CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 47, Bijlage 4 Ecologische quickscan

Besluitnemende agenda 30 september 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen, raadsvoorstel 47/218.283 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

G&G-advies QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

T.S. van der Meer

2019

Opdrachtgever Ontwikkelcombinatie Haegse Zuwe B.V.

G&G-advies QS2019-159

Versie Concept Eindrapport

Datum 4 november 2019

Gecontroleerd door: R. de Beer

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 5

1.4

Werkzaamheden...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

Beschermde soorten Wnb

10

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 11 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 11 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 11 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 11 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 12 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 13 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 13 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 14

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 15

Effectbeoordeling en maatregelen

16

4.1

Vissen ..................................................................................................................... 16

4.2

Vogels..................................................................................................................... 16

4.3

Vleermuizen ........................................................................................................... 17

4.4

Overige fauna ........................................................................................................ 18

4.5

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 18

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

19

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 19

5.2

Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 20

5.3

Weidevogelgebieden ............................................................................................. 20

5.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 20

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

4

6

5.5

Overige relevante wetgeving .................................................................................21

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................21

Conclusies

22

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................22

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................23

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................23

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van de natuur ......................................................23

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

24

8

Bijlagen

25

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen om op een braakliggend terrein een woning te realiseren aan de Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen in Utrecht. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van Ontwikkelcombinatie Haegse Zuwe B.V. heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het braakliggend terrein ligt aan de noordkant van de doorlopende weg de Baambrugse Zuwe. Het plangebied ligt tussen een andere woonkavel en een jachthaven en grenst aan de wateren van de Vinkeveense Plassen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

6

1.4

Werkzaamheden Het plan is om bebouwing te ontwikkelen in het braakliggende plangebied. Op de kavel zal één woning gerealiseerd worden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Het plangebied grenst aan de waterkant aan een oude steiger. In de bestaande plannen zijn nog geen werkzaamheden aan deze steiger opgenomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen of licht verstoring optreden van (beschermde) soorten. Het onderzoek is onderdeel voor de benodigde (partiële) herziening van het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn.

De ligging van het onderzoeksgebied Baambrugse Zuwe 127A.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

7

Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de vijftien daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde soorten of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Er is niet gezocht naar niet-jaarrond beschermde vogels, vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 24 oktober 2019 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

9

Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: Utrecht: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

10

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen Braakliggend terrein Toegang tot het plangebied wordt verkregen door een weg over de sloot aan de Baambrugse Zuwe. Het braakliggend terrein in het plangebied is recent ruw gemaaid. Hierbij zijn onder andere rietvegetatie als Harig wilgenroosje en Riet en enkele kleine wilgen gemaaid. Enkele ruige delen in het terrein zijn overwoekerd door bramen en klimop. Op het terrein ligt veel opgeslagen materiaal. Puinsteen, ijzermateriaal, houten balken en overig materiaal ligt al langere tijd opgeslagen in het plangebied. Onder dit achterblijvende materiaal bevinden zich openingen en holtes. Aan de oostkant wordt het plangebied begrensd door een coniferenhaag. Aan de westkant grenst het aan de bebouwing van een jachthaven.

Ruw gemaaide oever met beschoeiing van de steiger waar het plangebied aan de Vinkeveense Plassen ligt (aan de noordzijde).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

11

Wateren en oevers Aan de zuidkant grenst het plangebied aan een sloot van ongeveer vier meter breed met hoog waterniveau en kort gemaaide oevers. In deze sloot bevinden zich enkele waterplanten als Brede waterpest en kranswieren. Deze sloot loopt langs de Baambrugse Zuwe. Aan de noordkant grenst het plangebied aan de Vinkeveense Plassen. Langs de gehele noordzijde van het plangebied ligt een deels ingestorte steiger aan het water. Aan de binnenkant van deze steiger is een brede rietkraag ruw gemaaid en is het materiaal grotendeels blijven liggen. De bodem is hier vochtig wegens het directe contact met het water van de Vinkeveense Plassen. Bebouwing Aan de westkant van het terrein staat een klein en laag elektriciteitsgebouw.

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2009-2019). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Het plangebied wordt te intensief beheerd en de bodem is teveel verstoord en gewoeld om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten.

3.2.2

Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden de Kwabaal waargenomen. Het betreft meer dan 30 waarnemingen van deze beschermde soort en de Kwabaal is op 400 meter vanaf het plangebied waargenomen (NDFF 2009-2019). Potentie plangebied Rond het plangebied is in de wateren potentie voor beschermde vissoorten (Kwabaal) aanwezig.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. In en rond het plangebied zijn in het verleden geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen (NDFF 2009-2019).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

12

Potentie plangebied In het plangebied is geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander, Bruine kikker of Groene kikker (bastaardkikker en/of Meerkikker). De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen, stronken en takken of in verlaten muizenholen e.d. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Utrecht ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2. Het plangebied grenst ook aan geschikt voortplantingswater voor bovengenoemde algemene soorten amfibieën.

3.2.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Heggenmus, Winterkoning, Vink, Koolmees (cat. 5) en Putter. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In de ruige delen van het plangebied kunnen enkele algemene struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning of Heggenmus. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende in bomen broedende roofvogels vastgesteld (NDFF 2009-2019). Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding aan het plangebied (NDFF 2009-2019). Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen geen beschermde soorten met jaarrond beschermde nesten voorkomen.

Er is geen broedbiotoop (en geschikt leefgebied) voor roofvogels en uilen aanwezig, zoals hoge bomen of schuren. In de aanwezige begroeiing werden geen grote nesten gezien. Huismussen broeden in huizen met zadeldaken en dakpannen of in schuren, vaak aan de rand van (dorpse) bebouwing. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende struiken in bijvoorbeeld tuinen, zandplekken

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

13

en/of voederplaatsen. Gierzwaluwen gebruiken vooral gebouwen in de binnenstad om in te nestelen. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals de Huismus.

3.2.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Rond het plangebied is in het verleden de Waterspitsmuis (NDFF 2009-2019). Het betreft vijf waarnemingen op ongeveer 2 kilometer afstand van het plangebied. De Waterspitsmuis is een beschermde soort die wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soort. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Haas, en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Het plangebied biedt veel schuilmogelijkheden in de vorm van dichte vegetatie, begroeide oeverranden, opgeslagen materialen, stronken, takken en overige dekking waar deze algemene soorten gebruik van kunnen maken. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Utrecht ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor Waterspitsmuis. Goede dekking van moerasvegetatie ontbreekt in het plangebied. Daarnaast heeft de soort geleidelijke overgangen van water naar land nodig, het liefst met een goed ontwikkelde strooisellaag en vegetatiedekking op deze overgangen. De vegetatiearme steile slootkanten aan de zuidkant en de beschoeiing aan de noordkant van het plangebied voldoen hier niet aan.

Er is voor de Waterspitsmuis in het plangebied zowel onvoldoende dekking om te verblijven als om zich te verplaatsen.

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in de omgeving van het plangebied vier soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2009-2019). Het betreft Gewone dwergvleermuis,

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

14

Laatvlieger, Rosse vleermuis en Watervleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Potentie verblijfplaatsen In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in het enige aanwezige gebouw (elektriciteitsgebouw). Potentie foerageergebied Het plangebied en omgeving zijn geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaars) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Het plangebied kan als onderdeel van een langere landschapslijn onderdeel uitmaken van een vliegroute van vleermuizen.

3.2.7

Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn rond het plangebied waarnemingen bekend van de Ringslang. Het betreft 11 waarnemingen en de soort is op 300 meter vanaf het plangebied aangetroffen (NDFF 2009-2019). Potentie plangebied In het plangebied zijn plaatselijk op natte terreindelen hopen riet en maaisel aanwezig die geschikt habitat voor de Ringslang bieden. Ook biedt het terrein holtes waar de soort in weg kan kruipen.

Achtergebleven puin in het plangebied met openingen eronder biedt dekking aan amfibiën en zoogdieren, maar potentieel ook voor de beschermde Ringslang.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

3.3

15

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna

Van der Goes en Groot

Aangetroffen nabij het plangebied

Potentieel aanwezig binnen het plangebied

(literatuur en veldbezoek) nee ja nee

nee nee nee

ja

ja

ja

nee*

ja

nee

nee ja ja ja

nee ja ja ja

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

16

4

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Vissen Het vergraven van terreindelen zullen niet van invloed zijn op (beschermde) vissoorten in het plangebied. Er worden geen negatieve gevolgen verwacht.

4.2

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatietoplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Koolmees), kunnen uitwijken naar alternatief

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

17

leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

4.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen Er is geen geschikte bebouwing aanwezig. Verblijvende vleermuizen worden niet verwacht. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt worden voor foeragerende vleermuizen. Vliegroutes Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Er zijn diverse beschutte landschapslijnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die in dezelfde richting lopen en als (alternatieve) vliegroute kunnen worden gebruikt. Zo kunnen vleermuizen bijvoorbeeld de zuidzijde van de Baambrugse Zuwe gebruiken. Door toenemende luwte en dekking door de nieuwe bebouwing en begroeiing zal de vliegroute beter te volgen zijn en zullen vleermuizen dus niet worden geschaad.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

18

4.4

Overige fauna In het plangebied bevindt zich geschikt leefgebied voor de Ringslang. Het voorkomen van de soort in het plangebied is op basis van het veldbezoek en waarnemingen uit de NDFF (2009-2019) niet uit te sluiten.

4.5

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om de Ringslang. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.

Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.

Soort/Soortgroep

Optimale periode

Aantal bezoeken

april - september

3

Reptielen Ringslang

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

5

19

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

5.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op ongeveer twee kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Botshol. Natura 2000gebied de Oostelijke Vechtplassen liggen op meer dan drie kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebieden Botshol en Oostelijke Vechtplassen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

20

Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is derhalve een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

5.2

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De Baambrugse Zuwe valt net buiten de begrenzing (zie Figuur 3). De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen NNN-gebied niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project wordt op grond van locatie, aard van het werk en afscherming geen belangrijke invloed verwacht op NNN-gebieden.

5.3

Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 3). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig. De bescherming van gebieden als weidevogelleefgebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen weidevogelleefgebied niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project wordt op grond van locatie, aard van het werk en afscherming geen belangrijke invloed verwacht op weidevogelleefgebieden.

5.4

Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

5.5

21

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten effecten van extra stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van het NNN-netwerk (groen ingekleurd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

22

6

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, reptielen, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. ♣ Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor de Ringslang. Omdat voorkomen en negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Wordt de soort tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig.

Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. ♣ Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. ♣ Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat negatieve gevolgen worden verwacht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

6.2

23

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten effecten van extra stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.

6.3

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. ♣ Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van de natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: ♣ Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers; ♣ Het plaatsen van vleermuiskasten of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; ♣ Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen en Spreeuwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; ♣ Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

24

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.

MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

25

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Tabel 1. Vrijstellingen voor ontheffingsaanvragen voor soorten per provincie. + = vrijgesteld; rood = niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZL

ZH

Aardmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bosmuis*

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bunzing

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Dwergmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Dwergspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Zoogdieren

Eekhoorn

+1

Egel

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Gewone bosspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Haas

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Hermelijn

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Huisspitsmuis*

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Konijn

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Ondergrondse woelmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Ree

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Rosse woelmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Steenmarter

+2

Tweekleurige bosspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Veldmuis*

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Vos

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Wezel

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Wild zwijn Woelrat

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bruine kikker

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Gewone pad

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Amfibieën en Reptielen

Hazelworm Kleine watersalamander

+3 +

+

+

+

+

Levendbarende hagedis

+ +4

Meerkikker

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bastaardkikker

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. ♣ in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

♣ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4

Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken. Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.

Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.

Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Vanwege een uitspraak van de RvS d.d. 23 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening met betrekking tot stikstofuitstoot. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.1 van ghhghj

Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk

van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.

Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 4 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: ♣ Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. ♣ Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen.

Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2019-159

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10575711/1