staan waar en wanneer deze op het netwerk moeten en kunnen worden aangesloten. Voor de netwerkinvesteringen die de projecten voor hernieuwbare elektriciteit accommoderen, wordt inzichtelijk waar netcapaciteit komt en wanneer deze beschikbaar is. Zo kunnen ontwikkelaars met hun plannen rekening houden met de beschikbare ruimte op het elektriciteitsnet.
38
INHOUD
Windturbines in Coevorden. Foto: Gemeente Coevorden
3.5 Zorgvuldig ruimtegebruik bij zon-op-landprojecten, windturbines en energie-infrastructuur 3.5.1 Inleiding Drenthe wordt geroemd om haar prachtige landschappen met esdorpen, heide, bossen en open veenontginningen. Landschappen waarin tal van sporen van een lange geschiedenis tastbaar zijn. In Drenthe kun je nog rust en duisternis ervaren. De kwaliteit en diversiteit van ons landschap maakt Drenthe aantrekkelijk om in te wonen, werken en recreëren. Nu de eerste windturbines en zon-op-landprojecten in onze provincie zijn verschenen, ervaren we de lokale impact van de opwek van elektriciteit door zonne- en windenergie op onze omgeving. Onze inzet is dat de energietransitie gepaard gaat met behoud van de kwaliteit, identiteit en herkenbaarheid van het Drentse landschap. De druk op de Drentse ruimte is groot; elke vierkante centimeter heeft een bestemming. Naast de energietransitie zijn er meer opgaven die om ruimte vragen, zoals klimaatverandering, natuur- en biodiversiteit, landbouw, verstedelijking, recreatie en toerisme. Daarom zetten we bij nieuwe zon-op-landprojecten en windturbines en de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk in op twee aspecten: • de combinatie met andere opgaven zodat we onze ruimte meervoudig en daardoor zuinig gebruiken; • het zorgvuldig inpassen in ons landschap. In dit hoofdstuk beschrijven we welke afspraken we daarover maken.
Daarbij gaan we uit van de vier ruimtelijke principes uit het Klimaatakkoord: • zuinig omgaan met de ruimte en streven naar zo veel mogelijk meervoudig ruimtegebruik; • combineren van grootschalige energieproductie met andere opgaven en investeringen; • zo dicht mogelijk bij elkaar plaatsen van vraag en aanbod; • aansluiten bij gebiedspecifieke kenmerken.
3.5.2 Ontwikkeling zon-op-landprojecten en windturbines tot 2030 In paragraaf 3.3 Opwek hernieuwbare elektriciteit staat per gemeente weergegeven hoeveel hernieuwbare elektriciteit er momenteel wordt geproduceerd en hoeveel elektriciteit de projecten gaan opleveren waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden.
39
INHOUD
In onderstaande kaart is te zien waar de grondgebonden zonne-energie en windturbines zijn gerealiseerd of gaan komen.
Legenda Windturbines
Fase
1. Gerealiseerd
1b. in aanbouw
2. Vergunning verleend
3. Lopende vergunningsaanvraag
Zon-op-landprojecten Fase
1. Gerealiseerd
1b. in aanbouw
2. Vergunning verleend
3. Lopende vergunningsaanvraag
Kaart: locaties gerealiseerde en geplande wind- en zon-op-landprojecten (stand van zaken 1 april 2021)25
In paragraaf 3.3 Opwek hernieuwbare elektriciteit staat ook aangegeven hoeveel ruimte de gemeenten tot 2030 aanvullend willen geven aan hernieuwbare elektriciteit. In enkele gemeenten zijn daarvoor al keuzes voor zonne- en/of windenergie gemaakt en zijn locaties in beeld. Andere gemeenten zijn nog niet zo ver en gebruiken de komende tijd om tot keuzes te komen. Ook zijn er gemeenten die bewust ruimte bieden voor maatschappelijk initiatief zonder daarbij een gebied aan te wijzen. Onderstaande tabel geeft de stand van zaken per gemeente weer. 25
40
Viewer met vergunde/gerealiseerde projecten bekijken
INHOUD
Tabel: Overzicht stand van zaken locatiekeuzes voor nieuwe zon-op-landprojecten en windturbines tot 2030
Aanvullend op wat is gerealiseerd, in procedure is of waarover besluitvorming heeft plaatsgevonden: Aa en Hunze
De gemeente heeft recent een beleidskader zonne-energie vastgesteld. Dit kader biedt onder strikte voorwaarden van schaal, landschappelijke inpassingen, draagvlak en eigenaarschap de ruimte om zonnevelden aan initiatiefnemers te vergunnen. Er zijn gebieden uitgesloten; geen gebieden aangewezen. Aa en Hunze prognosticeert het maatschappelijk initiatief op 0,06 TWh
Assen
De gemeente heeft de locaties voor zonneparken vastgesteld in haar beleid ‘Zonneparken in Assen’. Hierin staan 9 locaties gebaseerd op trede 2 en 3 van de zonneladder (0,1 TWh). Er wordt een integrale verkenning uitgevoerd naar de toekomstige inpassing van de energieopgave in combinatie met de klimaatopgave en landschappelijke opgaven. Hierbij wordt gekeken naar zowel zonne- als windenergie, mogelijk al voor 2030. De uitkomsten van de verkenning worden meegenomen in de RES 2.0.
Borger-Odoorn
De gemeente brengt het bestaande windpark en de onherroepelijk vergunde zonneakkerparken in. Plus als extra een gepland zonnepark van maximaal tweemaal 5 hectare door dorpscoöperatie Valthe.
Coevorden
De gemeente heeft de locaties voor wind aangewezen in de Structuurvisie Coevorden. Voor zon-op-land zijn zoekgebieden aangewezen in de Beleidsregel Zonneparken. Daarnaast wil de gemeente nog met circa 0,09 TWh bijdragen aan de Zonneroute A37.
De Wolden
De gemeente wil samen met haar inwoners komen tot de productie van 0,04 TWh in 2030. Toe te passen technieken en locaties staan nog niet vast. In de Omgevingsvisie ‘Toekomstvisie 2040’ geeft de gemeente eind 2021 de eerste aanzet voor de uitwerking. In de proeftuin Aardgasvrije Wijken in de Schoolkring Ansen is een ambitie opgenomen voor een kleinschalig zonnepark en een windturbine.
Emmen
De gemeente heeft haar beleid en locaties vastgelegd in structuurvisies wind en zon. Daarnaast wil de gemeente met circa 0,057 TWh bijdragen aan de Zonneroute A37.
Hoogeveen
De gemeente wil met circa 0,04 TWh bijdragen aan de Zonneroute A37 en 0,001 TWh door opwekking duurzame energie met kleine windturbines.
Meppel
De gemeente zoekt ruimte voor windturbines met een productiecapaciteit van circa 0.1 TWh. Voor aanvullende zon-oplandprojecten zal Meppel voorlopig geen ruimte bieden.
MiddenDrenthe
De gemeente geeft ruimte aan 140 hectare aan zonneparken (0,115 TWh). De locaties worden bepaald aan de hand van een tender. Dat betekent dat alleen de beste voorstellen gerealiseerd mogen worden. Daarnaast wil de gemeente ruimte geven aan initiatieven van energiecoöperaties of dorpsinitiatieven voor kleinschalige zonneparken (100% lokaal eigendom) van maximaal 2,5 ha groot, en is er ruimte voor kleine windmolens voor individueel of collectief gebruik (tiphoogte 21 meter, ashoogte 15 meter). Daarmee wil de gemeente in 2030 0,028 TWh elektriciteit produceren.
Noordenveld
De gemeente heeft op twee plekken aan initiatiefnemers de ruimte gegeven om een participatietraject te starten voor de mogelijke ontwikkeling van zonneparken: Matsloot en omgeving Zuidvelde. Daarbij worden de spelregels uit het ‘Beleidskader Energieprojecten in het landschap’ gehanteerd. Deze projecten en pilots voor zon-op-dak moeten de komende tijd uitwijzen hoe de Noordenveldse bijdrage wordt ingevuld.
Tynaarlo
De gemeente zoekt tot 2030 ruimte voor 0,071 TWh zon of wind. De gemeente maakt haar afweging na het doorlopen van een zorgvuldig (participatie)proces, integraal met andere ruimtelijke vraagstukken en legt deze vast in haar Omgevingsvisie. Naar verwachting wordt deze Omgevingsvisie begin 2022 ter besluitvorming aan de gemeenteraad aangeboden.
Westerveld
De gemeente heeft nog geen keuze gemaakt welke technieken ze wil toepassen om te komen tot 0,028 TWh. De gemeente wil met de samenleving vanuit een integrale blik bouwen aan ‘nieuwe’ landschappen met kwaliteit voor de langere termijn. De gemeente is daarvoor een participatietraject gestart, waarin wordt onderzocht wat de Westerveldse samenleving het best passend vindt.
Verschillende gemeenten willen ruimte geven aan de ontwikkeling van kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter.
41
INHOUD
3.5.3 Ruimtelijke betekenis uitbreiding elektriciteitsnetwerk Om de ruimte die nodig is voor energie-infrastructuur te kunnen vrijhouden en aansluitingen op HS/MS-stations zorgvuldig te kunnen clusteren, stemmen netbeheerders en gemeenten hun plannen op elkaar af. Dit maakt meer voorspelbaar waar en wanneer een energieproject kan worden aangesloten. Deze duidelijkheid is ook gunstig voor het ontwerpproces dat dan op tijd en zorgvuldiger kan worden doorlopen.
3.5.4 Voorwaarden nieuwe locaties zon-op-landprojecten en windturbines De gemeenten zijn in de meeste gevallen verantwoordelijk voor de vergunningverlening van zon-op-landprojecten en windturbines. Daarvoor toetsen zij aan het gemeentelijke beleid. De plannen worden tijdens de vergunningsprocedure voorgelegd aan verschillende partijen. De provincie toetst de plannen aan haar beleid en de Provinciale Omgevingsverordening (POV). De gemeente kan alleen de vergunning verlenen als het plan ook aan deze provinciale regels voldoet. De provincie Drenthe is momenteel bezig om de regels in de POV voor zon-op-landprojecten aan te passen. Deze wijziging houdt onder andere in dat er een maximum wordt gesteld aan het totaal aantal hectares zon-op-land binnen de provincie.
Afspraken Voor het aanwijzen van nieuwe locaties voor zon-op-landprojecten en windturbines spreken we het volgende af: 1. We zoeken voor zonne-energie zoveel mogelijk ruimte binnen de bebouwde omgeving. Door grootschalige productie van zonne-energie binnen de bebouwde omgeving wordt de druk op het landschap verminderd. Voordat we nieuwe locaties voor zon-op-landprojecten aanwijzen op landbouwgronden, kijken we daarom zorgvuldig naar mogelijkheden binnen de bebouwde omgeving.
42
INHOUD
2. We streven bij zon-op-landprojecten naar combinaties met een meerwaarde voor andere functies en beleidsdoelstellingen en/of waarbij sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Omdat de druk op de Drentse ruimte groot is en zon-op-landprojecten veel ruimte innemen, willen we de ruimte zo goed mogelijk benutten. Bij het combineren van zon-op-landprojecten met andere functies of beleidsdoelstellingen kan worden gedacht aan: • de leefbaarheid van het landelijk gebied (recreatieve ontwikkelingen, zoals nieuwe wandel- en/of fietsverbindingen en sociale ontwikkelingen, zoals een pluktuin of gezamenlijke energieproductie voor eigen gebruik); • een combinatie met klimaatmaatregelen (water vasthouden of -bergen en het tegengaan van veenoxidatie); • doelstellingen biodiversiteit (combinatie met natuurontwikkeling of het verbeteren van de bodem- en waterkwaliteit); • combinaties met landbouw. In het buitenland zijn voorbeelden van zon-op-landprojecten die worden gecombineerd met beweiding, akkerbouw en fruitteelt.
Meervoudig ruimtegebruik
Zandwinplas Tynaarlo
Luchthaven Airport Eelde
Vloeivelden Avebe
Opslagruimtes Landgoed Scholtenszathe
We streven naar zoveel mogelijk meervoudig gebruik van de ruimte. Daarbij kan worden gedacht aan het plaatsen van zonnepanelen: • op bedrijventerreinen, zoals op de luchthaven Groningen Airport Eelde; • drijvend op (functionele) zandwinplassen, zoals drijvende zonneparken; • in bermen van wegen, zoals het project Zonneroute A37; • op voormalige vuilstorten, zoals het project bij Zeijen; • op specifieke bedrijfslocaties, zoals de vloeivelden van Avebe.
43
INHOUD
3. We hebben aandacht voor het Drentse landschap met de realisatie van zon-op-landprojecten, windturbines en nieuwe elektriciteitsstations. • De provincie en diverse gemeenten hebben beleid vastgesteld voor landschappelijke inpassing. In de provinciale ‘Handreiking Zonneakkers in Drenthe’ worden identiteit en gebiedspecifieke kenmerken opgenomen van de zes onderscheidende Drentse landschapstypes als inspiratiebron voor het ontwerp. De handreiking biedt een overzicht van ontwerpprincipes met concrete instructies en inspirerende voorbeelden die behulpzaam zijn om tot een goed ruimtelijk ontwerp voor zon-op-landprojecten te komen. • Voor de landschappelijk inpassing van kleine (tot 15 meter ashoogte) en grote windturbines is ook gemeentelijk en provinciaal beleid ontwikkeld en zijn verschillende tools voorhanden, zoals een 3D-model waarmee het effect van windturbines kan worden gevisualiseerd. • Naast landschappelijke inpassing, dienen ook de andere Drentse kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan waardevolle cultuurhistorische elementen, zoals de Drentse essen. • Om te borgen dat de landschappelijke inpassing ook daadwerkelijk volgens afspraak wordt uitgevoerd, laten we initiatiefnemers de landschappelijke inpassing zoveel mogelijk voorafgaand aan de plaatsing van zonnepanelen en windturbines realiseren. 4.
Bij grensoverschrijdende effecten, betrekken we onze buren. We betrekken de buuroverheden en haar inwoners bij ontwikkelingen die grensoverschrijdende effecten hebben. Zowel bij gemeentelijke, provinciale als landsgrenzen. 5. We hebben aandacht voor de effecten op natuurwaarden, biodiversiteit en bodemkwaliteit bij de ontwikkeling van zon-op-landprojecten en windturbines en grootschalige inzet van duurzame warmtebronnen. De ‘Handreiking Zonnewijzer Biodiversiteit’ van de provincie26 is hierbij behulpzaam. Ook uit wetenschappelijk onderzoek komen nieuwe inzichten voort.27 6. We streven naar een efficiënt gebruik van de energie-infrastructuur. • We willen voorkomen dat er lange leidingentracés moeten worden getrokken om zon-op-landprojecten en windturbines aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk en dat er een veelheid aan klantstations (elektriciteitshuisjes) in het landschap ontstaan. In de vergunningen voor nieuwe ontwikkelingen nemen we voorwaarden op om dit te bewerkstelligen. • Het combineren van zon-op-landprojecten met windturbines kan wenselijk zijn, omdat gezamenlijk gebruik van energie-infrastructuur mogelijk wordt. Hierdoor wisselen de piekbelastingen van zon-op-landprojecten en windturbines elkaar af. Daarnaast streven we naar het hergebruik van bestaande infrastructuur, zoals oude NAM-locaties en het bijbehorende gasnet.
Zo wordt de gaszuiveringsinstallatie in Emmen hergebruikt voor de productie van waterstof. • Vraag en aanbod van elektriciteit liggen bij voorkeur dicht bij elkaar. Als geproduceerde elektriciteit direct kan worden gekoppeld aan gebruik of aan een lokaal netwerk, is het niet nodig het elektriciteitsnetwerk te belasten. • We zorgen ervoor dat we ruimte vrijhouden voor de uitbreiding van de elektriciteitsstations. Zon-op-landprojecten kunnen dus niet zomaar aangrenzend aan deze stations worden gerealiseerd. • We blijven ons inzetten voor het benutten van hernieuwbare energie die net over de grens in Duitsland wordt geproduceerd (SEREH-project).
26
Download Provinciale Handreiking Zonnewijzer biodiversiteit
27
De provincie Drenthe doet in IPO-verband mee aan een landelijk onderzoeksproject van de WUR naar biodiversiteit en zonneparken. EcoCertified Solar Parks.
44
INHOUD
SEREH-project Met het SEREH-project zijn al serieuze stappen gezet om rondom Emmen en Haren (D) grensoverschrijdende uitwisseling van duurzame elektriciteit mogelijk te maken. Dit draagt bij aan zuinig ruimtegebruik en aan een efficiënte inzet van het elektriciteitsnet en de beschikbare hernieuwbare opwekcapaciteit. Uitwisseling tussen Duitsland en Nederland heeft als neveneffect dat de economische dynamiek in de regio wordt versterkt.
7. We zorgen ervoor dat installaties voor de opwek van elektriciteit door zonne- en windenergie worden verwijderd als deze niet meer in gebruik zijn. Projecten voor zonne- en windenergie worden tijdelijk vergund (bijvoorbeeld voor 25 jaar). We willen voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat als installaties niet meer worden gebruikt; wie is verantwoordelijkheid voor het verwijderen van de installaties inclusief funderingen, leidingwerk, hekwerken en andere bijbehorende zaken? Wie betaalt de kosten? Daarom maken we daarover vooraf afspraken met de initiatiefnemers. Ook maken we vooraf afspraken over hoe na afloop wordt omgegaan met de ontwikkelde landschappelijke inpassing. Als men na het verlopen van de vergunningsperiode door wil gaan met de energieproductie, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd, waarbij het dan geldende beleid leidend is.
8. We nemen vroegtijdig contact op met ASTRON28 als er ontwikkelingen zijn in de nabijheid van radiotelescopen, het centrale LOFAR-gebied29 tussen Exloo en Buinen en de diverse verspreid liggende LOFAR-antennevelden. Zon-op-landprojecten en windturbines kunnen namelijk een verstorende werking hebben op de radioastronomische waarnemingen van ASTRON. In overleg met ASTRON wordt bekeken of er sprake is van beïnvloeding en zo ja, met welke technische aanpassingen deze teniet kunnen worden gedaan.
3.5.5 Integraal ontwerp voor grootschalige energieprojecten Een zorgvuldig ontwerpproces en een actieve en verbindende rol van de Drentse overheden is nodig voor het: • realiseren van meervoudige ruimtegebruik; • combineren van opgaven; • realiseren van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; • efficiënt gebruiken van de energie-infrastructuur; • betrekken van inwoners bij de ruimtelijke planvorming. We streven ernaar dat ontwikkelaars van energieprojecten, omwonenden en betrokken overheden vroegtijdig met elkaar in overleg gaan over de best mogelijke ruimtelijke oplossing voor opgaven in het gebied. We verwijzen hiervoor naar de uitgangspunten voor procesparticipatie zoals is beschreven in paragraaf 3.2 Maatschappelijke betrokkenheid.
28
ASTRON is het Nederlandse Instituut voor Radio Astronomie. Haar missie is om ontdekkingen in de radioastronomie mogelijk te maken. Het hoofdkwartier staat in Dwingeloo.
29
LOFAR staat voor Low Frequency Array en is een radiotelescoop met duizenden antennes die radiogolven uit het heelal opvangen.
45
INHOUD
Ontwerpgids We gaan een praktische ontwerpgids voor integrale gebiedsopgave ontwikkelen als vrij toepasbaar hulpmiddel bij initiatieven voor zon-op-land. Hierin wordt een basisaanpak uitgewerkt met drie bijeenkomsten - zie afbeelding hieronder:
Bijeenkomst 1 Verkennen
Bijeenkomst 2 Voorkeursmodel
Bijeenkomst 3 Ontwerp valideren wet- en regelgeving
nkomst 3 Ontwerp valideren
1 2 3
Ontwerp
wet- en regelgeving
Gemeente toetst het plan
Ontwerp
Gemeente toetst het plan
Deelnemers verkennen in een open gesprek: - locatie en omvang van het project - omgevingswaarden en uitgangspunten - ieders betrokkenheid en belang
Deelnemers brengen elk de plannen in vanuit hun Ontwerper maakt een integraal ontwerp en eigen invalshoeks enDe komen tot een gezamenlijk uit de omgeving die verifieert bij de deelnemers en de omgeving. burger/belanghebbende voorkeursmodel: omgevingswaarden bewaakt, koppelkansen aandraagt - ruimtelijk en mogelijk ook participeert. - programmatisch - financieel
De initiatiefnemer van het project die een ambitie neerlegt voor een gebied.
De burger/belanghebbende uit de omgeving die er maakt een integraal ontwerp en omgevingswaarden bewaakt, koppelkansen aandraagt t bij de deelnemers en de omgeving. en mogelijk ook participeert. De initiatiefnemer van het project die een ambitie neerlegt voor een gebied.
De overheid die toeziet op naleving van wet en regelgeving De ontwerper die het integrale ontwerp maakt en de gesprekken leidt.
De overheid die toezietaanpak op nalevingvoor integrale gebiedsopgave grootschalige energieprojecten. Afbeelding: Practische van wet en regelgeving Bron: LAOS landschapsarchitectuur De ontwerper die het integrale ontwerp maakt en de gesprekken leidt.
3.5.6 Afspraken vastleggen In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor 2025 de benodigde vergunningen voor energieprojecten moeten zijn verleend. De feitelijke realisatie van de energieprojecten is sterk afhankelijk van de beschikbare netwerkcapaciteit.
Beleid in lijn brengen met afspraken RES De provincie Drenthe en de meeste Drentse gemeenten hebben ruimtelijk beleid voor grootschalige energie ontwikkeld. We spreken af dat dit beleid, indien nodig, in lijn wordt gebracht met de afspraken in deze RES. We starten hiermee zodra de RES Drenthe 1.0 is vastgesteld door Provinciale Staten, de gemeenteraden en de algemeen besturen van de waterschappen. De provincie actualiseert hiervoor haar Omgevingsvisie en zo nodig haar Provinciale Omgevingsverordening. De gemeenten leggen het beleid vast in de gemeentelijke Omgevingsvisies en na inwerkingtreding van de Omgevingswet30 vanaf 2022 ook in het omgevingsplan en eventueel in programma’s. Op dat moment staan keuzes en uitwerkingen die voortvloeien uit de lokale RES 1.0-opgave open voor zienswijzen en uiteindelijk beroep, met de gemeenteraad als bevoegd gezag. Bij het verwerken van de RES 1.0 in provinciaal of gemeentelijk beleid kan een milieueffectrapportage aan de orde zijn31.
46
30
Download bijlage Juridisch instrumentarium
31
Idem, zie bijlage Juridisch instrumentarium
INHOUD
3.5.7 Volgende stap Met deze RES 1.0 leggen we de ontwikkelingen tot 2030 vast. Maar daarmee zijn we er nog niet. Voor het uiteindelijk doel, energieneutraal en van het aardgas af in 2050, staan we nog voor een flinke opgave; hoeveel ruimte en welke ruimte willen nog meer geven aan de energietransitie van Drenthe? Het gaat hierom om ruimte voor nieuwe zon-oplandprojecten en windturbines, uitbreiding van het energienetwerk en opslag en conversie en ruimte in de ondergrond.
Integrale effectenanalyse Om tot weloverwogen keuzes te komen, willen we een integrale effectenanalyse uitvoeren. In deze analyse worden verschillende toekomstscenario’s uitgewerkt, die vervolgens worden beoordeeld op: • ruimtelijke impact; • kosten; • efficiëntie en stabiliteit van het energienetwerk; • economische betekenis; • samenhang met aangrenzende RES-regio’s. Deze analyse moet antwoord geven op de vraag wat de beste volgende stap is voor Drenthe: • hoe kijken we aan tegen een verspreide versus geclusterde plaatsing van energiebronnen? • welke vorm van energieopslag kan (waar) interessant zijn in Drenthe? • welke economische perspectieven zien we voor de Drentse industrie? • welke gebieden willen we ontzien? We voeren de analyse uit in samenhang met de ontwikkeling van het Nationaal Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In dit programma kijkt de Rijksoverheid naar oplossingsrichtingen voor het energiesysteem van nationaal belang, zoals nationale buisleidingen, hoogspanningstracés, grootschalige opslag en conversiestations en energiehubs. De Rijksoverheid geeft daarmee richting aan zowel netbeheerders, decentrale overheden als marktpartijen om proactief te plannen en te investeren.
Bron: Shutterstock
47
INHOUD
4. Regionale Structuur Warmte 4.1
Opgave en Strategie
Eén van de grootste uitdagingen van de energietransitie is het vervangen van aardgas als warmtebron door alternatieve duurzame energiebronnen. Meer dan de helft van het totale energiegebruik in de RES-regio Drenthe wordt namelijk ingezet voor het verkrijgen van warmte – 7,03 TWh. Dit wordt nu nog grotendeels met aardgas gedaan. Volgens de systeemstudie energie-infrastructuur Groningen en Drenthe32 is hiervan 3,9 TWh aan energie nodig voor de warmtevraag in de bebouwde omgeving.
Om deze opgave zo klein mogelijk te maken, zetten we eerst in op energiebesparing. Daarnaast gaan we per situatie op zoek naar duurzame warmtebronnen. We hanteren de volgende strategie: •
besparen van 15 procent33 op het gebruik van warmte in de gebouwde omgeving in 2030 – van 3,9 TWh nu naar 3,3 TWh in 2030;
•
motiveren en activeren van inwoners en bedrijven tot het nemen van ‘geen-spijt-maatregelen’. We stimuleren initiatieven, energiecoöperaties en bouwen een beweging van ambassadeurs;
•
aardgasvrij maken van de eerste wijken, met de drie Drentse proeftuinen voorop, en daarnaast inzetten op hybride tussenoplossingen;
•
ervaring opdoen met collectieve warmtesystemen en het delen van de kennis;
•
tot 2030 minimaal tien experimenten op het gebied van warmte realiseren, inclusief experimenten met opslag en conversie van energie. Zo stimuleren we innovatie bij lokale en regionale bedrijven;
•
opstellen van Transitievisie Warmte per gemeente. Waar sprake is van inzet van bovenregionale bronnen vindt onderlinge afstemming plaats. De Transitievisies Warmte vormen de opmaat naar een regionale bronnenstrategie en regionale energiemix. Deze vormen input voor de RES 2.0.
Onzekerheden De aard van de opgave is bij warmte anders dan bij elektriciteit. Waar deze bij elektriciteit concreet is – landelijk 35 TWh – kent de warmtetransitie veel onzekerheden over bijvoorbeeld de beschikbaarheid van bronnen, de ontwikkeling van nieuwe technieken en de betaalbaarheid. Omdat er nog veel technologische, economische en sociale vragen moeten worden opgelost, staan de komende jaren in het teken van ‘leren in de praktijk’. We sluiten wijken en buurten aan op andere warmtebronnen en leren over de voorwaarden om te kunnen opschalen. We voeren pilots uit met nieuwe technieken, bronnen en innovaties en richten ons vooral op de bestaande bouw. Nieuwe woningen moeten namelijk al worden verwarmd zonder aardgas.
Aanpassingen Een andere warmtevoorziening heeft direct impact op de woning. Alle alternatieven voor aardgas leiden in meer of mindere mate tot aanpassing aan onze woningen. Deze impact komt letterlijk bij mensen thuis. De transitie vereist schakelen en verbinden tussen overheid, bewoners en bedrijven, tussen individuele en collectieve mogelijkheden en tussen schaalniveaus van regio tot woning.
48
32
Download Systeemstudie energie-infrastructuur Groningen & Drenthe 2020-2050
33
15 procent besparing op het gebruik van warmte wordt door gerenommeerde onderzoeksinstituten als haalbare ambitie gezien
INHOUD
Transitievisie Warmte In 2021 moeten alle gemeenten een Transitievisie Warmte hebben vastgesteld. In deze visie geeft de gemeente per wijk aan hoe deze van het aardgas afgaat en welke planning hierbij hoort. In de RES-regio Drenthe richten we ons op warmtebronnen waarover we op regionale schaal afspraken moeten maken. Dit zijn de grotere regionale bronnen die gemeentegrens overstijgend zijn (zoals geothermie en industriële restwarmte) en bronnen met een verdelingsvraagstuk (zoals biogrondstoffen, groengas en aquathermie).
Gebouwde omgeving De RES is gericht op de gebouwde omgeving. Hieronder vallen naast de bestaande woningen ook de utiliteitsgebouwen zoals bijvoorbeeld kantoren, winkels, horeca en ziekenhuizen. Andere sectoren, zoals de industrie en de landbouw, hebben een eigen opgave. De afspraken hierover worden niet in deze RES gemaakt, maar in andere trajecten en samenwerkingsverbanden. In de RES 2.0 worden de uitkomsten hiervan verwerkt.
(Aard)gasloos ziekenhuis Meppel: verwarming en koeling met wko. Impressie: Vakwerk Architecten
4.2 Kenmerken Drenthe De RES-regio Drenthe is een relatief groot gebied met een geringe bebouwingsdichtheid. Er zijn ongeveer 213.000 woningen in een gebied van 2.680 vierkante kilometer. Met een kleine 80 woningen per vierkante kilometer behoort de RES-regio Drenthe dan ook tot de meest dunbevolkte regio’s van Nederland. De aanwezige ruimte is vooral in gebruik door de agrarische sector (meer dan 70 procent) en als natuurgebied (meer dan 12 procent). In de steden zoals Emmen, Assen, Coevorden, Meppel en Hoogeveen is de bevolkingsdichtheid aanzienlijk groter. Echter, ook hier is de woningdichtheid in vergelijking met andere steden gering; er is nauwelijks hoogbouw aanwezig. De aanleg van een warmtenet is daarom op dit moment op de meeste plaatsen economisch niet haalbaar. Dit maakt dat er naar andere oplossingen moet worden gekeken.
Vrijstaande en grote woningen Een ander regionaal karakteristiek is dat een groot deel van de woningen in Drenthe vrijstaand is en relatief groot. Het gemiddelde oppervlak per woning is samen met Limburg en Friesland het hoogste in Drenthe, zo blijkt uit CBS-cijfers. Het gemiddelde aardgasverbruik per woning ligt in Drenthe dan ook hoger dan in andere delen van Nederland.
49
INHOUD
Weinig industrie Daarnaast is er relatief weinig industrie aanwezig, waardoor het aanbod restwarmte voor bijvoorbeeld een warmtenet beperkt is. De RES-regio Drenthe kent één groot industrieel cluster, het zogenaamde Emmtec-terrein in Emmen, waarbij meerdere grote bedrijven restwarmte produceren. Verder bevinden zich verspreid over de RES-regio Drenthe grote zuivelfabrieken, procesindustrie en in het midden van de regio een verwerker van huishoudelijk afval. Deze afvalverwerker wordt als bovenregionale restwarmtebron beschouwd, omdat er zowel Groengas als restwarmte wordt geproduceerd. Deze restwarmte kan eventueel in meerdere gemeenten worden gebruikt als alternatief voor het verwarmen met aardgas.
4.3 Warmtevraag De huidige warmtevraag in Drenthe is 7,03 TWh. Dit komt neer op circa 740 miljoen kubieke meter aardgas. Iets meer dan de helft hiervan wordt gebruikt voor het verwarmen van de bebouwde omgeving. Voor een goede koppeling tussen warmtevraag en aanbod moet een analyse plaatsvinden van de benodigde temperatuur voor gebouwen en de temperatuur die door een warmtebron kan worden geleverd. Over het algemeen kan worden gesteld dat hoe beter een woning geïsoleerd is, hoe lager de temperatuur van de warmtebron kan zijn. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het onder- en bovengrondse ruimtebeslag en de ruimte in de huizen die nodig is en beschikbaar moet zijn om de warmte te kunnen leveren.
Warmtevraag verminderen Om de opgave behapbaar te maken, is het van essentieel belang dat de warmtevraag aanzienlijk wordt verminderd. Warmte die niet wordt verbruikt, hoeven we immers ook niet te produceren. Het besparen van energie en isoleren van gebouwen is dan ook essentieel. Dit maakt onderdeel uit van de in ontwikkeling zijnde Transitievisies Warmte en de hieruit voortvloeiende wijkuitvoeringsplannen die door de gemeenten worden opgesteld.
Maatregelen op grotere schaal De hoge besparingsambitie vraagt om de inzet van meer maatregelen en op grotere schaal. Het gaat dan om maximale isolatie van muren en kozijnen, hoogwaardig isolatieglas en/of verwarming met een lage temperatuursysteem. De beste manier om warmte te besparen, hangt af van lokale kenmerken. Gebouwen en woningen verschillen sterk van elkaar. Gemeenten bepalen zelf de specifieke maatregelen en instrumenten die passen bij de lokale opgave. Waar mogelijk maken we als overheden gezamenlijk gebruik van instrumenten op het vlak van informatievoorziening, afspraken met woningcorporaties en het aanbieden of ontsluiten van financiële ondersteuning. Binnen de RES-regio Drenthe zoeken we elkaar op om kennis en ervaringen te delen.
4.4 Warmteaanbod De duurzame bronnen die een rol van betekenis kunnen spelen in de RES-regio Drenthe, zijn in kaart gebracht. In onderstaande tabel zijn deze op basis van de huidige inzichten op volgorde van potentiële impact voor bebouwde omgeving voor de komende jaren met horizon tot 2030 gerangschikt. Bij veel warmtebronnen is een warmtepomp nodig om de energie uit de warmtebron efficiënt te benutten. Het gebruik van elektriciteit neemt daarmee aanzienlijk toe. Duurzaam opgewekte stroom staat daarom bovenaan in de lijst.
50
INHOUD
Warmtebron
Opmerking
Elektriciteit (groen)
In combinatie met warmtepomp voor benutten omgevings- of bodemwarmte
Omgevingswarmte
Overal aanwezig, met warmtepomptechnieken goed te benutten
Biogrondstoffen
Kan circa 20 procent van de huidige totale warmtevraag invullen (vooral Groengas)
Zonnethermie
Kleinschalig op daken van huishoudens (techniek is marktrijp), grootschalige opwekkingsprojecten mogelijk
Bodemenergie (WKO)
Op veel plaatsen bruikbaar, collectieve en individuele systemen mogelijk
Geothermie
Op diverse plekken in Drenthe een potentiële bron
Aquathermie (TEO/TEA/TED)
Potentie met energie uit grotere, bij voorkeur stromende oppervlaktewateren en uit afvalwater en drinkwater
Groene waterstof
Potentie, onduidelijkheid over de beschikbare hoeveelheden
Restwarmte
Weinig industriële restwarmte beschikbaar, koppeling aanbod en vraag vergt uitwerking op lokale schaal
Uitgangspunt is dat we zo efficiënt mogelijk gebruikmaken van de aanwezige warmtebronnen en toewerken naar de juiste toepassing op de juiste plek. We willen de verschuiving naar het verbruik van groene stroom voor het verkrijgen van warmte beperken, omdat er dan nieuwe uitdagingen ontstaan. Er moet immers ook ruimte worden gevonden om deze stroom op te wekken. We hebben kaarten waarin de potentie van de verschillende warmtebonnen is weergegeven34. Het gaat hierbij om de potentie van: A.
geothermie
B.
warmte-koudeopslag (WKO)
C.
thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)
D.
industriële restwarmte
Hybride warmtepomp In veel gevallen kan een cv-ketel worden gecombineerd met een warmtepomp. De warmtepomp levert het grootste deel van het jaar de benodigde energie. Omdat de cv-ketel alleen tijdens piekmomenten de energie hoeft te leveren, kan per huishouden tot wel de helft aan aardgas worden bespaard. Door de cv-ketel te voeden met groengas of waterstofgas is aardgas als brandstof volledig te vervangen. De Consumentenbond geeft informatie over de warmtepomp35 en spreekt van een besparing van 50 tot 75 procent.
34
Bekijk de kaarten in de bijlagen van hoofdstuk 4 Regionale Structuur Warmte
35
Wat is een warmtepomp - Consumentenbond
51
INHOUD
4.5 Resultaten uitgevoerde onderzoeken 4.5.1 Thermische energie uit oppervlaktewater In opdracht van de Drentse Energietafel is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de potentie om thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)36 te gebruiken als warmtebron voor de bebouwde omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat er in Drenthe relatief weinig locaties zijn met ideale omstandigheden voor TEO. Voor de wijken en dorpen langs de Hoogeveense Vaart is er wel potentie. Ook op andere plaatsen met minder snel stromende wateren zijn er mogelijkheden voor TEO als er lokaal een gunstig watersysteem aanwezig is. In 2020 is voor de drie noordelijke provincies een onderzoek uitgevoerd naar beschikbare warmte uit (industrieel) afvalwater en warmtelozingen (TEA)37.
4.5.2 Biogrondstoffen Ook is er onderzoek gedaan naar de potentie om biogrondstoffen als transitiemiddel in te zetten voor energiedoeleinden. Gebleken is dat veel van de vrijkomende biogrondstoffen al worden ingezet voor hoogwaardigere toepassingen of energietoepassingen. Het heeft de voorkeur om biogrondstoffen in eerste instantie zoveel mogelijk te verwaarden en hoogwaardig in te zetten als grondstof voor de chemie en materialen. Uit de resultaten is gebleken dat er potentie is om van mest groengas te produceren. We gaan dit nader onderzoeken waarbij we ook de netto CO2-reductie en circulariteit meenemen. Als de energie die nu al wordt geproduceerd door de inzet van biogrondstoffen wordt opgeteld bij de stromen die hier in potentie geschikt voor zijn, kan in totaal circa 20 procent van de huidige totale warmtevraag van Drenthe worden ingevuld. Uiteraard valt dit percentage hoger uit indien de warmtevraag door besparing wordt teruggebracht38.
4.5.3 Combinatie van bronnen en technieken We hebben de potentiële energiebronnen individueel in kaart gebracht. In de praktijk zal gebruik worden gemaakt van een combinatie van bronnen en technieken, zoals bijvoorbeeld zonnethermie en groene stroom, om een wijk van energie te voorzien. Een aantal bronnen is gemeentegrens-overschrijdend en soms provinciegrens-overschrijdend. Deze worden als regionaal aangemerkt. Dit kan het geval zijn bij geothermie of industriële restwarmte. Ook zijn er bronnen waar een verdelingsvraagstuk speelt, zoals biogrondstoffen, groengas of aquathermie. Voor deze bronnen kunnen regionale afspraken worden gemaakt. Lokale bronnen, waaronder omgevingswarmte en WKO, vallen onder de lokale bronnenstrategie. Die zijn vooral van belang voor de lokale Transitievisies Warmte. Richting RES 2.0 ontwikkelen we op basis van de Transitievisies Warmte die dan gereed zijn, een regionale bronnenstrategie; de routekaart warmtebronnen.
Sprintsessies Transitievisie Warmte Ter voorbereiding op het opstellen van de Transitievisies Warmte zijn er in alle Drentse gemeenten sprintsessies gehouden. Tijdens deze sessies is er met vertegenwoordigers van onder andere het bedrijfsleven, woningcorporaties, energiecoöperaties, netbeheerders, de provincie en de waterschappen gewerkt aan het wat, waar, waarom en wanneer van de transitie naar aardgasloze wijken. Er is stapsgewijs gekeken naar de woningtypologie, aanwezige warmtebronnen en koppelkansen. Hieruit ontstaat een eerste beeld van de opgave van de warmtetransitie en welke warmte-alternatieven er op dit moment per wijk zijn.
36 37
Download Aanvullende informatie Aquathermie
Voor de rapporten Rapport TEA-N.N.- Industriële restwarmte Noord-Nederland en TEO Drenthe - Verkennende casestudies langs Drentse wateren
38
52
Rapport Inventarisatie biogrondstoffen Drenthe
INHOUD
4.6 Warmte-infrastructuur Om het warmteaanbod en de warmtevraag te koppelen, is infrastructuur nodig. Deze paragraaf gaat in op de regionale stand van zaken en ontwikkelingen rondom het warmtenet, gasnet en elektriciteitsnet.
4.6.1 Warmtenetten Warmtenetten transporteren warmte naar gebouwen. De aanleg hiervan is een grote investering die moet worden terugverdiend op basis van de levering van energie. Dit vereist schaalgrootte. Daartoe zijn voor de RES-regio Drenthe clusters van minimaal 100 panden met een onderlinge afstand van maximaal 200 meter in beeld gebracht – zie kaart Warmtevraag-clusters39.
Ervaring met warmtenetten In Drenthe is er al enige ervaring met warmtenetten. Zo levert in Meppel een biomassaketel in combinatie met warmtepompen via een warmtenet de benodigde warmte aan de woonwijk Nieuwveense Landen. Ook zijn er in de regio twee kleinschalige warmtenetten die door drinkwaterwinningen van energie worden voorzien. In Emmen worden de mogelijkheden voor een warmtenet gevoed met restwarmte afkomstig van het Emmtec-terrein verkend. In Assen worden er kansen gezien voor een warmtenet op geothermie en wordt in de proeftuin aardgasvrije wijken de haalbaarheid van een warmtenet op aquathermie onderzocht.
Thermische energie uit drinkwater Het Bentinckspark in Hoogeveen ligt midden in een drinkwaterwingebied. Er is een warmtewisselaar in de reinwaterkelder van het pompstation aangebracht. Vervolgens is een warmtenet aangelegd. Met de energie van het opgepompte water wordt al enige jaren een school, verzorgingstehuis en
Pompstation Hoogeveen
sporthallencomplex van energie voorzien. Ditzelfde principe van energievoorziening is ook toegepast in de dierentuin Wildlands te Emmen.
Foto’s: WMD Drinkwater B.V.
39
Kaart Warmtevraagclusters Drenthe
53
INHOUD
4.6.2 Gasnetwerk Om het aardgas vanuit de grootschalige Groningse winningen en de kleinere gasvelden in Drenthe te transporteren naar de rest van Nederland zijn grote transportleidingen van noord naar zuid aangelegd. Deze leidingen takken binnen de regio af richting de industrie en de bebouwde gebieden. Dit fijnmazige netwerk van leidingen is van goede kwaliteit en kan ook in de toekomst een rol spelen bij de zoektocht naar alternatieven voor aardgas. Zo kan het netwerk worden gebruikt voor het transport van duurzame gassen, zoals duurzaam opgewekte waterstof of groengas. Het netwerk kan de productielocaties van groene gassen en de uiteindelijke afnemers met elkaar verbinden.
Groengas Een aantal gemeenten binnen de RES-regio Drenthe overweegt groengas als alternatief voor aardgas. In enkele landelijke gemeenten zijn relatief veel biogrondstoffen beschikbaar voor vergisting of vergassing. Deze gemeenten stimuleren het opwekken van groengas en willen hierop zelf regie voeren (naast de lasten ook de lusten door het direct lokaal gebruiken van groengas). Of groengas in de toekomst op grotere schaal beschikbaar komt of wellicht specifiek wordt toegewezen aan een bepaalde doelgroep, zoals bijvoorbeeld de industrie, is nog onduidelijk. De Rijksoverheid verwacht de toewijzing aan de industrie niet voor 2030, maar heeft in de Leidraad Startanalyse Groengas het wel als mogelijk alternatief voor de gebouwde omgeving opgenomen.