Raadsvoorstel 37, Bijlage 5 Nader onderzoek huismus en vleermuis
Tekst van het document
G&G-rapport 2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Inventarisatie Demmerik 122124 te Vinkeveen Inventarisatie in het kader van de natuurwetgeving
F.N.M. van der Knaap
2018
Opdrachtgever Fam. W. van Kouwen
G&G-rapport 2018-47
Versie Concept Eindrapport
Datum 29 september 2018
Gecontroleerd door: R. de Beer
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
5
1.1
Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6
1.4
Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode 2.1
7
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten .................................................... 7 2.1.1 Huismus ..................................................................................................................... 7
2.2
Vleermuizen ............................................................................................................. 8
2.3
Veldbezoeken .......................................................................................................... 8 2.3.1 Afwijking van vleermuisprotocol ............................................................................. 10
3
Huismus
11
4
Vleermuizen
12
5
4.1
Gewone dwergvleermuis....................................................................................... 12
4.2
Ruige dwergvleermuis ........................................................................................... 15
4.3
Laatvlieger.............................................................................................................. 15
Effectbeoordeling en maatregelen
17
5.1
Huismus ................................................................................................................. 17
5.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 17
6
Conclusies en aanbevelingen
18
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
19
8
Bijlagen
20
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
4
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan het Demmerik 122-124 nabij Vinkeveen, Provincie Utrecht, her in te richten. Voorafgaand aan het werk is een ecologisch vooronderzoek uitgevoerd (Van der Knaap, 2017) waaruit is gebleken dat mogelijk vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Huismus) of vleermuizen kunnen verblijven in de bebouwing. Om dit nader te onderzoeken heeft Fam. W. van Kouwen opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode april-september 2018. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van Huismus en vleermuizen binnen het plangebied.
Ligging van plangebied plangebied Demmerik 122-124.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
6
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied ligt in het Groene Hart en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Demmerik. Rondom de lintbebouwing langs deze weg liggen open graslandpolders met lange smalle kavels omgrensd met sloten.
1.4
Geplande werkzaamheden Op de locatie zal de bestaande bebouwing zoals schuren, kassen en woningen worden gesloopt voor de bouw van vijf nieuwe woningen. Naast de sloop van de bestaande gebouwen zullen de werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van de vegetatie-toplaag en het vergraven van de bodem. Mogelijk worden ook wateroevers vergraven en wateren plaatselijk gedempt en worden struiken en/of (jonge) bomen gerooid of gekapt.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3-4 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies en eventuele aanbevelingen. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. In de bijlages zijn tevens de relevante verspreidingskaarten opgenomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
2
7
Methode 2.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Alleen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd, zijn geïnventariseerd. Het gaat om de Huismus. Deze soort komt in de omgeving van het plangebied voor (NDFF) en Huismussen kunnen gevestigd zijn in bebouwing zoals die aanwezig is in het plangebied. Uiteraard is tijdens de inventarisatie ook gelet op eventueel andere aanwezige jaarrond beschermde broedvogels of andere beschermde soorten.
2.1.1
Huismus Het onderzoek is uitgevoerd conform het KENNISDOCUMENT HUISMUS, VERSIE 1.0, BIJ12 juli 2017. Op 17 april en 4 mei 2018 zijn twee bezoeken aan het plangebied gebracht om de verblijfplaatsen van Huismussen te inventariseren. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. De bezoeken vonden plaats tussen twee uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang en zijn uitgevoerd bij gunstige (weers-) omstandigheden. Door langzaam rond te lopen en te posten in het plangebied wordt duidelijk of- en waar Huismussen aanwezig zijn. Tijdens elk van de inventarisatierondes is het gehele plangebied bezocht. Zowel nestindicatieve waarnemingen als waarnemingen van vogels in geschikt broedbiotoop zijn op locatie gekarteerd.
Alle waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. Daarbij is de classificatie uit Tabel 1 aangehouden.
Gebruikte klassen bij de kartering.
Abundantieklasse Aantal exemplaren 1 1 2 2-4 3 5-10 4 11-25 5 >25
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
8
2.2
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de WNB onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is om de aanwezigheid en de verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, zoals dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2017). Voorafgaand aan het veldwerk zijn belangrijke habitats binnen het plangebied en de directe omgeving bepaald. Het onderzoek is op grond van voorkomende habitats vooral gericht op de gebouwbewonende soorten Gewone dwerg-vleermuis, Ruige dwergvleermuis en eventueel Meervleermuis. Verblijvende Gewone Grootoorvleermuis en Laatvlieger worden op voorhand niet verwacht omdat rond het plangebied geen grote bosschages als foerageergebied voorhanden zijn of omdat de kieren en openingen in de bebouwing niet groot genoeg zijn voor een Laatvlieger. Uiteraard zijn deze en ook andere soorten wél gezocht in het plangebied en zijn eventueel bezoekrondes en/of bezoektijden tussentijds aangepast aan bevindingen tijdens het veldwerk.
2.3
Veldbezoeken Door middel van veldwerk zijn de daadwerkelijke aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn vier bezoeken volbracht in de periode mei tot en met september 2018. Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manier worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens een veldverkenning (tijdens de quickscan en de eerste bezoekronde) zijn relevante elementen zoals bijvoorbeeld aanwezige begroeiing en randen daarvan, holtes in bomen, aanwezige lijnvormige beplanting en wateren in beeld gebracht en zijn delen van bebouwing nader op potentie beoordeeld. Bij dit onderzoek en met behulp van een zaklamp is bij inspecteerbare delen van het plangebied bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar sporen van gebruik zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij holtes, vraatresten in schuren. Het terreingebruik door vleermuizen is op grond van de veldverkenning ’s nachts nader onderzocht door middel van surveilleren en posten met gebruik van batdetectors (Petersson 100 en 240x. Bij het onderzoek werden ook sterke zaklamp en een warmtebeeldcamera (Pulsar Helion XP50) ingezet en was er de
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
9
mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Batlogger-M). Tijdens alle veldbezoeken is gekeken naar aanwezige vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe delen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. De eerste twee bezoeken aan het begin van de zomer zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van zwermactiviteit bij kraamverblijven of zomerverblijven. Deze zwermactiviteit treedt met name aan het einde van de nacht op en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door rustig door het plangebied surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieggaten). Aangezien het onderzochte object meerdere gebouwen omvat en op voorhand geen precieze uitvlieglocaties bekend waren, zijn de eerste twee rondes als vroege ochtendronde uitgevoerd, het zoeken naar verblijven en activiteit in de ochtend is veel effectiever dan het vaststellen van (het zeer snelle) uitvliegen. Het derde bezoek in augustus is mede gericht geweest op het vaststellen van middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis. Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf. Het laatste bezoek is vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit.
Een (laat bezet) paarverblijf kan ook als winterverblijf dienst doen. Vanwege de meerdere object en het aantal potentieel geschikte plekken en de positie daarvan voor met name verblijfsgebruik van vleermuizen, is de inventarisatie uitgevoerd met twee personen. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag, lag de temperatuur hoger dan acht graden Celsius en werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft. Voor een overzicht met informatie van de veldbezoeken zie Tabel 2. Overzicht en informatie van de veldbezoeken t.b.v. het vleermuisonderzoek in plangebied Demmerik in 2018
Datum
Start onderzoek
Duur
23 mei
2 uur voor zonsopgang
2 uur
22 juni
2 uur voor zonsopgang
2 uur
24 aug
00:00
2 uur
13 sept
2:15 uur na zonsondergang
2 uur
Van der Goes en Groot
Weersomstandigheden
Opzet
droog, temp>14°C, wind < 3bft droog, temp>14°C, wind < 4bft droog, temp>4°C, wind < 12bft
Kraamverblijven, zomerverblijven, terreingebruik Kraamverblijven, zomerverblijven, terreingebruik Zwermactiviteit, paarverblijven, terreingebruik
droog, temp>12°C, wind < 1bft
Paarplaatsen/baltsverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
10
2.3.1
Afwijking van vleermuisprotocol Suboptimale bezoekrondes In het plangebied is één optimale ronde uitgevoerd voor het middernachtzwermen van Gewone dwergvleermuis. De bebouwing binnen het plangebied is laag, wordt niet altijd verwarmd en heeft weinig bufferende capaciteit ten aanzien van warmte. Daarom worden geen bijzondere microklimaten verwacht en is de bebouwing naar verwachting niet geschikt als (massa)winterverblijf. Het middernachtzwermen wordt daarom niet verwacht en is daarom in één ronde optimaal onderzocht. In de andere (najaars-)rondes is hier uiteraard wel op gelet. In afwijking van het vleermuisprotocol is geen direct onderzoek naar winterverblijven uitgevoerd. In de winterperiode zijn winterverblijven zeer moeilijk vast te stellen. Het gaat vaak om diepe holtes, spouwmuren en ruimtes die aanwezig zijn in daken die niet of zeer slecht bereikbaar zijn en waar het risico bestaat dat (bij daadwerkelijke aanwezigheid) verstoring optreedt. Door te letten op het optreden van middernachtzwermactiviteit en de (late) aanwezigheid van (paar) verblijven of activiteit is onderzocht of mogelijk sprake is van winterverblijven in het plangebied.
Nachtelijk onderzoek naar vleermuizen met behulp van een batdetector.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
3
11
Huismus De verspreiding van de waargenomen Huismussen in het plangebied en/of de directe omgeving daarvan, staat in Bijlage 1. De soort is aangetroffen bij verschillende adressen rond het plangebied aan de Demmerik. De dichtst bijzijnde locatie is de tuin rond Demmerik 61 en 65. Hier waren meerdere territoriaal actieve exemplaren aanwezig in de heggen rond de huizen. Ook iets noordelijker, aan de andere van de weg met de even huisnummers, zijn ook tjilpende Huismussen gehoord, nabij een kippenhok. Binnen het plangebied zijn geen Huismussen aangetroffen.
Waargenomen Huismus langs de Demmerik, buiten het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
12
4
Vleermuizen In plangebied Demmerik 122-124 zijn drie soorten vleermuizen vastgesteld. In Tabel 3 staan de aangetroffen soorten. De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staat in Bijlage 1.
Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen en bescherming/bedreiging in plangebied Demmerik in 2018.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
Aantal 10 tallen enkele enkele
Beschermd x (HR IV) x (HR IV) x (HR IV)
Rode lijst gevoelig
Er werden langsvliegende, foeragerende exemplaren en baltsende vleermuizen waargenomen en er is tevens een groot verblijf van de Gewone dwergvleermuis vastgesteld in één van de gebouwen. Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in plangebied Demmerik kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.
4.1
Gewone dwergvleermuis In plangebied Demmerik werd de Gewone dwergvleermuis vooral aangetroffen langs de weg aan de voorzijde van het plangebied en boven de parkeerplaats voor het bedrijfsgebouw. In de eerste bezoekronde werd een grote verblijfplaats vastgesteld in een bedrijfsgebouw aan de Demmerik 124a. Het ging hierbij om 24
Foto gemaakt met een warmtebeeldcamera van één inkruipende Gewone dwergvleermuis (rode stip rechts op de foto tegen de muur), en een zwermende Gewone dwergvleermuis (midden op de foto).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
13
invliegende en zwermende Gewone dwergvleermuizen. Het bleek dat de vleermuizen gevestigd waren in een uitsparing van de schuifdeur in de schuur . De dieren hingen open in een smalle betonnen spleet. Gezien de plek en de open positie van de vleermuizen betreft het hier een tijdelijk verblijf (zomerverblijf) van hoogstwaarschijnlijk vrouwelijke dwergvleermuizen. Een kraamverblijf wordt vanwege het weinig beschutte karakter onwaarschijnlijk geacht. In de vervolgrondes werden op de locatie ook geen vleermuizen meer waargenomen, de dieren zijn na de eerste ronde waarschijnlijk verhuisd naar een geschikte, meer besloten kraamruimte buiten het plangebied.
Een rij vleermuizen achter de deurrails op het bedrijfsgebouw van Demmerik 124a.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
14
In de later bezoekrondes werden langs de weg aan de voorzijde van het plangebied een aantal baltsende Gewone dwergvleermuizen waargenomen, de waarnemingen van deze baltsende Gewone dwergvleermuizen kon niet worden gekoppeld aan bebouwing binnen het plangebied. Algemeen De Gewone dwergvleermuis is de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort wordt beschouwd als hoofdzakelijk gebouwbewonend. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen en daklijsten gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats in voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van (kraam)kolonies. Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode half juli – augustus. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Baltsende mannetjes worden ook vaak vliegend waargenomen en zijn dan vaak niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de (zomer)verblijven.
Het foerageergebied wordt via vaste en veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, boszomen en watergangen.
Uitwerpselen onder het verblijf van Gewone dwergvleermuizen Demmerik 124a.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
4.2
15
Ruige dwergvleermuis Rond het plangebied Demmerik werd de Ruige dwergvleermuis vooral aangetroffen langs ‘Ter Aase Zuwe’. De soort werd alleen langsvliegend en foeragerend gezien zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met (bebouwing in) het plangebied. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Ruige (of Nathusius’) dwergvleermuis is in ons land jaarrond een algemeen verspreide soort, met name ten noorden van de grote rivieren. Het leefgebied is zeer divers, maar de grootste aantallen bevinden zich in bosrijk of parkachtig gebied. Ruige dwergvleermuizen gebruiken uiteenlopende (tijdelijke) verblijfplaatsen, zoals boomholten, bastspleten, nestkasten, spouwmuren, houtstapels en kelders. Hoewel de soort in ons land ook ’s zomers verspreid wordt waargenomen, bevinden kraamkolonies zich vooral in Noord- en Oost-Europa (slechts één keer in ons land).
4.3
Laatvlieger Rond het plangebied Demmerik werden slechts enkele langsvliegende Laatvliegers opgemerkt. De waarnemingen van de soort hebben waarschijnlijk betrekking op dieren die op weg zijn van of naar foerageergebieden of de verblijfplaatsen. Er werden geen aanwijzingen verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bebouwing in het plangebied. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Laatvlieger komt in ons land algemeen verspreid voor rond dorpen in agrarisch gebied, parken, tuinen en stadsranden. In Nederland bewonen Laatvliegers gedurende het hele jaar uitsluitend gebouwen. Kraamkolonies worden vooral aangetroffen op (kerk)zolders, in spouwmuren of achter gevelbekleding, waarbij de dieren vaak weggekropen zijn tussen balken en in spleten. Een populatie Laatvliegers gebruikt veelal een netwerk van verblijven, waarbij relatief vaak van plaats wordt gewisseld. Voor zover bekend leven mannetjes vrijwel het gehele jaar solitair. Overwinterende dieren worden meestal in kleine groepjes aangetroffen, mogelijk in dezelfde gebouwen als waarin zich de zomerverblijven bevinden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
16
Laatvliegers foerageren na het uitvliegen eerst kort in sociale groepen nabij de kolonieplaats. Daarna zoeken ze afzonderlijk de open jachtgebieden op. Deze liggen veelal in kleinschalig agrarisch gebied dat rijk is aan vochtige graslanden. Hierbij kunnen relatief grote afstanden worden afgelegd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
5
17
Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen nabij en binnen het plangebied kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.
5.1
Huismus Er zijn geen Huismussen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. In de omgeving zijn wel Huismussen aangetroffen. Het plangebied maakt geen (essentieel) deel uit van het leefgebied van de Huismussen. Veranderingen in het plangebied zullen geen negatief effect hebben op de aanwezige Huismussen in de omgeving.
5.2
Vleermuizen Verblijfplaatsen De aanwezige verblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis, zal door sloop van de schuur aan het Demmerik 124a verdwijnen. Er is voorafgaand aan sloop van dit gebouw tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Het foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Op termijn zal de begroeiing van het plangebied herstellen en blijven dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Vliegroutes Er zijn geen (essentiële) vliegroutes aanwezig binnen het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
18
6
Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie zijn in het plangebied vleermuizen aangetroffen. Hieronder zijn de gebruiksfuncties binnen het plangebied weergegeven. (zie Tabel 4).
Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruikfuncties in plangebied Demmerik in 2018.
Aanwezig in plangebied
Verblijfplaats
Essentieel leefgebied
nee
nee
nee
Verblijfplaats ja nee nee
Foerageren ja nee nee
Vliegroute nee nee nee
Vogels Huismus Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
♣ In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis. Er dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ Het foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
7
19
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BEUSEKOM, R. VAN, HUIGEN P., HUSTINGS F., DE PATER, K. & THISSEN J. (RED.), 2005. Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Tirion uitgevers B.V., Baarn. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. Utrecht. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion, Baarn. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVONonderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. KNAAP, F.N.M. VAN DER, 2017. Demmerik 122-124, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G advies QS2017-120, Van der Goes en Groot, Alkmaar. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer.
Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
20
8
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Verspreidingskaart Huismus Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Bijlage 1 Verspreidingskaart Huismus !
! !
Huismus Demmerik 122-124 Verspreidingskaart 2018
0
!
territoriumindicerend, ronde 1
!
territoriumindicerend, ronde 2
^ ^
nestindicerend, ronde1 nestindicerend, ronde2
±
0,075 km
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Bijlage 2 Verspreidingskaarten vleermuizen
±
# *
# * # * # * # * # *
* *# # *#
# * ! (# # * * # * # * # * # * # * # * # *
Gewone dwergvleermuis Demmerik 122-124 Vinkeveen Ronde 1 Ronde 2 Ronde 3
* Baltsplek )
Baltsverblijf
(
Zomerverblijf
_ Kraamverblijf
* ) ( _ 1
* ) ( _ 2-4 ( _ 5-10
vliegroute Ronde 4 Ronde 5
Van der Goes en Groot
foerageergebied
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
(_
(_
11-25 >25
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Bijlage 3 Huidige natuurwetgeving Bijlage 3.1 Wet Natuurbescherming (WNB) De Wet Natuurbescherming (WNB) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 3.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 3.2 Soortbescherming Bijlage 3.2.1 Categorieën Onder de WNB wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 3.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 5.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Zoogdieren
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZL
ZH
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Aardmuis
+
Bosmuis
+
+
+
+
+
+
Bunzing
+
+
+
+
+
+
Dwergmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Eekhoorn
+
Egel
+
+
Gewone bosspitsmuis
+
Haas
+
+
+
+
+
+
Hermelijn
+
+
+
+
+
+
Huisspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Konijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ondergrondse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ree
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Rosse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Steenmarter
+
Tweekleurige bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Veldmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Vos
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wezel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wild zwijn Woelrat
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bastaardkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bruine kikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone pad
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Amfibieën en reptielen
Hazelworm Kleine watersalamander
+ +
+
+
+
+
Levendbarende hagedis Meerkikker
+ +
+
Van der Goes en Groot
+
+
+
+
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Bijlage 3.2.2 Verbodsbepalingen De WNB bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 3.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 3.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 3.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 3.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
♣ Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 3.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken!
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4
Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 3.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 3.3 Gebiedsbescherming De WNB regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de WNB (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 3.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is op 1 juli 2015 de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings- of vergunning plichtig zijn.
Bijlage 3.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 3.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 3.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Bijlage 3.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 2 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Zie Bijlage 3.2.1
Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 3.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 3.2.3
Zie Bijlage 3.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 3.5.1 Ontheffingsaanvraag WNB Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Inventarisatie Demmerik 122-124 te Vinkeveen
♣ Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. ♣ Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de WNB bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie.
Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2018-47
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl