Beleidsnota Ecologische bermbeheer De Wolden Ecogroen concept 14 januari 2021
Tekst van het document
Bijlage 2 – Kansenkaart (afzonderlijke bijlage)
Bijlage 3 – Onderzoeksmethode nulmeting en kansenkaart Om in kaart te brengen waar kansen voor uitbreiding van het ecologisch bermbeheer liggen, is een nulmeting uitgevoerd van de huidige soortenrijkdom van de bermen in het buiten gebied van gemeente De Wolden. De gebruikte methode wordt hier nader toegelicht.
Nulmeting Voorafgaand aan de nulmeting heeft vooronderzoek plaatsgevonden om een algemeen beeld te krijgen van de bermen binnen de gemeente. Tijdens een drietal veldbezoeken zijn steekproefsgewijs bepaald welke vegetatietypes binnen de gemeente voorkomen. Als uitgangspunt voor het toekennen van vegetatietypes aan de wegbermen is de typologie van Rijkswaterstaat gebruikt. Een overzicht van de aanwezige vegetatietypes is te vinden in tabel B1. Aan deze typologie zijn twee sub-associaties toegevoegd (zie kader B1). Tabel B1 Overzicht van de algemeen aanwezige vegetatietypes volgens de typologie van Rijkswaterstaat in de gemeente De Wolden. Vegetatietype
Code
Kensoorten
Soortenrijkdom
Sub-associatie
Kensoorten aanwe-
Vlasbekje – St.- Janskruid
AZ 1
Vlasbekje, St. Jans-
Middel
n.v.t.
n.v.t.
Middel
n.v.t.
n.v.t.
Laag
n.v.t.
n.v.t.
Laag
n.v.t.
n.v.t.
zig berm
kruid
Klaproos-Raket berm
AZ 2
Soortenarm grasland op
AZ 4
Grote klaproos, reukloze kamille
zand
Veldzuring, schapenzuring, biggekruid
Droge ruigte
AZ 5
Akkerdistel, bijvoet, fluitekruid, grote brandnetel, haagwinde, harig wilgenroosje
Gazon
AZ 7
Kort gemaaid gras
Laag
n.v.t.
n.v.t.
Ruige glanshaverhooilan-
AK 1-1
Gewone beren-
Laag
Zeer ruig
Zeer talrijk
den
klauw, fluitekruid, scherpe boterbloem, smeerwortel, witte dovennetel
Ruige glanshaverhooilan-
AK 1-2
Zie hierboven
Middel
Matig ruig
Matig talrijk
AK 2
Engels raaigras,
Laag
n.v.t.
n.v.t.
Hoog
Goed ontwikkeld
Talrijk
den Gemeenschap van Engels raaigras en grote weeg-
grote weegbree
bree Bermen met gladde witbol
EZ 1-1
en havikskruiden
Hengel, schermhavikskruid, stijf havikskruid
Bermen met gladde witbol
EZ 1-2
Zie hierboven
Middel
Matig ontwikkeld
beperkt/afwezig
EZ 2
Gewone rolklaver,
Hoog
n.v.t.
n.v.t.
en havikskruiden Glanshaverhooilanden op schrale bodem
hondsdraf, knoopkruid, margriet,
ringelwikke, wilde peen Heischraal grasland
EZ 5
Dopheide, gewoon
Hoog
n.v.t.
n.v.t.
Middel
n.v.t.
n.v.t.
biggekruid, liggend walstro, tormentil, gaspeldoorn Loofbos op zand
EZ 9
Amerikaanse vogelskers, varens
De wegen in het buitengebied zijn opgedeeld in logische trajecten (bijvoorbeeld van kruispunt tot kruispunt). Aan elk traject is een nummer toegekend. Vervolgens zijn aan elk traject vegetatietypes verbonden. De drie meest voorkomende vegetatietypes zijn genoteerd met het bijbehorende percentage van de berm dat de vegetatietypes in beslag neemt. Een voorbeeld: de berm langs traject 271 bestaat uit 60% AK 1-2, 30% EZ 1-2 en 10% AZ 7. De nulmeting vond plaats in september 2020 voorafgaand aan de tweede maaironde van het maaiseizoen. De veldbezoeken zijn uitgevoerd door een expert op het gebied van vegetatie. Alle wegbermen zijn vanuit de auto beoordeeld. Bij twijfel of bij bermen die een nadere inspectie vereisten is uitgestapt. In een tabel is bijgehouden welke drie vegetatietypes in de bermen voorkomen. Daarnaast zijn er foto’s (voorzien van GPS coördinaten) gemaakt voor toekomstige referentie. Kader B1 Onderverdeling sub-associaties Een uitzondering op de typologie van Rijkswaterstaat is een tweedeling in de typen Ruige glanshaverhooilanden (AK 1) en Bermen met gladde witbol en Havikskruiden (EZ 1). Binnen het type AK 1 zijn twee sub-associaties onderscheiden, AK 1-1 en AK 1-2. In bermen die onder de sub-associatie AK 1-1 vallen, zijn soorten als gewone berenklauw, ridderzuring en brandnetel in grote mate aanwezig. Deze bermen worden als zeer ruig getypeerd.
In de sub-associatie AK 1-2 zijn deze soorten minder dominant. Bermen met deze sub-associatie worden matig ruig genoemd. Binnen het type EZ 1 zijn ook twee sub-associaties onderscheiden. EZ 1-1 en EZ 1-2. De sub-associatie EZ 11 is een goed ontwikkeld vegetatietype waar belangrijke kensoorten als havikskruiden frequent aanwezig zijn. De sub-associatie EZ 1-2 is matig ontwikkeld. In de bermen met dit type zijn havikskruiden niet of beperkt aanwezig. Deze onderverdeling is sub-associaties is gemaakt om tot een genuanceerdere kansenkaart te komen. De onderverdeling heeft invloed op het beheer dat is geadviseerd.
Kansenkaart De nulmeting vormde de basis voor de kansenkaart. Voor de totstandkoming van de kansenkaart zijn een aantal uitgangspunten gehanteerd. Er is rekening gehouden met huidige bermbreedte, verbindend karakter en soortenrijkdom. Bermbreedte Allereerst is voor alle bermen de breedte bepaald met behulp van het programma QGIS. Bermen die ≤2 meter breed zijn, zijn minder geschikt voor ecologisch bermbeheer. Deze zijn in principe uitgesloten van ecologisch bermbeheer (maar zie ‘uitzonderingen’). Bermbreedte vormde de basis voor het bepalen van waar uitbreiding van ecologisch bermbeheer mogelijk is. Verbindend karakter Een belangrijke voorwaarde voor het aanwijzen van een wegberm als kansrijk voor ecologisch bermbeheer is, of deze een verbindende functie heeft. Allereerst is gekeken welke wegen in een verbindingszone liggen tussen hotspots van biodiversiteit (de drie natuurgebieden Reestdal, Echtener veld en Dwingelderveld (onderdeel Nederlands Natuur Netwerk). Ook wegen die een verbinding vormen tussen dorpskernen zijn meegenomen, waarbij expliciete aandacht gegeven is aan wegen met fietspaden, waar bermen ook een recreatieve waarde hebben. Tenslotte zijn die wegen meegenomen die aansluiten op wegen in andere gemeenten (waaronder Hoogeveen en Westerveld) die reeds ecologisch beheert worden.
Soortenrijkdom Aan de hand van de toegekende vegetatietypes is de soortenrijkdom van elke berm bepaald. Met deze typen is bepaald hoe kansenrijk een berm is voor ecologisch bermbeheer. Het dominante vegetatietype van de berm is leidend. Hierbij zijn de bermen in drie categorieën opgedeeld: − Laag (zeer ruig/slecht ontwikkeld, soortenarm); − Middel (matig ruig/matig ontwikkeld, typerende soorten ontbreken); − Hoog (goed ontwikkeld, soortenrijk). Een berm in de categorie ‘Laag’ is weinig kansrijk. Dit betekent dat er grote inspanning moet worden geleverd om de berm tot een ecologisch waardevolle berm te laten ontwikkelen. Bermen die binnen deze categorie vallen, zijn in principe uitgesloten van ecologisch bermbeheer (maar zie ‘uitzonderingen’). Bermen die voldoende breed zijn en in de categorie ‘Middel’ of ‘Hoog’ vallen en daarnaast ook een verbindend element zijn, worden toegevoegd aan het ecologisch bermbeheer. Bermen die niet aan deze criteria voldoen worden niet meegenomen in het ecologisch bermbeheer. Uitzonderingen Als een berm een minder dan twee meter is en/of in de categorie ‘Laag’ van soortenrijkdom valt maar toch een belangrijke verbindende functie heeft tussen bermen die wel geschikt zijn, zijn deze als Middel aangewezen. Kansenkaart Op de kansenkaart zijn de bermen in drie categorieën verdeeld: • Hoog (groen)- ecologisch bermbeheer gewenst.
Wordt opgenomen in ecologisch bermbeheer. Criteria: o Soortenrijkom ‘Midden’ of ‘Hoog’ o Breder dan 2 meter o Ligt in een verbindingszone • Middel (oranje) - ecologisch bermbeheer gewenst maar in eerste instantie niet geschikt maar kan om andere reden en onder voorwaarden worden meegenomen in het ecologisch bermbeheer. Criteria: o Verbindt ecologische beheerde bermen maar is minder dan 2 meter breed en/of o Soortenrijkdom is ‘Laag’ • Laag (rood) - ecologisch bermbeheer niet mogelijk/geschikt. Wordt geklepeld. Criteria: o Soortenrijkdoom ‘Laag’ en/of o Minder dan 2 meter breed
Bijlage 4 – Beheerkaart (afzonderlijke bijlage) NB: Nog geen onderdeel van het concept