2. Bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14
Tekst van het document
5.7
Milieueffectrapportage (MER)
5.7.1
Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
30
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
5.7.2
Onderzoek en conclusie
5.7.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is op circa 12,8 kilometer van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.4.2.1 en Bijlage 5 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is er geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 5.7.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. 5.7.2.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en
31
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 5.8.2
Onderzoek en conclusie
In bovenstaande paragraaf zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Hierin wordt onder andere de bouw van 1.500 woningen genoemd. De bouw van vijf woningen draagt daarom zeker 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging. Woningen worden daarnaast niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Normstelling
Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente De Wolden is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. 5.9.2
Onderzoek en conclusie
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (gele ster) en omgeving weergegeven.
32
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle objecten of inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden aanwezig zijn waarvoor een verantwoording van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico aan de orde is. Een en ander brengt met zich mee dat het in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.10
Verkeer en parkeren
5.10.1 Normstelling Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' kan per functie de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen worden berekend. Bij iedere functie wordt in de CROW-publicatie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. 5.10.2 Onderzoek en conclusie Om de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling te berekenen, dient eerst te worden bepaald met welke uitgangpunten moet worden gewerkt. Het gaat hier onder andere om de verstedelijkingsgraad van de omgeving van het plangebied en de stedelijke zone waar het plangebied zich in bevindt. Voor de voorliggende ontwikkeling worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Functie: 1. Koop, huis, tussen/hoek (3x); 2. Koop, huis, twee-onder-een-kap (2x); Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (Gemeente De Wolden: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom;
33
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie berekend. In onderstaande tabel is dit weergegeven. Parkeren Functie Parkeerbehoefte per woning Aantal woningen Koop, huis, tussen/hoek 1,6 - 2,4 3 Koop, huis, 2^1 kap 1,8 - 2,6 2 Totaal Verkeersgeneratie
Totaal 4,8 - 7,2 3,6 - 5,2 8,4 - 12,4
Functie Verkeersbewegingen per woning Aantal woningen Koop, huis, tussen/hoek 7,0 - 7,8 3 Koop, huis, 2^1 kap 7,4 - 8,2 2 Totaal
Totaal 21,0 - 23,4 14,8 - 16,4 35,8 - 39,8
De ontwikkeling brengt een parkeerbehoefte van afgerond 8 tot 12 parkeerplaatsen met zich mee. Zoals in het stedenbouwkundig plan inzichtelijk is gemaakt, wordt op eigen terrein voorzien in 9 parkeerplaatsen. Elke woning krijgt één parkeerplaats voor de deur en er worden 4 gezamenlijke parkeerplaatsen aangelegd. Daarmeee wordt voldaan aan de minimale parkeerbehoefte. Indien de parkeerbehoefte in de praktijk hoger uitvalt, is er binnen het plangebied ruim voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in 1 of 2 extra parkeerplaatsen. Daarmee kan worden geconcludeerd dat op eigen terrein eenvoudig kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. De verwachte verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt in voorliggend geval maximaal 40 verkeersbewegingen per weekdag. De ontsluiting van het woonperceel vindt plaats via de nieuw aan te leggen uitrit die uitkomt op de Ommerweg. Via de Ommerweg kan het verkeer zich eenvoudig in noordelijke en zuidelijke richting verplaatsen. De Ommerweg is qua opzet van ruim voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen veilig en eenvoudig af te wikkelen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt ten aanzien van de verkeerssituatie.
5.11
Duurzaamheid
5.11.1 Normstelling Voor alle nieuwbouw moeten vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Dit geldt voor zowel woningbouw als utiliteitsbouw. Deze nieuwe bouwregels stellen eisen aan: de maximale energiebehoefte; het fossiele energiegebruik; de opwek van hernieuwbare energie van gebouwen. Bij nieuwe woningen en gebouwen moet dus niet alleen rekening worden gehouden met een goede isolatie van de gebouwschil en energiezuinige installaties, maar ook met de toepassing van duurzame energie. Het kabinet streeft er daarnaast naar om daken vaker te benutten voor duurzame oplossingen voor klimaatadaptatie of de opwek van zonne-energie, zoals de vergroening van daken of het aanbrengen van zonnepanelen.
34
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
5.11.2 Onderzoek en conclusie De voorliggende ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van vijf woningen. De woningen worden conform de geldende BENG-eisen energieneutraal (gasloos) gerealiseerd. Daarnaast worden de mogelijkheden bekeken om de bergingen met een groen dak in te richten om ruimtelijke kwaliteit toe te voegen. Tevens zijn er mogelijkheden om PV-panelen op de daken te plaatsen. Geconcludeerd wordt dat er in voldoende mate rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid.
35
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
36
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridisch systeem
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
6.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, etc.); Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmeting van de bebouwing; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen bouwregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval toegestaan dan wel strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen gebruiksregels. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 6.2.3
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
37
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin worden de beperkingen aangegeven waaraan het gebruik van de gronden en bouwwerken zijn gebonden. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 9) In dit artikel worden de overige regels beschreven. Hieronder zijn onder andere de regels ten aanzien van parkeren opgenomen. 6.2.4
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3
Verklaring van de bestemmingen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Groen' De gronden ten noorden van de bestemming 'Wonen' zijn bestemd als 'Groen'. Deze gronden zijn voornamelijk bestemd voor groenvoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 'Tuin' De gronden rondom de woonpercelen zijn bestemd als 'Tuin'. De voor ‘Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor een tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Als gebouwen mogen alleen erkers en entreepartijen behorend bij het op het bouwperceel gelegen hoofdgebouw worden gebouwd over maximaal de halve gevelbreedte van het hoofdgebouw en met een diepte van niet meer dan 1,5 m.
De bouwhoogte van een erker en entreepartij mag niet meer dan 3,5 m bedragen. 'Wonen' De te realiseren woningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'.
38
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 7.1.1.1 Vooroverleg In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Drenthe. Het plan is door middel van de digitale watertoets voorgelegd aan het waterschap Drents Overijsselse Delta. Op basis hiervan heeft het plan een geringe invloed op de waterhuishouding. Het plan houdt rekening met de geldende uitgangspunten ten aanzien van hemelwaterberging. Voor de behandeling van het wateraspect wordt verwezen naar paragraaf 5.3. 7.1.1.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
7.1.1.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan voor een ieder voor zes weken ter inzage heeft gelegen. 7.1.2
Participatie
Bij het opstellen van het stedenbouwkundig ontwerp zijn de naastgelegen bewoners geïnformeerd over de plannen. Uit de participatiemomenten is een behoefte naar voren gekomen voor zowel starterswoningen als levensloopbestendige woningen. In eerste instantie is ingezet op de realisatie van 7 starterswoningen. Een plan met 7 woningen is in het najaar van 2022 gepresenteerd aan de omwonenden. Een dergelijke invulling leidde tot een aantal bezwaren, met name gevreesd werd voor een flinke inbreuk op het woongenot en op de verkeersveiligheid van de Ommerweg. Het verslag van deze avond is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Naar aanleiding van deze bezwaren is het plan in het voorjaar van 2023 nogmaals besproken in de vorm van een participatietafel waarbij gemeente, initiatiefnemers en omwonenden waren vertegenwoordig. Op basis van de uitkomsten van deze participatietafel is het plan aangepast naar een variant met 5 levensloopbestendige woningen. Voor een volledige beschrijving van de participatie wordt verwezen naar het in Bijlage 1 opgenomen stedenbouwkundige plan.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
39
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)
De voorgenomen ontwikkeling is een particulier initiatief. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een rood-voor-rood overeenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
40
Herontwikkeling
Ommerweg 14 Zuidwolde ‘dorps verdichten’
9 oktober 2023 1