CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Natuurtoets fietspad _Ecogroen_20211001.pdf

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente De WoldenBij agendapunt: fietspad Linderweg en fietsbrug N486.988 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie Inventarisatie en beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale regels ten aanzien van het NNN

Gemeente De Wolden

Concept

Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464 E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie Inventarisatie en beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale regels ten aanzien van het NNN

21-283

1 oktober 2021

Concept

M. (Merlijn) de Graaf & A. (Anton) Alberts

H. (Harma) Scholten & M. (Marco) van der Sluis

Gemeente De Wolden

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Graaf, M. de & P. Peterman (2021). Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale regels ten aanzien van het NNN. Rapport 21-283. Ecogroen bv Zwolle.

Inhoud Samenvatting

1

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen 1.3 Leeswijzer

4 4 4 5

2.

Kader en methode 2.1 Wet natuurbescherming 2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.3 Onderzoeksmethode

7 7 8 9

3.

Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Vleermuizen 3.3 Grondgebonden zoogdieren 3.4 Broedvogels 3.5 Amfibieën 3.6 Overige soortgroepen

11 11 11 12 14 15 15

4.

Natura 2000 4.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden 4.2 Effectbeoordeling

16 16 16

5.

Natuurnetwerk Nederland 5.1 Ligging plangebied ten opzichte van het NNN 5.2 Aanwezigheid wezenlijke kenmerken en waarden 5.3 Effectbeoordeling

17 17 17 19

6.

Houtopstanden 6.1 Situatie planlocatie 6.2 Beoordeling en conclusie

21 21 21

7.

Geraadpleegde bronnen

23

Bijlagen

Samenvatting Aanleiding en doel De gemeente De Wolden heeft het voornemen een vrij-liggend fietspad te realiseren langs de Linderweg met bijbehorende nieuwe fietsbrug over de N48. Dit vanwege de onveilige situatie op de bestaande brug over de N48. Het fietspad vormt de verbinding tussen de Ommerweg en buurtschap Linde. Het te realiseren fietspad kan aan weerszijden van het bestaande viaduct komen. De uitkomsten van deze natuurtoets zullen meewegen in de keuze voor welke zijde het meest kansrijk is. In het kader van de ruimtelijke procedures zijn de effecten van (uitvoering van) het plan getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale regels ten aanzien van het NNN.

Soortbescherming • In het plangebied is geschikt leefgebied van grote bosmuis, sleedoornpage en grote weerschijnvlinder aanwezig, dat (mogelijk) deels verdwijnt als gevolg van de werkzaamheden. • In het plangebied bevinden zich groenstructuren die als vliegroute voor vleermuizen kunnen dienen. • Diverse algemeen voorkomende vogelsoorten kunnen in het plangebied en in de omgeving tot broeden komen. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten en/of onmisbaar foerageergebied worden niet in het plangebied verwacht. • Ten aanzien van de overige beschermde soort(groep)en grondgebonden zoogdieren, flora, amfibieën, reptielen en vissen zijn geen groei-, vaste rust- en verblijfplaatsen en/of onmisbaar foerageergebied aangetroffen of te verwachten, uitgezonderd soorten waarvoor in de provincie Drenthe vrijstelling van ontheffingsplicht geldt. • Voor de grondgebonden zoogdieren is het daarbij van belang dat de functionaliteit van de faunatunnels onder de Linderweg gewaarborgd blijft bij de verdere uitwerking van de plannen. Het onderdeel soortbescherming in de Wet natuurbescherming vormt met inachtneming van bovengenoemde punten mogelijk een belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

Nader onderzoek naar sleedoornpage (noordelijke tracé), grote weerschijnvlinder (noordelijke tracé) en grote bosmuis (beide tracés) is nodig om uitsluitsel te geven of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is.

Natura 2000 Het plangebied ligt op ruim 11 km afstand van Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten van het plan op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden zijn op voorhand uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt in de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens is het plangebied onderdeel van de ecologische/multifunctionele verbinding Drents-Friese Wold. De komst van het fietspad leidt mogelijk tot optische- en geluidsverstoring, oppervlakteverlies en versnippering. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN kunnen uitgesloten worden voor verstoring en versnippering, mits het fietspad ingepast wordt in het landschap, passend bij de natuurdoeltypen en doelsoorten hiervan en de functionaliteit van de faunatunnels onder de Linderweg gewaarborgd blijft bij de verdere uitwerking van de plannen.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

01

Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN kunnen op voorhand niet uitgesloten worden voor oppervlakteverlies. Het beleid ten aanzien van het NNN vormt mogelijk belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan en het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Bescherming van houtopstanden • Het plangebied ligt buiten de begrenzing bebouwde kom houtopstanden, zodat bescherming in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. De te vellen bomen maken onderdeel uit van een bos dat voldoet aan de criteria voor een ‘houtopstand’.

Advies en vervolgstappen • Om verstoring aan de potentiële vliegroutes van vleermuizen te voorkomen dient verlichting die mogelijk langs het fietspad wordt aangelegd geen lichtuitstraling naar de aanwezige groenstructuren te veroorzaken. Door gebruik te maken van spotjes laag bij de grond en of lichtarmaturen die op de grond gericht zijn, worden negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen voorkomen. • Uitvoering van het plan dient buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden om verstoring/aantasting te voorkomen. Globaal kan voor de broedperiode half februari tot en met half december worden aangehouden. Wanneer werkzaamheden binnen de broedperiode worden uitgevoerd, wordt geadviseerd om vooraf een broedvogelcontrole door een deskundige uit te laten voeren. • Het oppervlakteverlies van het NNN door het fietspad dient nader onderzocht te worden. In een vervolgtoets wordt het effect van oppervlakteverlies uitgewerkt per natuurbeheertype en wordt beoordeeld of het effect significant is. Om welk natuurbeheertype het gaat is afhankelijk van de gekozen optie (noord of zuid van de Linderweg). Mogelijk geldt compensatieplicht, waarvoor dan een compensatieplan moet worden opgesteld. Daarnaast dient, indien compensatie aan de orde is, voor het initiatief te worden aangetoond dat reële alternatieven ontbreken en dat sprake is van een groot openbaar belang.

• Bij de verdere planuitwerking is het van belang het fietspad, indien gekozen wordt voor het zuidelijke tracé, ingepast wordt in het landschap, passend bij de natuurdoeltypen en doelsoorten hiervan. Daarnaast is het voor beide tracés van belang dat de functionaliteit van de faunatunnels onder de Linderweg gewaarborgd blijft. • Aangezien (een deel van) het leefgebied van sleedoornpage, grote weerschijnvlinder en grote bosmuis mogelijk wordt verwijderd, wordt aanvullend onderzoek naar aanwezigheid van deze soorten geadviseerd: – Dit bestaat voor sleedoorpage en grote weerschijnvlinder uit een veldbezoek in de winterperiode waarbij gekeken wordt of er eitjes aanwezig zijn. – Voor grote bosmuis bestaat dit uit een onderzoek met live traps, bij voorkeur in het najaar. – Indien een soort wordt aangetroffen is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag dienen in een activiteitenplan de mitigerende maatregelen te worden beschreven en een onderbouwing van het wettelijk belang (Wnb, art. 3.10) en het ontbreken van andere bevredigende oplossingen (alternatievenoverweging). • Voor vellen van de bomen geldt een meldings- en herplantplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Provincie Drenthe is hiervoor bevoegd gezag.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

02

• Uit voorliggend onderzoek blijkt dat beide tracés vanuit natuurwetgeving realiseerbaar zijn, maar dat vanuit ecologisch perspectief een voorkeur bestaat voor het noordelijke tracé, omdat – Er dan geen maatregelen voor landschappelijke inpassing van het fietspad nodig zijn om verstoring van het ecoduct te mitigeren; – Er sprake is van minder oppervlakteverlies van NNN; – Hier op voorhand meer ruimte lijkt voor het waarborgen van de functionaliteit van de faunapassages. Mogelijk dat het nader onderzoek naar de NNN-compensatieopgave, de sleedoornpage, de grote weerschijnvlinder en de grote bosmuis nog andere inzichten geeft.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

03

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Het bestaande viaduct over de N48 wordt gebruikt als fiets- en autoverbinding tussen de Ommerweg en buurtschap Linde. Door slecht zicht op het viaduct ontstaat een onveilige situatie voor gebruikers van de weg (vooral fietsende schoolgaande jeugd). De gemeente De Wolden heeft het voornemen een vrijliggend fietspad te realiseren langs de Linderweg met bijbehorende nieuwe fietsbrug over de N48. Op dit moment worden van twee tracés onderzocht, aan weerszijden van het bestaande viaduct. De uitkomsten van deze natuurtoets wegen mee in de uiteindelijke keuze tussen de tracés. Uitvoering van het plan kan effect hebben op beschermde natuurwaarden. De Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale regels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) verplichten vooraf te toetsen of plannen conflicteren met beschermde natuurwaarden. In voorliggende quickscan natuurtoets zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen beoordeeld op de onderdelen soortbescherming, gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) en de bescherming van houtopstanden. Het uitgevoerde onderzoek en de resultaten zijn in voorliggende rapportage beschreven en worden gebruikt ter onderbouwing van de aanvraag van de omgevingsvergunning en wijziging van het bestemmingsplan.

1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen Ligging en huidige situatie plangebied Het plangebied ligt ten noordwesten van buurtschap Linde, in het zuidelijk gedeelte van de gemeente De Wolden (zie figuur 1.1). Aan de noordzijde grenst het plangebied aan bos en grasland. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan ruigte/bos (onderdeel van het NNN). Het ecoduct Stiggeltie ligt ten zuiden van het plangebied. Tussen de twee tracés voor het fietspad ligt de Linderweg. De weg maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Het plangebied wordt aan de oost- en westzijde begrensd door de Linderweg en Ommerweg.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

04

Figuur 1.1 Locatie van het plangebied, met beide tracés voor het fietspad (rode lijnen). Bron achtergrond: PDOK.

Het plangebied heeft een lengte van grofweg 850 meter per fietspad. Dit de trajecten van zowel de noordelijke als de zuidelijke tracé. Het plangebied bestaat uit de berm van de Linderweg, bos en ruigte. Bebouwing en oppervlaktewater ontbreken in het plangebied.

Voorgenomen ontwikkelingen Gemeente De Wolden is van plan een vrij-liggend fietspad langs de Linderweg aan te leggen dat de veiligheid voor fietsers vergroot. Het betreft een fietspad voor twee richtingen, die aan de noord- of zuidzijde van de Linderweg wordt gerealiseerd. Voorliggende natuurtoets draagt bij aan de keuze tussen deze tracés. Omdat het viaduct van de Linderweg over de N48 te smal is, buigt het fietspad ter hoogte van dit viaduct af en loopt daar over een nieuw aan te leggen fietsbrug. Over vrijwel de gehele lengte wordt een fietspad van 2,5 meter breed en een obstakelvrije berm van 1 meter aan beide zijden aangelegd. Voor de aanleg van het fietspad worden bomen gekapt.

1.3 Leeswijzer Het kader waarbinnen de natuurtoets is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. Op basis van de verzamelde informatie volgt een beschrijving van te verwachten effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 3). Effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) worden

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

05

beschreven in respectievelijk hoofdstuk 4 en 5. Bescherming van houtopstanden wordt behandeld in hoofdstuk 6. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 een overzicht van de gebruikte bronnen gegeven.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

06

2. Kader en methode 2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) (Overheid, 2021a) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. Dit rapport gaat in op soort- en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en bescherming van houtopstanden. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR).

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd.

– Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

07

Houtopstanden (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 4 regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.

Toetsingskader bestemmingsplannen Ten behoeve van vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan dient (conform jurisprudentie 1) ten aanzien van Natura 2000 de Wet natuurbeschermingstoets uitgevoerd te worden. Deze is vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming. Dit houdt kortweg in dat voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidige feitelijke, planologisch legale situatie en de toekomstige maximale plansituatie. Ten aanzien van soortbescherming (Hoofdstuk 3, Wnb) is in de Wet natuurbescherming geen toetsingskader opgenomen ten aanzien van plannen. Voor soortbescherming wordt in het kader van plannen de uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd, die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er een ontheffing nodig is en zo ja, of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan.

2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Overheid 2021b) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het

1 ECLI:NL:RVS:2020:2318

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

08

bestemmingsplan, geldt een ‘nee-tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen en verankerd in de bestemmingsplannen. Indien geen sprake is van een nieuw vast te stellen bestemmingsplan, dan wel dat een omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan niet vereist is, is toetsing aan het NNN niet aan de orde. Het Drentse natuurbeleid is uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de regels zijn vastgelegd in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet is toegestaan, tenzij er sprake is van het ontbreken van reële alternatieven en er redenen zijn van groot openbaar belang. Uitgangspunt hierbij is dat nadelige effecten op de natuur worden verzacht (mitigatie) of de verloren gegane natuur op een andere plek wordt vervangen (compensatie). Hierbij wordt het compensatiebeginsel gehanteerd (Ministeries van LNV en VROM en de provincies, 2007).

2.3 Onderzoeksmethode Literatuuronderzoek Allereerst is nagaan of het plangebied binnen/nabij beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) ligt. Ook is bronnenonderzoek uitgevoerd om uit te zoeken of beschermde natuurwaarden bekend zijn in en rondom het plangebied. Er is gebruik gemaakt van beschikbare gegevens zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), relevante rapporten (Peterman, 2015a, Peterman, 2015b, Verburg, 2015 en De Graaf & Peterman, 2020) en provinciale kaartviewers. Zie voor een volledig overzicht het hoofdstuk ‘Geraadpleegde bronnen’.

Veldbezoek De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 29 september 2021 (droog – regen, bewolkt, 12° C, matige wind) is uitgevoerd. Het plangebied en de directe omgeving zijn onderzocht door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek is aandacht besteed aan beschermde soorten binnen de Wnb en mogelijke relaties tussen het onderzoeksgebied en beschermde gebieden. Extra aandacht is besteed aan sleedoorn en het sperwernest die bij de eerdere natuurtoets zijn aangetroffen. Daarnaast is in kaart gebracht of (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van broedvogels aanwezig zijn binnen het plangebied. Aanwezige bomen zijn geïnspecteerd op holtes en gaten voor vleermuizen. Tenslotte zijn biotoopinschattingen voor beschermde soort(groep)en gedaan.

Toetsing Op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek is beoordeeld welke beschermde waarden (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voornemen bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten (hoofdstuk 3). Indien sprake is van (mogelijk) negatieve effecten is advies gegeven over te nemen vervolgstappen. Voor het onderdeel gebiedsbescherming is een Voortoets uitgevoerd. Hierin is beoordeeld of negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden – de zogenoemde instandhoudingsdoelen – van Natura 2000-gebieden zijn te verwachten, en zo ja, of deze significant kunnen zijn (hoofdstuk 4). Voor de regels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

09

is voor het voornemen bepaald welk provinciaal toetsingskader geldt en of er effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden optreden (hoofdstuk 5). Voor bescherming van houtopstanden wordt nagegaan of de te kappen bomen binnen de grens bebouwde kom Wnb staan, welk toetsingskader aan de orde is en welke vervolgstappen aan de orde zijn.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

10

3. Soortbescherming 3.1 Flora Het opgaand groen in het plangebied bestaat uit soorten als smalle weegbree, knoopkruid, Jakobskruiskruid, kropaar, ruige zegge, akkerdistel, perzikkruid, grote brandnetel, braamstruweel, brem, eenstijlige meidoorn, vlier sleedoorn, hazelaar, ruwe berk, gewone es en zomereik. De aangetroffen soorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Tijdens het veldbezoek zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (o.a. NDFF, 2021) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

3.2 Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie kader 3.1). Hieronder worden (effecten op) deze onderdelen van het leefgebied nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en zijn te onderscheiden in kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen vaak jarenlang dezelfde lijnvormige structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag vormen bepaalde structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebied Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wnb echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen Holten en spleten in bomen die kunnen leiden tot vleermuisverblijfplaatsen zijn niet in het plangebied aangetroffen. Daarnaast is bebouwing binnen het plangebied afwezig. De plannen hebben gezien de lokale aard en omvang geen effect op verblijfplaatsen van vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, die in de nabije omgeving van het plangebied bekend zijn (NDFF, 2021). Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn zodoende niet aan de orde.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

11

Vliegroutes Het aanwezige opgaand groen in het plangebied vormt (onderdeel van) een doorlopende lijnvormige structuur die als vliegroute kan dienen voor soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF, 2021). In de huidige situatie is verlichting langs de Linderweg aanwezig. Mogelijk wordt extra verlichting langs het fietspad aangelegd. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht op de vliegroutes, waardoor het aanbrengen van verlichting mogelijk leidt tot negatieve effecten op vliegroutes. Door het aanwezig blijven van bosstroken langs het plangebied, blijven geleidende groenstructuren die voor vleermuizen van belang zijn als vliegroute wel aanwezig. Om verstoring aan de potentiële vliegroutes van vleermuizen te voorkomen dient verlichting die mogelijk langs het fietspad wordt aangelegd geen lichtuitstraling naar de aanwezige groenstructuren te veroorzaken. Door gebruik te maken van spotjes laag bij de grond en of lichtarmaturen die op de grond gericht zijn, kunnen negatieve effecten op vliegroutes voorkomen worden.

Foerageergebieden Door de aanwezigheid van ruigte langs opgaand groen vormt het plangebied geschikt foerageergebied voor soorten zoals de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Bij de kap van opgaand groen en invulling met een fietspad gaat beperkt foerageergebied verloren. Het plangebied vormt echter geen onmisbaar foerageergebied en in de omgeving van het plangebied zijn ruim voldoende alternatieve foerageergebieden beschikbaar in de vorm van te handhaven bosjes, erfbeplanting en bomenrijen. Het nemen van vervolgstappen is voor foerageergebieden van vleermuizen niet aan de orde.

3.3 Grondgebonden zoogdieren Grote bosmuis Verspreid in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote bosmuis (NDFF, 2021). De grote bosmuis bouwt een nest als verblijfplaats. Het nest bevindt zich ondergronds, meestal onder een boomstronk of tussen boomwortels. Het nest bekleden ze met bladeren en mos. Ze graven zelden zelf een hol maar gebruiken holen van onder andere mol, konijn, woelmuizen of das. In de voortplantingstijd graaft het vrouwtje ook andere muizenholen verder uit. Binnen het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig in zowel de noordelijke als de zuidelijke tracé. Het gaat daarbij om de met braamstruwelen en hazelaar begroeide bosranden . Om na te gaan of de grote bosmuis daadwerkelijk gebruik maakt van het plangebied als leefgebied is aanvullend onderzoek nodig. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met zg. live traps, bij voorkeur in het najaar (september/oktober). Als de soort wordt aangetroffen is een ontheffing Wet natuurbescherming aan de orde.

Overige grondgebonden zoogdieren Sporen die wijzen op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals steenmarter, das en eekhoorn) zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Verblijfplaatsen worden in het plangebied op basis van het uitgevoerde onderzoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) uitgesloten. Mogelijk wordt het

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

12

plangebied wel in beperkte mate als foerageergebied gebruikt door soorten als de das en steenmarter die in de omgeving van het plangebied verblijfplaatsen hebben (Verburg, 2015; NDFF, 2021). Door beperkte aantasting van foerageergebied en de aanwezigheid van ruim voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving van de verblijfplaatsen, is in principe geen sprake van verlies van essentieel foerageergebied van beschermde grondgebonden zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals steenmarter, das en eekhoorn). Er liggen echter drie faunatunnels onder de Linderweg, die het ecoduct Stiggeltie verbinden met de bossen ten noorden van de weg. Zowel op het ecoduct als in de omgeving van de noordelijke uitgangen van de faunatunnels zijn veel sporen van das aangetroffen, waardoor het aannemelijk is dat de faunatunnels een belangrijke verbinding vormen tussen het ecoduct en het leefgebied ten noorden van de Linderweg (een eiken-berkenbos, agrarisch grasland en een maisakker). Het is aannemelijk dat de faunatunnel ook van belang zijn voor het verbinden van leefgebied van andere soorten beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals steenmarter en eekhoorn. Het is daarom van belang om de functionaliteit van deze faunatunnels te waarborgen in de verdere planvorming rondom de fietspaden.

Dit geldt voor beide tracés, zowel tijdens de werkzaamheden aan het fietspad als tijdens de gebruiksfase. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet aan de orde, mits de functionaliteit van de faunatunnels onder de Linderweg gewaarborgd blijft. Daarnaast zijn in het plangebied vaste verblijfplaatsen van algemene grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere egel, bosspitsmuis en rosse woelmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze soorten geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Drenthe vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming (Provincie Drenthe, 2018), waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

13

3.4 Broedvogels Bij broedvogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie ook kader 2.1).

Soorten met jaarrond beschermde nesten Van veel broedvogels zijn de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties incl. de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (kader 3.2). Kader 3.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Op basis van het uitgevoerde veldbezoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens (o.a. NDFF, 2019) worden geen nestplaatsen of onmisbaar foerageergebied van overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten verwacht in het plangebied. In De Graaf & Peterman (2020) is nader onderzoek uitgevoerd naar een es ten oosten van het ecoduct Stiggeltie op circa 5 meter van de zuidelijke tracés. In 2020 was het nest niet in gebruik door sperwer. In 2021 is het nest in gedegradeerde vorm aangetroffen. Vervolgstappen voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen zijn niet aan de orde.

Overige broedvogels In het plangebied kunnen diverse algemene broedvogels zoals houtduif, merel en winterkoning worden verwacht. Door de geplande werkzaamheden (met name het kappen van bomen en verwijderen van struweel en ruigte) gaan mogelijk broedplekken van bovengenoemde soorten verloren. In de omgeving van het plangebied blijven ruim voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar als de nestlocatie verloren gaat. Werkzaamheden die zorgen voor schade of ernstige verstoring van bewoonde nesten (leidend tot het verlaten van nesten), dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen (half december tot half februari). Met name te verwachten soorten als de houtduif en merel kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart dan is voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcontrole nodig door een ter zake deskundige. Mochten broedende vogels aanwezig zijn dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

14

3.5 Amfibieën Door de afwezigheid van permanent oppervlaktewater is voortplanting van amfibieën in het plangebied uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (o.a. NDFF, 2021) wordt overwintering van de soorten in de Habitatrichtlijn, de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder provinciale vrijstelling (zoals poelkikker en heikikker) niet verwacht. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel is overwintering van algemene amfibieënsoorten zoals gewone pad en bruine kikker te verwachten in de strooisellaag in het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in Drenthe voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.

3.6 Overige soortgroepen Sleedoornpage In de (ruime) omgeving van het plangebied is sleedoornpage bekend (NDFF, 2021). In het plangebied is geschikt voortplantingsbiotoop in de vorm van sleedoornstruweel (waardplant) aanwezig aan de rand van de berm langs de Linderweg, in beide tracés. Voor sleedoornpage is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van eitjes op de sleedoornstruiken in het zuidelijke tracé. Hierbij zijn géén eitjes van sleedoorpage aangetroffen. In het noordelijke tracé is nog geen aanvullend onderzoek uitgevoerd. Om na te gaan of de sleedoornpage daadwerkelijk gebruik maakt van het plangebied (noordelijke tracé) als leefgebied is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kan in de winterperiode (november t/m begin maart) te worden gezocht naar aanwezigheid van de eitjes van sleedoornpage. Als de eitjes worden aangetroffen is een ontheffing Wet natuurbescherming aan de orde voor deze soort.

Grote weerschijnvlinder In de (ruime) omgeving van het plangebied is sleedoornpage bekend (NDFF, 2021). In het plangebied is geschikt voortplantingsbiotoop in de vorm van boswilg (waardplant) aanwezig aan de rand van de berm langs de Linderweg, in noordelijke tracé. Om na te gaan of grote weerschijnvlinder daadwerkelijk gebruik maakt van het plangebied (noordelijke tracé) als leefgebied is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kan in de winterperiode (november t/m begin maart) worden gezocht naar aanwezigheid van de eitjes van grote weerschijnvlinder. Als de eitjes worden aangetroffen is een ontheffing Wet natuurbescherming aan de orde voor deze soort.

Overige soorten Op basis van het veldbezoek, de terreinkenmerken, habitateisen van overige soorten en bekende verspreidingsgegevens (o.a. NDFF, 2021), worden in het plangebied geen beschermde reptielen, vissen en overige ongewervelden verwacht. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

15

4. Natura 2000 4.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft Vecht en Beneden Reggegebied op circa 11,7 kilometer afstand (zie figuur 4.1). Andere Natura 2000-gebieden (waaronder Dwingelderveld en Mantingerzand) liggen op grofweg 15 kilometer afstand.

Figuur 4.1 Ligging plangebied (rode lijn) ten opzichte van begrenzing omliggende Natura 2000-gebieden (geel/groen). Bron: AERIUS Calculator.

4.2 Effectbeoordeling Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied, zodat directe negatieve effecten zoals oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden van soorten op voorhand zijn uitgesloten. De potentiële effecten beperken zich zodoende uitsluitend tot externe werking. Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer, 2005, 2010), bekende dosis-effectrelaties (zie geraadpleegde bronnen) en expert judgement zijn effecten tijdens de aanleg- en gebruiksfase van het fietspad op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. De werkzaamheden aan het fietspad zijn in de Wnb vrijgesteld van een beoordeling van de effecten van stikstofdepositie.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

16

5. Natuurnetwerk Nederland 5.1 Ligging plangebied ten opzichte van het NNN Het plangebied ligt (deels) in de begrenzing van het NNN (zie figuur 5.1).

Figuur 5.1 Ligging plangebied (rode lijnen) ten opzichte van begrenzing NNN (donkergroen) (Bron: Provincie Drenthe).

5.2 Aanwezigheid wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in de provincie Drenthe hebben betrekking op de actuele en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied. Deze zijn beschreven in de natuurdoelen. De natuurdoelen zijn globaal vastgelegd op de natuurbeheertypenkaart en de ambitiekaart (provincie Drenthe, 2021). In figuur 5.2 en 5.3 zijn de natuurbeheertypen en ambities in en rondom het plangebied op kaart weergegeven. De noordelijke optie van het fietspad overlapt met beheertype N16.03 ‘droog bos met productie’. De zuidelijke optie van het fietspad overlapt met de beheertypen N15.02 ‘dennen-, eiken- en beukenbos’, N12.02 ‘kruiden- en faunarijkgrasland’ en N12.06 ‘ruigteveld’. Hierbij wordt opgemerkt dat de natuurbeheertypen globaal op kaart zijn ingetekend. Als gevolg hiervan komen de grenzen van de natuurbeheertypen niet exact overeen met de ondergrond.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

17

Figuur 5.2 Natuurbeheertypen binnen het NNN en het plangebied volgens de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan 2021. (Bron: Provincie Drenthe, 2021)

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

18

Figuur 5.3 Natuurbeheertypen binnen het NNN en het plangebied volgens de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan 2021. (Bron: Provincie Drenthe, 2021)

5.3 Effectbeoordeling Het plangebied ligt in NNN waardoor de uitvoer van het plan direct effect heeft op het NNN. De wezenlijke kenmerken en waarden die mogelijk worden aangetast worden hieronder beschreven.

Verstoring Verstoring door geluid, licht en beweging treedt op gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase. Tijdens de aanlegfase is verstoring door mensen en machines mogelijk. Deze verstoring is echter van tijdelijke aard, waardoor permanente effecten op NNN-doelen uitgesloten worden. Bovendien is verstoring beperkt doordat de werkzaamheden overdag en buiten het broedseizoen plaatsvinden. Tijdens de gebruiksfase is er verstoring door fietsers en mogelijk voetgangers die gebruik maken van het nieuwe fietspad. Verstoring kan leiden tot vermindering van het aantal broedvogels die indicatoren zijn voor de kwaliteit van natuurbeheertypen N16.03 ‘droog bos met productie’ (noordelijke tracés) of N15.02 ‘dennen-, eiken- en beukenbos’ en N12.06 ‘ruigteveld’ (zuidelijke tracés). Effecten van verstoring op deze broedvogels zijn in voorliggend geval beperkt, doordat het fietspad direct langs de bestaande weg wordt aangelegd. De bestaande weg wordt ook in de huidige situatie door fietsers gebruikt.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

19

Natuurbeheertype N12.02 ‘kruiden- en faunarijk grasland’ heeft ook een aantal soorten dagvlinders als kwaliteitsindicator. Deze soortgroep ondervindt geen negatieve effecten van optische- en geluidsverstoring. Ten zuiden van de Linderweg ligt over de N48 het ecoduct Stiggeltie. Uit een eerdere natuurtoets blijkt dat de aanleg van het fietspad aan de zuidzijde van de Linderweg en deels over het ecoduct geen belemmering vormt voor de functionaliteit van het ecoduct (De Graaf & Peterman, 2020), mits het fietspad ingepast wordt in het landschap, passend bij de natuurdoeltypen en doelsoorten hiervan. De aanleg van het fietspad aan de noordzijde of de zuidzijde van de Linderweg (zonder traject over het ecoduct), vormt daarom ook geen effect belemmering voor de functionaliteit van het ecoduct Stiggeltie. Voor de zuidelijke tracé geldt dan als voorwaarde dat het fietspad ingepast wordt in de bestaande bospercelen. Het resterende delen van de bospercelen zorgen dan voor voldoende afscherming richting het ecoduct. Mocht inpassing in een bosperceel niet mogelijk zijn, dient het fietspad ingepast te worden in het landschap, passend bij de huidige natuurdoeltypen en doelsoorten hiervan, zodat het ecoduct afgeschermd ligt ten opzichte van het fietspad.

Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zijn uitgesloten, mits aan bovenstaande voorwaarde voor de zuidelijke tracés wordt voldaan.

Oppervlakteverlies Voor de aanleg van het fietspad wordt een deel van het bos langs de Linderweg verwijderd waardoor oppervlak van de natuurbeheertypen N16.03 (noordelijke tracés) of N15.02 ‘dennen-, eiken- en beukenbos’, N12.02 ‘kruiden- en faunarijkgrasland’ en N12.06 ‘ruigteveld’ (zuidelijke tracé) verdwijnt. In het provinciaal beleid worden geen richtlijnen gegeven wanneer sprake is van significante aantasting van het oppervlak. Er verdwijnt globaal 0,25 ha NNN in geval van de noordelijke tracé of 0,3 ha NNN in geval van de zuidelijke tracé . Gezien deze omvang is mogelijk sprake van een significante afname, waardoor we significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden niet kunnen uitsluiten. Mogelijk geldt compensatieplicht voor het oppervlakteverlies.

Versnippering Het ecoduct Stiggeltie is onderdeel van de ecologische/multifunctionele verbinding Drents-Friese Wold. Deze verbinding vormt de ruggengraat voor de natuur in Drenthe en sluit aan op het NNN van Overijssel. Onder de Linderweg liggen drie faunapassages die het ecoduct verbinden met het landschap ten noorden van de Linderweg. Dit landschap bestaat hier uit bossen, een agrarische grasland en een maisperceel. Zowel op het ecoduct als ten noorden van de Linderweg zijn diverse sporen aangetroffen die er op duiden dat de faunapassages onder de Linderweg een belangrijke functie vervullen voor lokale populaties van grondgebonden zoogdieren (o.a. das), zie paragraaf 3.3. Het is daarom van belang dat bij de verdere planvorming rekening wordt gehouden met de ligging van de faunapassages, zodat de functionaliteit van de passages gewaarborgd blijft. Dit geldt voor beide tracés. Bij het noordelijke tracé lijkt hier op voorhand de meeste ruimte voor beschikbaar. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden uitgesloten voor versnippering, mits de functionaliteit van de faunapassages gewaarborgd blijft in de verdere planuitwerking.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

20

6. Houtopstanden 6.1 Situatie planlocatie Voor de aanleg van het fietspad worden binnen het plangebied bomen gekapt. Een deel van de bomen direct langs de Linderweg wordt verwijderd. Het plangebied ligt buiten de begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1 Ligging plangebied (rode lijn) en grens bescherming houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming (groen).

6.2 Beoordeling en conclusie Houtopstanden in het plangebied vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming (art. 4.14.5), gezien de ligging buiten de begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming. Conform de begripsbepaling in de wetstekst Wet natuurbescherming betreft een houtopstand een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: • een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of • bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De te vellen bomen maken onderdeel uit van een bos dat voldoet aan de criteria voor een ‘houtopstand’. Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van de Wet natuurbescherming vervolgstappen aan de orde zijn.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

21

Voor vellen van de bomen geldt een meldings- en herplantplicht. Geadviseerd wordt deze conclusie voor te leggen aan bevoegd gezag (Provincie Drenthe).

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

22

7. Geraadpleegde bronnen Literatuur Alterra (2001). Handboek Robuuste Verbindingen; ecologische randvoorwaarden. Alterra, Research Instituut voor de Groen Ruimte te Wageningen. Bergers P.J.M. (1997). Versnippering door railinfrastructuur, een verkennende studie. Rapportnr: 262. IBN-DLO te Wageningen. BIJ12 (2017). Kennisdocument Buizerd Buteo buteo. Versie 1.0, juli 2017. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Wageningen, Alterra-rapport 1976, Alterra, Wageningen. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins & C.C. Vos (2005). Effectenindicator Natura 2000-gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen. Drenthe (2012). Bekendmaking aanwijzing artikel 67 inzake nulstand grote evenhoevigen, Drenthe. Staatscourant dd. 5-12-12, Nr. 25172. Drenthe (2014a). De Natuurvisie 2040 Drenthe ‘Gastvrije natuur’. Provinciale staten te Assen. Drenthe (2014b). Actualisatie omgevingsvisie Drenthe 2014. Provincie Drenthe te Assen. Drenthe (2014c). Flora‐ en faunabeleidsplan 2014. Provincie Drenthe te Assen. Drenthe (2018). Omgevingsvisie Drenthe 2018, structuurvisie. Vastgesteld (2018-10-03). Provincie Drenthe te Assen Gerritsma, A. & A. Alberts (2021). Verkennende stikstofberekeningen fietsbrug N48 Linde. Notitie 21-094. Ecogroen bv Zwolle. Graaf, M de & P.

Peterman (2020). Quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en de provinciale regels ten aanzien van het NNN. Rapport 19-205. Ecogroen bv Zwolle. Min. EZ (2015). Effectenindicator Natura 2000-gebieden. Aanvulling bij Alterra-rapport 1375 uit 2005. Min. EZ (2014, 2008). Profielendocumenten habitattypen en soorten. Provincie Drenthe (2018). Geconsolideerde Omgevingsverordening Drenthe (oktober 2018). Provincie Drenthe (2021). Natuurbeheerplan Drenthe, versie 2021.

Internet Broedvogelkalender (https://mijn.rvo.nl/documents/20448/80143/Natuurkalender+voor+vogels/...) NDFF: Nationale Databank Flora en Fauna (https://ndff-ecogrid.nl/). Geraadpleegd in september 2021 Overheid (2021a). Wet natuurbescherming. http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/. Geraadpleegd 25 september 2021. Overheid (2021b). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/. Geraadpleegd 25 september 2021.

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

23

Rijksoverheid (2021). Wet natuurbescherming (https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/). Zoogdiervereniging – informatie zoogdieren (https://www.zoogdiervereniging.nl/Zoogdieren%20A-Z)

Update quickscan natuurtoets fietspad Stiggeltie

24

Bijlagen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11120317/1