BK4853 rapport bij zienswijzebrief 1 (1) geanonimiseerd
Tekst van het document
RAPPORT Ontwerp-TAM-omgevingsplan zandwinplas Koekange (Gemeente De Wolden) Zienwijze Klant:
5.1.2e
Referentie:
BK4853-IB-RP-260112-1324
Status:
Definitief/01
Datum:
26 januari 2026
Projectgerelateerd
HASKONING NEDERLAND B.V.
Jonkerbosplein 52 6534 AB Nijmegen Netherlands Industry & Buildings Trade register number: 56515154 Telefoon: 5.1.2e E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com
Titel document:
Ontwerp-TAM-omgevingsplan zandwinplas Koekange (Gemeente De Wolden) Zienwijze BK4853-IB-RP-260112-1324 Zandwinning Roelofs Echten Definitief/01 26 januari 2026 Zandwinning Echten/ Ongevingsplan Koekange BK4853
Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):
5.1.2e
Opgesteld door:
5.1.2e
Gecontroleerd door: Datum:
5.1.2e
,
5.1.2e
5.1.2e
26 januari 2026
Goedgekeurd door:
5.1.2e
Datum:
26 januari 2026
Classificatie:
Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. Dit document kan zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI); alle door AI gegenereerde inhoud is beoordeeld en gevalideerd door onze experts. 26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
2
Aanleiding en doelstelling
1
3
Achtergrondinformatie
2
4
Werkwijze/ leeswijzer
2
5
Bevindingen milieueffectrapportage
3
5.1
Inleiding
3
5.1.1
Aanleiding
3
5.1.1.1
Het voornemen
3
5.1.2 5.1.3
Mer-plicht Mer-procedure en MER
3 4
5.1.3.1
NRD en zienswijze
4
5.2
Voorgenomen ontwikkeling
4
5.2.1
Doel nieuwe zandwinning Echten
4
5.2.1.1
Nut en noodzaak
4
5.2.1.2
Bestaande zandwinning
5
5.2.2
Voorgenomen activiteit: zandwinning
5
5.2.2.1
Technische aspecten
5
5.2.3
Alternatieven
5
5.2.3.1
Locatiealternatieven
5
5.2.3.2
Optimale zandwinning
6
5.2.3.3
Optimale natuurontwikkeling
7
5.2.4
Landschappelijke inpassing
8
5.3
Onderzoeksmethodiek
11
5.3.1 5.3.2 5.3.3
Referentiesituatie Plan- en studiegebied Beoordelingskader
11 11 12
5.3.3.1
Wijze van effect bepaling
12
5.3.4
Beoordelingsmethodiek per thema
12
5.3.4.1
Bodem
12
5.3.4.2
Water
12
5.3.4.3
Natuur
13
5.3.4.4
Geluid en trillingen
13
5.4
Bodem
14
5.4.1 5.4.2
Inleiding Huidige situatie en referentiesituatie
14 14
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
iii
Projectgerelateerd
5.4.2.1
Bodemkwaliteit
14
5.4.3
Effectbeschrijving en beoordeling
14
5.4.3.1
Taludstabiliteit
14
5.4.4
Mogelijkheden voor mitigatie
16
5.5
Water
16
5.5.1
Huidige situatie en referentie situatie
16
5.5.1.1
Geohydrologie en bodemopbouw
16
5.5.1.2
Watersysteem
17
5.5.1.3
Waterkwaliteit
18
5.5.2
Effectbeschrijving en beoordeling alternatieven
19
5.5.2.1
Oppervlaktewater
19
5.5.2.2
Grondwatersysteem
19
5.5.2.3
Kwel en wegzijging
21
5.5.2.4
Waterkwaliteit
22
5.5.2.5
Grondwaterkwaliteit
22
5.5.3
Mogelijkheden voor mitigatie
23
5.5.3.1
Grondwatersystemen
23
5.5.4
Leemten in kennis
24
5.6
Natuur
24
5.6.1
Huidige situatie en beoordeling
24
5.6.1.1
Soorten
24
5.6.2
Effectbeschrijving en beoordeling
25
5.6.2.1
Soorten
25
5.6.2.2
Biodiversiteit
27
5.6.3
Mogelijkheden voor mitigatie
28
5.6.3.1
Soorten
28
5.6.4
Leemtes in kennis
28
5.7
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
29
5.7.1 5.7.2
Inleiding Effectbeschrijving en beoordeling
29 29
5.7.2.1
Historische patronen en elementen
29
5.7.3
Leemten in kennis
29
5.7.3.1
Archeologie
29
5.8
Geluid en trillingen
30
5.8.1
Huidige en referentie situatie
30
5.8.1.1
Hinder door trillingen
30
5.8.2
Effectbeschrijving en beoordeling
30
5.8.2.1
Geluidsbelasting op woningen
30
5.8.2.2
Laag frequent geluid
31
5.9
Lucht
31
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
iv
Projectgerelateerd
5.9.1
Huidige situatie en referentie situatie
31
5.9.1.1
Luchtkwaliteit
31
5.9.1.2
Stofhinder
31
5.9.2
Effectbeschrijving en beoordeling
32
5.9.2.1
Luchtkwaliteit
32
5.10
Verkeer
32
5.10.1
Inleiding
32
5.11
Ruimtegebrek
32
5.11.1 5.11.2
Inleiding Huidige situatie en referentie situatie
32 32
5.11.2.1 Woningbouw
32
5.11.2.2 Kabels en leidingen
33
5.11.2.3 Woningbouw
33
5.11.2.4 Nat-droogteschade landbouw
33
5.11.2.5 Recreatie
34
5.11.3
Mogelijkheden voor mitigatie
34
5.12
Van alternatieven naar KVA
35
5.12.1
Het voorkeursalternatief
35
5.13
Voorkeursalternatief Zandwinning Echten
36
5.13.1
Bodem
36
5.13.1.1 Bodemkwaliteit
36
5.13.2
Water
37
5.13.2.1 Oppervlaktewater
37
5.13.2.2 Grondwaterkwlaiteit
37
5.13.2.3 Grondwaterstand en stijghoogte
37
5.13.2.4 Kwel en infiltratie
38
5.13.3
Natuur
40
5.13.3.1 Soorten
40
5.13.3.2 Natura 2000
41
5.13.4
42
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
5.13.4.1 Landschappelijke kenmerken
42
5.13.4.2 Archeologische waarden
42
5.13.4.3 Aardkundige waarde
42
5.13.4.4 Geluidbelasting op woningen
42
5.13.4.5 Hinder door trillingen
42
5.13.5
Lucht
43
5.13.5.1 Luchtkwaliteit
43
5.13.6
44
Externe veiligheid
5.13.6.1 Plaatsgebonden risico’s
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
44
BK4853-IB-RP-260112-1324
v
Projectgerelateerd
5.13.7
Ruimtegebruik
44
5.13.7.1 Nat-droogteschade
44
5.14
Conclusie
44
5.14.1
Monitoring
44
5.15
Bronnen
45
6
Resterende bevindingen NRD
46
7
Conclusies
53
Tabellen No table of figures entries found.
Figuren No table of figures entries found.
Bijlagen Bijlage 1 Beoordeling hydrologie
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
vi
Projectgerelateerd
1
Inleiding
In opdracht van 5.1.2e heeft Haskoning de voorliggende zienswijze opgesteld op een ontwerp TAMomgevingsplan. Genoemde plan bestaat uit een kaart en verschillende documenten.
2
Aanleiding en doelstelling
De exploitant van de bestaande zandwinning aan de 5.1.2e (Gemeente De Wolden, Provincie Drenthe) heeft het voornemen om een nieuwe zandwinning te realiseren ten westen van de bestaande zandwinplas. Het plangebied is ongeveer 65 hectare groot. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de dijk van de Hoogeveensche Vaart en de Ossesluis. Aan de westkant wordt de grens gevormd door de Koekangerweg. De noordelijke grens wordt gevormd door de percelen gelegen aan de zuidkant van de Oshaarseweg. Aan de oostkant wordt de grens bepaald door de gronden van de voormalige NAM Luchtscheidingsinstallatie en door de Kanaaldijk tot aan het depot van de bestaande zandwinning. In de milieueffectrapportage zijn de resultaten opgenomen van het onderzoek naar de effecten van het nieuwe TAM-omgevingsplan. De rapportage dient als onderbouwing van het TAM-omgevings- plan. De milieueffectrapportage is opgenomen als bijlage 20 van de toelichting van ontwerp TAM-omgevingsplan. 5.1.2e
Het ‘ontwerp TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b zandwinplas Koekange’ en de bijbehorende stukken en de ontwerp-milieueffectrapportage liggen van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage. De plannen raken de belangen (eigendommen) van 5.1.2e in het gebied. Om die reden wenst 5.1.2e , na eerdere reacties (zie hoofdstuk 3) een zienswijze in te dienen. Het voorliggende rapport heeft tot doel daar invulling aan te geven.
1
5.1.2e
26 januari 2026
5.1.2e
Koekange; Postadres; Zandexploitatiemaatschappij VOF Echten Postbus 12 5.1.2e
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
Den Ham. 1
Projectgerelateerd
3
Achtergrondinformatie
Ter achtergrondinformatie is navolgend een chronologisch overzicht opgenomen van de stappen die tot heden gezet zijn om te reageren op de planvorming. 1. In het Provinciale blad nr. 2566 d.d. 19 februari 2025 is aankondiging gedaan van de terinzagelegging Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Deze lag van 13 februari tot en met 26 maart 2025 ter inzage. 2. Op 25 maart 2025 is middels een rapport door Haskoning een beoordeling op de NRD gegeven (‘Zandwinning Echten. Reactie op NRD’, kenmerk BK4853-IB-RP-250317, d.d. 25 maart 2025). Deze is per e-mail op 26 maart door 5.1.2e bij de gemeente ingediend. Op basis van de bevindingen in dit rapport wordt geconcludeerd dat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) niet volledig is. Er zijn aspecten die daardoor in het MER niet of onvoldoende worden onderzocht. 3. Op 9 oktober 2025 (na 28 weken) is een concept-beantwoording van de zienswijzen ontvangen van de gemeente De Wolden. Uit de e-mail en het bijgevoegde word-bestand wordt niet duidelijk welke procedure gevolgd wordt inzake de beantwoording, met name of hierop gereageerd kan worden en zo ja tot welk moment. 4. Op 26 november 2025 is middels een rapport door Haskoning een beoordeling op de conceptbeantwoording gegeven (‘Zandwinning Echten. Reactie op beantwoording zienswijze’, kenmerk BK4853-IB-RP-251027-1701 d.d. 26 november 2025).
Deze is door 5.1.2e per email ingediend op 27 november 2025. In de zienswijze is een groot aantal zaken benoemd waar het in de concept beantwoording aan schort en waar de NRD op aangepast had moeten worden wat niet is gebeurd. 5. In de e-mail van de gemeente d.d. 27 november wordt gemeld dat de NRD is vastgesteld en een afschrift van de beantwoording is gestuurd. Verder wordt het advies gegeven om t.z.t. een advies in te dienen op het milieueffectrapport. 6. Door ons is de website van en de commissie MER te Utrecht geraadpleegd. Er zijn geen stukken bekend inzake deze procedure bij de commissie.
4
Werkwijze/ leeswijzer
Door Haskoning is aan de hand van de milieueffectrapportage, met verwijzing naar daarmee verband houdende stukken die ook ter inzage liggen, in deze rapportage een zienswijze beschreven op basis van geconstateerde tekortkomingen, risico’s op het schaden van belangen van 5.1.2e en daarmee samenhangende standpunten.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
2
Projectgerelateerd
5
Bevindingen milieueffectrapportage
In onderstaande (sub)paragrafen is aangesloten bij de paragrafen zoals deze zijn opgenomen in het MER.
5.1
Inleiding
5.1.1
Aanleiding
5.1.1.1 Het voornemen Op bladzijde 6 is het plangebied weergegeven.
Reactie De buisleiding tussen de nieuwe en bestaande zandwinning loopt over belendende percelen, welke geen eigendom van de huidige of toekomstige zandwinning zijn. Hoe de buisleiding gerealiseerd wordt, is niet duidelijk. Het bezwijken van de leiding bij gebruik kan schade opleveren aan de waterkering. Deze schade kan vervolgschade op de omliggende percelen tot gevolg hebben.
5.1.2
Mer-plicht
In het MER is op bladzijde 7 het volgende opgenomen: “In het kader van de plan- en besluitvorming voor de uitbreiding van de zandwinning wordt een merprocedure doorlopen.” Reactie: Aangezien de nieuwe zandwinning niet aansluitend is op de bestaande locatie, is dit geen uitbreiding maar een nieuwe locatie.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
3
Projectgerelateerd
5.1.3
Mer-procedure en MER
5.1.3.1 NRD en zienswijze Op bladzijde 8 is het volgende opgenomen. “Als begin van de mer-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De reikwijdte geeft aan wat het voornemen is, of en welke alternatieven/varianten worden onderzocht en welke (milieuen omgevings)thema’s in beeld wordt gebracht. Het detailniveau betreft de diepgang en methode van het onderzoek. De NRD heeft van 13 februari 2025 tot en met 26 maart 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn bestond de mogelijkheid voor eenieder om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen. In totaal zijn er twee schriftelijke zienswijzen ingediend (waaronder door 5.1.2e ). Er zijn geen mondelinge zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn binnen de zienswijzentermijn binnengekomen. Aan de hand van de zienswijzen zijn enkele punten voor het MER benoemd: - Aanpassing van de beschrijving - figuren van het plangebied en landschappelijke inpassing: het verwijderen van een wandelpad en het toevoegen van de transportleiding en bestaande depot en installatieterrein. - Ingaan binnen het MER op de effecten op waterberging; watergangen; kabels en leidingen; geluid; en extensieve recreatie.” Reactie Bij de NRD ontbrak juist de diepgang en methode van het onderzoek en is alles doorgeschoven naar het MER.
De aangegeven punten voor aanvulling op het MER is een selectie van meerdere punten genoemd van de ingebrachte zienswijzen. Het is onduidelijk hoe met andere punten wordt/ is omgegaan.
5.2
Voorgenomen ontwikkeling
5.2.1
Doel nieuwe zandwinning Echten
5.2.1.1 Nut en noodzaak Op bladzijde 10 is opgenomen dat Nederland de komende decennia een opgave heeft. Er is een tekort aan woningen en de infrastructuur moet worden onderhouden en uitgebreid. Om dit alles te realiseren, is er behoefte aan grote hoeveelheden industriezand en ophoogzand. Gesteld wordt dat de voorgenomen zandwinning waar zowel industriezand als ophoogzand wordt gewonnen een belangrijke bijdrage levert aan de nationale en regionale behoefte aan bouwgrondstoffen. Reactie: In het MER ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van enerzijds de marktvraag en anderzijds het marktaanbod aan zand waaruit blijkt dat er noodzaak is voor de voorgenomen zandwinning. Daardoor ontbreekt ook een deel van de onderbouwing waardoor aannemelijk is dat er sprake is van economisch haalbare en houdbare bedrijfsvoering. Tevens is opgenomen dat: “Indien er geen winmogelijkheden bijkomen bestaat er, zoals ook geconcludeerd door Berenschot, een grote kans is op maatschappelijke problemen door een zand- en grindtekort (o.a. vertraagde en duurdere woningbouw- en infrastructuurprojecten en vertraging in de energietransitie).
Daarnaast zullen bijdragen aan maatschappelijke ambities, bijvoorbeeld ruimte voor de rivier, waterbuffering en nieuwe natuur, welke op dit moment onderdeel zijn van de gebiedsontwikkelingen rondom winningsprojecten, niet langer worden gerealiseerd als (nieuwe) projecten geen doorgang vinden. Dit kan vanzelfsprekend grote
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
4
Projectgerelateerd
gevolgen hebben voor betaalbaarheid en uitvoering van doelstellingen in het kader van bijvoorbeeld de hoogwateropgave, klimaatadaptatie of natuurontwikkeling.” Reactie: Op basis van het MER ontstaat de indruk dat primair zandwinning de reden is voor het project en daarmee de nut en noodzaak.
5.2.1.2 Bestaande zandwinning Op bladzijde 11 is opgenomen dat: “Deze laatst genoemde hoeveelheid zand kan echter niet worden gewonnen, aangezien het geheel aan installaties/gebouwen met toebehoren en zanddepots ook worden gebruikt door de nieuwe zandwinning en daardoor niet op de locatie nieuwe van de zandwinning hoeven te worden gesitueerd. Tevens zal daardoor de verkeersafwikkeling in de toekomst via de aanwezige infrastructuur van de bestaande zandwinning hetzelfde blijven.” Reactie: Vanaf de nieuwe locatie wordt het zand met een transportleiding naar de bestaande installaties verpompt. De aanleg en het gebruik van deze transportleiding leidt tot effecten en risico’s.
5.2.2
Voorgenomen activiteit: zandwinning
Op bladzijde 11 is het volgende opgenomen. “Door de percelen en hun erfbeplanting ligt aan de noordelijke grens een kleinschaliger landschap. Door het gebied loopt een bredere watergang. Voor de rest bestaat het gebied uit weilanden met een zeer open en weids karakter met twee bosschages aan de oost- en westkant.” Reactie: De nieuwe zandwinning heeft tot gevolg dat bestaand leefgebied (flora en fauna) én weidegronden verdwijnt. In hoeverre dit past binnen het historische ontginningslint, waterrijke natuurzone en weids veenweidegebied, is onduidelijk.
5.2.2.1 Technische aspecten Op bladzijde 11 is opgenomen dat: “Via een transportleiding gaat het zand naar het depot van de bestaande zandwinningsplas op de Willem Moesweg. Voordeel hiervan is dat het gewonnen zand opgeslagen kan worden op de huidige zandwinninglocatie en er geen extra ruimte gereserveerd hoeft te worden voor het opslaan van zand en er geen nieuwe infrastructuur hoeft worden aangelegd.” Reactie: De aanleg en het gebruik van deze transportleiding leidt tot effecten en risico’s.
5.2.3
Alternatieven
5.2.3.1 Locatiealternatieven Op bladzijde 11 is het volgende opgenomen.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
5
Projectgerelateerd
“Vanwege de specifieke locatie van de ruimtelijke ontwikkeling wordt er geen onderzoek gedaan naar locatiealternatieven. Dit heeft te maken met een aantal aspecten: Vanuit de Omgevingsvisie Drenthe 20222 zijn er ambities opgesteld op het gebied van (onder andere) zandwingebieden. Hierbij heeft de provincie als uitgangspunt geformuleerd dat nieuwe zandwingebieden zoveel mogelijk geconcentreerd moeten blijven in een beperkt aantal zandwinplaatsen. Directe aansluiting aan de huidige zandwinplas is niet mogelijk. Uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat een uitbreiding van de bestaande zandwinplas niet aan de orde is. De watertoevoer voor de huidige plas wateraanvoer en het vergroten van deze plas past niet bij de huidige discussies over een goede droogte- en waterverdeling binnen provincie Drenthe. Een eventuele uitbreiding van de bestaande plas in de westelijke richting zou beide plassen dichter bij elkaar laten komen met een grotere kans op wederzijdse beïnvloeding (vernatting en verdroging). Een groter tussenliggend gebied vormt een grotere buffer om deze effecten te mitigeren. Een uitbreiding van de bestaande plas in noordelijke en noordoostelijke richting is vanwege een aanwezige keileemscol technisch niet mogelijk.
Er wordt op een efficiënte wijze gebruik gemaakt van de huidige infrastructuur om de zandwinning uit te voeren, te transporteren en op te slaan op de bestaande zandwinningsplas aan de Willem Moesweg. Voor de bestaande werklocatie is een nieuwe brug aangelegd om een snelle ontsluiting richting snelweg te realiseren. Door deze werklocatie te behouden, kan deze brug ook blijven functioneren. Vanwege de landschappelijke inpassing op basis van de landschapsanalyse waardoor de zandwinning op een natuurlijke manier past in het huidige en historische landschap (die kenmerkend zijn voor het historisch ontginningslint, weids veenweidegebied en de waterrijke natuurzone).” Reactie Het eerste aspect leent zich juist om de bestaande zandwinplas uit te breiden. De beoordeling dat een westelijke uitbreiding op basis van het hydrologisch model niet mogelijk is, wordt niet onderschreven. Er wordt nog separaat ingegaan op het gebruikte hydrologisch model en de ontleende conclusies. Het project leent zich voor de afweging, zeker gezien het doel van de MER, om als alternatieven het verplaatsen van de installatie versus het laten staan van de installatie te beoordelen als onderdeel van de te beoordelen alternatieven. Op die wijze kan het meest optimale scenario worden gekozen waarbij de installatie zo min mogelijk milieueffecten heeft.
Doordat de zandwinning nu niet aansluitend wordt gerealiseerd, ontstaan er juist meerdere zandwinplassen kort bij elkaar. Dit leidt tot versnippering van het bestaande landschap. Bij inrichtingsalternatieven: Onduidelijk is waarom er slechts twee alternatieven zijn beschouwd: ‘Optimale zandwinning’ en ‘Optimale natuurontwikkeling’? Zijn andere richtingen binnen gebiedsalternatieven ook nog mogelijk? Zijn de scenario's realistisch, ook met andere mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het gebied? Hoe gaat getoetst worden wat het optimale scenario is? Met welke criteria of parameters worden vergeleken (voorbeeld: stikstof, ecologie, geld, werkgelegenheid?)
5.2.3.2 Optimale zandwinning Figuur 2-2 toont de tekening voor de optimale zandwinning.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
6
Projectgerelateerd
Reactie Het plangebied heeft aan de noordzijde een andere contour dan het plangebied opgenomen op bladzijde 6 bij “het voornemen”. Hiervoor worden 3 woningen geamoveerd en een perceel verkleind. Twee huizen hebben een vroege oorsprong te weten 1902 en 1916. Dit strookt niet met de veronderstelde beperking in milieubelastende activiteiten/lagere milieueffecten (niet verplaatsen depot en installaties) om vervolgens over te gaan op sloop van huizen (aantasting cultuurhistorische waarden) en daarmee ook verhuizing/nieuwbouw nieuwe huizen.
5.2.3.3 Optimale natuurontwikkeling Figuur 2-4 toont de tekening voor de optimale natuurontwikkeling.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
7
Projectgerelateerd
Reactie De noordelijke grens, ter hoogte van Oshaarseweg 55, komt niet geheel overeen met het plangebied op bladzijde 6. Onduidelijk is waarom de noordelijke grens anders loopt en welke implicaties deze heeft.
5.2.4
Landschappelijke inpassing
Op bladzijde 16/17 is het volgende opgenomen. “De landschappelijke inpassing van de eindsituatie van de zandwinningsplas gaat uit van een natuurgebied in de historisch gegroeide landschapsstructuur. De overgangen van het plangebied naar het landschap worden versterkt en het gebied wordt ingericht ten behoeve van natuurfuncties en kleinschalige recreatie. De waterplas in het natuurgebied krijgt zijn definitieve vorm door de eindsituatie die ontstaat na beëindiging van de zandwinning. De Volgende geeft een beeld van het uiteindelijke landschappelijke plan.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
8
Projectgerelateerd
Vanuit een landschappelijke analyse en de wensen van diverse partijen2 en omwonenden wordt rekening gehouden met verschillende zonering en uitgangspunten. Centraal in het landschapsplan staan: • Het historisch ontginningslint: o Aansluiting met de historische karakteristieken van het lint van de Oshaarseweg; o Zone verbreden tot tegen de waterlijn. • Weids veenweidegebied: o De bestaande weidsheid en openheid borgen; o Geen nieuwe opgaande beplanting toevoegen. •
Waterrijke natuurzone: o Aansluiting op het natuurlandschap van de Veeningerplas; o Inzetten op natuur en ecologische waarden.
Reactie Gesteld wordt dat de overgangen van het plangebied naar het landschap worden versterkt en het gebied wordt ingericht ten behoeve van natuurfuncties en kleinschalige recreatie. Zowel tekstueel als op figuur 27 is geen gras zichtbaar met her en der een bosschage (donkergroene zones op figuur 2-7). Hoe echter de overgang versterkt wordt is niet duidelijk. Aangezien nieuwe bosschages lijken te worden aangeplant (donkergroene vlakken), staat dat haaks op de stelling op pagina 17 “geen nieuwe opgaande beplanting toevoegen”. Er is niet duidelijk welke natuurfuncties beoogd zijn te realiseren of ondersteunen. Een weids veenweidegebied (flora en fauna) is niet gebaad bij een diepe plas. Daarnaast zal met de aanleg van de
2
5.1.2e
is niet geraadpleegd als eigenaar van gronden in het gebied en feitelijk genegeerd.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
9
Projectgerelateerd
zandwinplas een deel van de aanwezige laagveenvlakte aan de westzijde en veengronden aan de westen zuidoostzijde van het terrein verdwijnen, zie ook onderstaande figuur.
Op de figuur in paragraaf 5.2.4. zijn blauwe en oranje pijlen zichtbaar. Onduidelijk is wat hiermee bedoeld wordt. Als deze figuur een doorkijk geeft naar de uiteindelijke situatie en met het landschapsplan dat er naar de waterlijn een verbreding heeft plaatsgevonden, lijkt al voorgesorteerd te worden op een meer optimale situatie voor zandwinning. Hoe dit zich vertaalt tot het inzetten op natuur en ecologische waarden is niet duidelijk. In het landschapsplan zijn 3 pijlers opgenomen. Echter is een niet aangegeven wat onder kleinschalige recreatie wordt verstaan. Ook het inzetten op ecologische waarden, is onduidelijk wat hier mee bedoeld wordt. Een diepe plas heeft namelijk voor een veenweidegebied geen ecologische waarde. Ook is aangegeven dat met de wensen van diverse partijen en omwonenden rekening is gehouden. Het is niet duidelijk welke wensen zijn opgehaald en van wie dat afkomstig is. Onduidelijk is hoe wordt aangesloten op het natuurlandschap van de Veeningerplas of hoe deze stelling gelezen dient te worden, aangezien de Veeningerplas zich aan de andere zijde van de Hoogeveense Vaart bevindt.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
10
Projectgerelateerd
5.3
Onderzoeksmethodiek
5.3.1
Referentiesituatie
Op bladzijde 18 is het volgende opgenomen. “In het MER zijn de effecten van de voorgenomen uitbreiding van de zandwinning bepaald. Dit ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de toekomstige situatie in het plangebied zonder de uitbreiding. Dit om alleen de effecten van de uitbreiding te beschouwen en niet de effecten van overige ontwikkelingen in en rond het plangebied.” En “Referentiesituatie = huidige situatie + autonome ontwikkeling Referentiesituatie: toekomstige situatie in het plangebied zonder de voorgenomen dijkversterking. Huidige situatie: bestaande/feitelijke situatie in het plangebied. Autonome ontwikkelingen: andere (zekere) ontwikkelingen in het plangebied waarover al een besluit is genomen en de duurzame energie hub.” Reactie Eerst wordt gesteld dat de referentiesituatie de toekomstige situatie in het plangebied is zonder de uitbreiding. Verderop staat beschreven dat de referentiesituatie het plangebied zonder de voorgenomen dijkversterking betreft. Indien de dijkversterking al voorzien is dan zou dit een autonome ontwikkeling (kunnen) zijn waarmee al rekening gehouden dient te worden. Anders dient te worden gespecificeerd dat de voorgenomen dijkversterkingen in het gebied een voorgenomen ontwikkeling zijn waarover nog geen besluit is genomen.
De vraag rijst of hier abusievelijk van dijkversterking wordt gesproken waar aanleg van een zandwinning wordt bedoeld. Bij De Wijk 20 werd stikstof geïnjecteerd door de NAM om gaswinning mogelijk te maken. Nergens wordt er ingegaan over het leidingwerk van de NAM-locatie. Daardoor is onduidelijk wat nog aanwezig is en in hoeverre hier rekening mee gehouden moet worden (zelfs al is de locatiue buiten gebruik). Daardoor is onduidelijk wordt geborgd dat deze leidingen geen gevaar lopen bij de ontwikkeling van de nieuwe plas (oeverinstabiliteit). Met de voorgenomen duurzame energie hub is ook onduidelijk welke andere kabels en leidingen hergebruikt of gerealiseerd gaan worden welke van invloed zijn op het huidige plangebied.
5.3.2
Plan- en studiegebied
Op bladzijde 18 is het volgende opgenomen. “In het MER is onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het studiegebied is het totale gebied waarbinnen milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling kunnen optreden. Het studiegebied is dus groter dan het plangebied en kan per milieuaspect verschillen. Voor milieuaspecten zoals bodem en aardkundige waarden treden de effecten alleen binnen het plangebied zelf op (het studiegebied is hier gelijk aan het plangebied).”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
11
Projectgerelateerd
Reactie Indien een bodemverontreiniging buiten het plangebied aanwezig is, lijkt deze niet te worden meegenomen in het MER. Echter door ontwikkeling van een zandwinplas, mag aangenomen worden dat mobiele verontreinigingen juist buiten het plangebied beïnvloed kunnen worden. Het is niet duidelijk hoe hiermee wordt omgegaan en wat de gevolgen daarvan zijn.
5.3.3
Beoordelingskader
5.3.3.1 Wijze van effect bepaling Op pagina 20 in tabel 3-1 is opgenomen dat recreatie kwalitatief via expert judgement na winning bepaald wordt. Reactie Hier dient bij uitstek juist de omgeving betrokken te worden om te bepalen welke recreatie gewenst en nuttig is.
5.3.4
Beoordelingsmethodiek per thema
5.3.4.1 Bodem Taludstabiliteit Op pagina 21 is het volgende opgenomen. “Het aspect taludstabiliteit gaat in op de borging van de taludstabiliteit tijdens en na de zandwinning. Hierbij is de omgeving van het plangebied het onderzoeksgebied. Dit is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is kwalitatief onderzoek uitgevoerd.” Reactie In hoeverre is er geleerd van de aanwezige instabiliteit/inbressing bij de reeds actieve zandwinning Echten? Hier hebben meerdere inbressingen plaatsgevonden waarop nog geen maatregelen worden getroffen.
5.3.4.2 Water Op pagina 21 is het volgende opgenomen. “Het thema Water bestaat uit de aspecten waterkwaliteit, grondwaterkwaliteit, grondwaterstand en stijghoogte en kwel/infiltratie.” Reactie Grondwater is een onderdeel van de bodem en valt daarmee ook samen met het thema bodem. In hoeverre wordt voorkomen dat een mobiele bodemverontreiniging in of buiten het plangebied niet wordt meegewogen? Op pagina 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect Grondwaterstanden en stijghoogte gaat in op de grondwaterstanden en stijghoogte. Het studiegebied voor het aspect is de omgeving van het plangebied. Het aspect Grondwaterstanden en
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
12
Projectgerelateerd
stijghoogte is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd (Sweco, 2024).” Reactie In tabel 3-4 op bladzijde 21 is opgenomen dat voor de grondwaterstanden en stijghoogte een kwantitatief onderzoek plaatsvindt. Onduidelijk is welk type onderzoek nu heeft plaatsgevonden.
5.3.4.3 Natuur Soorten Op pagina 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect Soorten gaat in op de mate waarin de zandwinning effecten heeft op (beschermde) diersoorten.” Reactie Ontbreken van effect op (beschermde) plantensoorten in het bestaande veenweidegebied. NNN Op bladzijde 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect soorten is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd doormiddel van een natuuronderzoek (Antea, Natuurtoets, 2024).” Reactie Het aspect soorten is geen onderdeel van aspect NNN. Onduidelijk welk onderzoek er voor aspect NNN heeft plaatsgevonden. Biodiversiteit Op bladzijde 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect biodiversiteit gaat in op de mate waarin de zandwinning effect heeft op de biodiversiteit. Het studiegebied voor het aspect is de omgeving van het plangebied. Het aspect Biodiversiteit is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. De gedetailleerde plannen voor inrichting van de zandwinning zijn gebruikt bij de beoordeling.” Reactie Het is onbekend hoe een lijst van flora en fauna is verkregen waaraan is getoetst. Daarnaast zal met de aanleg van de zandwinplas een deel van het aanwezige veen binnen het plangebied verdwijnen. Dit staat haaks op behoud van (laag)veen, met haar cultureel en ecologisch belang.
5.3.4.4 Geluid en trillingen Bij de drie aspecten wordt verwezen naar een onderzoek van Huygen voor de Zandwinning Echten uit 2024. Reactie Dit onderzoek behelst de actieve zandwinplas en is niet één op één aansluitend op de nieuwe zandwinplas.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
13
Projectgerelateerd
Zo zijn bestaande woningen niet hetzelfde gesitueerd ten opzichte van het plangebied. Het is ook niet duidelijk of de nieuwe zandwinplas dezelfde oever en diepte krijgt als de huidige actieve zandwinplas.
5.4
Bodem
5.4.1
Inleiding
Op bladzijde 27 is opgenomen dat een milieuhygiënisch onderzoek door Aveco de Bondt is uitgevoerd. In tabel 4-1 is opgenomen dat een vooronderzoek bodem de onderzoeksmethode is. Reactie Een vooronderzoek betreft normaliter een vooronderzoek zoals genoemd in de NEN 5725. Een milieuhygiënisch onderzoek is daarmee een andere insteek en volgt de NEN 5740. Het is onduidelijk waarom gekozen is om een bodemonderzoek uit te voeren en met welke insteek.
5.4.2
Huidige situatie en referentiesituatie
5.4.2.1 Bodemkwaliteit Landbodem Op bladzijde 28 en 29 is tabel 4-3 opgenomen met de aanwezigheid van type van verontreinigingen bij de betreffende locatie of activiteit. Reactie Het is onduidelijk welke kwaliteit van de bodem is aangetoond en hoe zich dat verhoudt ten opzichte van de heersende achtergrondgehalten c.q. concentraties. Ook is niet inzichtelijk gemaakt of dit grond of grondwater betreft en welke invloed dit kan hebben op de zandwinning en daarbij mogelijke mobilisatie van de verontreinigingen in de bodem. Waterbodem Op bladzijde 29 is het volgende opgenomen. “Uit het vooronderzoek is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied sprake is van één type deellocatie, namelijk ’onbelast, landelijk gebied’. Er is geen verdenking voor asbest of verhoogde gehalten met andere stoffen in de waterbodem. De lengte van de watergang bedraagt circa 1.300 meter.” Reactie De watergang wordt omsloten door agrarische velden. In hoeverre is rekening gehouden met toepassing van mest en het uitlekken van stoffen als nitraat, sulfaat en fosfaat naar de waterbodem?
5.4.3
Effectbeschrijving en beoordeling
5.4.3.1 Taludstabiliteit Kenmerken van taludstabiliteit Op bladzijde 33 tot en met 36 wordt ingegaan op de kenmerken van taludstabiliteit. Reactie
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
14
Projectgerelateerd
De taludstabiliteit is berekend met de daarvoor bestemde rekenmethode. Echter gebleken is dat bij Traandijk inbressingen hebben plaatsgevonden. Onduidelijk is of hier rekening mee is gehouden. Op bladzijde 35 zijn verschillende benodigde breedtes en randstrookbreedtes tekstueel en in tabel 4-5 opgenomen. Reactie De randstrookbreedte van de NAM locatie is op 72 meter gezet. Echter de afstand van de plas naar de grens van het terrein is 25 meter en de afstand van de NAM locatie naar de grens is 37 meter. Hiermee zou de randstrookbreedte 25+37 = 62 meter zijn. Opmerkelijk is wel dat ter plaatse van de NAM locatie slechts een benodigde breedte van 20 meter noodzakelijk is, de laagste afstand van alle randstroken. Is er gezien de toekomstige ontmanteling van de site en realisatie van de energie hub (en daarmee trillingen) juist niet meer ruimte nodig? Taludstabiliteit van de alternatieven Op bladzijde 36 is het volgende opgenomen. “Het onderzoek van Wiertsema & Partners (2025) is uitgevoerd op basis van een kaart van het plangebied die niet overeenkomt met het alternatief ‘optimale natuurontwikkeling’ noch met het alternatief ‘optimale zandwinning’. Beide alternatieven zijn echter wel getoetst aan de beoordelingskaders zoals vastgesteld in het onderzoek van Wiertsema & Partners.
De exacte berekeningen uit dat onderzoek kunnen echter niet worden overgenomen.” Op bladzijde 38 is opgenomen. “De resultaten van het onderzoek uitgevoerd door Wiertsema & Partners tonen aan dat de zandwinning ruimschoots voldoet aan de gestelde eisen. De alternatieve scenario’s voor optimale zandwinning en optimale natuurontwikkeling wijken echter af van deze berekeningen. Deze afwijking is echter minimaal, hiermee is de verwachting dat de evenwichtsfactor nog steeds voldoende is.” Reactie Aangezien het onderzoek niet overeenkomt met de alternatieven, kan de uitgevoerde toets ook niet representatief zijn voor deze alternatieven. De “verwachting” is wel erg summier en dus niet onderbouwt om daarmee aan te nemen dat er geen gevolgen zijn. Op bladzijde 38 is tevens opgenomen. “Voor de microstabiliteit kan gesteld worden dat dit in zowel het alternatief optimale zandwinning als alternatief optimale natuurontwikkeling voldoende is. Het plaspeil is namelijk hoger dan de grondwaterstand, waardoor uitredend water niet zal optreden en de microstabiliteit dus kan worden gegarandeerd.” Reactie Hoe wordt het plaspeil hoger gehouden dan de grondwaterstand? Wordt de zandwinplas afgesloten van de omliggende percelen middels damwanden o.i.d.? Anders staat de grondwaterstand in direct contact met de plas en zal er een evenwicht ontstaan tussen het peil van de plas en de grondwaterstand.
Tevens op bladzijde 38 opgenomen. “Enkele delen van het plangebied zijn gevoelig voor verweking, echter verweking vereist een trigger, zoals aardbevingen of bouwtrillingen. De zandwinlocatie ligt buiten seismisch actieve gebieden en er zijn geen bouwactiviteiten gepland. Het risico op verweking is daarom verwaarloosbaar.”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
15
Projectgerelateerd
Reactie Bij traandijk zijn er wel (recente) inbressingen. Ook daar zijn geen bouwactiviteiten. Zijn bouwactiviteiten en aardbevinden de enige factoren voor trillingen? Er zijn ook andere processen die een rol spelen bij verweking die nu buiten beoordeling blijven. Voorbeeld: is er rekening gehouden met invloed van weersextremen? kunnen hevige regenval of overstromingen leiden tot verweking of oeverinstabiliteit?
5.4.4
Mogelijkheden voor mitigatie
Op bladzijde 38 het volgende opgenomen. “Een mogelijkheid voor mitigatie in het alternatief optimale natuurontwikkeling is om de randstrookbreedtes te verbreden zodat de taludstabiliteit gewaarborgd blijft. De randstrookbreedtes moet dan verbreed worden aan de west-, noord- en zuidzijde.” Reactie Onduidelijk is wat hier wordt bedoeld. Uit de bovenliggende tekst uit het MER lijkt juist het alternatief optimale natuurontwikkeling te voldoen aan de randstrookbreedtes. Waarom er dan mitigerende maatregelen nodig zijn en waardoor deze dan worden veroorzaakt is onbekend. Ook is niet duidelijk waarom de oostgrens juist geen verruiming nodig heeft, met de toekomstige ontmanteling en realisatie energie hub. Op bladzijde 39 is opgenomen. “Binnen de huidige kennis en alternatieven zijn mogelijkheden voor mitigatie van bodemeffecten beperkt. Beperken of voorkomen van effecten kan door een alternatief te kiezen met geen of minder effecten. Bij verdere uitwerking van het ontwerp en na vervolgonderzoek naar bodemkwaliteit kunnen deze bodemeffecten mogelijk gemitigeerd worden.” Reactie Onduidelijk is of hiermee bedoeld wordt dat een ander alternatief gekozen zou kunnen worden of juist naar een mitigerende maatregel gekeken gaat worden. Voor beide opties blijft staan dan er een voor een problematiek geen mitigatie of alternatief gekozen wordt in het MER.
Hierdoor is het onduidelijk wat er gedaan gaat worden en of dit invloed heeft op andere onderdelen en uiteindelijke keuze.
5.5
Water
5.5.1
Huidige situatie en referentie situatie
5.5.1.1 Geohydrologie en bodemopbouw Aanwezigheid van keileem Op bladzijde 42 is de volgende figuur met tekst opgenomen. “In de nabije omgeving van het plangebied is keileem aangetroffen. Om de mogelijke effecten van de realisatie van de zandwinning Echten te bepalen, is rekening gehouden met de aanwezigheid van een keileemlaag binnen het plangebied. Deze laag heeft een weerstand van 750 tot 1.000 dagen.”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
16
Projectgerelateerd
Reactie De figuur laat beperkt zien wat er in de omgeving aanwezig is. Op basis van deze figuur is er geen data beschikbaar van huidig studiegebied. Hierdoor kan niet gezegd worden dat er wel of geen keileem aanwezig zal zijn. Bij de sluis (Ossesluis, in de zuidwesthoek van de figuur, bron BRO DGM v2.2.1) is immers ook keileem aangetoond (2,2-4 m-mv en 47,4-53,5 m-mv).
5.5.1.2 Watersysteem Grondwatersysteem
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
17
Projectgerelateerd
Kwel/wegzijging Op bladzijde 45 is de volgende figuur opgenomen.
Reactie Op de figuur is het plangebied te noordelijk opgenomen, waardoor het gebied een gedeelte kwel en een gedeelte wegzijging lijkt te hebben. Op de daadwerkelijk positie van het plangebied lijkt enkel kwel te bestaan. Het is niet duidelijk waarmee nu rekening is gehouden en welke gevolgen dat heeft.
5.5.1.3 Waterkwaliteit Op bladzijde 46 is het volgende opgenomen. “Er zijn geen bekende saneringen of verdachte locaties aangetroffen die van invloed zijn op de waterkwaliteit in het gebied.” Reactie In het aspect bodem is een bodemonderzoek uitgevoerd waarbij meerdere stoffen in de bodem aanwezig waren. Er lijkt hier geen rekening mee te zijn gehouden. Daarnaast is niet duidelijk of ook hier geen rekening is gehouden met de meststoffen die kunnen uitvloeien en in het grondwater terecht komen (dan wel direct of via kwel) binnen het plangebied.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
18
Projectgerelateerd
5.5.2
Effectbeschrijving en beoordeling alternatieven
5.5.2.1 Oppervlaktewater Op bladzijde 47 is het volgende opgenomen. “Voor alternatief optimale zandwinning is echter nog geen definitief ontwerp beschikbaar voor de aanpassing van het watersysteem. Dit vormt een belangrijk aandachtspunt.” Reactie Onduidelijk is waarom dit niet is uitgewerkt. Hiermee is de MER onvolledig.
5.5.2.2 Grondwatersysteem Effecten referentiesituatie Voor de beoordeling van de hydrologische effecten verwijzen wij naar bijlage 1 van deze zienswijze.
Effecten Alternatief “Optimale Natuurontwikkeling” Op bladzijde 48 is het volgende opgenomen. “Sweco (2024) heeft de hydrologische effecten van de beoogde uitbreidingslocatie in beeld gebracht. Hierbij is uitgegaan van een niet peilgestuurde en geïsoleerde plas met een maximale bodemdiepte van NAP -39 m. Binnen deze uitbreiding worden de aanwezige watergangen verondersteld te worden gedempt. Er is geen rekening gehouden met het omleggen van deze watergangen, waarmee dit scenario een zogenoemde worst-case benadering vormt. In Figuur 5-12 zijn de berekende effecten op het freatische grondwater (boven de keileemlaag) weergegeven voor zowel de GHG- als GLG-situatie.” Reactie Eerder is gebleken dat geen keileem aanwezig zou zijn (figuur op bladzijde 42 van het MER, aspect Water specifiek aanwezigheid van keileem). Hier wordt aangegeven dat op Figuur 5-12 de berekende effecten op het freatische grondwater (boven de keileemlaag) zijn weergegeven. Nu blijkt dus toch keileem aanwezig. Het is onduidelijk dat hier wel rekening wordt gehouden met keileem en eerder niet. Tevens is onduidelijk waarom gerekend wordt met het niet omleggen van watergangen als worse case benadering, terwijl eerder al de watergangen voor dit alternatief zijn vastgelegd in overleg met het waterschap.
Hoe reëel is deze situatie dan? En welke gevolgen heeft dat? Ook lijkt geen rekening gehouden te worden met de zandwinplas van Traandijk. Als deze niet verder verdiept wordt dan zal ook daar het Domelaar-effect optreden volgens dit MER. Hierdoor zal een vernatting plaatsvinden in de plas en een verdroging stroomafwaarts vanwege de bodem- en wandweerstand. Als er dus verdroging plaatsvindt voor de nieuwe zandwinplas, hoe kan hier dan een vernatting plaats gaan vinden? De strook tussen Traandijk en Echter is daarvoor te klein om de vernatting te verklaren. Al lijkt dat wel het geval in figuren 5-14 en 5-15. Op bladzijde 49 is het volgende opgenomen:
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
19
Projectgerelateerd
“Hoewel de meeste effecten optreden binnen het terrein van de zandwinning Echten zelf, vallen ook aangrenzende percelen binnen het invloedsgebied.” Reactie Het gebied van invloed strekt zich over een groter oppervlakte uit buiten dan binnen het plangebied. Hoe deze opmerking dan ook gelezen moet worden is niet duidelijk. Het Domelaar-effect is berekend bij de volledige contour van de nieuwe zandwinplas. Wat er optreedt tijdens de verschillende fases is niet inzichtelijk gemaakt. Treedt er tijdens elke fase eenzelfde beeld op als bij het totaal, idem voor het Domelaar-effect tijdens de actieve fase van de zandwinning? Op bladzijde 50 is het volgende opgenomen. “Effecten op de grondwaterstanden na beëindiging van de werkzaamheden in Echten (permanent ruimtebeslag): • In de GHG-situatie: Aan de bovenstroomse kant wordt het in de winter iets droger. Aan de benedenstroomse kant kan het juist iets natter worden (<25 cm), maar alleen op enkele percelen die direct aan de plas grenzen. Het invloed gebied is ingeschat op ca. 1km. • In de GLG-situatie: In de zomer wordt het aan de benedenstroomse kant natter (minder droog). Aan de bovenstroomse kant kan het op aangrenzende percelen juist droger worden. Het invloed gebied is ingeschat op ca. 1km. Hier kan het grondwater tot maximaal 10 cm zakken in vergelijking met de huidige situatie.
• Effect op Zandwinning Traandijk: De realisatie van plas Echten heeft geen invloed op Zandwinning Traandijk, omdat deze plas kunstmatig op peil wordt gehouden. De hoeveelheid water die naar deze plas wordt aangevoerd, kan iets toenemen, maar dit is beperkt. Deze toename is veel kleiner dan de hoeveelheid die nodig zou zijn bij een vergroting van de bestaande plas.” Reactie Bij het effect op Zandwinning Traandijk wordt gesteld dat er geen invloed is, maar dat de hoeveelheid water die naar deze plas wordt aangevoerd, iets kan toenemen, maar dat is beperkt. Hieruit blijkt dat er dus wel een invloed is. Tevens wordt aangegeven dat de toename veel kleiner is dan de hoeveelheid die nodig zou zijn bij een vergroting van de bestaande plas. Met de nieuwe zandwinplas, wordt uiteindelijk weer veel meer water naar die plas gebracht. Dus met de nieuwe locatie gaat er meer water naar de nieuwe zandwinplas dan bij vergroting van de huidige plas. In hoeverre is hier rekening mee gehouden? Op bladzijde 51 is het volgende opgenomen. “Sweco heeft ook gekeken naar de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij zijn twee situaties onderzocht: • Korte termijn: actieve situatie in Traandijk (geen Domelaar-effect) maar met aangepaste aanvoer (maximaal in de winter) Als de plas wel al is afgerond, treedt het Domelaar-effect op in zandwinning Echten.
• Het maximaal opzetten van het waterpeil in Traandijk heeft een duidelijk vernattend effect in de omgeving. • De vernatting is maximaal tot op meer dan 1 km van Traandijk merkbaar (> 5 cm). • Hierdoor is in de GLG-situatie praktisch nergens meer sprake van een verlaging.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
20
Projectgerelateerd
• Lange termijn (afgeronde situatie in Traandijk (Domelaar-effect) zonder wateraanvoer: Het optreden van het Domelaar-effect zorgt voor vernatting aan de stroomopwaartse zijde en verdroging aan de stroomafwaartse zijde. • Hierdoor ontstaat een grotere zone waar zowel de GHG, als de GLG dalen (maximaal 30 cm); • Hierdoor wordt de initiële vernatting die is ontstaan toen Traandijk is gegraven, weer (deels) teruggedraaid. • De grootste verandering is dan juist een verdroging tussen de twee plassen, die in alle situaties merkbaar is.” Reactie Bij de klimaatveranderingen is onduidelijk waarmee rekening is gehouden. Betreft dit bijvoorbeeld een algehele verwachte verdroging of is hier gekeken naar extreme kortstondige regenbuien. Waar komt de vernatting bij de lange termijn bij de GLG situatie vandaan als ervoor juist een verdroging plaatsvindt? Op bladzijde 52 is het volgende opgenomen. “Te verwachte effecten op Natuur Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 50 meter ten zuiden van het plangebied, waar Bergingsgebied Zandwinning De Panjerd-Veening ligt. Door de realisatie van Zandwinning Echten wordt een verlaging van de grondwaterstanden en stijghoogten verwacht voor de GHG-situatie. Daarnaast is een verhoging van de GLG-situatie berekend, zie figuur 5-16 en 5-17.
Na het optreden van het Domelaareffect worden geen effecten gezien in het NNN-gebied.” Reactie Juist op de figuren van de lange termijn waarbij het Domelaar-effect optreedt is een verdroging van Bergingsgebied Zandwinning de Panjerd-Veeningen zichtbaar (figuur 5-17 effecten lange termijn) zichtbaar voor de GHG en GLG situatie. Dit staat haaks op deze uitspraak op bladzijde 51. Welke gevolgen heeft dit?
5.5.2.3 Kwel en wegzijging Op bladzijde 53 is het volgende opgenomen. “In de huidige situatie treedt er kwel op binnen het plangebied. In de toekomstige situatie wordt een zandwinningsplas gerealiseerd met een diepte tot NAP -39 m voor alternatief optimale natuurontwikkeling en tot NAP -49 m voor alternatief optimale zandwinning. In beide alternatieven is er een risico dat een deel van de keileemlaag wordt ontgraven. Door het gedeeltelijk verwijderen van deze keileemlaag zal de weerstand tegen opwaartse grondwaterstromen lokaal afnemen.” Reactie De keileemlaag is eerder niet beschreven en leek zelfs afwezig. Moet dit niet de sluitende kleilaag zijn? De sluitende laag is op 45 meter-NAP voorzien. Bij het alternatief “Optimale natuurontwikkeling” is ontgraving tot 39 meter-NAP voorzien. De kans dat deze sluitende laag wordt ontgraven is daarmee vrij klein.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
21
Projectgerelateerd
5.5.2.4 Waterkwaliteit Op bladzijde 53 is het volgende opgenomen. “In beginsel wordt de oppervlaktewaterkwaliteit niet beïnvloed door de zandwinning. Mits het watersysteem wordt hersteld, zoals binnen paragraaf 5.3.1 is aangegeven, zijn er geen risico’s voor de oppervlaktewaterkwaliteit te verwachten. Deze effecten zijn voor zowel Alternatief optimale zandwinning als Alternatief optimale natuurontwikkeling als neutraal (0) beoordeeld.” Reactie Eerder is een bodemonderzoek uitgevoerd waarbij aanwezigheid van diverse stoffen is aangetoond. Ook is eerder aangegeven dat met de zandwinplas “wordt verwacht dat de kwelstromen in en rondom de plas Echten zullen toenemen (bladzijde 53 van het MER).” Als de kwelstromen toenemen alsook freatische grondwaterbewegingen naar de plas zullen gaan, dan zal ook een beïnvloeding van de waterkwaliteit te verwachten zijn.
5.5.2.5 Grondwaterkwaliteit Op bladzijde 54 is het volgende opgenomen. “Door de afstand tussen de zandwinplas en het grondwaterbeschermingsgebied wordt echter geen negatieve invloed op de grondwaterkwaliteit verwacht. Beide alternatieven worden daarom als neutraal beoordeeld op het aspect waterkwaliteit. Indien tijdens de ontgraving onverwacht afval of puin wordt aangetroffen, moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan om mogelijke vervuiling van het grondwater te voorkomen. Zolang dit op een verantwoorde manier gebeurt, is er geen sprake van verslechtering van de waterkwaliteit.” Reactie Reeds gebleken dat er een bodemverontreiniging aan de noordzijde aanwezig is. Met de verwachte intensivering van kwel en voorkeursstroming freatisch grondwater naar de plas, lijkt een negatief aspect aanwezig.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
22
Projectgerelateerd
5.5.3
Mogelijkheden voor mitigatie
5.5.3.1 Grondwatersystemen Op bladzijde 54 is het volgende opgenomen. “Om de grondwaterdynamiek tijdens en na beëindiging van de zandwinning goed te kunnen monitoren stelt Sweco (2024) voor om peilbuizen te plaatsen in de direct omgeving van Zandwinning Echten. In Figuur 5-19 zijn de voorgestelde nieuwe peilbuizen (oranje punten) weergegeven ten opzichte van de reeds aanwezige peilbuizen in de omgeving van Zandwinning Traandijk (blauwe punten).” Op bladzijde 55 is het volgende opgenomen. “Uitgangspunten voor plaatsing van peilbuizen: • Peilbuizen dienen minimaal 15 meter van bestaande watergangen, greppels en de uitbreidingsgrens geplaatst te worden. • Indien keileem in het veld wordt aangetroffen, worden zowel een ondiep filter boven de keileemlaag als een diep filter onder de keileemlaag aangebracht. • Indien er geen keileem wordt aangetroffen, volstaat één meetfilter, waarvan de bovenkant minimaal 2 meter onder maaiveld ligt (afhankelijk van de lokale grondwaterdiepte). “ Reactie De locatie betreft een kwelgebied. Hierdoor zal het grondwater dicht aan de oppervlakte zitten. Verwacht mag worden dat de meeste peilbuizen hierdoor 2 m-mv worden geplaatst. Aangezien niet eerder over de keileem is gesproken en later dit lijkt te zijn gekoppeld aan de kleilaag (scheiding naar het 1ste watervoerende pakket), lijkt hier nooit een peilbuis een keileemlaag te doorsnijden.
Hierdoor is niet duidelijk welk doel de monitoring exact heeft. Dit lijkt enkel de peilstanden van het freatisch grondwater en niet diepere lagen welke tevens beïnvloed zullen worden. Tevens is op bladzijde 55 het volgende opgenomen. “Met het huidige MIPWA-model zijn de 'worst-case'-scenario’s doorgerekend, waaronder situaties met en zonder Domelaar-effect en variërende wateraanvoer in het winterhalfjaar. In de praktijk kan via peilbeheer het watersysteem worden geoptimaliseerd. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van retourstromen van proceswater en verhoging van het winterpeil in de bestaande plas. Proceswater bevat bovendien fijne fracties die bijdragen aan versnelde bodemvorming, wat gunstig is voor het herstellen van bodemweerstand.” Reactie Bij retourstromen van proceswater worden fijne fracties terug in de plas geplaatst. Deze fijne fractie zal niet snel neerslaan bij actieve werkzaamheden in de plas. Hoe dan de bodemweerstand wordt verhoogd, is niet duidelijk. Dit kan zorgen voor een verstoring van het evenwicht en eventuele omliggende grondwaterkwaliteit door de aanwezigheid vab met zwevende deeltjes, ook wel troebelheid).
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
23
Projectgerelateerd
5.5.4
Leemten in kennis
Op bladzijde 56 is het volgende opgenomen. “Voor het alternatief “Optimale Zandwinning” is tot op heden nog geen modelstudie uitgevoerd om de effecten op het grondwatersysteem te kwantificeren. Voor het alternatief “Optimale Natuurontwikkeling” is wél een geohydrologisch modelonderzoek uitgevoerd. Op basis van deze studie zijn de verwachte effecten op grondwaterstanden en stijghoogten in zowel de winningsfase als de eindsituatie inzichtelijk gemaakt voor beide alternatieven.” Reactie Hoe kunnen de effecten voor alternatief “Optimale Zandwinning” verkregen worden uit een model voor alternatief “Optimale Natuurontwikkeling”? Is het ontbreken van de modelstudie voor één van de alternatieven niet een gebreke? Tevens is op bladzijde 56 het volgende opgenomen. “In het huidige geohydrologisch onderzoek zijn daarnaast geen modelmatige analyses uitgevoerd van de effecten op kwel en wegzijging. Het plangebied bevindt zich in een kwelgevoelig gebied, en het is aannemelijk dat de bestaande kwelstromen als gevolg van de zandwinning zullen toenemen. Nader onderzoek naar de ontwikkeling van kwel- en wegzijgingsstromen wordt daarom aanbevolen. Tevens verdient het aanbeveling om de mogelijke effecten hiervan op het oppervlaktewatersysteem te toetsen.” Reactie Hiermee is het MER onvolledig en kan niet getoetst worden welke risico’s hierbij horen.
5.6
Natuur
5.6.1
Huidige situatie en beoordeling
5.6.1.1 Soorten Vogels Opmerkelijk is dat geen informatie is opgenomen en beoordeling van effecten op vogels. Voorbeelden van (potentieel) aanwezige soorten zijn Kievit, Geelgors, Scholekster en Buizerd. Amfibieën Op bladzijde 60 is het volgende opgenomen. “De bruine kikker en gewone pad zijn de amfibieën in de directe omgeving van het plangebied. Dit zijn amfibieën in de categorie algemene soorten.” Reactie De ringslang is ook in de omgeving waargenomen.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
24
Projectgerelateerd
5.6.2
Effectbeschrijving en beoordeling
5.6.2.1 Soorten Op bladzijde 62 is het volgende opgenomen. “De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: • De aanwezige watergangen worden afgesloten van kanaal en afgegraven; • De vegetatie in het plangebied wordt verwijderd en afgegraven; • Het bosje aan de Koekangerweg, bosschages en bomen binnen het plangebied worden gekapt; • Aanleg van een bovengrondse spuitleiding richting het bestaande werk- en depotterrein ten oosten van het plangebied; • Aanleg van een fietspad langs de Koekankerweg, bomenrij langs de Koekangerweg blijven behouden; • Afhankelijk van grondsoorten ten behoeve voor zandwinning, wordt het aanwezige gebouw gesloopt. • Indien deze aan de rand staat van het plangebied, blijft deze behouden.” Reactie Bij het 6de punt wordt gesproken over sloop van het aanwezige gebouw en bij het 7de punt dat deze behouden wordt als deze op de rand staat van het plangebied. Onduidelijk is welk gebouw hiermee bedoeld wordt. Bij het alternatief optimale Zandwinning is gesproken over 3 woningen, welke binnen het plangebied zouden vallen. Een separaat gebouw is onbekend. In het overzicht ontbreekt specifiek de gevolgen van de activiteit van het winnen van zand en de daarbij behorende trillingen en geluid.
In eerste instantie zal met een bulldozer de bovengrond worden verwijderd. Deze zullen op soorten een belangrijk effect hebben. Vermoedelijk zal ook een boosterpomp nodig zijn om over een langer tracé zand richting traandijk te transporteren. Dit zal geluid en trillingen genereren en op deze wijze effect hebben op soorten.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
25
Projectgerelateerd
Vogels Op bladzijde 63 is het volgende opgenomen. “De bebouwing met dakpannen valt buiten het plangebied en zal niet door de werkzaamheden worden aangetast.” En “Ondanks dat mogelijk een schuur verwijderd dient te worden, worden geen negatieve effecten op het leefgebied van de huiszwaluw verwacht.” En “Net als huiszwaluwen zijn boerenzwaluwen erg honkvast en keren ieder jaar terug naar de voorgaande broedlocatie. Mochten de schuren als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden verwijderd, dan worden hiermee mogelijk ook potentieel jaarrond beschermde nesten verwijderd.” Reactie In het alternatief “Optimale zandwinning” worden drie woningen gesloopt. Binnen dat plangebied worden dus wel degelijk bebouwing weggenomen. Onbekend is welke schuur of schuren er eventueel wel gesloopt gaan worden. Eerder was het enkelvoudig en later ook in meervoud. Onduidelijk is welke schuur of schuren er bedoeld worden. Ook worden in de beoordeling andere soorten (met name weidevogels) gemist. Vleermuizen Op bladzijde 63 is het volgende opgenomen. “Verblijfplaatsen: de landbouwschuren in het plangebied bestaan voornamelijk uit ijzeren platen en zijn daarmee ongeschikt voor vleermuizen te gebruiken als verblijfplaats. Ook zijn er geen bomen aanwezig met loszitten schors of holtes.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende en boombewonende soorten kan worden uitgesloten.” Reactie In hoeverre er is gekeken naar verblijfplaatsen in een spouw is niet bekend. Dit zal voor de bijgebouwen waarschijnlijk niet gelden, maar sommige huizen (binnen plangebied optimale zandwinning) hebben een spouw en dakpannen. Indien daar wel vleermuizen verblijven is dit van belang. De percelen met gebouwen en randen hebben wel degelijk opgaande begroeiing. Op bladzijde 64 is het volgende opgenomen. “Foerageergebied: het plangebied is marginaal geschikt voor vleermuizen door het zeer geringe oppervlak en de grotendeels afwezigheid van opgaande beplanting. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten.” Reactie Met name aan de randen en rondom de percelen met gebouwen is opgaande beplanting aanwezig. Niet is uit te sluiten dat in combinatie met bovenstaande verblijfplaats toch foerageergebieden aanwezig zijn. In hoeverre is in de nacht gekeken naar de aanwezigheid van vleermuizen om het e.e.a. uit te sluiten?
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
26
Projectgerelateerd
Zoogdieren – overige zoogdieren Op bladzijde 64 is het volgende opgenomen. “Het voorkomen van de steenmarter en boommarter in dit bosje dient daarom nader onderzocht te worden wanneer er gekapt wordt.” Reactie Als de marter op dat moment niet aanwezig is, omdat deze zich verstopt voor de menselijke activiteiten, hoe betrouwbaar is dan een nader onderzoek tijdens kap? Amfibieën Op bladzijde 64 is het volgende opgenomen. “Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde amfibieën niet verwacht door het ontbreken van een geschikte biotoop.” Reactie Uit waarneming blijkt dat de ringslang in de omgeving is gesignaleerd. Hier lijkt geen rekening mee te worden gehouden.
5.6.2.2 Biodiversiteit Op bladzijde 66 is het volgende opgenomen. “Bij het Alternatief optimale zandwinning is de impact op biodiversiteit beperkt. De inrichting van de zandwinplas is gericht op maximale zandopbrengst, met steile taluds (1:3) en rechte oevers zonder ecologische structuur. Er worden geen natuurvriendelijke oevers toegepast en de randen van de plas worden slechts ingezaaid met gras. De ecologische waarde van het gebied blijft hierdoor op een gemiddeld niveau.” Reactie Binnen het plangebied wordt een weidegebied verwijderd en maakt plaats voor een diepe plas. Daarnaast verdwijnt een klein deel van het aanwezige veen binnen het plangebied. Hiermee wordt de ecologische waarde verlaagd. Dit is daarmee strijdig met de voorgaande alinea. Op bladzijde 66 is het volgende opgenomen. “Bij Alternatief optimale natuurontwikkeling zal de biodiversiteit door meerdere maatregelen bij de totstandkoming van de zandwinplas verbeteren.” Reactie Hier wordt niet gesproken om de ontwikkeling van veen te bevorderen..