CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14

Besluitvormende vergadering: “D’r op an” 24 oktober 2024, gemeente De WoldenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (24RV010)21.061 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

11

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Afbeelding 3.1: Stedenbouwkundig plan Ommerweg 14 (Bron: Mikis Maathuis)

12

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Hoofdstuk 4

Beleidskader

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden

13

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Toetsing van de ontwikkeling aan de NOVI Gezien de aard en omvang van de voorliggende ontwikkelingen (bouw van vijf woningen) kan worden gesteld dat er geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan is aandacht besteed aan het aansluiten bij de lokale stedenbouwkundige structuur van de Ommerweg. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling. 4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze zijn bedoeld om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. In het Barro zijn geen specifieke regels opgenomen voor het onderhavig plangebied. 4.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Uit jurisprudentie blijkt dat de bouw van 11 woningen in een dorpskern niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (uitspraak ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921). Dit aangezien er wordt gebouwd binnen de bebouwde kom, er sprake is van verdichting en er wordt gebouwd in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied.

14

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf woningen op een inbreidingslocatie in de bebouwde kom van Zuidwolde. Aangezien er sprake is van dezelfde uitgangspunten als hierboven beschreven en er minder woningen mogelijk worden gemaakt dan de genoemde 11 woningen, is er met het voorliggend initiatief geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook achterwege blijven.

4.2

Provinciaal beleid

Provinciale Staten hebben op 3 oktober 2018 de Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Drenthe 2018 vastgesteld. 4.2.1

Omgevingsvisie Drenthe 2018

4.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie ziet toe op het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van het beleid waarmee wordt ingezet op ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In de omgevingsvisie worden zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. 4.2.1.2 Geldende kernkwaliteiten Landschap Voor wat betreft de kernkwaliteit 'landschap' is het plangebied gelegen binnen het 'esdorpenlandschap'. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen, namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide. Het landelijke gebied dringt tot diep in de dorpstructuur door. De brink vormt nu vaak het centrum van het dorp. De brinken waren (zijn) beplant met opgaande bomen, veelal eiken. Rond de brink werden de boerderijen gegroepeerd. Brinken lagen van oorsprong aan de rand van het dorp.

De open ruimten worden gevormd door één of meer brinken, erven, kleine akkers en weilanden tussen de bebouwing. Van oudsher is er een functionele samenhang tussen deze ruimten en de bebouwing. Het wegenpatroon is een vervlechting van bochtige wegen, bestaande uit één of enkele doorgaande wegen en enkele minder belangrijke wegen die daarop aansluiten. De nu nog zichtbare klinkerbestrating is hiervoor kenmerkend. Waar het nog gaaf is, maakt het dorpssilhouet de indruk van een hoogstaand bos met daartussen en aan de randen lage dorpsbebouwing. Cultuurhistorie Binnen de kernkwaliteit 'cultuurhistorie' is het plangebied gelegen binnen deelgebied 9: het Hollandscheveld en Hoogeveen. De cultuurhistorische samenhang, zoals die in de hoofdstructuur is verwoord en verbeeld, is van provinciaal belang. Daarom geldt binnen dit deelgebied de strategie 'respecteren', waarmee de provincie het uitgangspunt hanteert dat zij die cultuurhistorische samenhang wil veiligstellen voor de toekomst. De categorie is vooral van toepassing in gebieden waar de ontwikkelingen meer kleinschalig zijn en in een laag tempo zich voltrekken. Bij ontwikkelingen ligt de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen.

De provincie beoordeelt plannen en initiatieven daar op. Aardkundige waarden Wat betreft de 'aardkundige waarden' is het plangebied aangeduid met beschermingsniveau ‘generiek’. Dit betekent dat in deze gebieden de lokale, aardkundige kernmerken voor de toekomst bewaard moeten worden. Er wordt van gemeenten verwacht dat ze via het gemeentelijk bestemmingsplan bescherming geven aan kenmerkende aardkundige waarden. Bij ontwikkelingen kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron worden gebruikt. Archeologie

15

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Voor de kernkwaliteit archeologie is het plangebied aangeduid met het ‘beschermingsniveau 1 Generiek’. Het beschermingsniveau ‘generiek’ richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardige archeologische vindplaatsen die op de Archeologische Monumentenkaart van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen. Rust en Natuur Er gelden ter plaatse van het plangebied geen specifieke voorschriften voor de kernkwaliteiten 'rust' en 'natuur'. 4.2.1.3 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie Drenthe 2018 Landschap Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf nieuwe woningen. De ontwikkeling vindt plaats aan de rand van het esdorp Zuidwolde. De randen kenmerken zich door lage dorpsbebouwing. De te realiseren woningen zullen qua stedenbouwkundige opzet aansluiten bij de reeds bestaande woningen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied. Daarnaast is sprake van een inbreidingslocatie; de ontwikkeling tast daardoor de openheid van de essen niet aan. Gelet op bovenstaande tast de ontwikkeling de kernkwaliteit 'landschap' niet aan. Cultuurhistorie Na raadpleging van de Atlas Leefomgeving is gebleken dat er in of de directe nabijheid van het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle objecten die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen worden aangetast.

In paragraaf 5.2 wordt hier tevens op ingegaan. Aardkundige waarden Het plangebied is aangeduid met het beschermingsniveau 'generiek'. Archeologie In paragraaf 5.2.1 worden de resultaten van het archeologisch onderzoek nader uiteengezet. De conclusie van het uitgevoerde onderzoek is dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Rust en Natuur Zoals reeds aangegeven gelden er ter plaatse van het plangebied geen specifieke voorschriften voor de kernkwaliteiten 'rust' en 'natuur'. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen provinciale belangen worden geschaad. 4.2.2

Omgevingsverordening Drenthe 2018

4.2.2.1 Algemeen De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In voorliggend geval zijn artikel 2.6 (Werken met kernkwaliteiten) en artikel 2.17 lid 1 (woningbouw) van belang om nader te belichten. Hieronder worden de betreffende artikelen aangehaald en wordt hieraan getoetst. 4.2.2.2 Relevante artikelen Artikel 2.6 Werken met kernkwaliteiten 1. Als kernkwaliteiten worden aangewezen de thema's en gebieden zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaart A (kaartlaag stilte), kaart D3 (kaartlaag Natuurnetwerk

16

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Nederland), kaarten D4 t/m D7 waarbij voor de kaart D7 (Kernkwaliteit landschap) geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de omgevingsvisie omschreven. 2. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn: a. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet hoe het desbetreffende plan zich verhoudt tot het behoud en de ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid, en de strategische opgaven en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de omgevingsvisie; b. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. Toetsing van het voornemen aan artikel 2.6 In paragraaf 4.2.1.3 is de ontwikkeling reeds getoetst aan de kernkwaliteiten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van enige aantasting van de provinciale kernkwaliteiten. Artikel 2.17 Woningbouw 1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a.

draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; b. benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur. c. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; d. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd; e. geeft een lange termijn beeld. Toetsing van het voornemen aan artikel 2.17 De voorgenomen woningbouwontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 4.3.2 wordt de ontwikkeling getoetst aan het geldende en meest actuele woonbeleid van de gemeente De Wolden. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling naadloos aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven op de woningmarkt van de gemeente De Wolden. Het plan speelt in op een concrete behoefte aan levensloopbestendige woningen. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 2.17 lid 1 van de provinciale Omgevingsverordening. 4.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie Drenthe.

17

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie De Wolden

4.3.1.1 Algemeen In maart 2011 heeft de gemeente De Wolden de structuurvisie voor de periode 2010-2030 vastgesteld. In deze visie kiest de gemeente De Wolden ervoor om haar grootste kwaliteit, het zijn van een plattelandsgemeente, te behouden en te versterken. Het zijn van een plattelandsgemeente betekent in De Wolden dat het aanwezige landschap drager is voor nieuwe ontwikkelingen. Opvallend aspect van het plattelandskarakter is het dynamische landschap, dat is gevormd door een verweving van functies. Landbouw vindt plaats naast natuurontwikkeling en recreatie komt voor in en nabij de meest aantrekkelijke gebieden. In kernen en buitengebied wordt gewoond. Diversiteit in landschappen en de aanwezigheid van sociale structuren is de basis voor de plattelandsgemeente. Het landschap is op hoofdlijnen te onderscheiden in het esdorpenlandschap, slagenlandschap en het landschap van de veenontginningen. Welke nieuwe ontwikkelingen de komende 20 jaar gewenst zijn, wordt aangegeven per beleidsveld, te weten: wonen, leefbaarheid, bedrijvigheid, landbouw, recreatie, natuur, water, en milieu. Voor de voorliggende ontwikkeling is met name het thema wonen van belang. 4.3.1.2 Wonen Ook in de toekomst blijft het belangrijk om voldoende ruimte te creëren voor woningbouw. Een kenmerk van de plattelandsgemeente is dat er verspreid en in lage dichtheid wordt gewoond.

Een deel van de nieuw te bouwen woningen wordt geclusterd aan de kerndorpen, een deel aan de kleine kernen en nieuwe ontwikkelingen worden onder voorwaarden in het buitengebied toegestaan volgens het principe van landschappelijk bouwen. De grootte van de ontwikkelingen, oftewel het aantal woningen, moet passend zijn bij de aard en schaal van het dorp. De woningbehoefte in aantallen en de verdeling over de doelgroepen komt niet aan de orde in de structuurvisie, maar wordt uitgewerkt in een gemeentelijke woonvisie. De structuurvisie is gebaseerd op de gedachte dat in hoofdzaak moet worden ingezet op nieuw te bouwen woningen in de 5 kerndorpen: Zuidwolde, De Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange. Dit met het oog op het in stand houden van de aanwezige voorzieningen aldaar. Het overgrote deel van het bouwvolume zal daarom gerealiseerd worden in de 5 hoofdkernen. 4.3.1.3 Toetsing van het voornemen aan de Structuurvisie De Wolden De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf woningen in de kern van Zuidwolde. Zuidwolde is één van de kerndorpen van de gemeente De Wolden, waar het grootste gedeelte van de nieuw te bouwen zal worden gerealiseerd. Het realiseren van vijf woningen in deze kern kan worden beschouwd als een ontwikkeling die naar aard en omvang passend is bij deze kern.

Qua schaal en bouwvolume sluiten de te realiseren woningen daarnaast aan bij het dorpse karakter van Zuidwolde. Ten slotte wordt in de volgende paragraaf aan de hand van het relevante woonbeleid aangetoond dat de ontwikkeling aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte zoals die recentelijk zijn vastgesteld. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Structuurvisie de Wolden.

18

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

4.3.2

Woonbeleid gemeente De Wolden

4.3.2.1 Woonplan 2017-2022 Op 6 juli 2017 heeft de gemeenteraad het Woonplan 2017-2022 "Een leven lang wonen" vastgesteld. De Wolden biedt al met al een aantrekkelijk woonmilieu. De gemeente wil het herstel van de woningmarkt benutten om woningzoekenden van binnen, maar ook buiten de gemeente te interesseren voor De Wolden als ideale woonplek. Dat betekent dat er de hoge kwaliteit van de woningvoorraad moet blijven behouden en waar nodig worden hersteld. Het woonplan voorziet in een fors woningbouwprogramma van in totaal 440 woningen tot en met 2022. Daarin worden alle doelgroepen voorzien, zowel de eigen inwoners als nieuwe inwoners, starters, alleenstaanden, (jonge) gezinnen, senioren en zorgbehoevenden. 4.3.2.2 Beleidsrichtingen 2017 - 2022 Voor de periode tot 2022 geeft de gemeente prioriteit aan de volgende ontwikkelingen: Kansen voor nieuwbouw benutten waar die zich voordoen tot een netto toename van 440 woningen tussen 2017-2022. Het behalen van dit aantal is geen doel op zich. De gemeente wil echter wel voldoende ruimte bieden voor mensen die in De Wolden willen wonen: zowel nieuwe vestigers als starters die in de gemeente willen blijven wonen; Gezien de aanzienlijke opgave, wil de gemeente ruimte geven aan initiatieven die aantoonbaar inspelen op de vraag.

De gemeente legt niet op voorhand de kernclusters vast met aantal te bouwen woningen; De gemeente heeft een voorkeur voor inbreiding, vanwege de landschappelijke kwaliteit. Dat betekent dat de gemeente ook gebruik wil maken van de mogelijkheden voor herontwikkeling van vrijkomend vastgoed (sloop/nieuwbouw of hergebruik bestaand vastgoed als woonruimte). De gemeente is terughoudend met nieuwbouw in het buitengebied; Realiseren van betaalbare woonruimte, zowel huur als koop. De gemeente kiest voor een gedifferentieerd nieuwbouwprogramma met zowel goedkopere als duurdere huur- en koopwoningen. Om te voorkomen dat starters (en andere doelgroepen die behoefte hebben aan een goedkopere woning) die in de gemeente willen blijven wonen hun heil moet zoeken in een andere gemeente, houdt de gemeente vast aan het ingezette beleid om voldoende goedkope koopwoningen te bouwen. 4.3.2.3 Actualisatie Woonplan Het huidige woonplan “Een leven lang wonen” is in 2017 vastgesteld. In dit woonplan is het volkshuisvestelijke beleid concreet geformuleerd (gericht op de uitvoering) voor de periode 2017-2022. Daarnaast geeft het woonplan een doorkijk voor de periode tot 2025. De periode waarvoor het concrete beleid was geformuleerd is dus verstreken. Bovendien zijn er verschillende ontwikkelingen die het noodzakelijk maken het woonbeleid te actualiseren.

Voor de actualisatie van het woonbeleid is allereerst inzicht nodig in de ontwikkelingen van de woningmarkt. In 2021 is daarom een regionaal woningmarktonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek geeft inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte. Het woningmarktonderzoek is daarmee een eerste stap richting het nieuwe woonbeleid. In het woningmarktonderzoek is per kern de verwachte groei tot 2030 opgenomen. Hierin is de verwachte groei van de woningbehoefte voor de gemeente De Wolden ingeschat op 550 woningen. Zuidwolde heeft hierin met een verwachte groei van 145 woningen het grootste aandeel. Wanneer wordt ingezoomd op de kwalitatieve woonbehoefte wordt opgemerkt dat in De Wolden met name de middengroepen (koopstarters en jonge stellen) en ouderen het meest in de knel zitten op de woningmarkt. Door de vergrijzing groeit de behoefte aan toegankelijke woningen; woningen waar alle primaire vertrekken zonder traplopen bereikbaar zijn. In beginsel zouden alle toe te voegen sociale huurwoningen levensloopbestendig moeten zijn, en een kwart van de koopwoningen. De doelgroep wil vaak niet zozeer specifiek voor hen gelabelde woningen. Een combinatie met andere (jongere) huishoudens heeft de voorkeur. Dit pleit ervoor dat bij een substantieel deel van het woningbouwprogramma de toegankelijkheid van woningen een belangrijke voorwaarde is.

Het gepresenteerde adviesprogramma gaat uit van een trendmatige ontwikkeling van de woningbehoefte.

19

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Bij meer nieuwbouw treden hierin accentverschuivingen op voor de extra groeiopgave. Deze accenten zijn enerzijds afhankelijk van het beleid, waarin de vraag 'voor wie wil je groeien?' van belang is. Op basis van de vestigers is te zien voor wie de regio aantrekkingskracht heeft. Ruinerwold en Zuidwolde zijn in het bijzonder in trek bij gezinnen met kinderen en huishoudens met een hogere sociaaleconomische status. Vergeleken met lokale woningzoekenden richten vestigers zich meer op het duurdere segment in de koopsector. De extra groeiopgave zal daardoor een iets zwaarder accent moeten hebben in het koopsegment vanaf € 225.000 (waarbij ook rekening moet worden gehouden met vrijkomend aanbod voor vestigers in de bestaande woningvoorraad; niet alle vraag moet door nieuwbouw ingevuld worden). Daarmee biedt de extra groeiruimte ook gelegenheid om de kwalitatieve mismatch in de bestaande woningvoorraad op te lossen - in het belang van de regionale vraag. 4.3.2.4 Toetsing van het voornemen aan het gemeentelijk woonbeleid De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf levensloopbestendige woningen. De ontwikkeling vindt plaats op een inbreidingslocatie aan de Ommerweg in de bebouwde kom van Zuidwolde. Er is sprake van de sloop van de bestaande in slechte staat verkerende bebouwing, bestaande uit een voormalige karakteristieke woonboerderij.

Op basis van het Woonplan kan worden geconcludeerd dat dergelijke locaties de voorkeur hebben voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uit het in 2021 uitgevoerde woningmarktonderzoek blijkt dat er tot 2030 een kwantitatieve woningbehoefte bestaat bestaande uit 145 woningen in Zuidwolde. Met de realisatie van vijf woningen wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan deze kwantitatieve behoefte. Uit de resultaten van het woningmarktonderzoek is gebleken dat de kwalitatieve woonbehoefte in De Wolden met name ligt in de doelgroep van koopstarters, jonge stellen en ouderen. Vanwege de vergrijzing is er een sterke behoefte aan levensloopbestendige woningen. Voorliggende ontwikkeling speelt in op deze behoefte. Drie van de te realiseren woningen worden sterk gericht op ouderen door een lagere bouw- en goothoogte te hanteren. De andere twee woningen zijn geschikt voor meerdere doelgroepen. Hiermee wordt ook ingespeeld op de gemeentelijke voorkeur voor combinatie van doelgroepen en niet zozeer een voor een bepaalde doelgroep gelabelde woning. Uit het woningmarktonderzoek is ten slotte gebleken dat de vestigers in Zuidwolde met name op zoek zijn naar woningen in het iets duurdere segment. De extra groeiopgave zal daardoor een iets zwaarder accent moeten hebben in het koopsegment. De te realiseren woningen in dit bestemmingsplan sluiten hier naadloos op aan.

Gezien het feit dat er sprake is van een inbreidingslocatie waar ingespeeld wordt op zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte, wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijke woonbeleid.

20

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

Bodem

5.1.1

Normstelling

Omgevingsaspecten

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 5.1.2

Onderzoek en conclusie

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen ter plaatse van de Ommerweg 14. Dit betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met asbesthoudende daken. Om die reden is door Dumea AM een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Resultaten bodem- en asbestonderzoek Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Gehele locatie: 1. In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging lood en PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 is een lichte verhoging PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 en in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. 2. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en cadmium aangetroffen. 3. Tevens zijn in het grondwatermonster Pb1wm1 een matige verhoging zink en een sterke verhoging barium aangetroffen. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd in de tweede fase van het onderzoek. Uit het analysecertificaat van het hermonster Pb1wm2 blijkt dat er sterke verhogingen zink en barium zijn aangetroffen in het grondwater. 4. De verhoging zink en barium in beide grondwatermonsters (Pb1wm1 en Pb1wm2) geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek.

Echter zijn er een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: a. Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; b. In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen zink en barium aangetroffen; c. Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren. De concentraties zink en barium komen net boven de interventiewaarde (bodemindex van maximaal 1,58). 5. Nader onderzoek naar de verhoging zink en barium in het grondwater wordt niet noodzakelijk geacht. 6. Gezien de matige verhoging zink en de sterke verhoging barium in het ondiepe grondwater wordt geadviseerd geen freatisch grondwater op te pompen ten behoeve van consumptieve doeleinden. Verkennend bodemonderzoek NEN5707"asbest in bodem" Gehele locatie 1. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

21

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

2. In de mengmonsters MM1 en MM2 is analytisch geen asbest aangetoond. 3. Het mengmonster MM3 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.2

Archeologie en Cultuurhistorie

5.2.1

Archeologie

5.2.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.2.1.2 Situatie plangebied Op basis van de geldende beheersverordening "Zuidwolde" hebben de gronden deels de dubbelbestemming 'Archeologie 1' en deels 'Archeologie 3'. Voor de gronden met 'Archeologie 1' geldt een onderzoeksplicht bij iedere ingreep. Voor de gronden met 'Archeologie 3' geldt een onderzoekplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm. Gelet op bovenstaande onderzoeksgrenzen dient in voorliggend geval een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Hiervoor is door Laagland een bureau- en een verkennend onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Resultaten archeologisch onderzoek Er is sprake van een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van ongeveer 50 cm -mv. Deze sluit meestal onscherp aan op de C-horizont.

Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Tevens is geen (dun) plaggendek waargenomen, evenmin als sporen van bodemvorming. De kans dat archeologische sporen aanwezig zijn in het plangebied kan daarom bijgesteld worden naar laag voor alle perioden en het plangebied kan worden vrijgegeven van archeologisch onderzoek. Het opnemen van archeologische dubbelbestemmingen is daarmee niet meer nodig. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.2

Cultuurhistorie

5.2.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.2.2.2 Situatie plangebied Ommerweg 14

22

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

De boerderij aan de Ommerweg 14 is in het geldende planologische regime aangeduid als 'karakteristiek'. Sinds 2013 beschikt de gemeente De Wolden over een cultuurhistorische waardenkaart en een lijst met 579 karakteristieke gebouwen. Nadat grote delen van de gemeente in 2013 welstandsvrij zijn verklaard, is de regelgeving voor 443 karakteristieke panden in de welstandsvrije gebieden onduidelijk geworden. Ze zijn welstandsvrij, maar worden vanuit de karakteristieke aanduiding getoetst op een manier die veel lijkt op een welstandstoets. Nadat een aantal jaren met deze lijst met karakteristieke gebouwen is gewerkt, is tijdens een evaluatie van het beleid door de gemeenteraad besloten om de regelgeving eenduidiger te maken en het aantal karakteristieke gebouwen in welstandsvrij gebied fors terug te brengen. Hiervoor is in 2017 een plan van aanpak en zijn selectiecriteria voor het bepalen van cultuurhistorische waarden bepaald. Onderdeel van de aanpak was afstemming met een werkgroep met vertegenwoordigers van de historische verenigingen in de gemeente over de werkwijze om het aantal karakteristieke panden en objecten in welstandsvrij gebied terug te brengen en daarbij te hanteren selectiecriteria. Hierbij is de cultuurhistorische waardenkaart leidend.

Om het aantal karakteristieke aangeduide panden, in omvang terug te brengen zijn, volgens de score van 2013, de laagst scorende in het gebied afgevallen en zijn de gebouwen met een score van 15 punten of hoger allen opnieuw beoordeeld aan de hand van de vooraf opgestelde nieuwe selectiecriteria. Door het opstellen van nieuwe selectiecriteria cultuurhistorische waarden zijn de scores van diverse panden lager uitgevallen dan de scores van de lijst uit 2013. De gebouwen zijn beoordeeld aan de hand van foto- en kaartmateriaal, ook is er aanvullend veldwerk verricht. Verder zijn er toetsingscriteria voor karakteristieke panden voor de welstandsnota gemaakt. Op 24 juni 2021 is de nota “karakteristieke panden en objecten in welstandsvrij gebieden” vastgesteld en zijn de toetsingscriteria karakteristieke panden aan welstandnota toegevoegd. Hiermee zijn van de 443 karakteristieke panden in welstandsvrij gebied 138 panden die de karakteristieke aanduiding hebben behouden en waarvoor de welstandcriteria van toepassing zijn geworden. De woonboerderij aan de Ommerweg 14 is beoordeeld aan de hand van de nieuwe selectiecriteria. Op basis van de nieuwe criteria is het pand beoordeeld met een score van 10. Gelet op een score van minder dan 15 punten is dit pand uit de waardenlijst gehaald.

Het pand Ommerweg 14 heeft vooral op de cultuurhistorische waarde als oorspronkelijkheid, architectuur en authenticiteit aanmerkelijk lager gescoord dan 2013. Nader onderzoek wees uit dat aan het pand Ommerweg 14 veel is vernieuwd en verbouwd. Alleen op zeldzaamheid is de score hetzelfde gebleven, omdat het type pand, in het dorp Zuidwolde niet verder meer voorkomt. Omgeving Op basis van de Atlas Leefomgeving bevinden zich tegenover de Ommerweg twee grafheuvels, die zijn aangewezen als rijksmonument. Deze worden echter niet aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vanwege de ligging buiten het plangebied en de tussenliggende infrastructuur en beplanting. Voor het overige bevinden zich in of in de directe nabijheid van het plangebied geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.3

Conclusie

De aspecten 'archeologie en cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen. De dubbelbestemmingen ter bescherming van de archeologische waarden kunnen op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek daarmee komen te vervallen.

23

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

5.3

Water

5.3.1

Algemeen

In dit bestemmingsplan worden een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt. Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. De gemeente De Wolden is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta en het waterschap Vechtstromen, welke beiden verantwoordelijk zijn voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer. 5.3.2

Normstelling

De waterschappen Drents Overijsselse Delta en Vechtstromen vormen samen met waterschap Rijn en IJssel het waterschapsgebied Rijn-Oost. De waterschappen hebben hun beleid voor stedelijk waterbeheer vastgelegd in de gezamenlijke beleidsnotitie 'Water Raakt'. Deze notitie vormt op hoofdlijnen het beleid voor de wijze waarop de waterschappen in stedelijk gebied invulling geven aan het waterbeheer. Het waterbeheer richt zich op de volgende drie beleidsthema's: 1. Voor het dagelijkse waterbeheer is dat het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Doel daarvan is gedurende een heel groot deel van het jaar die wateromstandigheden te realiseren die het beste passen bij de functie zoals de provincies die hebben vastgesteld; 2. Om in extreem natte en extreem droge omstandigheden de schade als gevolg van wateroverlast of watertekort te beperken is het WB21 opgesteld. Hierin zit de trits vasthouden-bergen-afvoeren als voorkeursvolgorde en afwegingskader en het principe van niet afwentelen. Het stedelijk gebied dient dus waterneutraal te zijn. Mocht dit door enige goede redenen - de veiligheid is ernstig in het geding, de kosten zijn te hoog, er spelen nijpende ruimtevraagstukken - niet kunnen, dan komen het waterschap en de gemeente passende afspraken overeen. Doel is het watersysteem zo in te richten dat het in extreme omstandigheden en in de toekomst goed functioneert; 3.

Voor het bereiken van de goede ecologische toestand van het water zijn er de Europese richtlijnen voor ecologie en waterkwaliteit. Dit thema bestaat uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitatrichtlijnen (vertaald in de Wet natuurbescherming). Doel daarvan is dat alle Europese wateren, zowel oppervlaktewater als grondwater, zich in 2015 in een goede ecologische en goede chemische toestand bevinden. Met goede argumenten is uitstel mogelijk tot uiterlijk 2027. Voor de Natura 2000-gebieden is geen uitstel mogelijk. Deze drie thema's hangen zo met elkaar samen dat het niet mogelijk is ze afzonderlijk van elkaar te realiseren. Er wordt gezorgd dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht, voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, verdroging tegengaat en rekening houdt met de eisen vanuit de KRW. Om aan deze punten te voldoen is in december 2009 de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert deze wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Hierdoor zijn waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de Waterwet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van deze functies worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen (rijk en provincie), waterbeheer-plannen (waterbeheerder) en vergunningen.

24

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

5.3.3

Watertoetsproces

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is op 8 juli 2022 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets is opgenomen in van deze toelichting. Op basis van de uitgevoerde watertoets is de zogenaamde 'korte procedure' van toepassing. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m² (Circa 1.240 m²). Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.

Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. 5.3.4

Onderzoek en conclusie

Op basis van de uitgevoerde watertoets heeft de ontwikkeling een beperkte invloed op de waterhuishouding. De extra waterberging die benodigd is wordt in voorliggend geval opgevangen middels infiltratiekratten onder de aan te leggen parkeerplaatsen. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.4

Natuur en Ecologie

5.4.1

Normstelling

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft.

25

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

5.4.2

Onderzoek

5.4.2.1 Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen EHS). Hieronder wordt op beide beschermde gebieden ingegaan. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.1 is in de linkerafbeelding de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden opgenomen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied betreft het 'Dwingelderveld' dat op een afstand van circa 12,8 kilometer van het plangebied ligt. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is door BJZ.nu een zogenaamde AERIUS berekening uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting.

Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van deze berekening.

Afbeelding 5.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 (links) en het NNN (rechts) (Bronnen: AERIUS.nl en Atlas Leefomgeving) Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

26

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN bevindt zich op 10 meter ten oosten van het plangebied aan de oostzijde van de Ommerweg. In de rechterafbeelding in afbeelding 5.1 is dit aangegeven. Aangezien de ontwikkeling niet gepaard gaat met ruimtelijke ingrepen in het NNN kan worden geconcludeerd dat de voorliggende ontwikkeling niet gepaard zal gaan met aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 5.4.2.2 Soortenbescherming Vanwege de sloop van de aanwezige bebouwing dient te worden beoordeeld of dit gepaard gaat met negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden. Om dit te beoordelen, is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het gehele onderzoek is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van dit onderzoek. Quickscan flora en fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats.

Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de schuren gesloopt worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rusten voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.4.3

Conclusie

Uit deze paragrafen is gebleken dat de ontwikkeling niet gepaard gaat met negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten. Het aspect 'ecologie' vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

5.5

Geluid

5.5.1

Normstelling

De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.

27

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)).

In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. 5.5.2

Onderzoek en conclusie

Met de voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in woningbouw. Aangezien daarmee sprake is van de toevoeging van geluidgevoelige functies is toetsting aan de Wgh noodzakelijk. Hieronder wordt ingegaan op de aspecten railverkeers-, industrie- en wegverkeerslawaai. 5.5.2.1 Railverkeers- en industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg of een gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. De aspecten railverkeers- en industrielawaai vormen geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.5.2.2 Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 van de Wgh ligt het plangebied binnen de wettelijke geluidszone van zowel de Ommerweg als de Slagendijk. Dit vanwege het feit dat hier een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur geldt en er sprake is van een weg binnen stedelijk gebied. Bij dergelijke wegen geldt een wettelijke geluidszone van 200 meter. Het plangebied ligt binnen deze zone. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarmee noodzakelijk. In voorliggend geval is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek uitgevoerd, die is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van dit onderzoek. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van de Slagendijk (50 km/uur), inclusief reductie, bedraagt hoogstens 32 dB.

Met deze waarde wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Ommerweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 50 dB ter plaatse van woning 5 (toetspunt 19). Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te

28

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

voldoend ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 22 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Er kan dan ook een hogere waarde van worden verleend voor woning 5 ter plaatse van toetspunt 19. Met het verlenen van een hogere waarde voor de Ommerweg is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai.

5.6

Milieuzonering bedrijven

5.6.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per gebiedstype opgenomen.

5.6.2

Onderzoek en conclusie

Het plangebied ligt in de kern van Zuidwolde, waar voornamelijk woningen aanwezig zijn. In voorliggend geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype van een rustige woonwijk. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol:

29

bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ommerweg 14 (ontwerp)

1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.6.2.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Vorenstaande betekent dat wat betreft 'wonen' er geen sprake is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende bebouwing en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden aangetast. Er wordt in de omgeving dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. 5.6.2.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie(s) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling(en) hinder ondervindt van de bestaande functie(s) in de omgeving. Een woning wordt in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functie. In de nabijheid van het plangebied zijn geen noemenswaardige milieubelastende activiteiten aanwezig. Alleen ten zuiden van het projectgebied, aan de Ommerweg 18, bevindt zich een maatschappelijke bestemming.

Planologisch gezien zijn hier bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 30 meter. De afstand tussen het plangebied en deze locatie bedraagt ruim 40 meter, waardoor aan deze richtafstand wordt voldaan. 5.6.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden verwacht en dat omliggende bedrijven, gelet op de bestaande situatie, niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14627295/1