C a Bijlage Kaderbrief 2022 - getekend
Tekst van het document
Kaderbrief 2022 RUD Drenthe
Inhoudsopgave
1
DE BELEIDSMATIGE EN ORGANISATORISCHE ONTWIKKELINGEN ............................................................. 6 1.1 1.2 1.3 1.4
2
DE FINANCIËLE BELEIDSMATIGE UITGANGSPUNTEN 2022 ..................................................................... 16 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
3
INLEIDING .............................................................................................................................................. 6 DE HERIJKING VAN ONZE MISSIE EN BIJBEHORENDE DOELSTELLINGEN ................................................ 6 DE BELEIDSMATIGE ONTWIKKELINGEN ................................................................................................. 7 DE ORGANISATORISCHE ONTWIKKELINGEN ........................................................................................ 14 DE INDEXERING .................................................................................................................................... 17 DE PRODUCTIVITEITSNORM ................................................................................................................ 17 DE INVESTERINGEN .............................................................................................................................. 18 HET WEERSTANDSVERMOGEN ............................................................................................................ 18 DE VENNOOTSCHAPSBELASTING (VPB) ............................................................................................... 18 ONZE BATEN ........................................................................................................................................
18 ONZE LASTEN ....................................................................................................................................... 20
DE ONZEKERHEDEN ................................................................................................................................ 21
SAMENVATTING Met deze kaderbrief start de jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus voor het jaar 2022. Deze brief dient als input voor het opstellen van de begroting 2022, welke de basis vormt voor de uitvoering van onze taken binnen het jaarprogramma 2022. De kaderbrief 2022 bestaat uit een drietal hoofdelementen te weten : de beleidsmatige en organisatorische ontwikkelingen; de financiële beleidsmatige uitgangspunten; de aandachtspunten die van invloed kunnen zijn op de begroting.
Onze beleidsmatige en organisatorische ontwikkelingen Onze belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen die in de kaderbrief nader worden toegelicht zijn: De (uitgestelde) komst van de Omgevingswet in 2022 en de verschuivingen van bevoegd gezag voor bepaalde milieulocaties; De overdracht van bevoegd gezag bodemtaken van provincie naar gemeenten in kader van de Omgevingswet; Het in voorbereiding zijnde uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid voor Drenthe; De uitkomsten van de Evaluatie GR RUD Drenthe; Het nieuwe landelijk programma Versterking omgevings-veiligheid 2021-2024; De klimaatdoelen in relatie tot energiebesparing bij bedrijven; Het actueel houden van het locatiebestand; Het risicogerichte toezicht en risicogericht werken; De uitvoering aan het beleid m.b.t. de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS); Extra BOA-capaciteit Overige wetswijzigingen en jurisprudentie; Het vervolg beleid op asbestdaken. De volgende organisatorische ontwikkelingen zijn voor ons in 2022 van belang: De ontwikkeling van het ziekteverzuim. Voor 2022 houden we de norm op 6%.
Feitelijke implementatie van de invoering van de Omgevingswet; Het realiseren en borgen van een effectieve en efficiënte digitale uitwisseling van informatie met onze opdrachtgevers en ketenpartners in relatie tot de invoering van de Omgevingswet (Digitaal Stelsel Omgevingswet); De groeiende behoefte aan data-analyses waarvoor in de formatie/bezetting ruimte moet worden gecreëerd voor de inzet van dataspecialisten; Het sluitend krijgen van de beleidscyclus VTH (big-8); Het blijven door ontwikkelen en borgen van de ontwikkellijnen voortkomend uit het ontwikkelprogramma 2019-2020; Het herijken van de huisvesting en ICT in verband met aflopen van de met twee jaar tot en met 2022 verlengde package deals met gemeente Emmen en de provincie voor wat betreft de huisvesting en ICT; Het opstarten van het aanbestedingstraject voor een nieuw zaaksysteem i.v.m. het aflopende contract van het huidige systeem in 2023; Een nieuwe cao in 2021, waarbij verlofharmonisatie en vitaliteitsbeleid belangrijke items zijn.
4
Onze financiële beleidsmatige uitgangspunten De volgende financiële en beleidsmatige uitgangspunten zijn kaderstellend voor onze begroting voor het jaar 2022: de uitgangspunten van de begroting 2021; het gewogen indexcijfer door toepassing van de index loonvoet sector overheden de prijsindex netto materiële overheidsconsumptie; de productiviteitsnorm blijft net als voor 2021 1.330 uur per FTE, waarbij rekening gehouden is met een ziekteverzuimpercentage van 6%. de in 2020 vastgestelde nieuwe verrekensystematiek voor de deelnemersbijdragen het inzichtelijk maken van de onafgedekte risico’s in het kader van het lage weerstandsvermogen
De onzekerheden Bij het formuleren van een toekomstig kader is het belangrijk om oog te hebben voor de belangrijkste onzekerheden en risico’s die van invloed kunnen zijn op dit kader en daardoor door kunnen werken bij het opstellen van de begroting en de realisatie voor het jaar 2022. De volgende onzekerheden zijn van belang: De verlangde wijze van uitvoering van het totale proces binnen de Omgevingswet is mogelijk intensiever en daardoor duurder dan de huidige werkprocessen; De werkwijze Omgevingswet geeft problemen in de uitvoering. De evaluatie van de Drentse Maat geeft andere inzichten; De actualisatie van het locatiebestand kan effect hebben op de deelnemersbijdragen; Het project digitale aanlevering kan mogelijk niet het beoogde efficiencyresultaat opleveren; Het project verbetering Bodeminformatie- en beheersysteem is nog niet afgerond in 2021; Deelnemersbijdrage wordt niet verhoogd na wegvallen rijks-/provinciale bijdragen voor specifieke al bestaande taken; Deelnemersbijdrage wordt niet verhoogd bij nieuwe of uitbreiding bestaande taken; Opleidingskosten zijn hoger dan begroot; Personele regelingen als gevolg van CAO-wijzigingen (zoals bijv. verlofharmonisatie en vitaliteitsbeleid) kunnen leiden tot hogere personeelslasten; De COVID-19 effecten op organisatie en productie; Er zijn nog geen afspraken m.b.t.
de privacy in het kader van de AVG met de gemeente Emmen (als ICT-leverancier) gemaakt; Er is een trend waarneembaar dat de scope van bodemissues zich verbreedt.
5
1 DE BELEIDSMATIGE EN ORGANISATORISCHE ONTWIKKELINGEN 1.1 INLEIDING Met onze kaderbrief worden de belangrijkste organisatorische en financiële ontwikkelingen met bijbehorende onzekerheden geschetst die van belang zijn voor het opstellen van de bijbehorende begroting op basis waarvan wij onze taken voor onze opdrachtgevers kunnen uitvoeren. Onderstaande afbeelding geeft de samenhang tussen de verschillende documenten weer.
(in de tijdbalk links is t het jaar van verschijnen)
1.2 DE HERIJKING VAN ONZE MISSIE EN BIJBEHORENDE DOELSTELLINGEN Onze organisatie is een samenwerkingsverband tussen alle Drentse gemeenten en de provincie Drenthe op het gebied van milieu. De 12 Drentse gemeenten en de provincie Drenthe zijn samen eigenaar van de RUD Drenthe. Voor alle 13 deelnemende partijen voert de RUD Drenthe het milieu brede takenpakket en bodemtaken uit. De RUD Drenthe voert als backoffice opdrachten uit voor de deelnemende partijen. De gemeenten en de provincie blijven bevoegd gezag en eerste aanspreekpunt voor de samenleving. De gemeenten en de provincie blijven daarbij verantwoordelijk voor het milieubeleid en prioriteitstelling op lokaal niveau. Bij de oprichting van de RUD Drenthe is de visie, missie en doelstelling van de dienst bepaald en is verwoord in ons bedrijfsplan van 2013. Het vormt een belangrijk kader voor de financiën en organisatie van de dienst. Op basis van de in 2017 uitgevoerde doorlichting van de organisatie en financiën van de RUD Drenthe is onder meer de aanbeveling aan het bestuur gedaan om te komen tot een herijking van de visie en missie. Die noodzaak is opnieuw duidelijk gebleken uit het Collectief DrijfverenDNA-onderzoek van bureau Zuiderlicht in 2018. Naar aanleiding daarvan is in het kader van het Ontwikkelprogramma gewerkt aan een herijking van de missie en visie.
Daarmee is de basis gelegd voor een gedeeld perspectief voor onze organisatie, welke als rode draad zal moeten doorklinken in al onze werkzaamheden, beleidsdocumenten en te maken keuzes. Deze in concept herijkte missie en visie is begin 2020 ter oriëntatie voorgelegd aan het bestuur. Daarbij is afgesproken dat de uitkomsten van de evaluatie van de GR (in uitvoering tot
6
eind 2020) zullen worden betrokken bij het nader verkennen en vaststellen van de herijkte missie en visie. Het ligt in de verwachting dat we binnen het begrotingsjaar 2022 zullen werken vanuit de herijkte visie en missie.
1.3 DE BELEIDSMATIGE ONTWIKKELINGEN Er is een aantal beleidsmatige ontwikkelingen die van invloed zijn op onze taakuitvoering. Dat zijn: De (uitgestelde) komst van de Omgevingswet in 2022 en de verschuivingen van bevoegd gezag voor bepaalde milieulocaties; De overdracht van bevoegd gezag bodemtaken van provincie naar gemeenten in kader van de Omgevingswet; Het in voorbereiding zijnde uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid voor Drenthe; De uitkomsten van de Evaluatie GR RUD Drenthe; Het nieuwe landelijk programma Versterking omgevings-veiligheid 2021-2024; De klimaatdoelen in relatie tot energiebesparing bij bedrijven; Het actueel houden van het locatiebestand; Het risicogerichte toezicht en risicogericht werken; De uitvoering aan het beleid m.b.t. de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS); Extra BOA-capaciteit Overige wetswijzigingen en jurisprudentie; Het vervolg beleid op asbestdaken. De (uitgestelde) komst van de Omgevingswet in 2022 en de verschuivingen van bevoegd gezag voor bepaalde milieulocaties De Omgevingswet betekent een algehele stelselherziening voor de wet- en regelgeving die gaat over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De herziening heeft grote impact op de bevoegde gezagen en organisaties die bij de wet betrokken zijn. Zo moeten bijvoorbeeld de samenwerking en de processen met onze opdrachtgevers opnieuw worden ontworpen.
De ketenpartners (12 gemeenten, provincie, 4 waterschappen, RWS en 3 GR-en) werken sinds mei 2019 samen aan de voorbereidingen op de Omgevingswet in het OmgevingsPlatform Drenthe (OPD). Wetgeving, digitale omgeving, samenwerking van ketenpartners, bevoegdheden en processen veranderen sterk. Het implementeren van deze nieuwe wet blijkt dan ook landelijk veel tijdrovender te zijn dan van tevoren is ingeschat. Inmiddels is de invoering van de Omgevingswet (opnieuw) uitgesteld tot 1 januari 2022. Het OPD richt zich daarom op die nieuwe ingangsdatum. Dat betekent dat het effect van de Omgevingswet op de procesafspraken, taakverdeling en daarmee de impact op onze organisatie nog niet inzichtelijk is. Met de invoeringsdatum en dus de start van het programmajaar 2022 - is de implementatie nog niet afgerond. Iedereen zal moeten wennen aan de nieuwe kaders en werkwijzen en mogelijk nieuwe rollen. Training en opleiding zullen nodig zijn en praktische werkafspraken moeten in de dagelijkse werkzaamheden worden toegepast. Zoals bij alle veranderingen vraagt dit tijd en zal gaandeweg duidelijk worden of de praktijk om aanpassing vraagt. Dat gaat ten koste van de productiviteit. Omdat 2022 een jaar van inregelen wordt en veel aspecten nog onduidelijk zijn is het op dit moment onmogelijk een betrouwbare inschatting te geven voor 2022.
Minder uniformiteit bij de beleidsmatige uitvoering van de Omgevingswet zal leiden tot hogere uitvoeringskosten. Er is een eerste analyse gedaan op de impact van de invoering van de wet op de financiële bijdrage van de deelnemers laat zien dat door de verschuivingen van het bevoegd gezag bij milieulocaties. Een kanttekening bij deze eerste inschatting is dat gebruik is gemaakt van het voorheen gebruikte
7
model van de Drentse Maat. Bij de evaluatie van de GR RUD Drenthe wordt onderzocht of de Drentse Maat geactualiseerd dient te worden. In ieder geval is duidelijk dat gebruikte aannames en kentallen niet meer actueel zijn. De hoofdconclusies van de eerste inschatting zijn : 1. Op basis van de uitgangspunten en aannames van de Drentse Maat vindt er globaal de verschuiving plaats in uren van provincie naar de gemeenten Aa en Hunze, Coevorden, Hoogeveen, Meppel en Midden/Drenthe. Uitgaande van 310 uur per inrichting tegen een uurtarief van € 97,10 (begroting 2021) levert dit de volgende tabel op: Deelnemer Provincie Aa en Hunze Coevorden Hoogeveen Meppel Midden-Drenthe
Aantal -8 1 1 2 3 1
uren -/- 2.480 310 310 620 930 310
€ -/- 240.808 30.101 30.101 60.202 90.303 30.101
2. Op basis van een zeer ruwe inschatting blijkt dat Drenthe-breed ca. 10 inrichtingen van gemeenten naar provincie gaan. Op basis van de Drentse Maat gaat het om ca. 50 tot 310 uur per inrichting. Dit leidt tot een hogere deelnemersbijdrage bij de provincie en een lagere bij de gemeenten. In de loop van 2021 wordt het beeld naar verwachting helderder. De overdracht bevoegd gezag bodemtaken van provincie naar gemeenten Met de komst van de Omgevingswet worden de gemeenten verantwoordelijk voor het beleid en activiteiten in de vaste bodem. Dit betekent dat er verschuiving van bevoegd gezag bodemtaken van de Provincie naar de Drentse gemeenten plaats gaat vinden. Waarschijnlijk worden deze, net als toezicht- en handhaving bodemsanering, onderdeel van het basistakenpakket voor de Omgevingsdiensten. De RUD voert deze taken nu al voor de provincie Drenthe uit en zal deze ook voor de Drentse gemeenten blijven uitvoeren, omdat bij de oprichting is afgesproken dat alle milieuen bodemtaken belegd worden bij de RUD. De verwachting is dat met de huidige formatie de bodemgerelateerde werkzaamheden voor de provincie en de gemeenten uitgevoerd kunnen blijven worden. Het is echter nog niet duidelijk wat de verschuiving van taken financieel gaat betekenen voor provincie en gemeenten.
Er is een eerste inschatting gemaakt : op basis van bestede uren van de afgelopen twee jaar (2019 en 2020 t/m 1-10-20) komen wij voor de taken die verband houden met de uitvoering van het adviseren, toetsen, toezicht en handhaven van activiteiten in de bodem die verband houden met graven in en het saneren van verontreinigde bodems tot een inschatting van ca. 6000 uren die verschuiven van provincie naar gemeenten. Op landelijk niveau lopen nog besprekingen tussen RIJ, IPO en VNG over de financiering van de bodemtaken onder de Omgevingswet. De uitkomsten worden niet eerder dan in 2021 verwacht. Indien de Omgevingswet per 1 januari 2022 in werking treedt willen we op basis van de bodemwerkzaamheden in 2020 en 2021 een specifiekere inschatting maken van werkzaamheden en uren. Uitgaande van een 1 op 1 overdracht en gerekend met het uurtarief van de begroting 2021 (€ 97,10) levert dit de volgende tabel op:
8
Deelnemer Aa en Hunze Assen Borger-Odoorn Coevorden De Wolden Emmen Hoogeveen Meppel Midden-Drenthe Noordenveld Tynaarlo Westerveld Provincie
uren
€
300 1.400 300 700 350 0 950 400 400 450 500 200 -/-5.950
29.130 135.940 29.130 67.970 33.984 0 92.245 38.840 38.840 43.695 48.550 19.420 -/- 577.745
Het in voorbereiding zijnde uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid voor Drenthe Overeenkomstig de bepalingen over proceskwaliteit in het Besluit omgevingsrecht (BOR), welke beleidsneutraal in de Omgevingswet worden overgenomen, zal in 2021 door onze deelnemers in nauwe samenwerking het uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid worden vormgegeven. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van dit beleidskader ligt bij de deelnemers. Planning, het beschikbaar stellen van budget en de organisatie vanuit deelnemers zijn bepalend voor de realisatie van dit beleidskader. Met dit beleidskader ontstaat een inhoudelijke kwalitatieve richting binnen de focus van een schoon en veilig Drenthe. In de bijbehorende op te stellen strategieën zullen beleidskaders worden beschreven voor de vergunningverlening, het afhandelen van meldingen en het uitvoeren van toezicht en handhaving. Het risicogerichte toezicht en de landelijke handhavingsstrategie zijn hier al bestaande onderdelen van. Het streven is dat in 2022 overeenkomstige het uniforme uitvoering en handhavingsbeleid kan worden gewerkt. Het beleid zal worden vertaald naar doelstellingen die via de uitvoering (deels) door de RUD moeten worden gerealiseerd.
Er zal dan voor het eerst op de volgens het beleid vastgestelde wijze worden gemonitord op het behalen van de benoemde doelstellingen, de uitvoeringskwaliteit en de kwaliteit van dienstverlening. Dit leidt tot meer inhoudelijke en minder cijfermatige rapportages waarmee onze toegevoegde waarde voor een schoon en veilig Drenthe inzichtelijker wordt. Of dit leidt tot wijziging in de deelnemersbijdrage is afhankelijk van de gesprekken hierover met de deelnemers. De uitkomsten van de Evaluatie GR RUD Drenthe. In de eind 2020 uitgevoerde evaluatie GR RUD Drenthe wordt onder meer onderzocht of de Drentse Maat aan actualisatie toe is. Een actualisatie van de Drentse Maat kan gevolgen hebben voor het ambitieniveau van de uitvoering van de taken. Hier ligt ook een relatie met het binnen Drenthe vorm te geven uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid. Actualisatie kan ook doorwerken in de bepaling van de deelnemersbijdragen. Zo kan het werken met meer realistische kentallen en het betrekken van het geactualiseerde locatiebestand binnen het bestaande rekenmodel doorwerken in de deelnemersbijdrage. Het is echter de vraag in hoeverre de eventuele aanpassingen van de Drentse Maat op basis van de resultaten van dit onderzoek begin 2021 al zijn uitgewerkt en in die zin al kunnen worden betrokken bij het opstellen van de begroting van 2022.
Voor het jaarprogramma 2022 (dat medio 2021 wordt opgesteld) zal het waarschijnlijk wel mogelijk zijn om de geactualiseerde systematiek toe te passen. Dat kan dus betekenen dat de grondslagen van de urenraming van de begroting 2022 en die van het jaarprogramma 2022 kunnen gaan verschillen.
9
Het nieuwe landelijk programma Versterking omgevings-veiligheid 2021-2024 Wij voeren diverse werkzaamheden uit voor onze deelnemers op het gebied van externe veiligheid. Te denken valt aan de advisering bij ruimtelijke plannen en milieuzoneringsvraagstukken, maar ook bij het beoordelen van een aanvraag voor een vergunning of bij ondersteuning van het toezicht. De uren voor externe veiligheid worden sinds de oprichting van de RUD grotendeels in rekening gebracht bij de provincie Drenthe omdat zij in het kader van programma Impuls externe veiligheid 2015-2018 budget ontvingen van het rijk. Het jaar 2020 is het laatste jaar dat er via dit programma nog budget door het rijk beschikbaar is gesteld. Daarna wordt ook de benaming externe veiligheid gewijzigd in omgevings-veiligheid in aansluiting op de terminologie in de Omgevingswet. Er komt een nieuw landelijk programma Versterking omgevings-veiligheid 2021-2024. Vanaf 2021 krijgt de provincie (provinciefonds) én alle individuele Drentse gemeente (gemeentefonds) de middelen via een decentralisatie uitkering versterking Omgevings-veiligheid. Zoals het er nu naar uitziet krijgen de gemeenten totaal € 136.000 en de provincie € 17.000 beschikbaar om de inzet op dit terrein te financieren (zie onderstaande tabel). Deze middelen zijn hiervoor echter niet geoormerkt.
Omdat de werkzaamheden bij ons belegd blijven gaan wij er van uit dat deze middelen voor de uitvoering beschikbaar worden gesteld. Zonder die middelen kunnen de taken op het gebied van omgevings-veiligheid niet worden uitgevoerd . Omdat de financiering niet meer alleen via de provinciale bijdrage wordt verrekend dient iedere gemeente in de eigen begroting rekening te houden met deze verhoging van de eigen deelnemersbijdrage waarvoor via het gemeentefonds gedeeltelijke dekking beschikbaar komt. Daarbij is van belang rekening te houden met extra middelen omdat onze inschatting is dat het beschikbare budget voor 2022 niet geheel dekkend zal zijn voor de uitvoering van onze advieswerkzaamheden omgevingsveiligheid. Aangezien de werkzaamheden veelal betrekking hebben op het toepassen van wet- en regelgeving lijken de mogelijkheden tot afschalen begrenst. Dat betekent dat de inzet van deze deskundigheid vanaf 2022 in voorkomende gevallen opgenomen zal worden in het jaarprogramma en derhalve tot een verhoging van de deelnemersbijdrage zal kunnen leiden omdat alle voor een deelnemer ingezette uren worden doorberekend volgens de nieuwe verrekensystematiek. Deelnemer
10
Toedeling euro's
RUD EV in RUD EVvergunning RO verlening advisering € 2.134 € 3.200 € 4.266 € 6.400 € 1.066 € 1.600 € 4.800 € 7.200 € 1.866 € 2.800 € 6.666 € 10.000 € 5.600 € 8.400 € 2.400 € 3.600 € 2.934 € 4.400 € 1.600 € 2.400 € 2.134 € 3.200 € 800 € 1.200
Veiligheidsregio Drenthe EVadvisering € 2.667 € 5.333 € 1.333 € 6.000 € 2.333 € 8.333 € 7.000 € 3.000 € 3.667 € 2.000 € 2.667 € 1.000
Aa en Hunze Assen Borger-Odoorn Coevorden De Wolden Emmen Hoogeveen Meppel Midden Drenthe Noordenveld Tynaarlo Westerveld
€ 8.000 € 16.000 € 4.000 € 18.000 € 7.000 € 25.000 € 21.000 € 9.000 € 11.000 € 6.000 € 8.000 € 3.000
Totaal gemeenten Totaal provincie
€ 136.000 € 17.000
€ 36.266 € 5.100
€ 54.400 € 7.650
€ 45.333 € 4.250
Totaal regio Drenthe
€ 153.000
€ 41.366
€ 62.050
€ 49.583
De klimaatdoelen in relatie tot energiebesparing bij bedrijven In het klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd dat de wereldwijde klimaatopwarming in 2100 beperkt moet zijn tot 2°C vergeleken met het niveau van vóór de opkomst van de industrie. Er wordt gestreefd om die stijging van 2°C te verlagen tot 1,5 graad. In het verlengde hiervan hebben provinciale staten uitgesproken in de vastgestelde Energieagenda 2020 – 2023 dat Drenthe in 2050 energieneutraal wil zijn. Bovenstaande doelstellingen die de burger en het bedrijfsleven steeds sterker zullen gaan raken, vragen om concrete maatregelen in het heden. Voor de bedrijven geldt daarvoor de wet- en regelgeving, zoals het Activiteitenbesluit. De ontwikkeling van dit onderwerp binnen bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit zorgt voor een steeds sterkere concretisering van vereiste maatregelen die bedrijven bij bepaalde drempelgebruikswaardes moeten treffen. De urgentie achter genoemde doelstellingen is groot, waardoor het onderwerp en de taak die wij daar als RUD Drenthe in hebben prioritair is geworden. Onze verwachting is dat de urgentie tot het treffen van energiebesparende maatregelen in de toekomst nog verder zal toenemen. Dit wordt onderschreven in de eerste Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2019 van minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat.
Een en ander vraagt om het vergaren en bijhouden van de specifieke vakkennis binnen onze organisatie en het prioritair uitvoeren van energietoezicht op de naleving van de verplichting tot het treffen van de vereiste energiebesparingsmaatregelen bij de bedrijven. Het belang en de wijze waarop wordt omgegaan met dit belang in Drenthe zal ook moeten blijken uit het te formuleren uniforme uitvoering- en handhavingsbeleid welke in 2021 verder vorm zal krijgen. Mogelijk ontstaat er vervolgens nog een aanpassing/uitwerking binnen de vorm te geven vergunning en toezichtstrategie om hier in de uitvoering in 2022 goed vorm aan te geven (doen wat nodig is). Het toezien op deze wet- en regelgeving is op dit moment onvoldoende meegenomen binnen de Drentse Maat, of anders gezegd de vanuit dit beleid gewenste wijze van uitvoering past niet meer binnen het destijds opgestelde kental. Een verhoging van het opgestelde kental leidt tot een hogere deelnemersbijdrage. Het actueel houden van het locatiebestand Sinds 2016 wordt voor een groot aantal taken conform de Drentse maat gewerkt. Hierdoor bestaat er voor het hele werkgebied van de RUD een uniform uitvoeringsniveau. Bij het bepalen van de Drentse maat is gewerkt met de informatie die destijds beschikbaar was. De afgelopen jaren is gebleken dat de Drentse maat op een aantal onderdelen niet het juiste aantal producten per deelnemer voorspelt.
In het jaarprogramma 2020 en verder zijn de aantallen meer in overeenstemming met de uitvoeringspraktijk gebracht. Een belangrijk deel van onze VTH-taken is gekoppeld aan de bedrijven in Drenthe. In het huidige rekenmodel van de Drentse Maat is nog het destijds opgeleverde bestand van 2014 gekoppeld. De huidige deelnemersbijdrage is hier voor het programmajaar 2021 nog op gebaseerd. Actualisering van dit bestand binnen het rekenmodel zal leiden tot wijzigingen in de deelnemersbijdragen. Dit onderwerp zal integraal verder worden betrokken bij alle andere aspecten behorend bij de evaluatie van de Drentse Maat. Zoals eerder genoemd is deze evaluatie van de Drentse Maat onderdeel van de evaluatie van de GR RUD Drenthe die eind 2020 is uitgevoerd. In 2016 is via migratie uit de bestanden van de deelnemers het locatiebestand binnen ons zaaksysteem ontstaan. Vervolgens zijn er een aantal opschoonacties en verrijkingen op de data uitgevoerd. Via het project Locatiebestand op orde is het bestand verder op projectmatige wijze opgeschoond en verrijkt. Tevens is een protocol uitgewerkt waardoor bij nieuwe zaken wordt geborgd dat de locatie-informatie wordt geactualiseerd.
Wat eind 2020 van start gaat is de gerichte check op actualiteit van het bestand ten opzichte van die in het veld, op basis van mutaties vanuit het GBA en de KvK en op aangeven van toezichthouders die constateringen doe in het veld die nader onderzoek verlangen. Om informatie van het GBA en KVK te vergelijken met de data uit ons
11
locatiebestand is een extern gegevensmagazijn gebouwd. Eind 2021 is dit voor een deel van Drenthe de situatie in het veld geverifieerd met die in ons locatiebestand en waar nodig aangepast. Het is nog moeilijk inschatten wanneer geheel Drenthe op dit vlak is herijkt. Na de eerste slag hierin zal er altijd een bepaalde dynamiek blijven bestaan. Het actueel houden van het locatiebestand vergt constant aandacht en onderhoud. Deze taak is niet betrokken bij de Drentse Maat. Via een budget vanuit het Ontwikkelprogramma zijn hier nu de basisstappen voor gezet. Hierop volgend is het nodig dat binnen de jaarprogramma’s structureel uren beschikbaar zijn om het bestand actueel te houden. Deze uren worden onder meer aangewend voor het beheer van ons gebouwde externe gegevensmagazijn waaraan ook GBA en KvK is gekoppeld. Via mutaties van GBA en het KvK kan vervolgens vanuit deze uren ook gericht geveltoezicht plaatsvinden. Vooralsnog gaan we er vanuit dat hier 1 medewerker fulltime mee bezig is (1.330 uur). De hiermee gepaard gaande exploitatiekosten bedragen ca € 60.000. Informatiebehoefte (en bijbehorende registratienoodzaak) zijn sterk verbonden met lopende ontwikkeltrajecten.
Zo kan in 2021 en 2022 bijvoorbeeld vanuit het traject implementatie Omgevingswet of het traject Uniform uitvoering- en handhavingsbeleid blijken dat er meer of andere informatie moet worden vastgelegd op locatieniveau. Vanuit het traject RGT is het registreren en monitoren van het naleefgedrag op locatieniveau gepland voor 2022. Het risicogerichte toezicht en het risicogericht werken Het risicogericht werken kent binnen onze organisatie haar start met het risicogerichte toezicht binnen het ontwikkelprogramma. Op basis van de eerste aanzet is in 2020 deze toezichtstrategie in de plaats getreden van de strategie gebaseerd op de Drentse Maat. De verdere doorontwikkeling van deze strategie en bijbehorende risicomatrix vindt plaats in samenwerking met de deelnemers. In 2022 staat bijvoorbeeld de vertaalslag van de naleving op locatieniveau op de rol. Op dit moment is dit beperkt tot de branche. Om te doen wat nodig is, is risicogericht werken en het werken vanuit het oogpunt van milieurendement als methodiek genomen om op basis van de beschikbaar gestelde middelen de juiste keuzes te kunnen maken. Het risicogericht werken zal naar verwachting in 2021 worden verbreed naar andere domeinen binnen het toezicht : het toezicht op asbestverwijdering en bodemtoestemmingen.
Het tempo waarop deze verbreding wordt opgepakt hangt wel af van de ervaringen en implementatiesnelheid bij de doorontwikkeling van het risicogericht toezicht. Doen wat nodig is op basis van het risicogericht werken en het werken vanuit het oogpunt van milieurendement zal ook binnen de op te stellen strategieën behorend bij het uniform uitvoeringsen handhavingsbeleid de focus zijn die we vanuit de uitvoeringspraktijk zullen inbrengen. De verwachting dat deze verandering geen financiële consequenties voor de deelnemers heeft. De uitvoering aan het beleid m.b.t. de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) Ten behoeve van de inventarisatie van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) bij de provinciale inrichtingen is in 2019 door de FUMO, ODG en de RUD in gezamenlijkheid een projectplan opgesteld. Dit projectplan is in 2020 in uitvoering genomen. Specifiek willen de provincies voor 1 januari 2021 per inrichting inzage hebben in de aanwezige, gebruikte en naar de lucht geëmitteerde ZZS. Daarnaast willen de provincies ook inzage in de (in)directe ZZS-lozingen naar water. De provincies hebben met het rijk afspraken gemaakt over de uitvoering van deze werkzaamheden. De provincie Drenthe heeft extra budget beschikbaar gesteld aan de RUD om deze extra werkzaamheden uit te voeren. De ZZS doen zich naar verwachting niet alleen voor bij de provinciale inrichtingen.
Gemeenten hebben echter geen speciale afspraken met het rijk gemaakt over de aanpak hiervan. Met de ervaringen die worden opgedaan bij de provinciale inrichtingen zal door ons in 2021 ook het gesprek op gang worden gebracht om te bepalen op welke wijze met ZZS moet worden omgegaan met de
12
gemeentelijke inrichtingen. De uitkomst van deze verkenning zal in 2022 (of wellicht al eerder) vertaald moeten worden in nadere uitvoerings- en financieringsafspraken op het gebied van ZZS voor gemeentelijke inrichtingen. Het is voor bedrijven en dus de werkgelegenheid van belang het aspect lucht goed geregeld te hebben. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen vormt dit onderdeel van onze Strategische Personeels Planning (SPP). We bieden opleidingsmogelijkheden voor interne doorstroming, mede vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Bij eventuele interne verschuivingen zal een passende oplossing worden gezocht. Wij verwachten circa 1 fte extra nodig te hebben voor het verlenen van gedegen luchtadvies. Voor de begroting betekent dit een extra kostenpost van circa € 95.000. Extra BOA-capaciteit Bij de behandeling van het jaarprogramma 2021 is aandacht gevraagd voor de toename in het aantal toezichtzaken. Daarnaast zal een betere invulling van de Landelijke Handhavings Strategie (LHS) en de afstemming daarover met de BOA-coördinator tot meer strafzaken leiden. Samen met de achterstand die in 2020 is ontstaan, betekent dit dan ook dat in het jaarprogramma structureel extra capaciteit voor inzet op strafrecht moet worden gereserveerd. Om volgens het vastgestelde beleid te werken is minimaal 2 Fte extra BOA-capaciteit benodigd.
Voor de begroting betekent dit een extra kostenpost van circa € 150.000. Overige wetswijzigingen Naar verwachting zullen de volgende wettelijke ontwikkelingen de aandacht van ons vragen : Actualisatieplicht vergunningen van IPPC-bedrijven. Bij publicatie van nieuwe (geactualiseerde) BBT-conclusies van een bepaalde branche dienen de vergunningen van de betrokken bedrijven binnen 4 jaar na publicatie te zijn aangepast. Een BBT-referentiedocument (BREF) is een document die de beste beschikbare technieken beschrijft. BBT-conclusies vormen de referentie voor toetsing en vaststelling van vergunningsvoorwaarden en actualisatie van deze voorschriften. De BBT-conclusies over afvalbehandeling moeten voor 16-08-2022 zijn verwerkt en de BBT conclusies over afvalverbranding moeten voor 02-12-2023 zijn verwerkt in de vergunningen van de betreffende locaties. Met betrekking tot de stikstofproblematiek en de vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt een rechtelijke uitspraak over het intern salderen verwacht die van grote invloed kan zijn op het aantal vergunningprocedures in het kader van de Wnb. Deze invloed werkt door in de procedures voor milieuvergunningverlening omdat minder ‘verklaringen van geen bedenkingen’ (vvgb’s) van de provincie nodig zijn. Daarnaast zijn er nog veel onduidelijkheden over de stikstofregels zoals intern en extern salderen.
In de loop van 2021 moet duidelijk worden wat dit invloed het Stikstofdossier is op de productie en uren inzet van milieuvergunningverlening in 2022 en of dit tot problemen gaat leiden in het tijdig afronden van de procedures. Het vervolgbeleid op asbestdaken Het verbod op asbestdaken, dat in 2024 in zou gaan, is ingetrokken. Echter asbest blijft gevaarlijk en burgers en bedrijven kunnen er last van hebben bij verkoop en verzekering. Daarom is er een landelijk initiatief van onder meer het Rijk, provincies en gemeenten om te komen tot een versnellingsaanpak. Vanuit de projectgroep asbestdaken Drenthe ondersteunen we dit initiatief. De RUD Drenthe faciliteert hierbij de provincie Drenthe en de gemeenten onder meer door voorlichting, het actueel houden van de asbestkaart en het ondersteunen van lokale initiatieven om asbestdaken te vervangen. Deze inzet zal ook voor het jaar 2022 actueel blijven. Landelijke ontwikkelingen blijven we volgen en vertalen naar uitvoeringsafspraken met de deelnemers. Daarnaast blijven wij
13
betrokken bij het toezicht op de feitelijke verwijdering van asbest. Als de versnellingsaanpak inderdaad leidt tot een versnelde verwijdering van asbest betekent dat een verhoogde inzet binnen het toezicht.
1.4 DE ORGANISATORISCHE ONTWIKKELINGEN De meest belangrijke organisatorische ontwikkelingen voor 2022 zijn: De ontwikkeling van het ziekteverzuim: In de oorspronkelijke meerjarencijfers is steeds gerekend met 4% ziekteverzuim. Om uit te gaan van realistische en haalbare cijfers is bestuurlijk gekozen voor het verwerken van hogere percentages en deze ook te hanteren voor het opstellen van realistische en haalbare jaarprogramma’s. In nauwe afstemming met de bedrijfsarts zal worden gewerkt aan een – op basis van de leeftijdsopbouw van onze organisatie – realistisch streefcijfer voor toekomstige jaren. Vanwege de uitstroom van een aantal langdurig zieken (eind 2020 en in de loop van 2021) is de verwachting dat het ziekteverzuimpercentage eind 2021 rond de 6% zal liggen. De effecten van COVID-19 op lange termijn (zowel op lichamelijk als psychosociaal vlak) zijn nog onvoldoende duidelijk. Daarom is een verdere daling van de norm van het ziekteverzuim voor 2022 naar onze mening niet opportuun en houden we de norm voor 2022 op 6%.
Feitelijke implementatie van de invoering van de Omgevingswet; het realiseren en borgen van een effectieve en efficiënte digitale uitwisseling van informatie met onze opdrachtgevers en ketenpartners in relatie tot de invoering van de Omgevingswet (Digitaal Stelsel Omgevingswet); In 2021 zal de nieuwe basis zijn gelegd voor informatievoorziening waarmee we verder kunnen bouwen. In 2022 gaan we deze basis verder uitbouwen. In 2022 gaan we KPI's uitwerken om beter te kunnen sturen op strategisch, tactisch en operationeel niveau. Het resultaat van de verbetering van de informatievoorziening in 2021 geeft meer zicht de snelheid waarmee we de informatievoorziening kunnen ontwikkelen en wat daarvoor nodig is. Ook vanuit het uniform uitvoering en handhavingsbeleid volgen KPI's. Met de verdere verbetering van deinformatievoorziening wordt voor 2022 een extra kostenpost van circa € 80.000 verwacht. Het sluitend krijgen van de beleidscyclus met het invoeren van het Risicogericht werken en het inzichtelijk maken van het milieurendement van onze inzet. Dit jaar zal de uitvoeringskwaliteit gebaseerd zijn op de focus van risico-inschatting en milieurendement, zoals verder uitgewerkt is in het uniforme uitvoering en handhavingsbeleid.
Daarmee zullen we in staat zijn de geformuleerde doelstellingen binnen dit beleidskader te monitoren, te evalueren in hoeverre onze werkwijze voldoende effectief is voor het behalen van de doelstellingen. Het blijven door ontwikkelen en borgen van de ontwikkellijnen voortkomend uit het ontwikkelprogramma 2019-2020, waarvan een aantal binnen deze kaderbrief al expliciet zijn behandeld. Het herijken van de huisvesting en ICT in verband met aflopen van de met twee jaar tot en met 2022 verlengde package deals met gemeente Emmen en de provincie voor wat betreft de huisvesting en ICT. Vanwege de toenemende behoefte aan thuiswerken (effecten Coranacrisis) is een volledige herijking van de huisvestingsbehoefte gewenst. In 2021 willen we een visie ontwikkeld hebben omtrent huisvesting (aantal werkplekken), thuiswerken, videovergaderen etc. In 2022 willen we uitvoering geven aan deze visie omtrent huisvesting. Mogelijk gaan we ICTdienstverlening opnieuw aanbesteden in 2022. Het afronden van het aanbestedingstraject en de implementatie van een nieuw zaaksysteem i.v.m. einde contract huidige systeem 2023. In 2021 wordt gestart met de voorbereiding van de Europese openbare aanbesteding van het LeefOmgevingSysteem (LOS). In 2022 wordt het grootste deel van de implementatie uitgevoerd, waarbij ook een groot deel van de kosten voor
14
15
de implementatie in 2022 worden gemaakt. Het is op dit moment nog niet goed in te schatten om welk bedrag het gaat, maar er moet rekening gehouden worden met een stijging van de exploitatiekosten voor 2022 tussen de € 100.000 en € 200.000. Nieuwe cao in 2021, waarbij verlofharmonisatie en vitaliteitsbeleid belangrijke items zijn. Afhankelijk van het verloop van de onderhandelingen over deze CAO zal er in 2021 een nieuwe CAO afgesloten worden. Indien er in 2021 een éénjarige CAO afgesloten wordt zal er in 2022 opnieuw onderhandelt moeten worden. Indien er een meerjarige CAO wordt afgesloten zijn de effecten voor 2022 bekend en deze kunnen, indien dit financiële consequenties heeft, meegenomen worden in een begrotingswijziging. Gelet op de huidige ontwikkelingen is een adequate thuiswerkregeling eveneens te verwachten.
2 DE FINANCIËLE BELEIDSMATIGE UITGANGSPUNTEN 2022 De deelnemersbijdrage wordt opgebouwd uit 2 onderdelen: Ten behoeve van het aandeel van de deelnemers in de Drentse Maat-producten Ten behoeve van de uren voor door de deelnemers gevraagde Niet-Drentse Maat-producten 2.1.1 Effect beperking financieel kader m.i.v. 2021 Voor 2020 is het verlengen van de 5% incidentele bijdrage nadrukkelijk gekoppeld aan de uitvoering van het Ontwikkelprogramma en is aangegeven dat deze incidentele bijdrage voor 2021 zal komen te vervallen. Bij het opstellen van onze jaarprogramma’s 2018, 2019 en 2020 is gebleken dat de uitvoering van onze taken op het gebied van de oorspronkelijk vastgestelde Drentse Maat en nietDrentse Maat niet onverkort past binnen de beschikbare middelen en dat er naast deze taken structureel te weinig ruimte beschikbaar is voor de noodzakelijke ontwikkeling, implementatie van nieuwe wet- en regelgeving of de door de deelnemers gewenste intensivering van de uitvoering (o.a. Drentse Prioriteiten). Uit de vanuit de raden ingebracht zienswijzen op de begroting 2021 bleek dat de overgrote meerderheid van de deelnemers geen extra middelen beschikbaar kunnen stellen voor de door de RUD Drenthe uit te voeren taken. Dit vraagt om herprioritering van taken en uitvoeringsniveaus.
Om dit te faciliteren is in het Ontwikkelprogramma nadrukkelijk prioriteit gegeven aan het invoeren van risicogericht werken, te beginnen met risicogericht Toezicht omdat daarmee het inhoudelijke afwegingskader wordt gecreëerd voor het herprioriteren van de meest beïnvloedbare inzet. Met de verdere verdieping en verbreding van het risicogerichte werken wordt invulling gegeven aan het politiek-bestuurlijk afwegingskader op basis van risico-inschatting en milieurendement voor het gehele takenpakket. Met het hiervoor genoemde politiek-bestuurlijke afwegingskader op basis van risico-inschatting en milieurendement zullen de consequenties van deze ontwikkeling moeten worden vertaald naar een uitvoeringskader met bijbehorende financiële vertaling. In onze voorstellen zullen wij nadrukkelijk in kaart brengen welk deel van de totale opgave/wensen uitvoerbaar zijn binnen het huidige financiële kader. Door vooralsnog uit te gaan van de bestaande deelnemersbijdragen wordt daarvoor (tijdelijk) het uniforme uitvoeringsniveau losgelaten. Met het door de deelnemers gezamenlijk in voorbereiding zijnde uniforme VTH-beleid voor heel Drenthe zal het – wettelijk verplichte - uniforme uitvoeringsniveau opnieuw worden vastgesteld.
Daarbij is ruimte met (door de Omgevingswet beoogde) gebiedsgerichte kaders te werken waardoor bijvoorbeeld onderscheid kan worden gemaakt tussen landelijke of meer stedelijke gebieden. Op basis van het uniforme VTH-beleid en de vertaling daarvan naar een adequaat uitvoeringsniveau zal de ontwikkeling van de deelnemersbijdrage voor de komende jaren inzichtelijk worden gemaakt. De verwachting is dat daardoor voor diverse deelnemers een hogere bijdrage noodzakelijk zal zijn om de uitvoering op een adequaat niveau te houden of te brengen. 2.1.2 Relatie deelnemersbijdrage met het Jaarprogramma De ontwikkeling van de deelnemersbijdrage is ook afhankelijk van de inhoudelijke ontwikkeling van het takenpakket van de RUD Drenthe. Daarbij kan gedacht worden aan wijziging van wet- en regelgeving, toename van aanvragen en meldingen, toegenomen vraag vanuit deelnemers, Drentse Prioriteiten en dergelijke. Deze worden verwerkt in het jaarprogramma. Dit jaarprogramma kan aanleiding zijn voor een begrotingswijziging indien er meer budget noodzakelijk is dan in de meerjarenbegroting beschikbaar is. Het effect van het jaarprogramma kan ook zijn dat er een andere verdeling is van de totale deelnemersbijdrage over de deelnemers, bijvoorbeeld doordat er meer of minder wordt afgenomen dan in de meerjarencijfers werd voorzien. De in 2020 vastgestelde gewijzigde
16
verrekeningsystematiek geeft een rechtstreekse koppeling tussen de uren van het jaarprogramma en de begrote bijdrage van de deelnemers. Op rekeningbasis zullen de werkelijk afgenomen uren worden verrekend, waarbij het effect is verwerkt van incidentele afwijkingen (bv. als gevolg van aanvullende opdrachten, calamiteiten, klachten of extra aanvragen).
2.2 DE INDEXERING De indexering vindt plaats op basis van de indexen die gepubliceerd worden in de Macro Economische Verkenning 2020 van het CPB. De volgende twee indexen zijn relevant voor de RUD Drenthe voor het jaar 2022: De loonvoet sector overheid : 2.4% Prijs netto materiële overheidsconsumptie : 1.5% Gewogen indexering : 2.3% De lasten in de onze begroting zijn voor 90% gerelateerd aan de loonvoet sector overheid en voor 10% aan de prijs netto materiële overheidsconsumptie. Hiermee wordt een gewogen index van onze begroting 2022 bepaald. Het werkelijke indexcijfer kan aanleiding zijn voor een begrotingswijziging gedurende het jaar.
2.3 DE PRODUCTIVITEITSNORM Voor het begrotingsjaar 2022 bedraagt de gemiddelde productiviteitsnorm per medewerker circa 1.330 uur. Vanwege het feit dat het ziekteverzuimpercentage al een aantal jaren ruim boven de gehanteerde norm van 4% ligt is het streven om het percentage terug te dringen naar maximaal 8% in 2020 en 6% in 2021 en 2022. De effecten van COVID-19 op het ziekteverzuim op lange termijn zijn nog onvoldoende duidelijk. Daarom is een verdere daling van de norm voor het ziekteverzuim voor 2022 naar onze mening niet opportuun. In de onderstaande tabel wordt hier de onderbouwing gegeven van de productieve uren per FTE.
Opbouw productiviteitsnorm 2022 RUD Drenthe Werkdagen in een jaar (1 fte) Verplichte feestdagen Aanstellingsdagen in een jaar Aanstellingsuren (7,2 uur per dag) in een jaar Totaal verlofuren (incl. leeftijd & bovenwettelijk) Ziekte-uren (6% op basis 36-urige werkweek) Aantal werkbare uren (bruto productief) Aantal indirecte (productieve) uren (opleiding, ontwikkeling, kennis wetsontwikkelingen, teamoverleg, netwerkdagen etc. .) Aantal netto productieve uren
17
260 dagen 6 dagen 254 dagen 1.829 uren 169 uren 110 uren 1.550 uren 220 uren 1.330 uren
2.4 DE INVESTERINGEN Op dit moment is er beperkt zicht op de toekomstige investeringsbehoeften. Uitgangspunt is dat eventuele afgeschreven vaste activa worden vervangen. Tot op heden hebben wij alleen de investering in de bureaustoelen voor de thuiswerkplekken geactiveerd op de balans, waarbij een afschrijvingstermijn van drie jaar is gehanteerd. In verband met de voorbereidingsfase voor de nieuwe aanbesteding van het zaaksysteem zal in 2022 de afweging moeten plaatsvinden of deze als investering of als incidentele extra kostenpost zal worden beschouwd.
2.5 HET WEERSTANDSVERMOGEN Door het besluit om het Ontwikkelprogramma 2019-2020 voor een bedrag van € 756.250 te financieren uit de opgebouwde reserves van de RUD is ons weerstandsvermogen van dermate niveau dat er geen risico’s uit kunnen worden gedekt. Vanuit het Ministerie van BZK is hierop geadviseerd de algemene reserve weer op een adequaat niveau te brengen. Huidig bestuurlijk uitgangspunt is echter om, gezien de onder druk staande begrotingen van de deelnemers, de algemene reserve niet op voorhand aan te vullen vanuit de deelnemersbijdragen. Als de risico-inventarisatie van de RUD Drenthe uitwijst dat de verwachtingswaarde van de risico’s hoger is dan de algemene reserve, wordt dit in de begroting vermeld, zodat deelnemers met dit onafgedekte risico rekening kunnen houden bij de bepaling en afdekking van hun eigen risico’s. Hiermee ontstaat mogelijk meer fluctuatie in de deelnemersbijdrage, maar hebben deelnemers de mogelijkheid hun eigen weerstandsvermogen breder te benutten. Om de bedrijfsvoering van de RUD niet te belemmeren is het noodzakelijk adequate spelregels af te spreken over de wijze waarop met extra feitelijke ureninzet gedurende een jaar wordt omgegaan, zodat wordt voorkomen dat onvoorziene omstandigheden leiden tot stagnatie in het afgesproken uitvoeringsniveau.
2.6 DE VENNOOTSCHAPSBELASTING (VPB) Er wordt als uitgangspunt gehanteerd dat onze activiteiten niet of nauwelijks tot VPB heffing leiden. Op basis van het huidige takenpakket zullen wij geen VPB verschuldigd zijn.
2.7 ONZE BATEN De RUD Drenthe kent een drietal baten: De deelnemersbijdragen (gebaseerd op de Drentse Maat, de niet-Drentse Maat uren en een incidenteel investeringsbudget) Inkomsten voor projecten Overige baten.
18
2.7.1
De deelnemersbijdragen
Deelnemersbijdrage Drentse Maat op basis van kengetallen en inrichtingenbestand De hoogte van de deelnemersbijdrage wordt voor circa 60% gebaseerd op de Drentse Maat. De Drentse Maat is een, in 2016 ingevoerd, uniform uitvoeringsniveau binnen de provincie Drenthe, waarbij opdrachtgevers betalen voor de uitvoering van de taken volgens het gezamenlijk in de Drentse Maat bepaalde kwaliteitsniveau, gericht op hun specifieke bedrijvenbestand. Het kwaliteiten ambitieniveau is gelijk voor alle deelnemers, waardoor de hoogte van de deelnemersbijdrage dus enkel afhankelijk is van de zwaarte van het bedrijvenbestand. Dit levert per opdrachtgever een werkpakket op dat passend is bij de zwaarte van de milieuopgave waar deze opdrachtgever voor staat. Door de Drentse Maat bestond dus in principe een duidelijke wisselwerking tussen productie en deelnemersbijdrage. Het kwaliteitsniveau van de Drentse Maat zit besloten in de hoogte van de kengetallen. Echter, is in de praktijk gebleken dat zowel het niet actueel zijn van het bedrijvenbestand als de kentallen onvoldoende stabiele en realistische basis vormen voor deze wijze van bepalen en begroten van de productie. Het toezicht wordt vanaf 2020 niet meer op basis van de Drentse Maat uitgevoerd, maar op basis van risicogericht toezicht met bijbehorende prioritering van branches.
Hierbij is afgesproken dat de beschikbare uren (nog) overeenkomstig de Drentse Maat worden toebedeeld. Deelnemersbijdrage Niet-Drentse Maat op basis van geschatte ureninzet Een deel van de deelnemersbijdrage is voor de zogenaamde niet-Drentse Maat producten en diensten. Niet alle diensten die wij leveren zijn namelijk in een norm te vatten en worden daarom op urenbasis uitgevoerd. Ook bij de producten en diensten die geleverd worden in de niet-Drentse Maat bestaat een duidelijke wisselwerking tussen productie en de hoogte van de deelnemersbijdrage. Deelnemers wordt, in overleg, gevraagd om jaarlijks een inschatting te maken van de benodigde uren per taak. Door de herijking van de verrekensystematiek worden deze uren vanaf 2020 op basis van ‘uurtjefactuurtje’ in rekening gebracht bij de deelnemers. 2.7.2 Inkomsten voor projecten De inkomsten uit projecten worden separaat door de opdrachtgevers gefinancierd. De uitvoering van deze projecten is kostendekkend. Een hogere inzet op projecten gaat ten koste van de inzet van eigen medewerkers in de reguliere taakuitvoering. Hierdoor is externe inhuur ter vervanging van deze medewerkers noodzakelijk. De inzet van eigen medewerkers en de meerkosten van vervangende inhuur worden doorbelast in de projectkosten en bij de opdrachtgever in rekening gebracht.
De verwachte inkomsten uit de projecten worden ingeschat op basis van realisatiecijfers 2019, 2020 en 2021. Daarnaast worden de verwachte inkomsten ook aangepast op basis van laatste inzichten en de opgave van de deelnemers zelf. 2.7.3 Overige baten Overige baten zijn bijvoorbeeld subsidies van het Rijk die aan ons worden verstrekt. Op dit moment zijn er voor 2022 nog geen subsidies bekend. Daarnaast hebben we jaarlijks enige opbrengsten uit de leges die ze voor de provincie int. Deze taak voert zij budgettair - neutraal uit voor de provincie Drenthe. De opbrengsten worden enkel benut om de kosten die bestemd zijn voor de inning van de leges te dekken. In het kader van de Omgevingswet verandert dit. De vraag is of gemeenten gebruik gaan maken van de mogelijkheid om leges te gaan innen en vervolgens of wij daar een rol in gaan spelen. De uitkomst van de werkgroep leges van de OPD zal daarbij t.z.t. worden verwerkt in de begroting.
19
2.8 ONZE LASTEN Onze lasten kunnen grofweg opgedeeld worden in: De personeelslasten De overige lasten (waaronder met name bedrijfsvoeringskosten) Hieronder worden kort de uitgangspunten achter het bepalen van de hoogte van de lasten uiteengezet. De personeelslasten Het grootste deel van onze kosten bestaat uit personeelskosten. Uitgangspunten voor de berekening van de personeelslasten zijn: de loonsom: de meest recente inzichten omtrent bezetting, actuele salarissen en inzichten omtrent salarisontwikkeling (cao, premies, periodieken, indexering etc.); de inhuur: begroot op basis van verleden en inschatting verwachte werkvoorraad en noodzakelijke vervanging voor ziekte; de opleidingskosten: uitgangspunt is dat 2% van de loonsom beschikbaar is voor opleidingen. De overige lasten De overige lasten worden berekend op basis van: de meest recente inzichten omtrent ontwikkeling van de overige kosten (indexering, huur op basis van laatste stand huurcontract, servicekosten, leasecontracten, ICT - licenties, accountantskosten, etc.); het opleidingsbudget; En indien van toepassing, afschrijvingen op basis van activabestand, investering en vervangingsinvestering. De kosten ten behoeve de overhead Op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) wordt voorgeschreven dat de overheadkosten apart dienen te worden opgenomen.
Tot deze kosten behoren alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Kosten die één op één aan het primaire proces kunnen worden gekoppeld worden dus niet tot de overhead gerekend. Dat betekent dat kosten die verband houden met de volgende zaken tot de overheadkosten worden gerekend: Directeur; Teamleiders; Secretariaat (incl. directiesecretaris); Adviseurs (I&A, HRM, financiën en controlling, informatievoorziening); Ondersteunende PIOFACH-taken (personeel, informatievoorziening, organisatie, administratieve organisatie, communicatie en huisvesting). In ons bedrijfsplan is het uitgangspunt opgenomen dat de personele overhead maximaal 25% mag bedragen. Over de niet-formatieve overhead zijn geen uitgangspunten opgenomen in het bedrijfsplan. Momenteel is 20% van de loonsom personele overhead. Dit percentage bevindt zich dus ruim onder het bij de start van onze organisatie vastgestelde maximum, maar is nog exclusief de PIOFACH - taken die bij de provincie Drenthe en de gemeente Emmen zijn belegd. Daarmee was de totale overhead van de RUD Drenthe in de begroting 2021 circa 28%. Met de integrale doorlichting van onze organisatie en onze financiën is duidelijk geworden dat er te weinig capaciteit beschikbaar is binnen de formatie om de staf- en adviestaken adequaat op te pakken.
Dit gaat ten koste van de mate van control en de ontwikkelkracht van de organisatie en
20
vormt daarmee een risico voor de productie, de kwaliteit en de financiën van de organisatie. Dat betekent dat het noodzakelijk is het percentage overhead voor de toekomst nader te bepalen. Het gehanteerde maximum van 25% overhead zal in ieder geval in de jaren 2020 en 2021 worden overschreden door inzet van extra staf- en adviescapaciteit om de basis op orde te krijgen. Pas nadat de basis op orde is gebracht kan worden bezien welk overheadpercentage realistisch is. De toegenomen behoefte aan informatisering en digitalisering – die volgens de geldende BBV aan overhead moet worden toegerekend – zal daarbij nadrukkelijk in ogenschouw moeten worden genomen. In de P&C-documenten zal de ontwikkeling van het percentage overhead inzichtelijk worden gemaakt.
3 DE ONZEKERHEDEN Bij het formuleren van een toekomstig kader is het belangrijk om oog te hebben voor de belangrijkste onzekerheden en risico’s die van invloed kunnen zijn op dit kader en daardoor door kunnen werken bij het opstellen van de begroting en de realisatie voor het jaar 2021. De volgende onzekerheden zijn van belang: De verlangde wijze van uitvoering van het totale proces binnen de Omgevingswet is mogelijk intensiever en daardoor duurder dan de huidige werkprocessen. Via monitoring zal dat worden getoetst in de praktijk. De werkwijze Omgevingswet geeft problemen in de uitvoering. Per 1 jan 2022 is de Omgevingswet van kracht. Nieuwe procedures en afspraken treden in werking. Het inrichten, aanpassen en testen levert duidelijkheid op t.a.v. het werken in de keten en ons aandeel daarin. Een viertal processen moet OW proof zijn. Indien dit niet in orde is krijgen we begin 2022 te maken met een vertraging in de productie. De evaluatie van de Drentse Maat geeft andere inzichten. In de evaluatie GR RUD Drenthe wordt onderzocht of de Drentse Maat aan actualisatie toe is.
Een actualisatie van de Drentse Maat kan gevolgen hebben voor het ambitieniveau van de uitvoering van de taken (relatie ook met het uniform uitvoering en handhavingsbeleid) en ook voor de hoogte van de deelnemersbijdrage (relatie met kentalanalyse en actualisering van het locatiebestand) die hieraan gekoppeld is. De actualisatie van het locatiebestand kan effect hebben op de deelnemersbijdragen. Op dit moment is het door de deelnemers destijds aangeleverde bedrijvenbestand van 2014 nog gekoppeld aan het rekenmodel Drentse Maat. Het project digitale aanlevering kan mogelijk niet het beoogde efficiencyresultaat opleveren. Eind 2020 wordt door een werkgroep, bestaande uit informatie- en DIV adviseurs van alle deelnemers, en advies aan het bestuur voorgelegd wat de beste structurele oplossing is voor het goed digitaal uitwisselen van milieudossiers tussen RUD en gemeenten. Afhankelijk van dit advies en het besluit daarover zal in 2021 en verder inspanning moeten worden geleverd. De omvang daarvan is onbekend. Het project verbetering Bodeminformatie- en beheersysteem (BIS) is nog niet afgerond in 2021; Eind 2021 zijn de wensen/eisen bekend van de 13 deelnemers hoe het nieuwe BIS er uit komt te zien. We weten dan wat het systeem aan mogelijkheden moet aan kunnen, zodat we klaar zijn om op dit punt een goede aanbesteding van het systeem aan te kunnen gaan.
Onzeker is of de deelnemers allemaal dezelfde mogelijkheden van dergelijk systeem willen en/of we de verschillende wensen in één systeem kunnen onderbrengen. Een andere onzekerheid is hoe we straks verder gaan: het oude LOS systeem, een nieuw systeem of dat de bodemgegevens ondergebracht gaan worden in een los staand nieuw systeem. Een derde onzekerheid betreft de
21
onduidelijkheid van de verplichtende bodemgegevens die vanuit de omgevingswet wordt voorgeschreven en de openbaarstelling hiervan. Deelnemersbijdrage wordt niet verhoogd na wegvallen rijks-/provinciale bijdragen voor specifieke al bestaande taken; Deelnemersbijdrage wordt niet verhoogd bij nieuwe of uitbreiding bestaande taken; Opleidingskosten zijn hoger dan begroot; Personele regelingen als gevolg van CAO-wijzigingen (zoals bijv. verlofharmonisatie, vitaliteitsbeleid en thuiswerkregelingen) kunnen leiden tot hogere personeelslasten. De onzekere COVID-19 effecten. Het is maar zeer de vraag of de COVID 19 crisis in 2021 (of mogelijk in 2022) uitgedoofd is. De verwachting is dat het zeker nog wel een tijd gaat duren. De effecten van de crisis zullen zolang deze actueel is zwaar drukken op de organisatie. De verwachting is in ieder geval wel dat het thuiswerken ook na de crisis meer zal plaatsvinden. AVG. De gemeente Emmen als leverancier van de ICT voor de RUD verwerkt ook persoonsgegevens. Het is tot op heden niet gelukt om hierover in het kader van de AVG en privacy afspraken te maken over een verklaring over de kwaliteit van een ICT-dienstverlening en beheersing. Door werkdruk van de eigen medewerkers wordt een deel van de werkzaamheden uitbesteed. Hiervoor moet ook in 2021 budget zijn.
Er is een trend waarneembaar dat de scope van bodemissues zich verbreedt buiten het strikt chemische kader van het verleden. Ook nu al komen adviesvragen naar voren op het gebied van bijvoorbeeld wateroverlast en de rol van bodem en erfgoed in ruimtelijke planvorming. Daarnaast is - zoals in 2019 is gebleken met PFAS - het bodembeheer (nog steeds) onderhevig aan nieuwe ontwikkelingen. Het is niet onwaarschijnlijk dat zich soortgelijke ontwikkelingen ook in de toekomst blijven voordoen.
In de begroting zullen deze onzekerheden zoveel mogelijk nader worden uitgewerkt en van beheersmaatregelen worden voorzien. Bij de bepaling van het weerstandsvermogen wordt met bovenstaande risico’s geen rekening gehouden. De financiële impact van deze risico’s is op dit moment nog niet op geld gezet, maar kunnen substantieel zijn. Er ontbreekt voldoende inzicht en onderbouwing waarmee de risico’s afdoende kunnen worden doorgerekend binnen acceptabele onzekerheidsmarges. Daarbij dient opgemerkt dat ten aanzien van deze risico’s bestuurlijke keuzes mogelijk zijn. Bij het verder uitwerken en doorrekenen van de risico’s zullen de mogelijke keuzes zo goed mogelijk in beeld worden gebracht. Het voorstel is om in 2021 de risico’s gezamenlijk met de deelnemers te prioriteren, rekening houdende met financieel toezicht en beheersbaarheid. Met het actualiseren van het locatiebestand, de herijking van de kentallen van de Drentse Maat, het vormgeven van het uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid en een groeiend inzicht op de financiële gevolgen van de Omgevingswet zal het mogelijk zijn de financiële consequenties reëler in te schatten.
22