CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 38, Bijlage 10 Quickscan flora en fauna

Commissie Ruimtelijke Zaken 16 juni 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: 4c. Bestemmingsplan Demmerik 58, raadsvoorstel 38/21 (20.45 uur)5.044 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN DEMMERIK 56 EN 58 Eindrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch Leimuiden, 4-2-2019

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

De Dukdalf Beheer BV dhr. F.J.C. Jansen Constructieweg 22 3641 SB MIJDRECHT 0297 24 16 13 roxan@dukdalfbv.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. M. Bouma ing. C.J.M. Groeneveld

Projectcode: Status: Datum:

DDNA1901 Definitief 4-2-2019

Adviesbureau E.C.O. Logisch werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen.

Adviesbureau E.C.O Logisch is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

SAMENVATTING

De Dukdalf Beheer BV is voornemens bebouwing te slopen, groen te verwijderen en nieuwbouw te realiseren in het projectgebied “Demmerik 56 en 58” te Vinkeveen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor de ringslang en algemene broedvogels. Tevens kunnen op naastgelegen watergangen vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn en kunnen vleermuizen boven het groen en het water foerageren. Essentiële vliegroutes van vleermuizen worden niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Tevens biedt het projectgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Aantasting of vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt dan ook niet verwacht. Hoewel er geen essentiële functies voor vleermuizen worden verwacht kan er wel sprake zijn van verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen tijdens nachtelijke werkzaamheden. Nesten of functioneel leefgebied van vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd worden niet verwacht in het projectgebied. Bij het ontwikkelen van het kavel gaan mogelijk verblijfplaatsen van de ringslang verloren en kunnen mogelijk individuen worden gedood. Het betreft zomerhabitat en winterverblijfplaatsen.

Het is aan te bevelen het voorkomen van de ringslang nader te onderzoeken. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht, bij nachtelijke werkzaamheden in het actieve seizoen van vleermuizen (1 april tot 1 november) waarbij licht uitstraalt naar de watergangen of opgaand groen kunnen wel passerende en foeragerende vleermuizen worden verstoord. Bij werkzaamheden in het broedseizoen (1 maart tot 1 augustus) kunnen mogelijk algemene broedvogels worden verstoord en nesten worden vernield. Indien uit aanvullende inventarisaties blijkt dat de ringslang in het projectgebied aanwezig is dienen passende mitigerende maatregelen te worden getroffen om verstoring op deze soort te voorkomen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen is het noodzakelijk om bij nachtelijke werkzaamheden in de periode 1 april - 1 november het gebruik van kunstlicht tot een minimum te beperken en uitstraling van licht richting de watergangen te voorkomen. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 1 maart - 1 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden.

Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Het NNN en Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied. Om verstoring en het doden van individuen van de ringslang te voorkomen is het aan te bevelen het voorkomen van de ringslang in het projectgebied nader te onderzoeken. Indien het projectgebied functies herbergt voor de ringslang en deze niet behouden kunnen blijven dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming.................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 5 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 6 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 6 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 7 Projectgebied ................................................................................................................................. 7 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 7

3 Toetsing Wet natuurbescherming................................................................................................... 8 3.1 Bronnenonderzoek......................................................................................................................... 8 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................... 8 3.2.1 Zoogdieren ................................................................................................................................. 8 3.2.2 Vogels......................................................................................................................................... 9 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................... 9 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................... 9 3.2.5 Vissen ......................................................................................................................................... 9 3.2.6 Ongewervelden ..........................................................................................................................

9 3.2.7 Vaatplanten ................................................................................................................................ 9 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ................................................................ 9 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 10 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 10 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 10 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 10 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 10 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 11 4 4.1

Beschermde natuurgebieden ........................................................................................................ 12 Effecten ........................................................................................................................................ 12

5 5.1 5.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 13 Conclusies ................................................................................................................................... 13 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 13

6 Literatuur......................................................................................................................................... 14 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 15 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 16

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De Dukdalf Beheer BV is voornemens bebouwing te slopen, groen te verwijderen en nieuwbouw te realiseren in het projectgebied “Demmerik 56 en 58” te Vinkeveen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Voor de ontwikkeling is een aanvraag voor een wijziging van het bestemmingsplan. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er voor zorg te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortbescherming als gebiedsbescherming. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het document 'Spelregels EHS'. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

5

Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

1.2.3

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten. De huidige gedragscodes zijn nog niet afgestemd op dan wel goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen met effecten op Europees beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven, waarbij de effectanalyse ten aanzien van de Wet natuurbescherming is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.

6

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in Vinkeveen in de gemeente De Ronde Venen in kilometerhok: X: 123 / Y: 469 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied bestaat in de huidige situatie uit een loods en een langgerekt kavel. De loods wordt gebruikt voor de opslag van groot materieel. De loods is opgetrokken uit een enkel steensmuur (baksteen) zonder spouw. Het dak van de loods is reeds verwijderd. Het overige projectgebied bestaat uit een langgerekt braakliggend kavel dat voornamelijk is begroeid met riet, harig wilgenroosje en braam. De grond bestaat deels uit oud puin en verspreid over het kavel zijn grote stukken puin en takkenstapels aanwezig. Aan het eind van het kavel bevindt zich een klein bosje met jonge opslag van eik, berk en wilg. De oevers zijn voornamelijk hard, omdat het kavel omlijst is met een betonnen rand. Deze ontbreekt echter aan de noordwestzijde van het projectgebied. Het kavel is geheel omringd door water. Het water staat in verbinding met de Vinkeveense plassen. Aan de zuidzijde van het projectgebied bevinden zich woonboten aan het naastgelegen kavel. Het aan de noordzijde van het projectgebied gelegen kavel bestaat uit grasland. Aan de westzijde bevindt zich een eiland met jong bos. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN Het projectgebied wordt ontwikkeld van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. De loods in het projectgebied wordt geamoveerd. Op het kavel staat de bouw van drie woningen gepland. Al het aanwezige groen komt hierbij te vervallen.

7

3

TOETSING WET NATUURBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhok-niveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Utrecht zijn middels artikel 4.1 van het “Beleidskader Wet Natuurbescherming 2017” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019 en is uitgevoerd door ing. M. Bouma. De weersomstandigheden waren half bewolkt, 6°C en droog. Windkracht 3Bft. 3.2.1

ZOOGDIEREN

De bebouwing in het projectgebied biedt geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van beschermde vleermuizen. Het dak van de loods is reeds verwijderd en de muren zijn steensmuren zonder spouw. Het aanwezige houtwerk biedt onvoldoende gelegenheden voor vleermuizen om achter weg te kruipen. Bomen met geschikte holtes voor verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aanwezig. De watergangen en het groen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. Het betreft echter een beperkt oppervlak aan groen. Daarnaast is er zeer veel alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving. Het projectgebied is dan ook geen essentieel foerageergebied voor het behoud van eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving. De watergangen zijn lijnvormige elementen in het landschap waar vleermuizen als de watervleermuis mogelijk vaste vliegroutes boven hebben. Er zijn echter zeer veel alternatieven in de omgeving aanwezig. Eventuele aanwezige vliegroutes zijn dan ook niet essentieel voor het behoud van een vaste rust- of verblijfplaats in de omgeving. De waterspitsmuis is bekend uit de omgeving. Hoewel het projectgebied aan water ligt zijn de oevers vanwege de grote mate aan verharding en de afwezigheid van een zachte overgang van land naar water niet geschikt voor verblijfplaatsen van deze soort.

Ook biedt de overige terreininrichting niet optimaal habitat voor de waterspitsmuis. Het voorkomen van deze soort wordt dan ook niet verwacht. Het projectgebied biedt in meer of mindere mate geschikt habitat voor verblijfplaatsen en leefgebied van de uit de omgeving bekende soorten als de aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, hermelijn, huisspitsmuis en de woelrat. Van het konijn zijn geen sporen waargenomen. Deze soort kan derhalve worden uitgesloten. Individuen van de haas en de vos kunnen mogelijk incidenteel het kavel aandoen, maar verblijfplaatsen zijn niet te

8

verwachten. Voor deze algemene soorten kent de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel is de zorgplicht van toepassing.

3.2.2

VOGELS

Het projectgebied biedt geschikt habitat voor algemene broedvogels als de merel, winterkoning en de zwartkop. In de watergang en aan de oever kunnen mogelijk soorten als de meerkoet en de fuut tot broeden overgaan. Het projectgebied biedt geen nestgelegenheid voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Grote nesten zijn niet waargenomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling. De buizerd, huismus en de kerkuil kunnen mogelijk incidenteel foerageren in het projectgebied, maar omdat nestgelegenheid in de directe nabijheid ontbreekt en veel alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is betreft het geen essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van deze soorten. Voor de overige soorten vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd betreft het projectgebied eveneens geen essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving.

3.2.3

AMFIBIEËN

Het projectgebied biedt geschikt habitat voor de algemeen voorkomende soorten amfibieën de bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en de gewone pad. Het projectgebied betreft ook geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Echter wordt deze op basis van de recente verspreidingsgegevens niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Het projectgebied is ook nauwelijks te bereiken voor deze soort gelet op de relatief brede watergangen en de overwegend hoge betonnen oeverrand welke voor de rugstreeppad grote barrières vormen.

3.2.4

REPTIELEN

Het projectgebied biedt geschikt habitat voor de ringslang. Het betreft zowel overwinteringshabitat als leefgebied in de zomer. Voor verstoring gevoelige voortplantingsplaatsen in de vorm van broeihopen zijn niet waargenomen. De ringslang kan onder de takkenhopen en stukken puin overwinteren.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied is de kwabaal bekend voor te komen. De werkzaamheden richten zich echter niet op de watergang. Effecten op deze soort zijn daarom uitgesloten.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

Uit de omgeving zijn de groene glazenmaker en de platte schijfhoren bekend. De groene glazenmaker is voor de voortplanting gebonden aan de aanwezigheid van krabbenscheer. Deze plant is niet waargenomen in de watergang, maar de habitatscan heeft ook niet in de optimale periode plaatsgevonden. Krabbenscheer zinkt in het najaar naar de bodem en is in de winterperiode niet te zien. De platte schijfhoren is gebonden aan een weelderige ondergedoken watervegetatie. Een goed ontwikkelde watervegetatie is niet uit te sluiten in de watergangen. Beide soorten komen echter mogelijk alleen buiten het projectgebied voor in de watergangen. De werkzaamheden richten zich niet op de watergangen. Effecten op deze soorten zijn daarom uitgesloten.

3.2.7

VAATPLANTEN

Het projectgebied biedt geschikt habitat voor meerdere bijzondere planten als de rietorchis en de brede orchis. Voor de uit de omgeving bekende groenknolorchis is echter geen geschikt habitat aanwezig. Deze soort stelt zeer specifieke voorwaarden aan de standplaats welke niet aanwezig zijn in het projectgebied.

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachte beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Vleermuizen

Foerageergebied Vliegroutes

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Watergangen en nabij groen

Broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Struweel en watergang

Ringslang

Overwinteringsplaats en leefgebied

Artikel 3.10, onderdeel A

Bijlage,

Takkenhopen watergang

en

puin

langs

9

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten Bij nachtelijke werkzaamheden in het actieve seizoen van vleermuizen (1 april tot 1 november) waarbij licht uitstraalt naar de watergangen of opgaand groen kunnen passerende en foeragerende vleermuizen worden verstoord. -

Bij werkzaamheden in het broedseizoen (1 maart tot 1 augustus) kunnen mogelijk algemene broedvogels worden verstoord.

-

Bij werkzaamheden in de actieve periode van de ringslang (1 maart tot 1 november) kunnen aanwezige exemplaren worden verstoord.

Permanente effecten Bij werkzaamheden in het broedseizoen (1 maart tot 1 augustus) kunnen mogelijk nesten van algemene broedvogels worden vernietigd. -

Bij werkzaamheden in de overwinteringsperiode van de ringslang ( 1 november tot 1 maart) kunnen aanwezige exemplaren worden gedood en overwinteringsplekken en zomerhabitat worden vernield.

-

Bij werkzaamheden in de actieve periode van de ringslang (1 maart tot 1 november) kunnen aanwezige exemplaren worden gedood.

Tabel 2: Te verwachte effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Vleermuizen

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Broedvogels

Verstoren Vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Ringslang

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 Lid 1 (a) Artikel 3.10 Lid 1 (b)

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor de ringslang. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van de ringslang. Het betreft overwinteringsplaatsen en zomerhabitat.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

-

Indien uit aanvullende inventarisaties blijkt dat de ringslang in het projectgebied aanwezig is dienen passende mitigerende maatregelen te worden getroffen om verstoring op deze soort te voorkomen.

-

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen is het noodzakelijk om bij nachtelijke werkzaamheden het gebruik van kunstlicht tot een minimum te beperken en uitstraling van licht richting de watergangen te voorkomen.

-

Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk (jonge) bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 1 maart - 1 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien 10

werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. -

3.4.3

De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING

Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor de ringslang en verstoring en/of aantasting niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

11

4

BESCHERMDE NATUURGEBIEDEN

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Op circa 40 meter ten oosten van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN (zie afbeelding 2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt op circa 3.5 kilometer van het projectgebied en betreft Botshol (zie afbeelding 3).

Afbeelding 2: Projectgebied ten opzichte NNN (webkaart.provincie-utrecht.nl)

Afbeelding 3: Projectgebied ten opzichte Natura 2000 (synbiosys.alterra.nl)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Effecten middels externe werking op Natura 2000-gebieden worden eveneens niet verwacht gelet op de aard van de werkzaamheden en de ontwikkeling die uiteindelijk zorgen voor een zeer beperkte toename van CO2. 1 In het beleid van de provincie Utrecht ten aanzien van het NNN zijn regels omtrent externe werking vastgelegd . Het is mogelijk dat ook ontwikkelingen buiten het NNN van invloed zijn op het functioneren van het NNN. Het betreft bijvoorbeeld ontwikkelingen die een verstorende invloed hebben, of ontwikkelingen die leiden tot aanpassingen van het watersysteem in de buurt van een verdrogingsgevoelig natuurgebied. De geplande ontwikkeling betreft woningbouw in het projectgebied buiten het NNN. Er vinden geen grootschalige ingrepen in het landschap plaats die van invloed kunnen zijn op het functioneren van het nabijgelegen NNN. Effecten op NNN door externe werking worden dan ook niet verwacht.

1

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Provincie Utrecht (Herijking 2016)

12

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5.1

CONCLUSIES Het projectgebied biedt geschikt habitat voor de ringslang en algemene broedvogels. Tevens kunnen op naastgelegen watergangen vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn en kunnen vleermuizen boven het groen en het water foerageren. Essentiële vliegroutes van vleermuizen worden niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Tevens biedt het projectgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Hoewel er geen essentiële functies voor vleermuizen worden verwacht kan er wel sprake zijn van verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen. Nesten of functioneel leefgebied van vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd worden niet verwacht in het projectgebied. Middels het treffen van mitigerende maatregelen kunnen effecten op vleermuizen en broedvogels worden voorkomen. De aanwezigheid van de ringlang is nog niet inzichtelijk. Indien deze soort een overwinteringsplaats of zomerhabitat in het projectgebied heeft dient voor het verwijderen hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tevens dienen in dat geval maatregelen te worden getroffen om de effecten op deze soort tot een minimum te beperken. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Het NNN en Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden in het projectgebied.

5.2

AANBEVELINGEN Om verstoring van vleermuizen te voorkomen is het noodzakelijk om bij nachtelijke werkzaamheden het gebruik van kunstlicht tot een minimum te beperken en uitstraling van licht richting de watergangen te voorkomen. Om verstoring van broedvogels te voorkomen is het aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 1 maart - 1 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Mogelijk komt de ringslang in het projectgebied voor. Het is aan te bevelen onderzoek naar de ringslang uit te voeren en in het bijzonder naar het voorkomen van winterverblijfplaatsen van de ringslang. Hiervoor dient op een geschikte dag in het vroege voorjaar een inspectie te worden uitgevoerd nabij de mogelijke overwinteringsplekken. De beste tijd hiervoor betreft een eerste warme dag na de winterperiode waarbij het minimaal 15°C wordt.

Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Ringslang

Winterverblijfplaatsen en zomerhabitat

Maart t/m oktober

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt

Binnen de periode 1 maart t/m 1 augustus

13

6

LITERATUUR

BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument kerkuil, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. NGB, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Provincie Utrecht, 2016. Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028, Provincie Utrecht (Herijking 2016). Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017), Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. Internet NDFF www.gbif.org webkaart.provincie-utrecht.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

14

Bijlage 1:

Foto-impressie

Binnenzijde loods

Achterzijde loods

Takkenhopen

Opgaande ruigte

Tijdelijke plassen

Braamstruweel en opschot berk / eik / wilg

15

Bijlage 2:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 123/468 Soortgroep Naam Bescherming Amfibieën Amfibieën

bastaardkikker gewone pad

1

1 1

Afstand

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Amfibieën

kleine watersalamander

Amfibieën

meerkikker

1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

groene glazenmaker

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 1km

Reptielen

ringslang

Wnb A

< 5km

Vaatplanten

groenknolorchis

HR IV & Bern I

< 5km

Vissen

kwabaal

Wnb A

< 2km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

tweekleurige vleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

grauwe vliegenvanger

Cat. 5

< 5km

Vogels

groene specht

Cat. 5

< 5km

Vogels

grote bonte specht

Cat. 5

< 5km

Vogels

huismus

Cat. 2

< 5km

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

kerkuil

Cat. 3

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

Ooievaar

Cat. 3

< 5km

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte roodstaart

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

aardmuis

1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bosmuis

1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

1

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 1km

Wnb A

< 1km

Wnb A

< 1km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergmuis

Zoogdieren

egel

1

1 1

Zoogdieren

haas

Zoogdieren

hermelijn

1

Zoogdieren

huisspitsmuis

Zoogdieren

konijn

Zoogdieren

1

veldmuis

1

1

16

Soortgroep

Naam

Zoogdieren

vos

Zoogdieren

waterspitsmuis

Zoogdieren

wezel

Zoogdieren

1

1

woelrat

1

Bescherming

Afstand

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 5km*

Wnb A

< 5km

* = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O.Logisch 1 = Vrijstelling

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10184525/1