CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting benuttingsregeling bp Dorpskernen

Politieke commissie 15 november 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Dorpskernen1.681 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Aan:

Gemeenteraad gemeente De Ronde Venen

Van:

Het college van B&W gemeente De Ronde Venen

Datum:

15 november 2023

Onderwerp: Toezegging toelichting benuttingsregeling bestemmingsplan Dorpskernen Kenmerk:

61735/OMGEV

Inleiding Het college heeft op 7 november 2023 voorafgaand aan de inspraakavond voor het bestemmingsplan Dorpskernen een presentatie gehouden over het bestemmingsplan Dorpskernen. Hierbij zijn enkele vragen gesteld over de benuttingsregeling die in het bestemmingsplan is opgenomen. Het betreft de volgende vragen? 1. Is de benuttingsregeling zoals die is opgesteld juridisch houdbaar? 2. Is de gekozen termijn van de benuttingsregeling van 2 jaar juridisch houdbaar? Het college heeft op 7 november geantwoord dat de benuttingsregeling op basis van de huidige kennis houdbaar is. De benuttingsregeling is, in overleg met ruimtelijk adviesbureau dat het bestemmingsplan opstelt en na toetsing door het gespecialiseerde planschadeadviesbureau Gloudemans, in het bestemmingsplan opgenomen. In de planschaderisicoanalyse die in opdracht van de gemeente heeft opgesteld is geconcludeerd dat op grond van huidige rechtspraak en op grond van artikel 6.1 lid 6 Wro de benuttingsregeling houdbaar is. Het college heeft toegezegd in samenspraak met Gloudemans de conclusies uit de opgestelde planschaderisicoanalyse nader te onderbouwen. Deze memo voorziet in deze onderbouwing.

Is de benuttingsregeling zoals die is opgesteld juridisch houdbaar? Ja, uiteraard met het standaard juridische voorbehoud, is geconcludeerd dat op basis van de huidige rechtspraak en (de toelichting op) art 6.1 lid 6 van de Wet ruimtelijke ordening de benuttingsregeling houdbaar is. Het verplaatsen van bestaande bouwmogelijkheden naar een afwijkingsmogelijkheid is in lijn met de bedoeling van de wetgever en van toepassing zijnde rechtspraak. Zie voor een uitgebreidere (juridische) toelichting bijlage 1 bij deze memo. Is de gekozen termijn van de benuttingsregeling van 2 jaar juridisch houdbaar? Ja, op grond van jurisprudentie wordt in het algemeen in het kader van risicoaanvaarding een termijn van ca. 1,5 jaar beschouwd als voldoende lang om concrete pogingen te ondernemen om de bouwmogelijkheden te benutten. In paragraaf 5.2.2 (blz 41,42) van de planschaderisicoanalyse wordt

Memo - documentnummer: 61735/OMGEV

dit uitgebreid gemotiveerd en wordt ook verwezen naar jurisprudentie. In het kader van een betrouwbare overheid heeft het college gekozen voor een termijn van 2 jaar, waarbij de aanvraag bepalend is.

Informatienota - documentnummer: VAR_nummer - pagina 2

Bijlage 1 Het gaat om de lijn van de Afdeling in de rechtspraak die ziet op het 6 e lid van artikel 6.1 Wro. Daarbij is eerstens een verwijzing naar hetgeen is opgenomen in paragraaf 2.2 (blz. 6 en 7) van de analyse op zijn plaats. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 6.1, zesde lid, van de Wro is in de memorie van toelichting (blz. 45) het volgende vermeld: “ Dit lid beoogt expliciet te maken dat schade pas voor vergoeding in aanmerking komt, als op basis van een besluit, bezien in de context van de planologische regeling waarop dat besluit gebaseerd is, de omvang van de schade vastgesteld kan worden. Dit geldt zowel voor de beoordeling van directe als indirecte schade. Directe schade als gevolg van bijvoorbeeld een aanlegvergunningstelsel of van een afwijkingsbevoegdheid kan dus pas vergoed worden als er een besluit is, bijvoorbeeld een besluit tot weigering van de gevraagde vergunning of een besluit waarin aan de verleende vergunning voorwaarden worden verbonden. Aan de hand van dat besluit en de daarmee geboden mogelijkheden kan, in samenhang met het geldende bestemmingsplan, een vergelijk worden gemaakt et het oude plan. De wetgever heeft derhalve beoogd dat slechts “werkelijke planschade” en niet voor “theoretische planschade” een tegemoetkoming wordt toegekend”.

Voor wat betreft uit te werken verplichtingen en uitwerkingsplannen in relatie tot artikel 6.1 lid 6 van de Wro heeft de Afdeling in de uitspraak van Eindhoven/Lidl (ECLI:NL:RVS:2017:326), na een overzicht van eerdere uitspraken over de uit te werken bestemming bij planschade, aangegeven wat de uitgangspunten dienen te zijn indien het zesde lid van artikel 6.1 Wro geldt. De Afdeling verwijst naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, Wro en concludeert dat de wetgever slechts oog heeft gehad voor de uit te werken bestemming als onderdeel van het nieuwe planologische regime. Het buiten beschouwen laten van een uit te werken bestemming ziet de wetgever niet als zelfstandig doel. De wetgever beoogt dat slechts voor werkelijke planschade en niet voor theoretische planschade een tegemoetkoming wordt toegekend. Aanvullend kan verwezen worden naar een drietal uitspraken. 1. Uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2333 In rechtsoverweging 14.2 wordt onder meer het volgende overwogen: “Zoals de Afdeling onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro (Kamerstukken II, 2011/12, 33 135, nr.

3) eerder heeft overwogen, moet het zesde lid van artikel 6.1 van de Wro naar het oordeel van de Afdeling zo worden begrepen dat het college van degene die om een tegemoetkoming in planschade verzoekt, kan verlangen dat deze zijn schade beperkt door een aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen. Met deze bepaling wordt duidelijk gemaakt dat schade als gevolg van een bepaling die slechts een bevoegdheid geeft tot een nader besluit, pas bepaald wordt nadat een besluit, gebruik makend van die bevoegdheid, is genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2166, ro. 6, 8.2 en 8.3. Schade als gevolg van regels in een bestemmingsplan waarbij is aangegeven dat daarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken, zoals in het bestemmingsplan "Meppel-Binnenstad" het geval is, kan dus pas worden vastgesteld nadat een beslissing is genomen over het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van dat bestemmingsplan. Het college

Informatienota - documentnummer: VAR_nummer - pagina 3

kan het aanvragen van een dergelijke vergunning niet vergen als dit onredelijk belastend is. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] geen aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend. [appellant] heeft voorts niet onderbouwd dat het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning niet van hem kan worden gevergd.” 2. Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3138 In rechtsoverweging 21 wordt door de Afdeling onder meer het volgende overwogen: “Op grond van artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan in een bestemmingsplan een aanlegvergunningenstelsel worden opgenomen. Op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Op grond van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt schade als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 of artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro pas vastgesteld op grond van een krachtens die bepalingen genomen besluit. Artikel 5.3 van de planregels bevat een afwijkingsbepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Artikel 5.4.1 van de planregels bevat een aanlegvergunningenstelsel als bedoeld in artikel 3.3 van de Wro.

De omgevingsvergunningen zijn dus besluiten die krachtens deze bepalingen van de Wro zijn genomen. Gelet op artikel 6.1, zesde lid, van de Wro kan het college aan degene die ten gevolge van deze omgevingsvergunningen schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, lijdt of zal lijden een tegemoetkoming in planschade toekennen.” 3. Uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3302 In rechtsoverwegingen 8.2 e.v. overweegt de Afdeling onder meer: “8.2 De SAOZ heeft in haar advies uiteengezet dat indien en voor zover (dubbel)bestemmingen een verbod bevatten op bouwen of aanleg zonder een omgevingsvergunning, pas kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, dat verbod tot een planologisch nadeel leidt, als een aanvraag voor zo’n omgevingsvergunning is ingediend en daarop is besloten. Dit volgt volgens de SAOZ uit artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 3.3 en artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro. De SAOZ heeft uiteengezet dat de gemeente aan haar te kennen heeft gegeven dat appellant één omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de bouw van een boomhut en dat deze vergunning door het college is verleend. Van andere vergunningaanvragen is niet gebleken.

Gelet hierop heeft zij niet kunnen vaststellen dat appellant schade heeft geleden door de omstandigheid dat voor het realiseren van bepaalde bouwwerken en werkzaamheden als gevolg van de nieuwe (dubbel)bestemmingen een afzonderlijke omgevingsvergunning nodig is geworden, aldus de SAOZ. 8.3.

Een verzoek om tegemoetkoming in schade die het gestelde gevolg is van een bepaling als

bedoeld in artikel 3.3 van de Wro, komt op grond van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro pas voor toewijzing in aanmerking, nadat een besluit is genomen op een aanvraag van een omgevingsvergunning die als gevolg van zo’n bepaling vereist is voor realisering van een bepaald project en dit besluit vervolgens onherroepelijk is geworden en ook aan de overige vereisten voor toewijzing daarvan is voldaan. Dit betekent dat in beginsel geen grondslag bestaat voor toekenning van tegemoetkoming in planschade voordat een nader besluit, als in de vorige zin vermeld, is genomen en onherroepelijk is geworden. Dit kan bijvoorbeeld anders zijn als van een aanvrager niet

Informatienota - documentnummer: VAR_nummer - pagina 4

gevergd kan worden een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen en de beslissing daarop af te wachten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1166, r.o. 7.9. 8.4.

Gelet op het voorgaande is de SAOZ terecht tot de conclusie gekomen dat niet is komen vast te

staan dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan.” De verwachting is dat voor afwijkingen hetzelfde geldt als voor uit te werken verplichtingen en uitwerkingsplannen. Gloudemans wijst er nadrukkelijk op dat de overweging is genomen op basis van de actuele stand van de rechtspraak. Volledige zekerheid dat deze overweging kan worden ingenomen, is er niet. Niet valt uit te sluiten dat een andere (in te schakelen) adviseur een ander standpunt inneemt.

Informatienota - documentnummer: VAR_nummer - pagina 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13486894/1