CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 49, Bijlage 1 bestemmingsplan en alles in een.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 14 september 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, raadsvoorstel 49/21 (21.45 uur)27.390 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1.78 tunnelkas elke constructie van hout, metaal of ander materiaal, welke met plastic of in gebruik daarmee overeenstemmend materiaal is afgedekt en dient als teeltondersteunende voorziening.

13

1.79 verblijfsrecreatie recreatie in ruimten die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.80 volkstuin een afgeperkt of omheind gedeelte, buiten een bouwvlak gelegen, ten behoeve van de niet-beroepsmatige teelt van voedings- en siergewassen, alsmede voor onder meer grasvelden, paden en terrassen.

1.81 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt; de omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit de verwachten redelijk inkomen.

1.82 voorgevel een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw. In geval een hoofdgebouw meerdere gevels heeft die aan deze voorwaarden voldoen, betreft de voorgevel de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.83 voorgevelrooilijn de snijlijn, en het denkbeeldige verlengde daarvan, van het voorgevelvlak van een hoofdgebouw en het grondvlak waarop het hoofdgebouw zich bevindt.

1.84 waterlijn de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het peil met de aangrenzende gronden.

1.85 waterkering alle dijken, kaden, natuurlijke hoogten en ophogingen, bestemd om in het openbaar belang water te keren, met inbegrip van het gehele lichaam van de dijk en kaden, die als zodanig op de plankaart zijn aangegeven.

1.86 Wgh-inrichting bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.87 wonen het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

1.88 woning een complex van ruimten dat blijkens de indeling en de inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

14

1.89 woonschip een varend schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen.

1.90 zorgboerderij een instelling voor de opvang van zorgbehoevenden, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie.

15

Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen of vergelijkbare dakconstructies bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte van de betreffende gevel, wordt de goothoogte, druiplijnhoogte of boeiboordhoogte van de dakkapel of de daarmee vergelijkbare constructie als goothoogte aangemerkt.

2.6 hoogte van een drijvende woning/recreatie-ark vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van de drijvende woning of recreatie-ark, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen.

2.7 inhoud van een bouwwerk tussen de bovenkant van de afgewerkte begane grond – mits niet hoger dan 10 cm boven aansluitend maaiveld, dan geldt de onderzijde van de begane grondvloer - de buitenzijde van de gevels (en/of hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij (bedrijfs)woningen wordt de kelder niet gerekend tot de inhoud.

2.8 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

16

2.9 oppervlakte van een drijvende woning tussen de buitenzijde van de zijwanden van de drijvende woning, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het waterpeil.

2.10 vloeroppervlakte de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

17

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuurwaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

grondgebonden agrarische bedrijven;

alsmede voor: b. c.

d.

e.

extensief recreatief medegebruik; behoud, versterking en ontwikkeling van natuurwaarden in de vorm van: 1. grote open wateren, sloten en slootkanten, oevers, moeras en natte voedselarme graslanden; 2. houtkades, bos en struweel en droge zandgronden; 3. weidevogelgebied; behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van: 1. openheid; 2. verkavelingspatronen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen.

3.2 Bouwregels Uitsluitend de volgende bebouwing is toegestaan: a. b. c.

veekerende afrasteringen met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 m; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief medegebruik met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; bruggen met een breedte van ten hoogste 4 m en een bouwhoogte van ten hoogste 2 m.

3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Paardenbakken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 om paardenbakken toe te staan, met dien verstande dat deze afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is op hobbymatige paardenbakken en met inachtneming van het volgende: a. b. c. d. e. f.

de afstand tussen de paardenbak en (bedrijfs)woningen van derden bedraagt ten minste 25 m; de paardenbak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; de hoogte van de omheining bedraagt ten hoogste 1,5 m; de hoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m; de in lid 3.1 genoemde natuur- en landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; de paardenbak dient op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast.

18

3.3.2 Kleinschalige windenergievoorziening Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige windenergievoorzieningen, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f. g. h.

de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen niet meer dan 20 m mag bedragen; de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen op gebouwen niet meer dan 7,5 m mag bedragen; kleinschalige windenergievoorzieningen waarvoor een milieuvergunning noodzakelijk is niet zijn toegestaan; de windenergievoorziening wordt gebruikt ten dienste van de hoofdbestemming; de windenergievoorziening wordt geplaatst binnen het geldende bouwvlak van de hoofdbestemming; de aanwezige natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; de landschappelijke waarden, zoals benoemd in 4.1, niet onevenredig mogen worden aangetast. indien de windenergievoorziening wordt geplaatst op of bij een monument, er een positief advies dient te zijn van de gemeentelijke monumentencommissie.

3.3.3 Schuilstallen en agrarische hulpgebouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 ten behoeve van het toestaan van schuilgelegenheden en andere agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f.

de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²; de hoogte maximaal 2,5 m bedraagt; bedoelde bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van een binnen een bouwvlak gevestigd, volwaardig agrarisch bedrijf en deze bebouwing noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de rijafstand van het gebouwtje tot het bouwvlak minimaal 500 m bedraagt; de aanwezige natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast; de bebouwing landschappelijk wordt ingepast.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

het omvormen van grasland naar bouwgrond, uitgezonderd ten behoeve van de teelt van ruwvoeder als onderdeel van een veehouderijbedrijf tot een oppervlakte van ten hoogste 20 % van de gronden van het betreffende bedrijf; het omvormen van grasland naar boom-, fruit- of sierteelt; het aanbrengen van een ondergrond ten behoeve van containerteelt; het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het draineren van gronden; het aanleggen, veranderen of dempen van wateren en waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties; de aanleg van harde oeverbeschoeiingen, dammen of, stuwen; het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere houtgewassen die ten tijde van het in werking treden van het plan aanwezig zijn; het planten van bomen of andere houtige gewassen, ter plaatse waar gronden hiermee niet beplant waren ten tijde van het in werking treden van het plan; het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 200 m², kavelpaden uitgezonderd;

19

l.

het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

3.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 3.4.2 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.

normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; worden uitgevoerd binnen een bouwvlak.

3.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuuren landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

3.5 Wijzigingsbevoegdheid 3.5.1 Realisatie nieuwe natuur Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen om de aanleg van nieuwe natuur mogelijk te maken met inachtneming van het volgende: a.

b. c.

een besluit tot planwijziging wordt niet eerder genomen dan nadat de betrokken gronden in eigendom zijn overgedragen aan een terreinbeherende instantie dan wel via particulier natuurbeheerschap worden gerealiseerd; verwerving dient op vrijwillige basis te geschieden; de bestemmingswijziging dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.

20

Artikel 4 Wonen - Bebouwingsconcentratie 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Bebouwingsconcentratie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning, woonschip of een stacaravan/chalet;

alsmede voor: b.

bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, en toegangswegen.

4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 4.2.1 Algemeen per bouwvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan, tenzij anders aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

4.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

f.

hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geen hoofdgebouwen zijn toegestaan; de inhoud van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 900 m³; de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m; hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap waarvan de hellingshoek ten minste 30° en ten hoogste 50° bedraagt; in afwijking van het bepaalde onder b, c en d, geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaand hoofdgebouw' dat uitsluitend de bestaande maatvoering van het hoofdgebouw is toegestaan; de afstand van hoofdgebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m;

4.2.3 Bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

f. g.

bijgebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, voor zover ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bedraagt per woning ten hoogste 100 m²; de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; in afwijking van het bepaalde onder b. c. en d. geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' het bestaande oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen en de bestaande gooten bouwhoogten zijn toegestaan; de gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen bedraagt per woning ten hoogste 30 m²; de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.

4.2.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, bedraagt:

21

a. b. c.

pergola's en speeltoestellen: 3 m; overige bouwwerken, voor zover voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 1 m; overige bouwwerken, voor zover achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 2 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Grotere oppervlakte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 om een grotere oppervlaktemaat aan bijgebouwen toe te staan bij sloop van bestaande bijgebouwen met inachtneming van het volgende: a.

de oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt ten hoogste 100 m², vermeerderd met 50% van het meerdere van 50 m² aan bedrijfsgebouwen dat wordt gesloopt.

4.3.2 Overschrijden toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 sub d om een hogere bouwhoogte voor bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. b. c. d.

het bijgebouw moet visueel en voor wat betreft het gebruik ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw; een grotere hoogte wordt uitsluitend toegestaan voor bijgebouwen op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens; belangen van derden (inval van licht en uitzicht) mogen niet in onevenredige mate worden geschaad; de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen.

4.3.3 Toestaan extra woning bij sloop bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 om extra woningen toe te staan met inachtneming van het volgende: a.

een extra woning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de sloop van (voormalige) bedrijfsgebouwen, met een verhouding als in onderstaande tabel weergegeven: aantal extra woningen

bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde = of > 1.000 m² en < 2.500 m² = of > 2.500 m² en < 4.000 m² = of > 4.000 m² b. c.

1 2 3

de extra woning dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; de extra woning dient te worden voorzien van adequate landschappelijke inpassing.

4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Beroep of bedrijf aan huis Bij woningen is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende: a.

b.

de vloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m²; het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning;

22

c.

d.

e.

bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zie bijlagen bij de regels, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten; in afwijking van het bepaalde onder 1 en 3 is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden: ▪ de vloeroppervlakte bedraagt ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bijgebouwen, met een maximum van 100 m²; ▪ een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd; het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeersen parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

23

Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. De (verwachtings)waarden zijn van uiteenlopende aard en om die reden onderverdeeld in:

• •

Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4

5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.

c.

op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; 3. aanvragers naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende kunnen aantonen dat er al werkzaamheden tot de betreffende diepte van het bouwplan hebben plaatsgevonden. In dat geval is er geen archeologisch onderzoek meer nodig. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende situaties: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwplan waarbij geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:

zone dieptemaat oppervlaktemaat Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2b 30 cm 100 m² categorie 4 30 cm 2.000 m²

lengtemaat n.v.t. n.v.t.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

24

a.

b. c. d. e.

grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

5.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 5.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. b.

noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 5.2 in acht is genomen; ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:

zone dieptemaat oppervlaktemaat Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2b 30 cm 100 m² categorie 4 30 cm 2.000 m² c. d. e.

lengtemaat n.v.t. n.v.t.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; onderhoudsbaggerwerkzaamheden betreffen die aantoonbaar niet dieper reiken dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes.

5.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 5.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.

b.

c.

de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.

25

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering.

6.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a.

b.

op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

6.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 6.2 sub b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; hiervoor dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap.

26

3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. b. c.

mogen

in

afwijking

van

aanduidingen,

tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, en entreeportalen mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; tot gebouwen behorende erkers , mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt.

8.2 Bestaande maten Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a.

b. c. d.

voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; in geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; lid a is niet van toepassing in combinatie met saneringsregelingen uit hoofdstuk 2, als bedoeld in: 1. lid 4.3.1 en lid 4.3.3 op een bouwwerk als bedoeld in lid a, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing;

8.3 Ondergrondse ruimte Voor het bouwen van geheel of gedeeltelijk beneden het maaiveld gelegen ruimten gelden de volgende bepalingen: a.

het bouwen van ondergrondse ruimten is uitsluitend toelaatbaar in de volgende gevallen: 1. onder (bedrijfs)woningen of bijgebouwen behorende bij (bedrijfs)woningen, een en ander met dien verstande dat de bouw van ondergrondse ruimten niet toelaatbaar bij recreatiewoningen; 2. in de vorm van een mestkelder bij agrarische bedrijven;

27

b.

het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan indien de bijbehorende voorzieningen voor licht- en luchttoetreding en toegangen zijn gesitueerd aan de van de weg afgekeerde zijden van het gebouw; aan de niet van de weg afgekeerde zijde(n) van het gebouw zijn binnen een strook van 1 m vanuit de bovengrondse voorgevel voorzieningen voor licht- en luchttoetreding voor ondergrondse ruimten toegestaan tot maximaal 25% van de breedte van de desbetreffende gevel.

8.4 Beeldbepalende panden a.

b.

Ter plaatse van de aanduiding: 'beeldbepalend pand' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm en dakhelling, raamindeling, alsmede de situering op het perceel, te worden gehandhaafd; ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalend pand' kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a ten aanzien van uitwendige hoofdvorm, mits vooraf advies is uitgebracht door de monumentencommissie.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Monumenten en beeldbepalende panden De aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' is opgenomen ter signalering van ter plaatse aangewezen gemeentelijke monumenten.

9.2 Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5 Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5' geldt dat het toestaan van extra woningen op basis van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid uit regels hoofdstuk 2, uitsluitend is toegestaan voor zover dit plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, en aanvullend aan de voorwaarden uit regels hoofdstuk 2 aan de volgende voorwaarden moet worden getoetst: 9.2.1 Motivering geluid a.

b.

c.

Bij de afwijkings- of wijzigingsprocedure dient een onderbouwing te worden gegeven van de volgende punten: 1. een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied; 2. een beschrijving van de huidige geluidsituatie op die woningbouwlocatie; 3. een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie; 4. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid, waaronder de actuele behoefte waarin de woningbouw voorziet; 5. een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld onder 1, 2, 3 en 4. In aanvulling op onderdeel a, kan in geval van ligging in de geluidzone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein, bij de te maken afweging de gecumuleerde geluidsbelasting van vliegtuiglawaai worden betrokken; In aanvulling op de onder a en b bedoelde beschrijvingen, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in het geval maatregelen worden getroffen om geluidsbelasting dan wel geluidhinder te verminderen, de toelichting een beschrijving van die maatregelen en de afweging die daaraan te grondslag ligt, bevat.

28

9.2.2 Huidige geluidsituatie Uitgangspunt is dat een beschrijving van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie, als bedoeld in lid 9.2.1 sub a onder 1, wordt beschreven aan de hand van de theoretische geluidbelasting (contouren geluidskaart) en de feitelijke geluidbelasting.

9.2.3 Belangafweging woningbouw Bij de toelichting op de afweging van de belangen die met de beoogde woningbouw gemoeid zijn, als bedoeld in lid 9.2.1 sub a onder 4, wordt de relevantie van de betreffende woningbouw in de 20 Ke contour beschreven, waarbij afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval de volgende aspecten worden afgewogen; a. b. c. d.

de kwaliteit van het leefmilieu vanwege de gezondheid, veiligheid en vermindering van hinder, in combinatie met andere geluidsbronnen dan de luchtvaart; de regionale woningbouwmarkt en regionale woningbouwopgave; de kwaliteit van de locatie; elementen van lokale leefbaarheid en vitaliteit.

9.2.4 Belangenafweging geluidmaatregelen a. b.

c.

Uitgangspunt is dat in de afweging als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, het geluidsniveau, de omvang van het project en de doelmatigheid van geluidmaatregelen een rol kunnen spelen. Uitgangspunt is dat de beschrijving van de maatregelen als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, de volgende maatregelen kan bevatten: 1. de stedenbouwkundige keuzes in relatie tot geluid; 2. de maatregelen op objectniveau in relatie tot geluid; 3. de maatregelen in de openbare buitenruimte in relatie tot geluid; 4. de wijze waarop de gemeente potentiële toekomstige bewoners vroegtijdig en volledig informeert over de te treffen geluidmaatregelen. Uitgangspunt is dat de beschrijving van de maatregelen als bedoeld in lid 9.2.3 sub c, aandacht is besteed aan de wijze waarop de te treffen maatregelen zijn geborgd.

9.3 Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie In afwijking van regels hoofdstuk 2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie' dat bodembewerkingen in agrarische bestemmingen, die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, niet zijn toegestaan. Hiervan uitgezonderd zijn bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.

9.4 Overige zone - cultuurhistorische waarden In afwijking van regels hoofdstuk 2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' dat: a. b.

het niet is toegestaan om op de dijk of op de helling van de dijk te bouwen; het niet is toegestaan om de helling van de dijk te egaliseren.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Maten en bouwgrenzen Tenzij op grond van regels hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels voor:

29

a. b.

afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

10.2 Mansardekap (bedrijfs)woningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de in regels hoofdstuk 2 voorgeschreven hellingshoek voor dakvlakken van een (bedrijfs)woning om daarmee een mansardekap toe te staan voor zover dit landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

10.3 Vergroten goothoogte of afwijken van de hellingshoek van de (bedrijfs)woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de in regels hoofdstuk 2 voorgeschreven maximale goothoogte voor (bedrijfs)woningen om een grotere goothoogte voor hoofdgebouwen toe te staan en/of een afwijkende hellingshoek van het dakvlak toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. b. c.

de goothoogte bedraagt ten hoogste 6 m; belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; de goothoogte landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

11.2 Waarde archeologie 11.2.1 Wijzigingsbevoegdheid voor verwijdering van de bestemming Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a. b.

uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

11.3 Extensieve dagrecreatie en waterberging Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied' de bestemming wijzigen om extensieve dagrecreatie en/of waterberging toe te staan en met inachtneming van het volgende:

30

a. b. c.

de nieuwe gebruiks- en bouwmogelijkheden dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; de wijziging niet leidt tot onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden; er sprake moet zijn van een vrijwillige overdracht van de gronden en een daadwerkelijke vervanging van de functie Agrarisch voor waterberging en/of dagrecreatie.

11.4 Prostitutiebedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' en ’Woondoeleinden’ wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van de vestiging van een prostitutiebedrijf, onder de voorwaarden dat: a. b. c. d. e. f.

de agrarische en/of woonfunctie zijn beëindigd; er in totaal maximaal één prostitutiebedrijf wordt gevestigd binnen het totale grondgebied van de gemeente; het prostitutiebedrijf niet wordt gevestigd in de kernrandzone of een bebouwingsconcentratie; het woon-, leef en/of werkklimaat niet wordt aangetast; parkeren als gevolg van de activiteiten op eigen terrein plaatsvindt en er als gevolg van de activiteit geen verkeersonveilige situaties ontstaan; in het geval van het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van monumenten, karakteristieke bebouwing en de bedrijfswoning, gereduceerd wordt met ten minste 50%.

11.5 Waterberging Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden wijzigen ten behoeve van de realisatie van waterberging, met inachtneming van het volgende: a. b. c. d.

verwerving dient op vrijwillige basis te geschieden; de bestemmingswijziging dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen ontstaan als gevolg van de wijziging voor omringende bestaande bestemmingen; er dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder.

Artikel 12 Overige regels 12.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

12.2 Voldoende parkeergelegenheid a.

b. c.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” zoals vastgesteld op 24 november 2016. Indien het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” zoals vastgesteld op 24 november 2016 wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening. De in lid a bedoelde parkeergelegenheid moet afmetingen hebben die afgestemd zijn op de richtlijnen opgenomen in de ASVV2012 van het CROW.

12.3 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat

31

gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In deze behoefte moet voorzien zijn op eigen terrein.

12.4 Afwijken parkeren / laden en lossen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 12.2 en / of lid 12.3, a. b.

indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

32

4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a.

b.

c.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %; Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. b.

c.

d.

het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'De Hoef Westzijde 41, De Hoef'

33

Verbeelding

Bijlage(n) Toelichting

Inhoudsopgave Bijlage 1: Verkennend bodem- en asbestonderzoek; Bijlage 2: Quickscan flora en fauna De Hoef Westzijde 41 De Hoef

Bijlage 1: Verkennend bodem- en asbestonderzoek;

Verkennend (asbest)bodemonderzoe k De Hoef Westzijde 41 De Hoef 19-2262-R01AvH

COLOFON

Opdrachtgever

Buro SRO ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Contactpersoon: Dhr. T. Oostrom

Locatie

De Hoef Westzijde 41 te De Hoef

Type onderzoek

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Verkennend asbestonderzoek NEN 5707

Rapportnummer

19-2262-R01AvH

Datum rapport

21 oktober 2019

Auteur

Dhr. A.J. van Houwelingen Projectleider Bodem

Kwaliteitscontrole

Mevr. M. Penders Projectleider Bodem

Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .......................................................................................................................... 1

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2 2.1 2.2 2.3

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE .................................................................................................... 6 3.1 3.2

4.

Algemeen ....................................................................................................................... 2 Verzamelde informatie vooronderzoek ............................................................................... 2 Hypothese ...................................................................................................................... 4

Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek NEN 5740 .............................................. 6 Onderzoeksstrategie verkennend asbestonderzoek NEN 5707 ............................................... 6

UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK NEN 5740 ................................. 7 4.1 4.2

Uitvoering veldwerk ......................................................................................................... 7 Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek ......................................................................... 8

5.

UITVOERING EN RESULTATEN ASBESTONDERZOEK NEN 5707 .......................................... 10

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 11

BIJLAGEN 1.

2. 3. 4. 5. 6.

Weergave onderzoekslocatie 1.1 Kadastrale gegevens en omgevingskaart 1.2 Situatietekening 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

1. INLEIDING

In opdracht van buro SRO heeft Inventerra in september en oktober 2019 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 verricht op de locatie aan De Hoef Westzijde 41 te De Hoef. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande wijziging van de bestemming en nieuwbouw van een woning. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw. Kwaliteit Inventerra is door Normec Certifications gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer EC-SIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001. De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever. Op dit bodemonderzoek zijn de volgende protocollen, behorende bij de BRL SIKB 2000, van toepassing:

☒ ☒ ☒

2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen. 2002 – Het nemen van watermonsters. 2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem.

De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is niet van toepassing op: • de processen vóór het veldwerk, zoals vraagstelling, gegevens verzamelen en onderzoeksvoorstel; • de processen ná het veldwerk, zoals laboratoriumanalyses, interpretatie van analyse- en veldwerkresultaten en advies; • veldwerk anders dan middels de technieken boringen, steken en graven van sleuven, inclusief alle veldwerk dat volgt op deze technieken zoals plaatsen van peilbuizen of bemonsteren van peilbuizen; • de monsterneming in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 1 van 12

2. MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725

2.1

Algemeen

Om inzicht te krijgen over de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek. De aanleiding voor het navolgend beschreven vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Ten behoeve hiervan dient in ieder geval informatie te worden verzameld over: • Bodemopbouw en geohydrologie, inclusief informatie over de verwachte aan- of afwezigheid van antropogene lagen in de bodem; • Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart, reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en of mogelijk sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situaties, asbest, activiteiten en/of ongewone voorvallen, op basis van het voormalige en huidige gebruik.

Voor het verzamelen van de benodigde informatie kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals: • Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever • Archieven gemeente, milieudienst en/of provincie • Online bronnen zoals Bodemloket.nl en Topotijdreis.nl • Bodemkwaliteitskaarten • Topografische kaarten • Geohydrologische kaarten Verder dient een terreinverkenning te worden uitgevoerd. Deze kan eventueel meteen voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk worden uitgevoerd. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie. 2.2

Verzamelde informatie vooronderzoek

In de navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie weergegeven. Tabel 1 Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Gegevens onderzoekslocatie Adres

De Hoef Westzijde 41 te De Hoef

Kadaster

Mijdrecht, sectie D, nr. 1336 (ged.)

XY-coördinaten

X: 115.720

Begrenzing onderzoekslocatie

De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt ca. 3.800 m².

Huidig gebruik

Boerderij met erf

Y: 468.673

Toekomstig gebruik

Gepland is de wijziging van de bestemming en nieuwbouw van een woning.

Omgeving

De locatie wordt omringd door weilanden en woningen met tuin. Oostelijk bevindt zich de openbare weg (De Hoef Westzijde). Dit betreft een waterkering met aan de andere zijde de Kromme Mijdrecht.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 2 van 12

Vervolg tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Overige informatie vooronderzoek Informatie eigenaar / opdrachtgever

Geen bijzonderheden

Terreinverkenning

•

•

De locatie betreft een boerderij met diverse stallen en schuren. Twee schuren (varkensschuur en opslagschuur) zijn voorzien van een dak van asbestgolfplaten die direct afwateren op het maaiveld. Op de tekening in de bijlage is de afwateringsrichting aangegeven. Deels ligt daaronder een verharding van beton, maar op enkele plaatsen is de bodem niet (volledig) verhard. In de machineopslagloods is sprake van olieopslag in jerrycans op een betonvloer. Het erf is deels verhard met beton, deels met tegels en deels met grind. Bij de terreininspectie is aandacht besteed aan het voorkomen van overige verdachte punten, zoals brandplaatsen, terreinophogingen of verzakkingen. Voornoemde aspecten zijn niet waargenomen.

Kaartmateriaal

• •

Bodemkwaliteitskaart

Locatie is gelegen in een gebied waar toemaakdek voorkomt. De loodverwachtingskaart van de provincie Utrecht geeft aan dat lood kan voorkomen in gehalten boven 800 mg/kgds. De ontgravingsklasse van de bovengrond is “industrie” en van de ondergrond “wonen”.

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

•

•

RUD Utrecht

BAG-viewer: De aanwezig panden dateren uit 1900, 1930 en 1990. Topotijdreis: Voor zover te herleiden zijn er geen kassen of boomgaarden aanwezig geweest op de onderzoekslocatie. Wel zijn er vermoedelijk na 1970 twee sloten gedempt; de ligging hiervan is weergegeven in bijlage 1.2.

Bodeminformatie onderzoekslocatie: In het verleden is sprake geweest van een bovengrondse dieselolietank. De tank is in 2016 gereinigd en verwijderd. De ligging van de tank is niet bekend. Bodeminformatie aangrenzende percelen: Ter plaatse van het noordelijk aangrenzende terrein (nr. 40) is een ernstige verontreiniging geconstateerd; verdere informatie over deze locatie is beschikbaar bij de RUD Utrecht

Op het noordelijk aangrenzende terrein (nr. 40) is een ernstige verontreiniging met zware metalen geconstateerd, vermoedelijk als gevolg van toemaakdek. Ten behoeve van de nieuw te bouwen woning is de verontreiniging geïsoleerd en daarbij deels herschikt.

Bodemloket.nl

Geen aanvullende informatie

Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)

Holocene deklaag, bestaande uit zandige, kleiige en/of venige afzettingen: tot ca. 9 mmv Watervoerend pakket, bestaande uit zandige afzettingen van de Formaties van Boxtel, Kreftenheye, Urk en Sterksel: dikte circa 50 meter Stromingsrichting van het freatisch grondwater (<10 m): beïnvloed door lokale factoren Stromingsrichting grondwater in eerste watervoerend pakket: oostelijk

In bijlage 1 zijn de foto’s, gemaakt tijdens de terreininspectie, en de situatietekening(en) bijgevoegd. In bijlage 5 zijn relevante gegevens van het vooronderzoek opgenomen.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 3 van 12

2.3

Hypothese

Ten behoeve van het opstellen van de onderzoekshypothese(s) dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie? De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Is sprake van bodemvreemde lagen en waar bevinden deze zich? Op grond van het vooronderzoek wordt de aanwezigheid van toemaakdek verwacht. Dit is een historische ophoging van het gebied met o.a. huisvuil uit de grote steden. Als gevolg hiervan kan sprake zijn van (sterke) verontreinigingen met voornamelijk zware metalen en PAK. Verder kan niet worden uitgesloten dat sprake is van bijmengingen met puin in de bodem. Is de bodem asbestverdacht? Vanwege de mogelijke aanwezigheid van puinbijmengingen uit de periode na 1940 is de bodem verdacht voor asbest. Ook is de bodem direct onder de op onverhard maaiveld afwaterende asbestdaken verdacht voor asbest. Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? Locatie is gelegen in een gebied waar toemaakdek voorkomt. De loodverwachtingskaart van de provincie Utrecht geeft aan dat lood kan voorkomen in gehalten boven 800 mg/kgds. De ontgravingsklasse van de bovengrond is “industrie” en van de ondergrond “wonen”.

Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Er wordt niet verwacht dat eventuele activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Er is op de locatie nog geen bodemonderzoek uitgevoerd; derhalve is de uitvoering van bodemonderzoek nodig. Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Op grond van de verzamelde informatie wordt verwacht dat sprake is van een bodemverontreiniging met voornamelijk zware metalen (en PAK) als gevolg van toemaakdek.

Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? De volgende potentiële bronnen van bodemverontreiniging zijn geïdentificeerd; de ligging hiervan is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1.2: • olieopslag in de machineopslagloods, verdachte parameters: minerale olie • op onverhard maaiveld afwaterende asbestdaken, verdachte parameters: asbest • 2 gedempte sloten, verdachte parameters: diverse parameters Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek? Voor de olieopslag en de slootdempingen geldt dat sprake is van een plaatselijke bodembelasting en dat ze verdacht zijn voor de aanwezigheid van duidelijke verontreinigingskernen. Voor de potentiële bronnen is de onderzoeksstrategie voor een ‘verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern’ (VEP, NEN 5740) van toepassing.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 4 van 12

Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit wordt er vanuit gegaan dat sprake is van een diffuse bodembelasting en is de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL, NEN 5740) van toepassing. De bodem wordt vanwege puinhoudende grond beschouwd als verdacht voor asbest met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (NEN 5707). De bodem onder de direct op maaiveld afwaterende asbestdaken wordt eveneens beschouwd als verdacht voor asbest. Hierbij wordt uitgegaan van een verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 5 van 12

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE

3.1

Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypotheses en onderzoeksstrategieën is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. In onderstaande tabel is aangegeven welke werkzaamheden en analyses volgens de NEN 5740 worden verricht. Tabel 2 Veldwerkzaamheden en analyses Locatie

Strategie

Veldwerk

Analyses

boringen

peilbuizen

bg/vd

VEP

-

1x*

1x NENG

VED-HE-NL

12x 1 m-mv 2x 2 m-mv

-*

3x NENG

Slootdemping 1 <100 m²

VEP

3x 2 m-mv

-

1x NENG**

Slootdemping 2 <100 m²

VEP

5x 2 m-mv (raai)# 3x 2 m-mv

-

**

Olieopslag <10 m² Overige terrein, opp. ca. 3.800 m2

Verklaring tabel: m-mv: meter-maaiveld * ** # NENG

: : : :

NENW :

3.2

bg: bovengrond

vd: verdachte laag

og: ondergrond

og/vd

gw 1x NENW*

1x NENG

-* -

-

gw: grondwater

het grondwateronderzoek wordt gecombineerd het onderzoek wordt gecombineerd ter bepaling van de ligging van de demping standaard pakket grond (droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte, 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), polychloorbifenylen (PCB), minerale olie) standaard pakket grondwater (9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl, 11 stuks), minerale olie)

Onderzoeksstrategie verkennend asbestonderzoek NEN 5707

Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypothese en onderzoeksstrategie is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. De volgende werkzaamheden worden (na een maaiveldinspectie en in combinatie met het verkennend bodemonderzoek) uitgevoerd: Tabel 3 Veldwerkzaamheden en analyses Locatie, opp.

Strategie

Veldwerk

Analyses

inspectiegaten 30x30 cm

waarvan doorgeboord

vd

Dakgootlijn varkensschuur

Diffuus heterogeen

2x ca. 0,25 m-mv

-

1x asbest (<20 mm)

Dakgootlijnen opslagschuur

Diffuus heterogeen

4x ca. 0,25 m-mv (2 per dakgootlijn)

-

2x asbest (<20 mm)

Overige terrein, opp. ca. 3.800 m² (optioneel)

Diffuus heterogeen

10x% max. 0,5 m-mv$

2x max. 2,0 m-mv

3x asbest (<20 mm)

Verklaring tabel: m-mv : meter-maaiveld vd : verdachte laag % : er wordt voor het onderzoek van het overige terrein tevens gebruik gemaakt van de overige inspectiegaten @ : in geval van asbestverdacht materiaal >20 mm dient dat ook geanalyseerd te worden $ : ter plaatse van de betonverhardingen wordt gebruik gemaakt van de boorgaten van het verkennend bodemonderzoek

De opgegraven en opgeboorde grond wordt gezeefd en/of uitgeharkt en visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (AVM).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek De Hoef Westzijde 41 te De Hoef 19-2262-R01AvH

pag. 6 van 12

4. UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK NEN 5740

4.1

Uitvoering veldwerk

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen) en 2002 (Het nemen van grondwatermonsters). De uitvoerend veldmedewerker, dhr. P. van Achterberg, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Op 23 en 24 september 2019 zijn in totaal 16 boringen (boringen 101 t/m 114, 201 t/m 203, 301 t/m 304, 304A, 304B, 304C en 304D) geplaatst, in diepte variërend van 1,0 – 2,0 m-mv. Boring 112, bij de olieopslag, is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De situering van de boringen en de peilbuis en enkele overzichtsfoto’s zijn weergegeven in bijlage 1.2 en 1.3. Het omhoog gebrachte bodemmateriaal is ter plaatse zintuiglijk beoordeeld, de vrijgekomen grond is geclassificeerd en bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen (zoals kleur, geur, bijmengingen, verontreinigingen) zijn beschreven in boorprofielen, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. Bij iedere boring zijn monsters genomen van de te onderscheiden bodemlagen. De bodem op de locatie bestaat nagenoeg geheel uit veen. Alleen bij boring 101 bestaat de bovengrond tot 0,5 meter uit klei. Het grondwater bevond zich tijdens het veldwerk op een diepte van 0,5 à 0,7 m-mv.

In de navolgende tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden tijdens het plaatsen van de boringen weergegeven. Tabel 4 Visuele waarnemingen tijdens plaatsing boringen Boring

Diepte boring (m -mv)

Traject (m -mv)

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

101 103 105 107 109 110 111 112 114 115 201 301 302 303 304

1,00 1,00 1,00 1,00 2,00 1,00 1,00 2,00 2,00 1,00 2,00 2,00 2,00 2,00 2,00

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10465642/1