Raadsvoorstel 38, Bijlage 7 Eindsituatie bodemonderzoek
Tekst van het document
APS - Milieu B.V.
Tappersweg 12E 2031 ET Haarlem Tel.: (023) 538 51 91 Fax: (023) 537 78 21 info@apsmilieu.nl www.apsmilieu.nl
Eindsituatie bodemonderzoek YHUVLH R12-B121 Demmerik 58 Vinkeveen
Opdrachtgever: Dukdalf BV Constructieweg 22 3641 SB Mijdrecht april 2012
IBAN: NL52 RABO 0175 8032 77 NL44 INGB 0002 0722 15 KvK Haarlem: 34123303 BTW nr: 815463844B01
APS - Milieu B.V.
Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 1.1 Doel en opzet van het onderzoek................................................................................. 5 1.2 Vooronderzoek ............................................................................................................ 6 1.3 Asbest .......................................................................................................................... 8 1.4 Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................ 8 1.5 Hypothese en strategie ................................................................................................. 9 2 Uitvoering ......................................................................................................................... 10 2.1 Veldwerk ................................................................................................................... 10 2.2 Laboratoriumonderzoek............................................................................................. 12 3 Analyseresultaten..............................................................................................................
14 4 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................ 18 5 Betrouwbaarheid ............................................................................................................... 21
Bijlage 1. Topografische kaart............................................................................................. 22 Bijlage 2. Kadastrale kaart................................................................................................... 24 Bijlage 3. Locatietekening met boorpunten ......................................................................... 26 Bijlage 4. Overzicht vooronderzoek .................................................................................... 28 Bijlage 5. Toetsingskader .................................................................................................... 30 Bijlage 6. Referenties .......................................................................................................... 33 Bijlage 7. Boorstaten ........................................................................................................... 35 Bijlage 8. Fotorapportage .................................................................................................... 40 Bijlage 9. Analysecertificaten.............................................................................................. 42
2
APS - Milieu B.V.
Samenvatting Soort onderzoek
eindsituatie bodemonderzoek NEN-5740
Aanleiding tot het onderzoek
milieuvergunning/transactie
Projectcode
R12-B121
Opdrachtgever
Dukdalf BV
Adres opdrachtgever
Constructieweg 22
Woonplaats en postcode
3641 SB Mijdrecht
Locatieadres
Demmerik 58
Locatieplaats en postcode
Vinkeveen
Kadastrale aanduiding
sectie D, nummer 1456 gemeente Vinkeveen
Coördinaten
123942 / 469029
Oppervlakte onderzoekslocatie
2900 m2
Te onderscheiden deellocaties
3
Aantal boringen en peilbuizen
17 waarvan 4 afgewerkt met een peilbuis
Datum veldwerk
30-03-2012
Datum watermonsters
10-04-2012
Aantal analyses
16 waarvan 4 grondwatermonsters
Aanwijzingen asbest Aangetroffen verontreinigingen
geen toplaag licht tot sterk puinhoudend, licht tot matig verontreinigd is met zware metalen en PAK ondergrond maximaal licht puinhoudend, licht tot sterk verontreinigd met zware metalen en PAK grondwater licht verontreinigd met barium, kwik en molybdeen deellocatie 1 matig verontreinigd met minerale olie waarschijnlijk ernstig geval van bodemverontreiniging aanvullend onderzoek naar ernst en omvang olieverontreiniging
Conclusies en aanbevelingen
3
APS - Milieu B.V.
1 Inleiding In april 2012 heeft APS-Milieu in opdracht van Dukdalf BV te Mijdrecht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Demmerik 58 te Vinkeveen. Het onderzoek is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000, VKB- protocol 2001 plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen en VKB- protocol 2002 het nemen van grondwatermonsters. APS-Milieu verklaart dat er geen andere relaties bestaan met de opdrachtgever van het bodemonderzoek anders dan die van opdrachtgever versus opdrachtnemer. Onderstaanden verklaren de veld- en/of rapportagewerkzaamheden conform de geldende normen te hebben uitgevoerd. Naam: Certificaatnummer: Ondertekening:
Ing. J.J. de Vlieger VB-028/2
Naam: Certificaatnummer: Ondertekening:
Dhr. R.L. Kortbeek VB-028/2
De aanleiding tot het laten uitvoeren van het bodemonderzoek is tweeledig. Enerzijds is er de verplichting tot het uitvoeren van een eindsituatie onderzoek zoals opgenomen in de Wm-vergunning. Het doel van een eindsituatie bodemonderzoek in het kader van de Wet Milieubeheer is het verkrijgen van een toetsingsgrondslag met het oog op mogelijke veroorzaakte bodemverontreiniging voortvloeiende uit vergunningspichtige activiteiten. In het nulsituatie onderzoek van juli 2005 uitgevoerd door Holland Railconsult BV onder projectnummer D58\BOD-ED-050034025 is een referentieniveau vastgelegd, waarbij de eventueel al aanwezige verontreiniging in kaart is gebracht. Alleen dan kan middels het eindsituatie onderzoek worden vastgesteld of er gedurende de periode sinds het nulsituatie onderzoek nieuwe verontreiniging is bijgekomen.
4
APS - Milieu B.V.
Anderzijds is de aanleiding tot het laten uitvoeren van het onderzoek de voorgenomen koop/verkoop van het perceel. Het doel van een bodemonderzoek in het kader van een transactie waarbij de kwaliteit van de bodem een rol speelt, is het wegnemen van onzekerheden en het regelen van aansprakelijkheid voor (toekomstige) kosten verband houdend met bodemverontreiniging. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de NEN-5740 (nul/eindsituatie strategie). Het vooronderzoek moet voldoen aan het basisniveau van de NEN-5725. De onderzoekslocatie wordt bepaald door de grenzen van de inrichting.
1.1 Doel en opzet van het onderzoek Doel van een verkennend bodemonderzoek is: x Bepalen of er al dan niet van bodemverontreiniging sprake is, conform de Wet Bodembescherming. x Eventueel bepalen of er een nader onderzoek gewenst is naar de ernst van de bodemverontreiniging. x Eventueel verkrijgen van een eerste indicatie van de verspreiding van de verontreiniging, zonodig door heranalyse van afzonderlijke monsters. De opzet van een verkennend onderzoek omvat de volgende fasen: x Vaststellen van het (juridische) kader van het onderzoek. x Verrichten van (historisch) vooronderzoek naar mogelijke verontreiniging. x Verrichten van vooronderzoek naar geohydrologie en bodemopbouw. x Opstellen van hypothese en onderzoeksstrategie voor het bodemonderzoek. x Uitvoering veldwerk (boringen, peilbuizen en bemonsteringen). x Uitvoering laboratoriumanalyses in een erkend RvA geaccrediteerd laboratorium. x Interpretatie van de resultaten van het onderzoek. x Toetsing van hypothese en strategie. x Eventueel herhalen van (enkele van) de voorgaande fasen als de hypothese en strategie niet toereikend blijken te zijn geweest. x Bepalen of er sprake is van bodemverontreiniging, en indicaties geven over de verspreiding ervan. x Eventueel bepalen of nader onderzoek gewenst is. x Rapportage en eindbespreking.
5
APS - Milieu B.V.
1.2 Vooronderzoek De ligging van de locatie is aangegeven op de topografische kaart (bijlage 1) en tevens op een kadastrale tekening (bijlage 2). Ook zijn er foto's gemaakt van het onderzochte terrein (bijlage 8). Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2009, strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. In bijlage 4 is een overzicht van de verkregen gegevens opgenomen. De onderzoekslocatie is gelegen in Vinkeveen. Het perceel staat kadastraal bekend onder de aanduiding sectie D, nummer 1456 van de gemeente Vinkeveen. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt ongeveer 2900 m2. De bestemming is en blijft bedrijfsterrein (berging-stalling). Momenteel is het perceel buiten gebruik. Op het perceel is een loods aanwezig met een oppervlakte van ongeveer 720 m2. De loods is deels verhard met beton en deels met klinkers. De klinkers zijn ongeveer 0,4 m verzakt ten opzichte van de betonnen fundering. Aan de voorkant is de locatie verhard met ongeveer 0,9 m sintels en puingranulaat. Aan de achterzijde van het perceel is een met puin en sintels verhard pad aanwezig. De overige locatie is braakliggend. Aan de achterzijde van de locatie is een gronddepot aanwezig met een volume van naar schatting 150 m3. De herkomst van de grond is onbekend. Op de onderzoekslocatie zijn geen kabels en/of leidingen aanwezig.
Op het allerachterste deel van de locatie heeft tussen 1948 en 2010 een veilinggebouw (Coöperatieve Groenten en fruitveiling Vinkeveen) gestaan. In dit gebouw hebben volgens opgave opdrachtgever geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. In de loods zijn twee voormalige dieseltanklocaties aanwezig. Eén voormalige bovengrondse tanklocatie van vóór 2005 aan de voorzijde van de loods en één voormalige bovengrondse tanklocatie van na 2005 aan de achterzijde van de loods. De tanklocatie van na 2005 is voorzien van een vloeistofdichte betonvloer. In het verleden heeft op het achterterrein nog een schuur gestaan, deze is inmiddels verwijderd.
6
APS - Milieu B.V.
Op de onderzoekslocatie is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd: x Milieukundig bodemonderzoek Demmerik 58 Vinkeveen, Holland Railconsult BV, projectnummer D58\BOD-ED-050034025, 13 juli 2005. De locatie is destijds opgedeeld in drie deellocaties: 1. Oude tankplaats: er zijn in de zandige toplaag tot 0,7 m-mv lichte verontreinigingen met koper, nikkel, lood, zink, minerale olie, EOX en PAK aangetroffen. In de venige ondergrond van 0,7 tot 3,5 m-mv zijn lichte verontreinigingen met kwik, nikkel, lood en EOX gemeten. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. 2. Nieuwe tankplaats: er zijn in de zandige toplaag tot 0,7 m-mv lichte verontreinigingen met lood, zink, minerale olie en PAK aangetroffen. In de venige toplaag ter plaatse van boring 5507 is tot 0,7 m-mv een sterke verontreiniging met zink aangetroffen, matige verontreinigingen met koper en lood en lichte verontreinigingen met kwik, nikkel, EOX en PAK. In de venige ondergrond van 0,7 tot 3,5 m-mv zijn lichte verontreinigingen met cadmium, nikkel, lood, zink, minerale olie en PAK aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. 3. Overige bedrijfsterrein: in het mengmonster van de puinlaag tot 0,8 m-mv zijn lichte verontreinigingen met koper, lood, minerale olie en PAK aangetoond. Het zandige toplaagmonster is tot 0,7 m-mv licht verontreinigd met koper, nikkel, lood, zink en PAK.
Het venige toplaagmonster is tot 0,5 m-mv licht verontreinigd met koper, nikkel, lood, zink, minerale olie, EOX en PAK. Het olieverdachte monster ter plaatse van boring 5522 op het achterterrein is slechts licht verontreinigd met minerale olie. De venige ondergrond is van 0,5 tot 2,5 m-mv licht verontreinigd met koper, kwik, nikkel, lood, zink, EOX en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. Tevens is een stukje asbestverdacht materiaal aangetroffen en bemonsterd dit bleek voor 10 tot 15% uit chrysotiel te bestaan.
7
APS - Milieu B.V.
1.3 Asbest Bij verkennend bodemonderzoek wordt ook gekeken of er mogelijk asbest op de locatie aanwezig is (op gebouwen, op de grond of in de bodem). Indien dat het geval is kan dat eventueel leiden tot aanvullend onderzoek. In het onderhavige onderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van asbest. Bij visuele inspectie werden op het achter trein enkele kapotte asbesthoudende golfplaten aangetroffen. Daarnaast is de bodem over de gehele locatie licht tot sterk puinhouden. In de opgeboorde grond/puin zijn echter geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
1.4 Bodemopbouw en geohydrologie De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Vinkeveen. Er is geen sprake van een bodembeschermingsgebied. Het maaiveld ligt op ongeveer NAP –1,6 m. De geologie wordt bepaald door een deklaag van Holocene ouderdom welke reikt tot een diepte NAP –15 m. Op de nieuwe geologische kaart van Nederland (TNO-RGD, 1:50000) is er sprake van een Holocene deklaag bestaande uit Hollandveen op oude klei- en zandafzettingen. Aan de onderzijde gaat het Holocene pakket over in Pleistocene afzettingen (meestal dekzanden van de Twenteformatie). Uit de bodemkaart van Nederland (STIBOKA 1:50000) is er sprake van een dikke veenlaag met een eerdlaag. Het Gemiddeld Hoogste Grondwaterpeil (GHG) ligt op <40 cm-mv. Het Gemiddeld Laagste Grondwaterpeil (GLG) ligt op 50-80 cm-mv.
8
APS - Milieu B.V.
1.5 Hypothese en strategie Aan de hand van een vooronderzoek (uitgevoerd volgens de NEN-5725) worden deellocaties benoemd waarvoor verschillende hypothesen gelden met betrekking tot de (mogelijke) bodembelasting. In de onderstaande tabel worden de deellocaties en de daarvoor geldende aannames (aard en voorkomen van de verontreiniging) nader uitgewerkt. De hypothese “verdacht met diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld (VED-HE)” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk diffuse bodembelasting heeft plaatsgevonden met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Hierbij valt te denken aan ophooglagen. Er wordt op deze deellocaties verontreiniging in de grond en/of het grondwater verwacht met bepaalde stoffen. De hypothese “verdacht met plaatselijke bodembelasting waarvan de kern bekend is (VEP)” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk bodembelasting afkomstig een bekende bron heeft plaatsgevonden. Bij de bronnen kan sprake zijn geweest van lozingen, lekkages, morsingen, brandplaatsen, lekkende tanks e.d. Er wordt op deze deellocaties verontreiniging in de grond en/of het grondwater verwacht met bepaalde stoffen.
Overzicht van deellocaties en gevolgde strategie code DL1
DL2
deellocatie tanklocatie voor 2005
tanklocatie na 2005
strategie
schaal
boringen
analyses
toplaag (0.5 m)
1
1
ondergrond (0.5-2.0 m)
1
1
freatisch grondwater (met PB)
1
1
toplaag (0.5 m)
3
1
ondergrond (0.5-2.0 m)
3
2
1
1
toplaag (0.5 m)
13
3
ondergrond (0.5-2.0 m)
5
3
freatisch grondwater (met PB)
2
2
2
25 m
NEN-5740 VEP
200 m2
NEN-5740 VEP
freatisch grondwater (met PB) DL3
overige terrein
2
2675 m
NEN-5740 VED-HE
Bij overlappende deellocaties kunnen boorpunten gecombineerd worden.
9
opmerking
APS - Milieu B.V.
2 Uitvoering 2.1 Veldwerk Het veldwerk bestond uit het uitvoeren van boringen, het plaatsen van peilbuizen en het nemen van grond- en grondwatermonsters. Van alle boringen is een boorbeschrijving gemaakt conform de NEN-5104, welke zijn opgenomen in bijlage 7. Over het gehele terrein zijn lichte tot matige bijmengingen met puin en sintels aangetroffen. Inpandig en ter plaatse van boring 10 zijn in de toplaag zeer sterke bijmengingen van puin en sintels aangetroffen. Aan de voorzijde van het terrein en ter plaatse van het puinpad is ten behoeve van de boringen eerst de puinlaag verwijderd met behulp van een minigraver. Ter plaatse van deellocatie 2 is een vloeistofdichte betonvloer aanwezig. Er is voor gekozen de boring langs de rand van de betonvloer te plaatsen. Het op het achterterrein aanwezige gronddepot is indicatief gekeurd middels vijf gutssteken welke zijn samengevoegd tot één veldmengmonster. Het grondwater is elf dagen na plaatsing van het filter bemonsterd. In het veld is de grondwaterstand opgemeten en is de geleidbaarheid van het grondwater bepaald. De monsters zijn gekoeld getransporteerd en opgeslagen. In de onderstaande tabellen zijn de veldwerkgegevens, evenals de zintuiglijke waarnemingen weergegeven.
10
APS - Milieu B.V.
Overzicht van boringen, peilbuizen en zintuiglijke waarnemingen boring
diepte
PB
datum
van
tot
opmerkingen
1
200
X
30-03-2012
0
30
puingranulaat
30
40
sintels/asfalt
40
90
sintels / lichte oliegeur
0
40
puingranulaat
40
50
asfalt
50
90
puingranulaat
90
140
licht puinhoudend
0
40
licht puinhoudend
40
90
sintels/puin
90
150
licht puinhoudend
50
100
matig sintelhoudend
100
150
licht sintelhoudend
0
40
lege ruimte
40
45
tegel
45
90
zeer sterk sintelhoudend / gestuit
0
40
lege ruimte
40
45
tegel
45
90
zeer sterk puin en sintelhoudend
90
140
licht puinhoudend
0
40
lege ruimte
40
45
tegel
45
100
zeer sterk puin en sintelhoudend
100
150
licht puinhoudend
0
40
lege ruimte
40
45
tegel
45
90
zeer sterk puin en sintelhoudend
90
140
licht puinhoudend
2
3
4
5
6
7
8
240
200
200
90
140
150
140
X
X
X
30-03-2012
30-03-2012
30-03-2012
30-03-2012
30-03-2012
30-03-2012
30-03-2012
9
50
30-03-2012
0
50
licht puinhoudend
10
110
30-03-2012
0
60
zeer sterk puin en sintelhoudend
11
APS - Milieu B.V.
Overzicht van boringen, peilbuizen en zintuiglijke waarnemingen boring
diepte
11
PB
datum
van
tot
opmerkingen
50
30-03-2012
0
50
matig puinhoudend
12
30
30-03-2012
0
30
licht puinhoudend / gestuit op hout
13
130
30-03-2012
0
40
puingranulaat
40
80
sintels
80
130
licht puinhoudend
14
40
30-03-2012
0
40
licht puinhoudend / gestuit
15
50
30-03-2012
0
50
licht puinhoudend
16
30
30-03-2012
0
30
matig puinhoudend / gestuit
17
50
30-03-2012
0
50
licht puinhoudend
Overzicht peilbuis- monstername PB
van
tot
monsters
gws
EC (mS/cm)
pH
datum
1
100
200
0700426138 / 0691227913
40
1,044
8,1
10-04-2012
2
140
240
0691227892
43
1,344
8,8
10-04-2012
3
95
195
0700426153 / 0691227903
30
1,058
8,1
10-04-2012
4
100
200
0700568796 / 0691230393
30
2,091
7,7
10-04-2012
opmerking
2.2 Laboratoriumonderzoek De in het veld genomen monsters zijn volgens het onderstaande schema ter analyse aangeboden aan een door de RvA geaccrediteerd laboratorium. Eventueel zijn grondmonsters gecombineerd tot mengmonsters. Bij grondwateronderzoek worden in verband met per soort analyse verschillende voorgeschreven wijze van bemonstering en conservering soms meerdere monsters uit een filter genomen.
12
APS - Milieu B.V.
Overzicht van uitgevoerde analyses en samenstelling mengmonsters code
omschrijving
analysepakket
monster
boring
van
tot
M01
monster bovengrond (DL1)
minerale olie
0506163489
1
40
90
M02
monster ondergrond (DL1)
minerale olie
0506163490
1
100
150
MM03
mengmonster bovengrond (DL 3 inpandig)
NEN-5740 grondpakket
0506163488
5
45
90
0506163481
6
45
90
0506163482
7
45
100
0506163483
8
45
90
0506163485
3
0
40
0506163477
11
0
50
0506163479
12
0
30
0506164120
15
0
50
0506164121
16
0
30
0506163487
4
0
50
0506163484
9
0
50
0506163480
14
0
40
0506164118
17
0
50
MM04
MM05
MM06
M07
mengmonster bovengrond (DL 2)
mengmonster bovengrond (DL 3 zand)
mengmonster bovengrond (DL 3 veen)
NEN-5740 grondpakket
NEN-5740 grondpakket
NEN-5740 grondpakket
NEN-5740 grondpakket
0506163476
10
0
50
M08
monster bovengrond (DL 3 sterk puinhoudend) monster ondergrond (DL3 inpandig)
NEN-5740 grondpakket
0506164104
6
90
140
MM09
mengmonster ondergrond (DL2)
NEN-5740 grondpakket
0506164117
7
100
150
0506164033
8
90
140
0506163493
2
90
140
0506163486
3
100
150
0506163491
4
100
150
0506164068
10
60
110
0506163478
13
80
130
MM10
mengmonster ondergrond (DL3 buiten)
NEN-5740 grondpakket
M11
monster diepe ondergrond (DL2)
NEN-5740 grondpakket
0506163492
2
190
240
VMM01
veldmengmonster depot
NEN-5740 grondpakket
0506164097
5 steken
0
100
WM01
grondwatermonster (DL 1)
100
200
grondwatermonster (DL 2)
0700426138 / 0691227913 0691227892
1
WM02
NEN-5740 grondwaterpakket minerale olie + BTEXN
2
140
240
WM03
grondwatermonster (DL 3)
95
195
grondwatermonster (DL 3)
0700426153 / 0691227903 0700568796 / 0691230393
3
WM04
NEN-5740 grondwaterpakket NEN-5740 grondwaterpakket
4
100
200
13
APS - Milieu B.V.
3 Analyseresultaten De resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn in de onderstaande tabellen getoetst aan de meest recente versie van de streef/AW2000- en interventiewaarden van VROM, waarbij de waarden voor de bodem zijn omgerekend volgens het gehalte organisch stof en kleidelen (lutum). Het toetsingskader is bij dit rapport opgenomen als bijlage 5. Voor een volledig overzicht van de gemeten waarden verwijzen wij naar de analysecertificaten in bijlage 9. Analyse monster bovengrond (DL1) M01, toetsing grond volgens Wbb H=12,3% L=7% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
minerale olie
3900
mg/kg d.s.
230
3200
6200
opm
toetsing >T
Analyse monster ondergrond (DL1) M02, toetsing grond volgens Wbb H=34,5% L=12,3% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
[geen overschrijdingen]
Analyse mengmonster bovengrond (DL3 inpandig) MM03, toetsing grond volgens Wbb H=9,7% L=3,8% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
kobalt
16
mg/kg d.s.
5,1
35
65
>S
koper
49
mg/kg d.s.
26
74
120
>S
kwik
0,32
mg/kg d.s.
0,11
14
27
>S
molybdeen
2,2
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
nikkel
25
mg/kg d.s.
14
27
39
>S
lood
110
mg/kg d.s.
37
220
400
>S
zink
99
mg/kg d.s.
76
230
390
>S
PAK
5,9
mg/kg d.s.
1,5
21
40
>S
14
opm
toetsing
APS - Milieu B.V.
Analyse mengmonster bovengrond (DL2) MM04, toetsing grond volgens Wbb H=4,2% L=6,2% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
kobalt
7,4
mg/kg d.s.
6,2
43
79
>S
koper
52
mg/kg d.s.
24
68
110
>S
kwik
0,16
mg/kg d.s.
0,11
14
27
>S
nikkel
19
mg/kg d.s.
16
31
46
>S
lood
210
mg/kg d.s.
36
210
380
>S
zink
190
mg/kg d.s.
75
230
390
>S
PAK
5,4
mg/kg d.s.
1,5
21
40
>S
Analyse mengmonster bovengrond (DL3 zand) MM05, toetsing grond volgens Wbb H=5,3% L=6,1% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
cadmium
0,48
mg/kg d.s.
0,42
4,8
9,2
>S
kobalt
9,8
mg/kg d.s.
6,2
42
78
>S
koper
64
mg/kg d.s.
24
70
120
>S
kwik
0,15
mg/kg d.s.
0,11
14
27
>S
nikkel
22
mg/kg d.s.
16
31
46
>S
lood
88
mg/kg d.s.
36
210
380
>S
zink
380
mg/kg d.s.
76
230
390
>T
PAK
3,8
mg/kg d.s.
1,5
21
40
>S
Analyse mengmonster bovengrond (DL3 veen) MM06, toetsing grond volgens Wbb H=25% L=13,6% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
cadmium
1,2
mg/kg d.s.
0,78
8,8
17
>S
koper
73
mg/kg d.s.
42
120
200
>S
kwik
0,72
mg/kg d.s.
0,14
17
34
>S
molybdeen
4
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
lood
240
mg/kg d.s.
52
300
550
>S
zink
300
mg/kg d.s.
130
390
660
>S
PAK
38
mg/kg d.s.
3,8
52
100
>S
15
opm
toetsing
APS - Milieu B.V.
Analyse monster bovengrond (DL3 sterk puinhoudend) M07, toetsing grond volgens Wbb H=10,4% L=4% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
kobalt
9,6
mg/kg d.s.
5,2
36
66
>S
koper
51
mg/kg d.s.
26
76
120
>S
kwik
0,13
mg/kg d.s.
0,11
14
28
>S
molybdeen
1,6
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
nikkel
24
mg/kg d.s.
14
27
40
>S
lood
240
mg/kg d.s.
38
220
400
>T
zink
190
mg/kg d.s.
78
240
400
>S
PAK
12
mg/kg d.s.
1,6
22
42
>S
Analyse monster ondergrond (DL3 inpandig) M08, toetsing grond volgens Wbb H=31,4% L=2,6% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
kobalt
7,2
mg/kg d.s.
4,5
31
58
>S
koper
72
mg/kg d.s.
39
110
190
>S
kwik
0,98
mg/kg d.s.
0,13
16
31
>S
molybdeen
1,9
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
nikkel
23
mg/kg d.s.
13
24
36
>S
lood
180
mg/kg d.s.
49
290
520
>S
Analyse mengmonster ondergrond (DL2) MM09, toetsing grond volgens Wbb H=28,8% L=10% stofnaam
meting
eenheid
kobalt
8,3
mg/kg d.s.
koper
130
kwik
S (AW)
T
I
8
55
100
>S
mg/kg d.s.
43
120
200
>T
2
mg/kg d.s.
0,14
17
34
>S
molybdeen
2,2
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
nikkel
26
mg/kg d.s.
20
39
57
>S
lood
690
mg/kg d.s.
52
300
550
>I
zink
280
mg/kg d.s.
120
380
630
>S
16
opm
toetsing
APS - Milieu B.V.
Analyse mengmonster ondergrond (DL3) MM10, toetsing grond volgens Wbb H=34,3% L=9,4% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
cadmium
1
mg/kg d.s.
0,91
10
20
>S
kobalt
11
mg/kg d.s.
7,7
53
98
>S
koper
210
mg/kg d.s.
46
130
220
>T
kwik
2,2
mg/kg d.s.
0,14
17
35
>S
molybdeen
3,4
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
nikkel
33
mg/kg d.s.
19
37
55
>S
lood
760
mg/kg d.s.
55
320
580
>I
zink
540
mg/kg d.s.
130
400
670
>T
PAK
4,9
mg/kg d.s.
4,5
62
120
>S
Analyse monster diepe ondergrond (DL2) M11, toetsing grond volgens Wbb H=45,5% L=9,5% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm
toetsing
koper
69
mg/kg d.s.
53
150
250
>S
kwik
0,7
mg/kg d.s.
0,15
19
37
>S
lood
170
mg/kg d.s.
62
360
650
>S
zink
180
mg/kg d.s.
150
450
750
>S
Analyse veldmengmonster depot VMM01, toetsing grond volgens Wbb H=24% L=12% stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
kwik
0,21
mg/kg d.s.
0,14
17
34
>S
molybdeen
6
mg/kg d.s.
1,5
96
190
>S
zink
170
mg/kg d.s.
120
370
630
>S
17
opm
toetsing
APS - Milieu B.V.
Analyse grondwatermonster WM01 (DL1), toetsing grondwater volgens Wbb stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
barium
190
ug/l
50
340
630
opm.
toetsing >S
Analyse grondwatermonster WM02 (DL2), toetsing grondwater volgens Wbb stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm.
toetsing
[geen overschrijdingen]
Analyse grondwatermonster WM03 (DL3), toetsing grondwater volgens Wbb stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
barium
99
ug/l
50
340
630
opm.
toetsing >S
Analyse grondwatermonster WM04 (DL3), toetsing grondwater volgens Wbb stofnaam
meting
eenheid
S (AW)
T
I
opm.
toetsing
barium
150
ug/l
50
340
630
>S
kwik
0,12
ug/l
0,05
0,17
0,3
>S
molybdeen
9,5
ug/l
5
150
300
>S
4 Conclusies en aanbevelingen Deellocatie 1 Ter plaatse van deellocatie 1 (tanklocatie voor 2005) is in de sintellaag van 0,4 tot 0,9 mmv een matige verontreiniging met minerale olie aangetroffen. In de onderliggende veenlaag is geen verontreiniging met minerale olie gemeten. In het grondwater is een lichte verontreiniging met zink aangetoond. Deellocatie 2 Ter plaatse van deellocatie 2 (tanklocatie na 2005) zijn in de sterke puin- en sintelhoudende bodemlaag van 0,45 tot 1,0 m-mv lichte verontreinigingen met kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, zink en PAK aangetroffen. In de onderliggende veenlaag van 0,9 tot 1,5 m-mv is een sterke verontreiniging met lood en een matige verontreiniging met koper gemeten. Tevens zijn hier lichte verontreinigingen met kobalt, kwik, molybdeen, nikkel en zink aangetroffen. In de diepere ondergrond van 1,9 tot 2,4 m-mv zijn slechts lichte verontreinigingen met koper, kwik, lood en zink aangetoond. In het grondwater is geen van de onderzochte parameters in een verhoogd gehalte aangetroffen.
18
APS - Milieu B.V.
Deellocatie 3 Inpandig zijn in de sterke puin- en sintelhoudende bodemlaag van 0,45 tot 0,9 m-mv lichte verontreinigingen met kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood, zink en PAK aangetroffen. De ondergrond inpandig is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel en lood. Ter plaatse van het achterterrein is in de zandige toplaag een matige verontreiniging met zink aangetroffen. Tevens zijn in de zandige toplaag lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood en PAK gemeten. In de venige toplaag zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, molybdeen, lood, zink en PAK aangetroffen. In de sterk puin- en sintelhoudende toplaag ter plaatse van boring 10 zijn een matige verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, zink en PAK aangetroffen. De ondergrond ter plaatse van het achterterrein is vanaf 0,6 tot 1,5 m-mv sterk verontreinigd met lood en matig verontreinigd met koper en zink. Daarnaast zijn in de ondergrond lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, nikkel en PAK aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, kwik en molybdeen aangetroffen. Depot In het op het achterterrein aanwezige gronddepot zijn slechts lichte verontreinigingen met kwik, molybdeen en zink aangetroffen.
Samengevat kan gesteld worden dat de licht tot sterk puinhoudende toplaag van de locatie licht tot matig verontreinigd is met zware metalen en PAK en dat de onderliggende veenlaag licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. In vergelijking met het onderzoek uit 2005 kan gesteld worden dat de verontreinigingsgraad van de toplaag sinds 2005 nauwelijks is gewijzigd. De kwaliteit van de ondergrond is in vergelijking met het onderzoek van 2005 wel sterk achteruit gegaan. Hierbij wordt opgemerkt dat in het onderzoek van 2005 zeer lange trajecten van 0,5 tot minimaal 2,5 m-mv van de ondergrond zijn samengevoegd tot één analysemonster. Deze werkwijze kan een vertekend beeld van de bodemkwaliteit direct onder de puinlaag veroorzaakt hebben. In onderhavig onderzoek zijn in de diepere ondergrond ter plaatse van boring 2 ook uitsluitend lichte verontreinigingen met enkele zware metalen aangetroffen. Ter plaatse van de tanklocatie voor 2005 is in 2005 een lichte verontreiniging met minerale olie aangetroffen. In onderhavig onderzoek is een matige verontreiniging met minerale olie aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt dat in 2005 bij deellocatie 1 uitsluitend inpandig is geboord ter plaatse van de tanklocatie terwijl in het huidige onderzoek buiten is geboord ter plaatse van het voormalige afleverpunt.
19
APS - Milieu B.V.
Formeel is een nader onderzoek naar de ernst en omvang van de aangetroffen matige en sterke verontreinigingen in de toplaag en ondergrond noodzakelijk. Met het oog op de aangetroffen puin bijmengingen lijkt het echter aannemelijk dat de verontreiniging vrij homogeen verdeeld over de locatie aanwezig is. Er is waarschijnlijk sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (> 25 m3 sterk verontreinigd). De aangetroffen verontreinigingen vormen geen belemmering voor het beoogde terreingebruik (opslagterrein). Als de bestemming van het terrein wijzigt of er grondverzet t.b.v. werkzaamheden plaatsvindt zijn wellicht een nader bodemonderzoek en eventueel sanerende maatregelen noodzakelijk. Aanbevolen wordt wel een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren naar de ernst en omvang van de aangetoonde matige olieverontreiniging ter plaatse van deellocatie 1.
20
APS - Milieu B.V.
5 Betrouwbaarheid Bodemonderzoeken worden door APS-Milieu op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de daartoe bestaande normen (protocollen) en gangbare inzichten. Indien in opdracht van de klant, en eventueel in overleg met het bevoegde gezag, is afgeweken van de gangbare normen en/of protocollen van onderzoek, dan wordt dit in de rapportage uitdrukkelijk vermeld. APS-Milieu aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen die deze afwijkingen kunnen hebben voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek. Maar ook indien conform de protocollen wordt gewerkt blijven er enige beperkingen van kracht, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de resultaten van dit onderzoek. a. Kwaliteit van het vooronderzoek Een bodemonderzoek wordt uitgevoerd op basis van een vooronderzoek. Een dergelijk vooronderzoek bestaat uit het verzamelen van (historische) gegevens over de locatie, een inspectie van de locatie en verzamelen van gegevens over bodemopbouw en hydrologie. Indien belangrijke feiten over de locatie niet worden achterhaald, bestaat de kans dat de hypothese en de strategie van het onderzoek niet voldoen. Het onderzoek geeft dan onvoldoende informatie en is dus minder bruikbaar of betrouwbaar. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van onvolledig of onjuist opgegeven informatie in het kader van het vooronderzoek. b.
Restrisico De monsterdichtheid welke de protocollen voorschrijven heeft tot gevolg dat kleine verontreinigingskernen kunnen worden gemist. Dit beperkte restrisico wordt aanvaardbaar geacht, omdat de kosten van bodemonderzoek anders te hoog zouden oplopen. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor dergelijke normale restrisico’s. c. Veroudering De onderzoeksresultaten vormen slechts een momentopname. De resultaten en conclusies kunnen verouderen door drie oorzaken: x Er wordt nieuwe verontreiniging toegevoegd aan de locatie. x Bestaande verontreiniging is mobiel en verspreidt zich verder. x De normstelling door de overheid verandert. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van veroudering van de rapportage.
21
APS - Milieu B.V.
Bijlage 1. Topografische kaart
22
Omgevingskaart
0m
125 m
Deze kaart is noordgericht.
625 m
Schaal 1: 12500
Hier bevindt zich Kadastraal object VINKEVEEN D 1515 Demmerik 56, 3645 ED VINKEVEEN © De auteursrechten en databankenrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster.
APS - Milieu B.V.
Bijlage 2. Kadastrale kaart
24
Uittreksel Kadastrale Kaart
50
1497 50a
1495
1506
1389 1467
ik
52
mer
54
Dem
1365
1515
23
56
1454 25
1399
1525
0m
12345 25
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer Huisnummer Kadastrale grens Voorlopige grens Bebouwing Overige topografie
Voor een eensluidend uittreksel, Apeldoorn, 30 maart 2012 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
5m
25 m
Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
VINKEVEEN D 1515
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
APS - Milieu B.V.
Bijlage 3. Locatietekening met boorpunten
26
APS - Milieu B.V.
Bijlage 4. Overzicht vooronderzoek
28
APS - Milieu B.V.
R12-B121 Vooronderzoek basisformulier Code
Beoordelingsaspect
00.001
Gegevens verzameld op basis voorafgaand locatiebezoek ?
j
00.002
Gegevens bij gemeente of provincie opgevraagd ?
j
00.003
Gegevens opgevraagd bij gebruiker of eigenaar ?
j
Naam:
00.004
Is er eerder bodemonderzoek op de locatie verricht ?
j
Data: 2005
00.005
Zijn er nog andere bronnen van informatie geraadpleegd ?
j
Welke: bodemloket
01.001
Is er sprake van oude stedelijke ophooglagen ?
n
Beleid:
01.002
Is er sprake van een regionaal aanwezig toemaakdek ?
j
Beleid:
01.003
Zijn er regionale verhoogde achtergrondwaarden bekend ?
j
Welke: zware metalen
01.004 01.005 01.006
Opmerkingen
Zijn er in de directe omgeving gevallen van n bodemverontreiniging bekend ? Zijn er in de directe omgeving grootschalige bronnen van n verontreiniging aanwezig ? Is verspreiding van baggerspecie uit oppervlaktewateren over j het perceel mogelijk geweest ?
Datum:
Welke: Welke: Waar: gehele terrein
01.007
Is op of naast de locatie ooit een brand geweest ?
n
Datum:
02.001
Zijn er mogelijk verdachte verhardingslagen aanwezig ?
j
Welke: puin en sintelverharding
02.002
Zijn er mogelijk verdachte ophooglagen aanwezig ?
n
Welke:
02.003
Zijn er mogelijk verdachte dempingen/opvullingen aanwezig ?
n
Welke:
02.004
Is er sprake van bodembelastende agrarische activiteiten ?
n
Welke:
02.010
Zijn er ondergrondse olietanks op de locatie aanwezig ?
n
Status:
02.011
Zijn er ondergrondse olietanks op de locatie aanwezig geweest ?
n
Gesaneerd:
02.012
Is er sprake van bovengrondse opslag van olieproducten?
n
Kritiek:
02.013
Is er sprake geweest van bovengrondse opslag van olie ?
j
Wanneer:
02.014
Zijn op de locatie afleverpunten voor brandstof aanwezig ?
n
Kritiek?
02.015
Zijn afleverpunten voor brandstof aanwezig geweest?
j
Wanneer:
02.016
Zijn of worden op de locatie motorvoertuigen onderhouden ?
n
Kritiek?
02.020
Is op de locatie ooit vaste brandstof gebruikt of opgeslagen ?
n
Soort:
02.021
Zijn of worden op de locatie chemicaliën opgeslagen?
n
Soort:
02.022
Zijn er andere bodembelastende activiteiten bekend ?
n
Soort:
02.023
Zijn er andere calamiteiten op de locatie bekend ?
n
Wanneer:
29
APS - Milieu B.V.
Bijlage 5. Toetsingskader
30
APS - Milieu B.V.
Toetsingskader bodemverontreiniging De kwaliteit van de bodem wordt getoetst aan streef/AW2000- en interventiewaarden. De toetsing betreft enerzijds de grond (landbodem) of het sediment (waterbodem), en anderzijds het grondwater. Voor grond/sediment moeten deze waarden worden gerelateerd aan de zogenaamde standaardbodem. Dit is een bodem met 10% organisch stof (humus) en 25% kleideel (lutum). Deze bodemcomponenten hebben namelijk de eigenschap verontreinigingen vast te leggen, en hun verspreiding te verhinderen. De gemeten concentraties aan verontreiniging moeten dan ook altijd teruggerekend worden naar standaardbodem aan de hand van de aan deze bodem bepaalde gehalten lutum en humus. Hiervoor zijn standaardformules in gebruik. Voor grondwater geldt een dergelijke omrekening niet. De Streefwaarden/AW2000 worden afgeleid en vastgesteld binnen het INS-proces. De Interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering (VROM 2009). Streefwaarde/AW200 (S/AW200-waarde) De streefwaarde/AW2000 wordt voor Organische stoffen gesteld op een honderdste deel van de MTR (maximaal toelaatbaar risico) van de betreffende stof. Voor metalen wordt de streefwaarde/AW2000 bepaald door de Natuurlijke achtergrondconcentratie op te tellen bij een honderdste deel van de MTR voor het betreffende metaal.
In de praktijk treden in door menselijk handelen beïnvloede bodemlagen overschrijdingen op tengevolge van langdurige diffuse belasting. In die gevallen is sprake van lokaal verhoogde “achtergrondwaarden”. Door veel gemeenten worden deze momenteel geïnventariseerd en wettelijk vastgelegd. Voor het saneringscriterium van oude verontreinigingen (voor 1987) zijn de achtergrondwaarden de ondergrens voor de saneringsdoelstelling. Ook voor grondverzet is de achtergrondwaarde en niet de streefwaarde doorslaggevend. Een verontreiniging boven de streefwaarden wordt “licht” genoemd. Tussenwaarde (T-waarde=(I+S)/2) De tussenwaarde, dat is de helft van de som van streef/AW2000- en interventiewaarde, speelt een rol in een aantal toetsingen. Indien bij een verkennend onderzoek een concentratie boven de tussenwaarde wordt gemeten, is er doorgaans aanleiding voor het uitvoeren van een nader onderzoek. Verkennend onderzoek dient slechts om de aan- of afwezigheid van verontreiniging aan te tonen. Bij verontreiniging boven de tussenwaarde wordt de kans reëel geacht dat bij nader onderzoek concentraties boven de interventiewaarde worden vastgesteld. Verder speelt de tussenwaarde een rol bij de risicoanalyses van een urgentiebepaling. Een verontreiniging boven de tussenwaarde wordt “matig” genoemd.
31
APS - Milieu B.V.
Interventiewaarde (I-waarde) De interventiewaarde is een concentratie waarbij er potentiële risico’s kunnen optreden voor de volksgezondheid of de ecologie. Het gaat hier dus om een risico grenswaarde. Een verontreiniging boven de interventiewaarde wordt “sterk” genoemd. Bij meer dan 10 x de interventiewaarde spreekt men vaak van een “zeer sterke verontreiniging”. Indien meer dan 25 m3 grond, of meer dan 100 m3 bodemvolume met grondwater, ernstig is verontreinigd, spreekt men bij oude verontreinigingen (bedoeld wordt meestal van vóór 1987) van een “ernstig geval van bodemverontreiniging”. Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging Voor een aantal stoffen zijn geen interventiewaarden vastgesteld, maar “indicatieve niveaus van ernstige verontreiniging”. Dit is het geval als er nog geen betrouwbare meetvoorschriften voorhanden zijn, of als de risicobeoordeling van de stof nog onvoldoende is getoetst. Ernst en urgentie van gevallen van bodemverontreiniging Met het in werking treden van de Wet Bodembescherming (Wbb) in 1987 is een onderscheid gemaakt tussen “bestaande gevallen van bodem verontreiniging” en “nieuwe gevallen van bodemverontreiniging”. Voor nieuwe gevallen kent de wet een duidelijke regeling: deze moeten worden opgeruimd (zorgplicht). Dit betekent dat de oude situatie moet worden hersteld, voor zover dat redelijkerwijze technisch mogelijk is (ALARA-principe).
Soms is de oude situatie vastgelegd middels een “nulsituatieonderzoek”. Voor oude (“bestaande”) gevallen is een speciale regeling ontworpen, de “saneringsregeling Wbb”. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen “ernstige” en “niet-ernstige” gevallen van verontreiniging. Er is sprake van een ernstig geval als er meer dan 25 m3 bodem boven de interventiewaarde is verontreinigd, of indien het grondwater van 100 m3 bodemvolume boven de interventiewaarde is verontreinigd. Pas als er sprake is van een ernstig geval, moet er op enig tijdstip gesaneerd worden. Vervolgens wordt de urgentie van het geval beoordeeld. Dit gebeurt middels een risicoanalyse voor mens, natuur en verspreiding. Indien een geval urgent is, wordt een saneringstijdstip opgelegd. Saneringsdoelstelling Nieuwe gevallen van verontreiniging moeten op grond van de wet teruggesaneerd worden naar de oude situatie. Soms is deze vastgelegd in een zogenaamd “nulsituatie onderzoek”. In andere gevallen wordt verondersteld dat de lokale achtergrond de oorspronkelijke situatie was. Oude gevallen van verontreiniging moesten tot voor kort teruggesaneerd worden naar multifunctionele (schone) bodem, tenzij de kosten hiervan veel te hoog dreigden op te lopen. In dat geval kon de verontreiniging ook “ingepakt” worden (IBC: Isoleren, beheersen en controleren).
In het kader van de zogenaamde BEVER-operatie verschuift het beleid naar “functioneel saneren”: de bodem moet worden teruggesaneerd zodat ze geschikt is voor de voorgenomen gebruiksfunctie. Hierbij moet wel worden aangetekend dat als de functie later wijzigt, aanvullende sanering noodzakelijk kan worden. De minimale terugsaneerwaarden bij functionele saneringen worden vastgesteld op basis van risicoanalyses.
32
APS - Milieu B.V.
Bijlage 6. Referenties
33
APS - Milieu B.V.
Literatuur: 1. Leidraad Bodembescherming, volgens meest recente aflevering/ ‘s Gravenhage: SDU-uitgeverij, afleveringen t/m 2000. 2. Circulaire bodemsanering (VROM 2009) 3. Bodemonderzoek Milieuvergunning en BSB, met protocol voor gecombineerd onderzoek/-’s Gravenhage: SDUuitgeverij, mei 1994 4. Protocol nulsituatie-bodemonderzoek Besluit Opslaan in Ondergrondse Tanks/ dr ir J.A.W. Nieuwkoop, drs A. Schouten - ‘s Gravenhage: SDU-uitgeverij, oktober 1995. 5. Protocol voor het Oriënterend Onderzoek naar aard en concentratie van verontreinigende stoffen en de plaats van voorkomen van bodemverontreiniging/ F.P.J. Lamé, R.Bosman - ‘s Gravenhage: SDU-uitgeverij, mei 1994. 6. Nader onderzoeksrichtlijn Ernst, Urgentie en Tijdstipbepaling /Tauw Milieu b.v., Grontmij, Chemielinco, in opdracht van VROM- ’s Gravenhage: SDU-uitgeverij november 1997. 7. Protocol voor het Nader Onderzoek (deel 1) naar de aard en concentratie van verontreinigende stoffen en de omvang van bodemverontreiniging/ F.P.J. Lamé, R. Bosman - ‘s Gravenhage: SDU-uitgeverij, mei 1994. 8. Richtlijn voor het Nader Onderzoek (deel 1) voor specifieke categorieën van bodemverontreiniging/N.G. van der Gaast e.a.- ‘s Gravenhage: SDU-uitgeverij 1995 9. Regeling bodemkwaliteit, Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397, houdende regels voor. de uitvoering van de kwaliteit van de bodem
Van toepassing zijnde normen bij bodemonderzoek: NEN 5104 NEN 5119 NEN 5706 NEN 5709 NVN 5725 NEN 5740 NPR 5741 NEN 5742 NEN 5743 NEN 5744 NEN 5745 NEN-EN-ISO 5667-3 NEN-EN-ISO 5667-11 NEN-EN-ISO 5667-14 NEN-EN-ISO 5667-18 NEN 5766:2003
Geotechniek, Classificatie van onverharde grondmonsters. Geotechniek - Boren en monsterneming in grond Richtlijnen voor de beschrijving van zintuiglijke waarnemingen tijdens de uitvoering van milieukundig bodemonderzoek Bodem, Monstervoorbehandeling voor de bepaling van organische en anorganische parameters in grond Bodem - Leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond Bodem, Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment en grondwater die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek Bodem, Monsterneming van grond en sediment ten behoeve van bepaling van metalen, anorganische verbindingen, matig vluchtige organische verbindingen en fysisch-chemische bodemkenmerken Bodem, Monsterneming van grond en sediment ten behoeve van bepaling van vluchtige verbindingen Bodem, Monsterneming van grondwater ten behoeve van de bepaling van metalen, anorganische verbindingen en fysisch-chemische eigenschappen Bodem, Monsterneming van grondwater ten behoeve van vluchtige verbindingen Richtlijn voor de conservering en behandeling van watermonsters Richtlijn voor monsterneming van grondwater Richtlijn voor de kwaliteitsborging van monsterneming en -behandeling van water dat wordt gebruikt voor milieuonderzoek
Richtlijn voor monsterneming van grondwater op verontreinigde terreinen Plaatsing van peilbuizen ten behoeve van milieukundig bodemonderzoek
Protocollen ten behoeve van het veldwerk 1. 2.
VKB- protocol 2001 versie 3.1; Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen (SIKB, 13 maart 2007) VKB- protocol 2002 versie 3.2; nemen van grondwatermonsters (SIKB, 13 maart 2007).
34
APS - Milieu B.V.
Bijlage 7. Boorstaten
35
APS - Milieu B.V.
R12-B121 Boring 01 (boring met peilbuis) datum: 30-03-2012 methode: Edelmanboor van
tot
code
grondsoort
kleur
0
30
Ovrd
puingranulaat
30
40
Vrd
sintels/asfalt
40
90
90
100
100 150
sintels
zwart
V
veen
bruin
150
V
veen
bruin
200
V
veen
bruin
monsters
X
toevoegingen
lichte oliegeur
X
R12-B121 Boring 02 (boring met peilbuis) datum: 30-03-2012 methode: Edelmanboor van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
0
40
Ovrd
puingranulaat
40
50
Vrd
asfalt
50
90
Ovrd
puingranulaat
90
140
Vv
veraard veen
bruin/zwart
140
190
V
veen
bruin
190
240
V
veen
bruin
X
toevoegingen
licht puinhoudend
X
R12-B121 Boring 03 (boring met peilbuis) datum: 30-03-2012 methode: Edelmanboor van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
40
Z
zand
geel/grijs
X
licht puinhoudend
40
90
90
100
V
veen
bruin
100
150
V
veen
bruin
150
200
V
veen
bruin
sintels/puin licht puinhoudend X
licht puinhoudend
toevoegingen
R12-B121 Boring 04 (boring met peilbuis) datum: 30-03-2012 methode: Edelmanboor van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
0
50
Vv
veraard veen
bruin
X
50
100
V
veen
bruin/zwart
100
150
V
veen
bruin/zwart
150
200
V
veen
bruin
36
matig puinhoudend X
licht puinhoudend
APS - Milieu B.V.
R12-B121 Boring 05 datum: 30-03-2012 van
tot
code
0
40
40
45
Ovrd
45
90
Z
methode: Edelmanboor grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
lege ruimte
R12-B121 Boring 06 datum: 30-03-2012 code
tegel zand
zwart
X
zeer sterk sintelhoudend / gestuit
monsters
toevoegingen
methode: Edelmanboor
van
tot
grondsoort
kleur
0
40
40
45
Ovrd
45
90
Z
zand
zwart
X
zeer sterk puin- en sintelhoudend
90
140
V
veen
bruin
X
licht puinhoudend
monsters
toevoegingen
lege ruimte
R12-B121 Boring 07 datum: 30-03-2012 code
tegel
methode: Edelmanboor
van
tot
0
40
grondsoort
kleur
40
45
Ovrd
45
100
Z
zand
zwart
X
zeer sterk puin- en sintelhoudend
100
150
V
veen
bruin
X
licht puinhoudend
monsters
toevoegingen
lege ruimte
R12-B121 Boring 08 datum: 30-03-2012 code
tegel
methode: Edelmanboor
van
tot
grondsoort
kleur
0
40
40
45
Ovrd
45
90
Z
zand
zwart
X
zeer sterk puin- en sintelhoudend
90
140
V
veen
bruin
X
licht puinhoudend
lege ruimte
R12-B121 Boring 09 datum: 30-03-2012
tegel
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
50
V
veen
zwart/bruin
X
licht puinhoudend
37
APS - Milieu B.V.
R12-B121 Boring 10 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
50
Z
zand
zwart
X
zeer sterk puin- en sintelhoudend
60
100
V
veen
bruin
X
R12-B121 Boring 11 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
50
Z
zand
bruin/rood
X
matig puinhoudend
R12-B121 Boring 12 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
30
Z
zand
bruin/grijs
X
licht puinhoudend / gestuit op hout
monsters
toevoegingen
R12-B121 Boring 13 datum: 30-03-2012 van
tot
code
0
40
Ovrd
40
80
80
130
methode: Edelmanboor grondsoort
kleur
puingranulaat sintels
V
R12-B121 Boring 14 datum: 30-03-2012
veen
bruin
X
licht puinhoudend
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
40
Vv
veraard veen
bruin
X
licht puinhoudend / gestuit
R12-B121 Boring 15 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
50
Z
zand
bruin/grijs
X
licht puinhoudend
R12-B121 Boring 16 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
30
Z
zand
bruin/rood
X
matig puinhoudend / gestuit
38
APS - Milieu B.V.
R12-B121 Boring 17 datum: 30-03-2012
methode: Edelmanboor
van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
50
Vv
veraard veen
bruin
X
licht puinhoudend
R12-B121 5 steken VMM01 datum: 30-03-2012 methode: Edelmanboor van
tot
code
grondsoort
kleur
monsters
toevoegingen
0
100
Zk1h1
licht kleiig zand
bruin
X
matig humeus
39
APS - Milieu B.V.
Bijlage 8. Fotorapportage
40
APS - Milieu B.V.
Bijlage 9. Analysecertificaten
42
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
$%&
*URQG*URQG $6 (HQKHLG
$QDO\VH
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
6
9RRUEHKDQGHOLQJ &U\RJHHQPDOHQ$6
8LWJHYRHUG
4
9HUNOHLQHQEUHNHUPROHQ FU\RJHHQ
8LWJHYRHUG
6
%RGHPNXQGLJHDQDO\VHV 'URJHVWRI
PP
6
'URJHVWRI
PP
6
2UJDQLVFKHVWRI
PP GV
4
*ORHLUHVW
PP GV
6
.RUUHOJURRWWHP /XWXP
PP GV
6
0HWDOHQ %DULXP %D
PJNJGV
6
&DGPLXP &G
PJNJGV
6
.REDOW &R
PJNJGV
6
.RSHU &X
PJNJGV
6
.ZLN +J
PJNJGV
6
0RO\EGHHQ 0R
PJNJGV
6
1LNNHO 1L
PJNJGV
6
/RRG 3E
PJNJGV
6
=LQN =Q
PJNJGV
0LQHUDOHROLH 0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
6
0LQHUDOHROLHWRWDDO &&
PJNJGV
6
&KURPDWRJUDPROLH *&
=LHELMO
=LHELMO =LHELMO
=LHELMO
=LHELMO
&KURPDWRJUDPROLH *& 6
3RO\FKORRUELIHQ\OHQ3&% 3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 0 0 00 00 00
$QDO\WLFRQU 4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
6'56'0 4X# .
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
$%&
*URQG*URQG $6
$QDO\VH
(HQKHLG
6
3&%
6
3&%
6
PJNJGV
PJNJGV
3&%
PJNJGV
6
3&% VRP IDFWRU
PJNJGV
6
3RO\F\FOLVFKH$URPDWLVFKH.RROZDWHUVWRIIHQ3$. 1DIWDOHHQ PJNJGV
6
)HQDQWKUHHQ
PJNJGV
6
$QWKUDFHHQ
PJNJGV
6
)OXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D DQWKUDFHHQ
PJNJGV
6
&KU\VHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R N IOXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D S\UHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R JKL SHU\OHHQ
PJNJGV
6
,QGHQR FG S\UHHQ
PJNJGV
6
3$.9520 IDFWRU
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 0 0 00 00 00
$QDO\WLFRQU 4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
6'56'0 4X# .
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
$%&
*URQG*URQG $6 (HQKHLG
$QDO\VH
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
6
9RRUEHKDQGHOLQJ &U\RJHHQPDOHQ$6
4
9HUNOHLQHQEUHNHUPROHQ FU\RJHHQ
6
%RGHPNXQGLJHDQDO\VHV 'URJHVWRI
PP
6
'URJHVWRI
PP
6
2UJDQLVFKHVWRI
PP GV
4
*ORHLUHVW
PP GV
6
.RUUHOJURRWWHP /XWXP
PP GV
6
0HWDOHQ %DULXP %D
PJNJGV
6
&DGPLXP &G
PJNJGV
6
.REDOW &R
PJNJGV
6
.RSHU &X
PJNJGV
6
.ZLN +J
PJNJGV
6
0RO\EGHHQ 0R
PJNJGV
6
1LNNHO 1L
PJNJGV
6
/RRG 3E
PJNJGV
6
=LQN =Q
PJNJGV
0LQHUDOHROLH 0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLHWRWDDO &&
PJNJGV
6
8LWJHYRHUG
&KURPDWRJUDPROLH *&
=LHELMO
=LHELMO
=LHELMO
=LHELMO
=LHELMO
6
3RO\FKORRUELIHQ\OHQ3&% 3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 00 0 0 00 00
$QDO\WLFRQU 4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
6'56'0 4X# .
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
$%&
*URQG*URQG $6
$QDO\VH
(HQKHLG
6
3&%
6
3&%
PJNJGV
PJNJGV
6
3&% VRP IDFWRU
PJNJGV
6
3RO\F\FOLVFKH$URPDWLVFKH.RROZDWHUVWRIIHQ3$. 1DIWDOHHQ PJNJGV
6
)HQDQWKUHHQ
PJNJGV
6
$QWKUDFHHQ
PJNJGV
6
)OXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D DQWKUDFHHQ
PJNJGV
6
&KU\VHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R N IOXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D S\UHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R JKL SHU\OHHQ
PJNJGV
6
,QGHQR FG S\UHHQ
PJNJGV
6
3$.9520 IDFWRU
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 00 0 0 00 00
$QDO\WLFRQU 4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
6'56'0 4X# .
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
*URQG*URQG $6 (HQKHLG
$QDO\VH
8LWJHYRHUG
8LWJHYRHUG
6
9RRUEHKDQGHOLQJ &U\RJHHQPDOHQ$6
6
%RGHPNXQGLJHDQDO\VHV 'URJHVWRI
PP
6
'URJHVWRI
PP
6
2UJDQLVFKHVWRI
PP GV
4
*ORHLUHVW
PP GV
6
.RUUHOJURRWWHP /XWXP
PP GV
6
0HWDOHQ %DULXP %D
PJNJGV
6
&DGPLXP &G
PJNJGV
6
.REDOW &R
PJNJGV
6
.RSHU &X
PJNJGV
6
.ZLN +J
PJNJGV
6
0RO\EGHHQ 0R
PJNJGV
6
1LNNHO 1L
PJNJGV
6
/RRG 3E
PJNJGV
6
=LQN =Q
PJNJGV
0LQHUDOHROLH 0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLH &&
PJNJGV
0LQHUDOHROLHWRWDDO &&
PJNJGV
=LHELMO
=LHELMO
6
$%&
&KURPDWRJUDPROLH *&
6
3RO\FKORRUELIHQ\OHQ3&% 3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
6
3&%
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 0 900
$QDO\WLFRQU
4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
6'56'0 4X# .
$QDO\VHFHUWLILFDDW 8ZSURMHFWQXPPHU 8ZSURMHFWQDDP 8ZRUGHUQXPPHU 'DWXPPRQVWHUQDPH 0RQVWHUQHPHU 0RQVWHUPDWUL[
5% 'HPHULN
&HUWLILFDDWQXPPHU 6WDUWGDWXP 5DSSRUWDJHGDWXP %LMODJH 3DJLQD
$%&
*URQG*URQG $6
$QDO\VH
(HQKHLG
6
3&%
PJNJGV
6
3&% VRP IDFWRU
PJNJGV
6
3RO\F\FOLVFKH$URPDWLVFKH.RROZDWHUVWRIIHQ3$. 1DIWDOHHQ PJNJGV
6
)HQDQWKUHHQ
PJNJGV
6
$QWKUDFHHQ
PJNJGV
6
)OXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D DQWKUDFHHQ
PJNJGV
6
&KU\VHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R N IOXRUDQWKHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R D S\UHHQ
PJNJGV
6
%HQ]R JKL SHU\OHHQ
PJNJGV
6
,QGHQR FG S\UHHQ
PJNJGV
6
3$.9520 IDFWRU
PJNJGV
1U 0RQVWHURPVFKULMYLQJ 0 900
$QDO\WLFRQU
4GRRU5Y$JHDFFUHGLWHHUGHYHUULFKWLQJ $$3HUNHQGHYHUULFKWLQJ 6$6HUNHQGHYHUULFKWLQJ 'LWFHUWLILFDDWPDJXLWVOXLWHQGLQ]LMQJHKHHOZRUGHQJHUHSURGXFHHUG
(XURILQV$QDO\WLFR%9
*LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
$%1$052 7HO 9$7%7:1R )D[ (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% .Y.1R 6LWHZZZHXURILQVQO
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
$NNRRUG 3UFR|UG
-.
6'56'0 4X# .
%LMODJH $ PHWGHHOPRQVWHULQIRUPDWLHEHKRUHQGHELMDQDO\VHFHUWLILFDDW 3DJLQD $QDO\WLFRQ %RRUQU
%DUFRGH
0RQVWHURPVFKULMYLQJ
D
0
E
0
D
00
D D
00
D
00
D
0
E
0
D E E
00
E E E
00
E
0
900
900
2PVFKULMYLQJ
9DQ
7RW
00
(XURILQV$QDO\WLFR%9 *LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
7HO $%1$052 )D[ 9$7%7:1R (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% 6LWHZZZHXURILQVQO .Y.1R
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9
%LMODJH % PHWRSPHUNLQJHQEHKRUHQGHELMDQDO\VHFHUWLILFDDW 3DJLQD 2SPHUNLQJ 3&%NDQSRVLWLHIEHwQYORHGZRUGHQGRRU3&% 2SPHUNLQJ 'HWRHWVZDDUGHYDQGHVRPLVJHOLMNDDQGHVRPPDWLHYDQ 5*
(XURILQV$QDO\WLFR%9 *LOGHZHJ 1%%DUQHYHOG 32%R[ $/%DUQHYHOG1/
7HO $%1$052 )D[ 9$7%7:1R (PDLOLQIRHQY#HXURILQVQO 1/% 6LWHZZZHXURILQVQO .Y.1R
(XURILQV$QDO\WLFR%9LVHUNHQGGRRUKHW9ODDPVH*HZHVW 29$0HQ'HS/1( KHW%UXVVHOVH*HZHVW %,0 KHW:DDOVH*HZHVW '*51(2:' HQGRRUGH RYHUKHGHQYDQ)UDQNULMNHQ/X[HPEXUJ 0(9