Raadsvoorstel 77, bijlage 6 Toelichting GR-vorm toekomst SGL
Tekst van het document
BIJLAGE 2 BIJ OPLEGBRIEF TOEKOMSTIGE SAMENWERKING D.D. XXXXX [dient als achtergrondinformatie] Toelichting op gekozen ‘juridisch jasje’ voor toekomstige samenwerking in Recreatieschap Stichtse Groenlanden vanaf 1 januari 2023 Het voorstel voor de toekomstige samenwerkingsvorm dat u eerder ontvangen heeft leidt tot een fundamentele wijziging in de huidige organisatiestructuur rondom de recreatietaken. RMN wordt opgeheven. Het recreatieschap, waarin we als 10 deelnemers samenwerken, wordt omgevormd. De taken worden beperkt. De samenwerking is in het nieuwe model gericht op het beheer van het gemeenschappelijk eigendom van de gebieden, eenduidige uitvoering van de VTH-taken binnen het gebied en een gezamenlijk opdrachtgeverschap naar de derde partij, die verantwoordelijk wordt voor de taakuitvoering in ons gebied. Het bestuursmodel wordt eenvoudiger, de manier van werken wordt wezenlijk anders. Hiermee zal de samenwerking doelmatiger worden. In de afweging van de verschillende juridische ‘jasjes’ voor de toekomstige samenwerking die gezien deze taken gebruikt kunnen worden, is gebleken dat een publiekrechtelijke vorm nodig is en een private vorm (stichting bijv.) niet gebruikt kan worden.
Dat heeft vooral te maken met de publiekrechtelijke bevoegdheden die het schap moet hebben om de door de gemeenten en provincie opgedragen taken op het terrein van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) te kunnen uitvoeren en om leges en tarieven te kunnen vaststellen. Dat is ook de reden waarom het schap nu een Gemeenschappelijke regeling is, waarin raden, staten en colleges deelnemen. Het nieuwe samenwerkingsmodel dat wordt voorgesteld sluit aan bij de veranderende opvattingen en wensen van de deelnemers over de samenwerking, waarbij eenvoudig, eenduidig, doelmatig en minder bestuurlijke drukte centraal staan. Om het belang en de betekenis van de beweging die nu wordt gemaakt te markeren en te accentueren hebben we uitgebreid en intensief afgewogen of we qua ‘juridisch jasje’ voor de bedrijfsvoeringsorganisatie zouden kunnen kiezen. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een lichte vorm die in de Wgr geregeld is; het is dus ook een publiekrechtelijke vorm. In het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie kunnen alleen colleges deelnemen, geen raden en staten. De bedrijfsvoeringsorganisatie is daarom beleidsarm, heeft enkel uitvoeringstaken en heeft geen verordenende bevoegdheden. Kijkend naar de gekozen doelen voor de verandering leek de bedrijfsvoeringsorganisatie een aantrekkelijke variant, gezien de eenvoud ervan.
We hebben evenwel moeten vaststellen dat dit voordeel niet opweegt tegen het nadeel dat het schap in deze vorm niet beschikt over verordenende bevoegdheden. Dat leidt tot ingewikkelde hulpconstructies rondom de VTH-taken, leges en tarieven en het vestigen van alleenrecht voor de partij die de taakuitvoering als opdrachtnemer op zich neemt. De 9 deelnemende gemeenten en de provincie moeten dat bij deze vorm onderling, buiten het schap, regelen. Daarmee verschuift de bestuurlijke drukte naar andere tafels, maar wordt deze niet minder, zeker ook qua ambtelijke inspanning niet. Het bevordert ook niet de bestuurbaarheid van het schap en de toekomstbestendigheid van de samenwerking, omdat het nieuwe (financiële) risico’s met zich brengt. Tot slot past het niet goed bij de gekozen samenwerkingsfilosofie, die uit gaat van het solidariteitsbeginsel bij het uitvoeren van de taken van het schap.1
1 Binnen het Plassenschap heeft een vergelijkbare afweging plaats gevonden. Omdat daar maar 2 gemeenten deelnemen en de uitvoering
bij een van de twee gemeenten wordt belegd in plaats van bij een externe partij, kan daar wel voor de BVO gekozen worden.
Tegelijkertijd is het belangrijk dicht bij de gekozen doelen te blijven. Dat kan ook binnen de constructie van een ‘klassieke’ Gemeenschappelijke Regeling (GR). Wij hebben hier invulling aan gegeven door het bestuursmodel in bijgaande tekst van de gewijzigde GR aanzienlijk eenvoudiger te maken en zo slank mogelijk in te richten. De kernelementen van dit sterk vereenvoudigde en afgeslankte bestuursmodel zijn: de burgemeesters treden als zelfstandig bestuursorgaan uit de regeling omdat er geen burgemeestersbevoegdheden in de regeling meer zitten, een AB van 10 leden (nu 20) en een DB van 5 leden (10), de bestuurlijke afspraak dat collegeleden aangewezen worden in het AB en de betrokkenheid van raden en staten organiseren via zienswijzeprocedures op strategische documenten (4-jarige kadernota, begroting, 4-jarig uitvoeringsplan, verordeningen). In combinatie met het opheffen van RMN en het voorstel de taken van het schap te beperken tot uitvoering (geen beleid meer) en zoveel mogelijk werk uit te besteden, zal de bestuurlijke drukte fors minder worden. Verder hebben we afgesproken de werking van dit nieuwe bestuursmodel twee jaar na de start te evalueren, gericht op de vraag of de gestelde doelen (eenvoudig, eenduidig, doelmatig, minder bestuurlijke drukte) gehaald worden.
In het kader van deze evaluatie wordt ook de nu nog in voorbereiding zijnde -en dan mogelijk in werking getreden- wijziging van de Wgr met betrekking tot de positie van de raden betrokken.