Raadsvoorstel 49, Bijlage 1 bestemmingsplan en alles in een.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan De Hoef Westzijde 41, De Hoef Gemeente De Ronde Venen
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0736.BPP024westzijde41-ow01
Datum:
2021-04-22
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T.J. Oostrom | dhr. H.J.M. van Arendonk
Kenmerk Buro SRO:
SR160136
Opdrachtgever:
Stili
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Toelichting
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Context ............................................................................................................................................................... 8 2.2 Bestaande situatie ............................................................................................................................................ 8 2.3 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ..............................................................................................................................................12 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................13 3.3 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................16
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten ................................................................................................... 20 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................20 4.2 Bedrijven en milieuzonering............................................................................................................................21 4.3 Geluid ...............................................................................................................................................................22 4.4 Luchtkwaliteit...................................................................................................................................................22 4.5 Bodem en asbest.............................................................................................................................................23 4.6 Externe veiligheid ............................................................................................................................................24 4.7 Waterhuishouding ...........................................................................................................................................26 4.8 Ecologie
............................................................................................................................................................28 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................29 4.10 Luchthavenindelingbesluit............................................................................................................................31 4.11 Verkeer en parkeren .....................................................................................................................................32
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................33 5.2 Plansystematiek ..............................................................................................................................................33 5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen .......................................................................................................34
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 37 7.1 Overleg .............................................................................................................................................................37 7.2 Zienswijzen ......................................................................................................................................................37
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie aan De Hoef Westzijde 41 is momenteel het agrarische bedrijf van de opdrachtgevers aanwezig. Eén van de agrarische opstallen, de boerderij, is aangemerkt als gemeentelijk monument. De familie overweegt te stoppen met het bedrijf, waarvoor geen bedrijfsopvolgers bestaan. Daarnaast hebben initiatiefnemers het voornemen om op het perceel, ter plaatse van de bestaande bebouwing, een nieuwe woning te bouwen. Een deel van de bestaande bebouwing wordt hiervoor gesloopt. In 2014 is een principeverzoek ingediend ten behoeve van het realiseren van een woning ten zuiden van het perceel. De gemeente heeft echter aangegeven geen medewerking te verlenen vanwege het volgende: "de woning zou dan midden in het weiland komen te staan. Hier is geen bouwvlak en/of bestemming 'Woondoeleinden' aanwezig. Dit is dus in strijd met het bestemmingsplan. Bovendien doet de plaats afbreuk aan het agrarisch gebied en belemmert tevens het doorzicht naar de achterliggende weilanden." De woning is bij onderhavig plan op een andere plek gesitueerd dan in de aanvraag, waarmee de argumenten tegen de aanvraag niet geldig zijn bij dit plan. De beoogde ontwikkeling is echter niet toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan 'BuitengebiedWest'.
Tevens voldoet het plan niet aan de eisen die de gemeente in het geldende bestemmingsplan stelt aan de mogelijk een extra woning te realiseren voor de vervolgfunctie bij bedrijfsbeëindiging. Om de realisatie van het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is het daardoor nodig een herziening van het bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) op te stellen. Voorliggend ruimtelijk plan vormt dit nieuwe bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan De Hoef Westzijde 41 in De Hoef. De planlocatie ligt aan de rivier de Kromme Mijdrecht, wat het een aantrekkelijke woonlocatie maakt. Het plangebied is onderdeel van perceel 1336 dat kadastraal bekend is onder kadastrale gemeente Mijdrecht, sectie D. De oppervlakte van het plangebied is circa 5.600 m². Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
5
Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)
Globale begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019. Door een reactieve aanwijzing van de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen de uitzonderingsbepaling binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden', zijn de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3.7.3 en 4.7.3 geen onderdeel meer van het bestemmingsplan. Het plangebied betreft het gehele agrarische bouwvlak. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied-West' (plangebied rood omkaderd)
Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden Natuurwaarden'. Daarnaast beschikt een deel van het plangebied over de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waterstaat - Waterkering'. Verder gelden er verschillende gebiedsaanduidingen in het plangebied en omgeving. Het initiatief om bebouwing te saneren, het plangebied om te zetten naar een woonbestemming en een extra woning te realiseren, past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Hiervoor dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Aangezien het initiatief tevens gepaard gaat met het uitplaatsen van een bestaande bedrijfswoning, is er voor gekozen om een herziening van het bestemmingsplan op te stellen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5, waarna de juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 wordt belicht.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Context De middeleeuwse verkaveling die in de omgeving van het plangebied te vinden is, is een kwaliteit die Europees erkend wordt. De radiale ontginningsstructuur en de kronkels in de veenrivieren zijn kenmerkend. Deze kronkels zorgen voor een voortdurend veranderend zicht op de rivier en het Bovenland. De waterstructuur ligt overwegend haaks op de rivier, maar door de bocht in de rivier levert dit ineens spannende vergezichten op het landschap en de waterstructuur. De afwisseling tussen de open stukken en de intieme, groene concentraties maken de landschappelijke beleving. Boerenerven maken met hun erfbeplanting onderdeel uit van het landschap. Een woning met een stedelijk ingerichte tuin heeft veel minder aansluiting met het landschap. Door de bebouwingsconcentraties in het rivierland te verdichten, of historische boerderijen te vervangen door woningen komt de intieme, landschappelijke sfeer van het lint onder druk te staan. Op het boerenerf van het plangebied is jarenlang in oude traditie geboerd. Naast het houden van melkkoeien en jongvee, zijn er ook varkens gehouden in de oude varkensstal. Momenteel wordt er niet meer gemolken op het erf. Het ensemble wordt gevormd door de langhuisboerderij met daarnaast gelegen stal, de hooiberg en de opslagloods. De varkensstal en de verschillende bijgebouwen zijn ondergeschikt.
Door de charmante rommelhoekjes, ademt hier een informele boerensfeer van enkele decennia terug. Er bestaan kansen om de sfeer van het plangebied te behouden. Dit wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 2.3.
2.2 Bestaande situatie Op het perceel De Hoef Westzijde 41 staat de boerderij van de initiatiefnemers. Deze langhuisboerderij is aangewezen als een gemeentelijk monument. Het boerenbedrijf beschikt over circa 30 koeien en 30 schapen. De oppervlakte van de bijgebouwen die gerelateerd zijn aan de agrarische bedrijfsvoering heeft een totaal van 700 m² waarvan ca. 600 m² in aanmerking komt om gesloopt te worden. De familie overweegt te stoppen met het bedrijf. Er zijn geen bedrijfsopvolgers. De navolgende afbeeldingen geven een luchtfoto en een impressie van de bestaande situatie weer.
8
Luchtfoto bestaande situatie
Vooraanzicht plangebied (bron: Google Streetview)
2.3 Toekomstige situatie Op het perceel De Hoef Westzijde 41 staat de boerderij van de initiatiefnemers. Deze langhuisboerderij is aangewezen als een gemeentelijk monument. De initiatiefnemer heeft het voornemen om een tweede woning op het terrein te realiseren. De beoogde ontwikkeling omvat het stopzetten de huidige agrarisch bedrijfsvoering en onder meer het inleveren van bouwmogelijkheden. In ruil hiervoor wenst initiatiefnemer een extra woning te realiseren. Deze woning is direct ten noorden van de bestaande bedrijfswoning beoogd. In de woning komt de zoon van de initiatiefnemer te wonen. De initiatiefnemer is inmiddels op leeftijd. Het realiseren van een woning dichtbij de boerderij is, mede in het daglicht van mantelzorg, zeer gewenst. Onderstaande afbeelding geeft een schematische weergave van de beoogde situatie.
9
Beoogde situatie (bron: Stili Architectuur)
Om de beoogde situatie mogelijk te maken wordt een deel van de bestaande bebouwing (ca. 600 m²) gesloopt. Het gaat daarbij om de op onderstaande afbeelding in het groen aangegeven bebouwing (kuilgras en buitenloop varkens geen bebouwing).
Overzicht bebouwing; te slopen bebouwing groen gemarkeerd (bron: Stili Architectuur)
Beeldkwaliteit Boerenerven maken met hun erfbeplanting onderdeel uit van het landschap. Een woning met een stedelijk ingerichte tuin heeft veel minder aansluiting met het landschap. Doordat onderhavig plan beoogt bij de nieuwe ontwikkelingen de aangetaste waterstructuur te herstellen, biedt dit kansen om de bodemdaling te beperken. Daarnaast wordt door het verwijderen van de beplanting op het voorerf het zicht op het bijzondere ensemble van hoofd- en bijgebouwen verbeterd. Ook de waterstructuur wordt hierdoor beter
10
zichtbaar, wat de landschappelijke beleving ten goede komt. Om toch groene waarde te behouden wordt op overige delen van het perceel streekeigen beplanting aangeplant. Dit zal het erfsilhouet en de zonering (voor-/achtererf) ondersteunen. Door natuurlijke oevers (geen beschoeiingen) wordt de boerenlandsfeer behouden en kan de natuurwaarde van de sloten en slootkanten uitgebreid worden. De hiërarchie van hoofdgebouwen en bijgebouwen dient door de architectuur te worden ondersteund. De nieuwe woning is secundair. De bijgebouwen worden dusdanig gedetailleerd dat ze ondergeschikt zijn aan het hoofdvolume. Aanbouwen en dakkapellen blijven achterwege, omdat deze de hoofdvorm van het gebouw aantasten. De nieuwe woning krijgt het karakter van een stoer, schuurachtig volume. De hoofdvorm is goed herkenbaar vanuit het landschap. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van een dusdanige woning.
Impressie nieuwe woning
Verder wordt de bestaande wagenschuur intern gesplitst, zodat het als bijgebouw gebruikt kan worden voor beide woningen. Hierdoor blijft het ensemble compact en wordt verrommeling van bijgebouwen voorkomen. Ook wordt verrommeling voorkomen door parkeren achter het bestaande woonhuis mogelijk te maken. Hierdoor zijn er geen voertuigen zichtbaar vanaf de weg. Er is met dit initiatief sprake van een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Zo wordt circa 600 m² aan verouderde agrarische bebouwing gesloopt, waardoor het doorzicht naar achterliggende weilanden wordt vergroot, en er wordt kwaliteit toegevoegd in de vorm van landschapselementen. Verder wordt een bebouwingsopzet voorgesteld met een voor- en een achtererf, waarmee recht wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van dit perceel. Tevens blijft het zuidelijke deel van het huidige agrarische bouwvlak definitief vrij van bebouwing, waarmee een blijvend vrij zicht op het landschap is veiliggesteld. Voorts worden gesloten terreinverhardingen verwijderd en wordt het slotenpatroon hersteld. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede beeldkwaliteit en het plan in lijn is met de welstandseisen van de gemeente.
11
3 Beleidskader Dit hoofdstuk beschrijft in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, in overeenstemming is met het geldende ruimtelijke beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het in dit hoofdstuk samengevatte beleidskader is niet uitputtend. Het geldende beleidskader op bijvoorbeeld het gebied van water en milieu is weergegeven in desbetreffende paragrafen in toelichting hoofdstuk 4.
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.
Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van een woning en het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf. Ten opzichte van de huidige planologische situatie (zie toelichting paragraaf 1.3) wordt één woning toegevoegd. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
13
• •
met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied en is gelegen in de kernrandzone. In het landelijk gebied wil de provincie ruimte bieden om de problematiek van de vele vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen aan te pakken via een verbrede vorm van ruimte voor ruimte ten behoeve van wonen als opvolgfunctie. Het voorgenomen plan heeft hier betrekking op. In toelichting hoofdstuk 2 wordt de beoogde kwaliteitsverbetering toegelicht. Verder maakt de planlocatie onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De omgeving van het plangebied is aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Voor het agrarisch cultuurlandschap is het beleid gericht op dat cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart bij de planontwikkeling een rol spelen. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn de volgende: 1. 2. 3. 4.
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Onderhavig plan draagt bij aan de openheid van het landschap doordat er bebouwing verwijderd wordt. Dit komt ook de zichtbaarheid van het gemeentelijk monument ten goede. Daarnaast blijft het weidekarakter behouden. Het plan is in lijn met de ambities van de provincie voor het agrarisch cultuurlandschap en het Groene Hart. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities van de omgevingsvisie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie
14
Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden.
Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Landelijk gebied Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied volgens de kaart 'landelijk gebied'. In het landelijk gebied is verstedelijking niet toegestaan, tenzij in de verordening anders is bepaald. Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Woningen en niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen zijn volgens de omgevingsverordening voorbeelden van stedelijke functies. Bij het betreffende initiatief is derhalve sprake van verstedelijking. Een uitzondering op het verstedelijkingsverbod is onder andere artikel 9.5. Volgens dit artikel kan in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c.
gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, en bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten, en belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.
Daarbij dient de toelichting een onderbouwing te bevatten waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. In toelichting paragraaf 2.3 is een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen waaruit blijkt dat het plan een goede beeldkwaliteit nastreeft. Navolgend wordt per voorwaarde van artikel 9.5 beschouwd of het planvoornemen er aan voldoet. Ad a) De karakteristieke bebouwing bestaat uit het ensemble aan de voorzijde (oostzijde) van het perceel. De langhuisboerderij, een gemeentelijk monument, blijft behouden. Er wordt circa 600 m² aan agrarische bebouwing gesloopt. Hierbij wordt meer ruimtelijke kwaliteit toegevoegd in de vorm van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur en cultuurhistorische waarden en verbetering van het woonmilieu voor aangrenzende woningen. Ad b) De nieuwe woning wordt gesitueerd ter plaatse van de bestaande bedrijfsbebouwing en binnen het voormalige agrarische bouwperceel. Hierbij ontstaat een nieuw ensemble, met een compact cluster met een agrarisch karakter. Dit bevindt zich binnen de bestaande bebouwingsenclave.
15
Ad c) In de directe omgeving zijn geen (grootschalige) agrarische bedrijven gevestigd. Het is daarmee uitgesloten dat agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Tevens blijkt uit toelichting paragraaf 4.2 dat andere functies niet worden gehinderd. Gezien het voorgaande wordt er voldaan aan het gestelde in de PRV met betrekking tot verstedelijking in het landelijk gebied. Cultuurhistorische hoofdstructuur Door de ligging in de Cultuurhistorische hoofdstructuur mag de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Daarnaast is de ligging in het agrarisch cultuurlandschap reden om de ontwikkeling toe te staan, omdat het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit bijdraagt aan het zichtbaarder maken van de cultuurhistorische waarde van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund. In de gemeente De Ronde Venen zijn de volgende beleidsthema's aangemerkt als belangrijke waarden voor het ruimtelijke beleid:
• • • •
leefbaarheid; landschap; lokale economie; duurzaamheid.
Planspecifiek Op de visiekaart is aangegeven dat het landschapstype waar het plangebied tot behoort het stroomruggenlandschap is. De stroomruggen ligger hoger in het landschap. Geleidelijk zijn in het verleden stadjes en dorpen, uitlopend in open linten, ontstaan. De dijk is meestal dicht langs de rivier gelegen, met buitenplaatsen en andere woningen, omgeven door bomen. Eén van karakterbepalende linten in de gemeente De Ronde Venen is de rivier de Kromme Mijdrecht met de omliggende dijken, wegen en bebouwing. De Hoef Westzijde en het verlengde daarvan is een rivierlintzone. Beleving van de rivier en het achterliggende landschap vindt hierbij vanaf de dijken plaats. Het initiatief hindert deze beleving niet en heeft een positieve invloed op het achterliggende landschap van het lint. Ten aanzien van agrarische bedrijfsbeëindiging is in de structuurvisie bepaald dat de agrarische functie van de bouwkavel kan worden omgezet in wonen. Eén of enkele extra woningen zijn mogelijk, wanneer daar de sloop van bedrijfsbebouwing tegenover staat. Het provinciaal beleid (zie toelichting paragraaf 3.2) is hierbij het uitgangspunt. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.
16
3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 Het landschap van de Groene Hartgemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers. Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld. In de nota is het beleid omtrent de omgang met landschappelijke waarden beschreven, in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030, Economische visie en Recreatievisie zijn de gewenste ontwikkelingen weergegeven (zie voorgaande en navolgende paragraven van voorliggend hoofdstuk). Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen, de zogenaamde landschapstoets. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats.
Landschapsbeleidskaart Op de landschapsbeleidskaart is opgenomen met welk landschappelijk beleid als onderdeel van het ruimtelijke toetsingskader rekening moet worden gehouden en wat het gevoerde beleid is ter plaatse. Het plangebied van voorliggende ruimtelijke onderbouwing valt onder de beleidsobjecten 'openheid' en 'rationele verkaveling'. Openheid is het belangrijkste kenmerk van het landschap in De Ronde Venen, vooral dankzij de veeteelt. De landbouw vormt de drager van de kernkwaliteit openheid, die onlosmakelijk verbonden is met het veenweidelandschap en de droogmakerijen. Tussen lijnelementen, zoals water, wegen en dijken, moet de bestaande openheid bewaard blijven. De verkaveling is van grote invloed op de structuur van het landschap. In de droogmakerijen is sprake van een 'rationele verkaveling', die dateert uit de late 19e en vroege 20e eeuw. De structuur van het landschap wordt bepaald door weg- en erfbeplantingen. De droogmakerijen hebben hun eigen karakter en verschillen in openheid. Dijken begrenzen de ruimte en zijn de plaatsen waarvan de structuur beleefd kan worden. De bestaande rationele verkaveling heeft cultuurhistorische en landschappelijke waarde en dient zoveel mogelijk behouden blijven.
Deelgebiedenkaart en deelgebiedenbeschrijving Op de deelgebiedenkaart en bijbehorende beschrijvingen is weergegeven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn en welk (landschappelijk) beleid uit de Structuurvisie van de Ronde Venen van toepassing is op dit deelgebied. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden. De Hoef De kern De Hoef neemt een speciale positie in de Landschapsnota in. Vanuit het kernenbeleid wordt veel waarde gehecht aan de unieke identiteit van de kern. Aan beide zijden van de Kromme Mijdrecht is bebouwing te vinden, voornamelijk woonbebouwing. Nog steeds is de bebouwing gelegen aan de weg op regelmatige afstand van elkaar. Her en der heeft verdichting plaatsgevonden. De Hoef Westzijde en Oostzijde , parallel aan de Kromme Mijdrecht, ontsluiten de hoofdkern van zuid naar noord. Deze wegen komen uit op de Oude Spoorbaan, een hoofdroute in de gemeente. Het bebouwingslint langs de Kromme Mijdrecht is plaatselijk dicht en dan weer meer open, met enige doorzichten naar het achter gelegen gebied. Er wordt naar gestreefd om de doorzichten naar het achterland open te houden. Vandaar dat verdere verdichting van de linten niet wordt gestimuleerd en zo mogelijk bouw van woningen en bijgebouwen wordt tegengegaan.
Dit geldt zowel voor het lint als op de achterterreinen. Planspecifiek Het plangebied heeft volgens de landschapbeleidskaart een middeleeuwse verkaveling en is aangemerkt als een gebied waar openheid van belang is. Bij de middeleeuwse verkaveling dient de bestaande
17
verkaveling en het bestaande slotenpatroon behouden te blijven. Bij het voorgenomen plan is dat het geval. Daarnaast is openheid van belang. Hier draagt onderhavig plan aan bij door de verwijdering van bebouwing. Op de deelgebiedenkaart behoort het plangebied tot het landschapstype en gebruik 'Veen: landbouw, natuur (EHS), Groene contour'. In de toelichting paragraaf 3.3.1 is het initiatief gespiegeld aan het gemeentelijk beleid voor dit landschapstype. Voor De Hoef geldt dat er naar wordt gestreefd het achterland open te houden. Bij onderhavige planontwikkeling vinden verder geen ingrepen aan het achterland plaats, echter wordt door het wegnemen van bebouwing zicht op het achterland verbeterd. Daarnaast geeft de gemeente aan bouw van woningen en bijgebouwen tegen te gaan. Per saldo wordt er in dit plan meer bebouwing verwijderd dan toegevoegd. Daarmee neemt de ruimtelijke kwaliteit toe. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de Landschapsnota van de gemeente De Ronde Venen.
3.3.3 Woonvisie De Ronde Venen Doorstroming staat centraal in de Woonvisie uit 2013, met daarbij drie speerpunten: bouwen voor kwaliteit, beter benutten van de bestaande voorraad en vermarkten van de gemeente als aantrekkelijke woonplaats. De vraag bepaalt het aanbod: de woningbehoefte is leidend: 1.150 woningen tot en met 2020 is het uitgangspunt. Bestaande afspraken en woningbouwprogramma’s worden gerespecteerd. Bij herprogrammering en nieuwe initiatieven dient de Woonvisie als uitgangspunt, waarbij de volgende punten centraal staan: 1.
Toevoegen van nieuwe woonmilieus: Rust en Ruimte en Voorzieningen om de hoek. Bij Rust en Ruimte wordt ingespeeld op de kwaliteiten van het landschap en het water. Voorzieningen om de hoek richt zich op het bieden van gelijkvloerse woningen in de centra van Mijdrecht, Vinkeveen en Abcoude. De ontwikkeling van woningen vergroot tevens het draagvlak voor voorzieningen en daarmee de kwaliteit van de centra. 2. In eerste instantie bouwen voor ouderen en voor doorstromers die een iets grotere woning willen. Dit heeft het grootste effect op doorstroming in de hele woningvoorraad. 3. In mindere mate bouwen voor jongeren, aangezien er in de bestaande voorraad al veel geschikte woningen beschikbaar zijn. Hiervan afwijken wanneer het gaat om particulier opdrachtgeverschap. 4. Op uitleglocaties betekent dit het bouwen van twee-onder-één kap en vrijstaande woningen, bungalow/patiowoningen en in beperkte mate rij-/hoekwoningen, zowel koop als huur. 5. Ruimtelijk wordt de verbinding met het landschap gezocht, wat zichtbaar, beleefbaar en het liefst toegankelijk is. Kleinschalige structuren vormen het uitgangspunt, een monotoon beeld wordt zo veel mogelijk voorkomen. 6. Op inbreidingslocaties in centra patiowoningen/appartementen met lift bouwen in het betaalbare/middeldure segment, zowel koop als huur. De ruimtelijke inpassing is maatwerk.
Uitgangspunt vormt het versterken van kwaliteiten in de bestaande stedenbouwkundige structuur. 7. We bouwen ook voor vestigers, dit betekent zo min mogelijk belemmerende maatregelen bij toewijzing van woningen, behalve bij sociale huur- en koopwoningen en woningen voor ouderen (gelijkvloers, wonen en zorg). 8. Woningen dienen een toevoeging te zijn op de bestaande voorraad; de effecten van afzet op de markt worden nauwgezet gevolgd. Wat prijsklasse betreft, dient de nadruk te liggen op woningen tot € 250.000 en boven de € 350.000; in de tussenliggende prijsklasse is er voldoende aanbod in de bestaande voorraad. 9. Bij monitoring is er aandacht voor rij-/hoekwoningen in de prijsklasse tussen de € 200.000 en € 300.000. De kernen Wilnis en Mijdrecht verdienen hierbij bijzondere aandacht. 10. De gemeente heeft een positieve grondhouding ten aanzien van particulier opdrachtgeverschap. Waar wij kansen zien brengen wij partijen samen om de mogelijkheden voor particulier opdrachtgeverschap te onderzoeken.
18
Planspecifiek: De voorgenomen ontwikkeling plan betreft het planologisch mogelijk maken van één extra woning. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte van 1.150 woningen tot 2020. De ontwikkeling past bij de uitgangspunten 1, 2, 5, 8 en 10. Het per saldo toevoegen van een vrijstaande woning kan een positief effect hebben op doorstroming in de woningmarkt. Verder heeft de planlocatie betrekking op een aantrekkelijk woonmilieu nabij het open landschap. De vrijstaande woning begeeft zich in de prijsklasse boven € 350.000,-. Aan woningen in deze prijsklasse is behoefte. De ontwikkeling is een voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap. De gemeente De Ronde Venen heeft een positieve grondhouding ten aanzien hiervan. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de gemeentelijke Woonvisie.
19
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen
20
ontwikkeling omvat immers onder andere de realisatie van een woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. 2.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen, waaronder de aspecten bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de drie selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldingsnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r.(beoordeling) nodig is en publiceert dit in een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een gevoelige bestemming, namelijk (burger-)woningen mogelijk. Daarom is aan de hand van het bestemmingsplan 'Buitengebied-West' (gemeente De Ronde Venen) bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn.
21
In de omgeving zijn veelal woonpercelen aanwezig met aan de achterzijde de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'. De agrarische bestemmingsvlakken beschikken vaak over deze bestemming uit natuuroverwegingen; niet vanwege agrarische activiteiten. Er worden dan ook geen belemmeringen veroorzaakt vanuit agrarische activiteiten voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Aan de overkant van de Kromme Mijdrecht, aan De Hoef Oostzijde 30, is de kaashandel van Gebr. Rademaker B.V. gevestigd. Een groothandel in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren of spijsoliën (4632, 4633) heeft een milieucategorie van 3.1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 30 m geldt ingevolge de richtafstandenlijst van de VNG. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Er dient geconcludeerd te worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect bedrijven en milieuzonering en het plan op dit onderdeel uitvoerbaar is.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk. De woningen in het plangebied bevinden zich niet binnen de onderzoekszone van 250 m van de Oude Spoorbaan. De Hoef Westzijde en De Hoef Oostzijde zijn met een snelheidsregime van 30 km/u niet onderzoeksplichtig. Verder bevinden zich in de omgeving geen spoorlijnen of geluidgezoneerde inrichtingen. Geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide
22
(NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van één woning ten opzichte van de huidige planologische situatie. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (2017) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De concentraties over 2017 van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bedragen respectievelijk maximaal 16,3 µg/m³ NO2, 17,4 µg/m³ PM10 en 10,4 µg/m³ PM2,5.
Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zijn gezien het voorgaande geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit.
4.5 Bodem en asbest Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Om aan te kunnen tonen of de kwaliteit van de grond en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is er een verkennend bodemonderzoek. Omdat er daarnaast meerdere asbestverdachte daken in het plangebied aanwezig zijn is het bodemonderzoek gecombineerd met een verkennend asbestonderzoek
23
(Inventerra, 19-2262-R01AvH, d.d. 21 oktober 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Hieronder zijn de onderzoeksresultaten van het onderzoek weergegeven. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor zware metalen, PAK, minerale olie en asbest. Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:
•
De bovengrond en het grondwater ter plaatse van de olieopslag zijn niet verontreinigd met minerale olie.
•
De bovengrond ter plaatse van de dempingen met geringe bijmengingen aan puin is licht verontreinigd met zware metalen en PAK.
•
In de ondergrond zonder bodemvreemde materialen zijn een matige verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met zink en kwik aangetoond.
• •
In het grondwater op de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium vastgesteld. Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is visueel geen asbest aangetoond. Analytisch is geen tot ten hoogste 1,9 mg/kgds aan asbest aangetoond.
De hypothese ‘verdachte locatie’ voor zware metalen en PAK voor de algemene bodemkwaliteit is bevestigd, aangezien in de grond over het algemeen lichte verontreinigingen zijn vastgesteld. In het mengmonster van de ondergrond is een matige loodverontreiniging aangetoond. De aangetoonde mate van verontreiniging komt overeen met hetgeen op basis van de bodemkwaliteitskaart verwacht wordt als gevolg van de aanwezigheid van toemaakdek. De licht verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen worden op grond hiervan naar onze mening niet noodzakelijk geacht. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor de olieopslag en de dempingen kan verworpen worden omdat geen verontreinigingen zijn aangetoond die specifiek hieraan te relateren zijn. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor asbest is formeel bevestigd, aangezien in 2 mengmonsters geringe hoeveelheden asbest zijn aangetoond. De gemeten gehalten liggen juist boven de detectielimiet en daardoor ver onder de waarde van 50 mg/kgds waarboven nader onderzoek nodig is. Op grond hiervan is er naar onze mening geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: